33 605 XIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Economische Zaken 2012

Nr. 7 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 7 juni 2013

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Economische Zaken over het Rapport van de Algemene Rekenkamer bij het Jaarverslag 2012 van het Ministerie van Economische Zaken, onderdeel Economie en Innovatie (Kamerstuk 33 605 XIII, nr.2).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 6 juni 2013. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Hamer

Adjunct-griffier van de commissie, Van Bree

Vraag 1

Kunt u toelichten waarom u in 2012 € 186 miljoen minder heeft uitgegeven aan duurzame energie dan begroot?

Antwoord

Dit is gelegen in vertraging in en uitval van projecten bij met name de oude SDE, ten opzichte van de verwachtingen bij het opstellen van de ontwerpbegroting.

Vraag 2

Kunt u aangeven of de constatering van de Algemene Rekenkamer dat de productie van duurzame energie in Nederland mogelijk trager wordt gerealiseerd dan beoogd een juiste is?

Antwoord

PBL en ECN hebben het regeerakkoord doorgerekend en geconstateerd dat het beschikbare budget voldoende is om de doelstelling van 16% in 2020 te halen. Er zijn echter ook niet-financiële factoren die een rol spelen in de realisatie en die tot vertraging kunnen leiden. Zo is de regelgeving voor wind op zee niet goed toegesneden op deze projecten. Ik werk dan ook aan een wetswijziging. De beoogde wetgeving voor windenergie op zee betreft wetgeving voor het uitgiftebeleid van vergunningen op zee, vooral gericht op een flexibeler en eenvoudiger proces en wetgeving voor het net op zee. Ook kunnen vergunningsprocedures en discussies over ruimtegebruik voor bijvoorbeeld wind op land voor vertraging zorgen.

Vraag 3

Kunt u aangeven wat de belangrijkste oorzaken zijn voor de extra bijdrage van € 128 miljoen euro die voor de baten-lastenagentschappen in 2012 benodigd was?

Antwoord

Voornaamste oorzaak zijn aanvullende opdrachten aan de EZ agentschappen (in totaal € 90,9 mln), die bij begroting 2012 nog niet waren geraamd. Dienst Regelingen (+ € 36 mln) en de NVWA (+ € 27 mln) zijn daarbij uitschieters. Zoals aan de Kamer uitgelegd in de reactie op de motie Jacobi (TK 33 400 XIII, nr. 66, januari 2013), vindt dit zijn oorsprong in de planningssystematiek die in het verleden binnen het ministerie is gebruikt.

Daarnaast is sprake van € 37,3 mln niet vooraf geraamde bijzondere baten. Dit betreft veelal bijdragen van EZ als eigenaar van de agentschappen aan bijzondere kosten die niet binnen de reguliere exploitatie van de agentschappen kunnen worden opgevangen, zoals reorganisatiekosten en overige bedrijfsvoeringskosten. Het grootste deel (€ 26,753 mln) betreft een bijdrage aan de NVWA voor compensatie van de afkoop van resterende huurverplichting laboratoria. De NVWA heeft deze leeggemaakt, maar zolang de laboratoria niet kunnen worden verkocht, lopen de huurkosten door. Hiervoor heeft EZ een bedrag beschikbaar gesteld, hetgeen toegevoegd wordt aan de voorziening leegstand.

Vraag 4

Bent u voornemens om de achterliggende oorzaken van de structureel benodigde hogere bijdrage aan de baten-lastenagentschappen nader te analyseren? Zo ja, wanneer kunt u deze analyse delen met de Kamer?

Antwoord

Deze analyse is reeds gemaakt en met de Kamer gedeeld via brieven van juli 2012 (TK 33 240 XIII, nr. 19) en januari 2013 (TK 33 400 XIII, nr. 66, januari 2013).

Vraag 5

Kunt u aangeven hoe u het jaarverslag kunt beweren dat de € 1,7 miljard investering voor 0,7% bijdraagt in de 16% doelstelling terwijl daar volgens de Algemene Rekenkamer geen informatie over wordt gegeven?

Antwoord

In de SDE+ is € 1,7 miljard aan beschikkingen afgegeven aan duurzame energieprojecten. Per project wordt een bepaalde energieproductie gesubsidieerd. Het optellen van de jaarlijkse energieproductie van al deze projecten leidt tot een energieproductie die overeenkomt met circa 0,7%punt bijdrage.

Vraag 6

Denkt u dat een nadere analyse naar de achterliggende oorzaken van de structureel benodigde hogere bijdrage aan de baten-lastenagentschappen kan bijdragen aan inzicht in die oorzaken?

