Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2011-201233000-VII nr. C

33 000 VII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2012

C BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 december 2011

Inleiding

Tijdens de plenaire behandeling van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 11 mei 2010 heeft de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mevrouw Bijleveld-Schouten, uw Kamer naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Doek (CDA) en Ten Hoeve (OSF), toegezegd dat de Kamer per brief zal worden geïnformeerd op welke wijze de verantwoordelijke bewindspersoon van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de toegezegde legislatieve terughoudendheid ten aanzien van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zal waarborgen.

Achtergrond van de toezegging van een rustige legislatieve periode van ongeveer vijf jaar na de transitie is dat de burgers en bestuurders van Bonaire, Sint Eustatius en Saba met ingang van de transitie op 10 oktober 2010 geconfronteerd zijn met een grote hoeveelheid nieuwe regelgeving en daarna een periode van gewenning en rust gewenst is. Bovendien is het verstandig om eerst enige ervaring op te doen met nieuwe regelgeving alvorens over eventuele (nieuwe) wijzigingen na te denken.

Legislatieve terughoudendheid en systeem van de Invoeringswet

Vooropgesteld zij, dat «legislatieve terughoudendheid» niet betekent dat er in het geheel geen nieuwe regelgeving kan worden ingevoerd. Ten eerste zal de nu bestaande wetgeving moeten worden onderhouden en moet het mogelijk zijn eventuele noodzakelijke verbeteringen aan te brengen. Ten tweede moet het uitgangspunt van de legislatieve terughoudendheid er niet aan in de weg staan dat nieuwe wetgeving tot stand komt die ertoe bijdraagt dat eventuele misstanden worden opgelost. Verbeteringen zullen in beginsel echter wel plaatsvinden vanuit de nu geldende regelgeving voor Caribisch Nederland: het is niet de bedoeling om de komende jaren op grote schaal wetgeving die thans in het Europese deel van Nederland geldt, in Caribisch Nederland in te voeren. Verder moet in voorkomende gevallen de noodzaak om tot nieuwe of gewijzigde regelgeving te komen uitdrukkelijk worden gemotiveerd tegen de achtergrond van de legislatieve terughoudendheid. Dit is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid voor de bewindspersoon belast met het betreffende beleidsdossier.

Op grond van het systeem van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is de «gewone» Nederlandse wetgeving (dat wil zeggen de wetgeving die in het Europese deel van Nederland geldt) niet automatisch van toepassing op de BES-eilanden. Artikel 2 van die wet bepaalt namelijk dat Nederlandse wetgeving alleen van toepassing is voor zover dat uitdrukkelijk is bepaald of op andere wijze onmiskenbaar uit een wettelijk voorschrift blijkt.

Dit is een waarborg dat regelgeving alleen van toepassing wordt in Caribisch Nederland als daar een expliciete keuze aan ten grondslag ligt.

Onderwijsregelgeving

Op iedere regel is een uitzondering. Ten aanzien van Caribisch Nederland is de onderwijswetgeving daar het voorbeeld van. De beperkte onderwijskwaliteit van vóór 10-10-2010 gaf aanleiding tot een andere aanpak waarbij niet de bestaande landsverordeningen, maar de Europees Nederlandse onderwijswetten als uitgangspunt hebben gediend.1 Voor aanhangige wijzigingen en toekomstige wijzigingen van de Europees Nederlandse onderwijsregelgeving wordt daarom steeds nagegaan of ook wijziging van de BES-regelgeving in de rede ligt.

In het kader van de legislatieve terughoudendheid wordt daarbij steeds de vraag gesteld of het in verband met de uitvoerbaarheid en administratieve lasten mogelijk en/of nodig is om de nieuwe artikelen al in werking te laten treden of niet. Op die wijze wordt geborgd dat de onderwijsregelgeving voor Caribisch Nederland en de toepassing daarvan zo veel mogelijk blijft sporen met de onderwijsregelgeving die geldt voor het Europese deel van Nederland, en wordt tóch recht gedaan aan het beginsel van legislatieve terughoudendheid door middel van uitgestelde inwerkingtreding.

Betrokkenheid BZK bij regelgeving voor Caribisch Nederland

Alle nieuwe wetsvoorstellen en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur komen in de ministerraad, onderraden en ambtelijke voorportalen aan de orde. In die zin zijn de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties reeds automatisch betrokken bij de totstandkoming van regelgeving die uitsluitend of mede van toepassing wordt in Caribisch Nederland.

Wanneer een wetsvoorstel of een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur bestuurlijke en/of financiële consequenties heeft voor Bonaire, Sint Eustatius en/of Saba, dient hierover vooraf interdepartementale afstemming plaats te vinden met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit moet worden aangegeven op het ministerraadformulier dat hiertoe sinds 10-10-2010 is aangepast. Dit is een extra waarborg voor de betrokkenheid van mijn departement. Voor zover wetgeving in Caribisch Nederland wordt ingevoerd waarbij geen sprake is van bestuurlijke en/of financiële consequenties voor de eilanden, is overigens de praktijk dat eveneens vooraf ambtelijke afstemming met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties plaatsvindt voordat deze in procedure wordt gebracht.

Mede gezien de huidige geringe omvang van de wetgevingsactiviteiten ten aanzien van Caribisch Nederland, acht ik het niet nodig de betrokkenheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij het waarborgen van de legislatieve terughoudendheid, zoals daar vanuit de Eerste Kamer om is verzocht, te intensiveren.

Wetgevingsactiviteiten ten aanzien van Caribisch Nederland

De wetgevingsactiviteiten in het afgelopen jaar, het eerste jaar na de transitie, betroffen in hoofdzaak de regelgeving die in het kader van de staatkundige veranderingen nog afgerond moest worden, zoals de onderwijswetgeving en de Wet Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer BES. Daarnaast zijn bijvoorbeeld in het Belastingplan 2012 enkele fiscale regelingen voor Caribisch Nederland bijgesteld.

Ook zijn fouten en omissies, die gaandeweg in de BES-wetgeving ontdekt zijn, hersteld. Veel van dergelijke technische wijzigingen zijn tot stand gekomen op grond van artikel 20 van de Invoeringswet. Op grond van dat artikel konden tot een jaar na de transitiedatum BES-wetten en algemene maatregelen van bestuur worden aangepast door middel van een ministeriële regeling. Toepassing van die bepaling vereiste wel expliciete goedkeuring van de desbetreffende ministeriële regeling achteraf bij formele wet onderscheidenlijk algemene maatregel van bestuur. Deze goedkeuringsregelgeving is deels reeds afgerond en deels nog in behandeling.

Het is niet onwaarschijnlijk dat technische verbeteringen aan BES-regelgeving ook de komende paar jaar nog regelmatig nodig zullen blijken. Zo is op het gebied van het ambtenarenrecht in overleg met de lokale vakbonden voor overheidspersoneel al een harmonisatietraject in gang gezet.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. E. Spies


X Noot
1

Hier is uitgebreid bij stilgestaan in het algemeen deel van de toelichting bij de Tweede aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State (Kamerstukken II 2009/10, 32 419, nrs. 3 en 4).