Antwoord

Zoals aan de Kamer uitgelegd in de reactie op de motie Jacobi (TK 33 400 XIII, nr. 66, januari 2013), is de achterliggende oorzaak vooral de planningssystematiek die in het verleden binnen het ministerie is gebruikt. Deze leidde er toe dat bij het opstellen van de begroting nog niet het volledige opdrachtenpakket bekend was; dit werd pas later in het jaar vastgesteld, hetgeen leidde tot bijstellingen gedurende het jaar.

Daarnaast spelen onvoorziene extra werkzaamheden die moeten worden verricht (bijvoorbeeld door de uitbraak van een plant- of dierziekte, of door eisen die in het kader van EU conformiteit worden gesteld) een rol in het tussentijds bijstellen van de begroting. Dergelijke bijstellingen kunnen ook in de toekomst nodig zijn.

Vraag 7

Is volgens u de berekening van de Algemene Rekenkamer correct, waarop waar op zij haar stelling baseert dat u de uitgaven aan de Borgstellingsregeling Midden- en Kleinbedrijf niet realistisch inschat?

antwoord op de vragen 7, 9, 10, 18 en 19

De Algemene Rekenkamer geeft aan dat het onduidelijk is of de maatregelen die zijn genomen om het verlies te beperken voldoende zijn om het resterende tekort op te vangen tussen netto structureel beschikbaar en verwacht gemiddeld verlies. De Algemene Rekenkamer beveelt aan om het structureel jaarlijks beschikbare bedrag voor de BMKB te verhogen en voor deze verhoging dekking te zoeken binnen de begroting. De reeds genomen maatregelen waarop de Rekenkamer doelt betreffen o.a. het terugdraaien per 1 januari 2012 van de verruimingen die sinds 2008 vanwege de kredietcrisis zijn ingevoerd. Ook is per 1 april 2013 de provisie die eenmalig betaald moet worden om van de borgstelling gebruik te kunnen maken verhoogd. Zoals in de brief (Kamerstuk 31 311 nr. 93) over de structurele kostenbeheersing van de BMKB van 24 oktober 2012 wordt aangegeven, zijn de effecten op de schadedeclaraties van het deels terugdraaien van de verruimingen die sinds 2008 vanwege de kredietcrisis zijn ingevoerd pas na enkele jaren te waarderen. Met de combinatie van reeds gepleegde budgettaire herschikkingen binnen de begroting, en de instelling van een interne begrotingsreserve om per saldo meevallende premieopbrengsten te reserveren zijn naar mijn mening voor de lange termijn echter de nodige maatregelen getroffen om de verliesdeclaraties en de gewenste dekking binnen de EZ-begroting in evenwicht te brengen. Voorts zal ik op basis van de meest recente cijfers bij het indienen van de nieuwe begroting in overleg met de minister van Financiën bezien of de raming moet worden aangepast.

Vraag 8

Bent u voornemens, als gevolg op de in 2013 voorgenomen maatregelen om de problematiek van begrotingsoverschrijdingen op te lossen, de bijdrage aan de baten-lastenagentschappen realistischer te begroten? Zo ja, welke verhoging zal dit betekenen en ten laste van welke post zal dit bedrag komen?

Antwoord

Ja. In de reactie op de motie Jacobi heeft de Staatssecretaris van EZ toegezegd dat om dergelijke bijstellingen gedurende het jaar te voorkomen, de budgetten die nodig zijn voor een goede taakuitvoering van DR en NVWA, structureel op orde zullen worden gebracht. Dit is in de Ontwerpbegroting 2013 en in de eerste suppletoire begroting 2013 gerealiseerd voor 2013. Voor 2014 en verder krijgt dit ook in de Ontwerpbegroting 2014 nog een vervolg. De verhogingen komen tot uitdrukking in de bijdragen aan de agentschappen op de diverse beleidsartikelen en zullen voor elk agentschap binnen het desbetreffende beleidsartikel worden gedekt.

Vraag 9

Kunt u aangeven welke maatregelen u, naast de verhoging van de provisie, gaat nemen om het gemiddeld jaarlijks verlies op de BMKB op te vangen?

Antwoord

Zie vraag 7

Vraag 10

Waarom wordt er geen onderbouwing gegeven waarom met name de versoberingen van de regeling BMKB afdoende zouden zijn om het voorziene begrotingstekort op de garantieregeling op te heffen?

Antwoord

Zie vraag 7

Vraag 11

Is de veronderstelling van de Algemene Rekenkamer juist dat de uitgaven voor duurzame energie, die lager zijn dan begroot, een signaal kan zijn dat de productie van duurzame energie in Nederland trager wordt gerealiseerd dan beoogd?

Antwoord

Zie vraag 2.

Vraag 12

Bent u in het bezit van de informatie om een totaalplaatje zoals de Algemene Rekenkamer voorstelt, met de uitgaven en de bijdrage daarvan aan de doelstelling van duurzame energie, in het volgende jaarverslag (2013) te verwerken?

Antwoord

Zoals toegezegd bij het debat in de Tweede Kamer bij de begrotingsbehandeling van de EZ begroting 2013 zal ik informatie over de uitgaven, verwachte productie en verwacht doelbereik jaarlijks bij de begroting van Economische Zaken aan de Kamer ter beschikking stellen. Ik zal de Kamer dan ook informeren over de hoeveelheid duurzame energie die in het afgelopen jaar is geproduceerd en die wij in het komende jaar willen laten produceren.

Vraag 13

Kunt u aangeven hoeveel de daadwerkelijke energieprijzen in 2012 afweken van het worst case scenario waarop de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) subsidie uitgaven worden gebaseerd?

Antwoord

Het worst case scenario waarmee de subsidie-uitgaven voor de SDE worden geraamd is gebaseerd op de minimale energieprijs waarvoor de subsidie wordt gecorrigeerd, de zogenaamde basisenergieprijs. Het verschil tussen de minimale energieprijs waarvoor wordt gecorrigeerd en de werkelijke energieprijs bedraagt 0,3 tot 0,4 ct/kWh. De actuele situatie ligt dicht bij het worst case scenario door de actuele marktsituatie met lage elektriciteitsprijzen. Voor groen gas (circa 18% van de productie uit de SDE) is het verschil ruim 10 ct/Nm3.

Vraag 14

Kunt u aangeven of de afwijking tussen de daadwerkelijke energieprijzen en het worst case scenario waarop de SDE subsidie uitgaven worden gebaseerd een rol speelt in de jaarlijks terugkomende onderuitputting?

Antwoord

De worst case raming van de SDE regeling wordt gecompenseerd door de realistische raming van de MEP. Van de MEP-regeling wordt een verwachting gemaakt van het aantal projecten dat energie produceert en de hoogte van de productie. Deze manier van ramen brengt financiële risico’s mee voor de begroting, maar die worden deels afgedekt door de worst case raming in de SDE. Deze twee benaderingen zijn goed met elkaar in balans doordat hoge energieprijzen onderuitputting van de SDE tot gevolg hebben, maar ook leiden tot hogere uitgaven in de MEP. Doordat de MEP niet meebeweegt met de energieprijzen, leiden hogere energieprijzen tot hogere opbrengsten voor de producent en daardoor tot extra productie, met name door middel van biomassa. De worst case benadering van de SDE heeft daardoor een minder groot effect op vrijval dan op het eerste gezicht zou lijken. De gehanteerde energieprijsscenario’s hebben echter wel een invloed op eventuele onderuitputting.

Vraag 15

Kunt u aangeven of de wereldwijde ontwikkelingen met betrekking tot schaliegas, goedkope steenkolen, lage CO2 prijzen, negatieve Duitse stroomprijzen ervoor gezorgd hebben dat het worst case scenario waarop de SDE subsidie is gebaseerd is overschreden?

Antwoord

De genoemde ontwikkelingen leiden tot lagere energieprijzen. Dat leidt tot hogere subsidie-uitgaven in de SDE. Deze ontwikkelingen zorgen er dus voor dat de werkelijkheid dichter bij het worst case scenario komt te liggen.

Vraag 16

Kunt u aangeven waarom u lage energieprijzen als worst case scenario typeert?

Antwoord

Omdat de subsidie in de SDE en SDE+ meebeweegt met de energieprijzen, betaal ik meer subsidie bij lage energieprijzen. Door de hogere uitgaven is dit voor de begroting een worst case scenario.

Vraag 17

Kunt u aangeven waarom het inkoopbeheer kennelijk een hardnekkig probleem vormt wat zich steeds verder uitbreidt en waarvoor blijkbaar de verantwoordelijke personen nog steeds niet zijn ontslagen?

antwoord

Het is juist dat de AR over 2012 heeft geoordeeld dat het inkoopbeheer bij meer onderdelen van het ministerie dan in 2011 niet op orde was. Omdat bij alle andere onderdelen niet is vastgesteld dat het inkoopbeheer niet op orde zou zijn, kan niet worden gesproken over een zich uitbreidend hardnekkig probleem. De onvolkomenheden betreffen ook niet alle aspecten van het gehele traject van aanbestedingen, contract- en inkoopbeheer, maar telkens een of twee punten daaruit.

Ik wijs er op dat de AR mijn ministerie ook complimenteert met de goed verlopen samenvoeging van twee departementen. Een van de belangrijkste projecten daarbij is de invoering van een nieuw gezamenlijk ICT-systeem voor de bedrijfsvoering. In dit systeem zijn verschillende functies zoals inkoop- en contractbeheer, maar vooral ook de begrotings- en de financiële administratie, inclusief de betaalfunctie, geïntegreerd. Ook dit is succesvol verlopen. Uitrol van met name de functie contractbeheer vindt stapsgewijs plaats over de onderdelen van het ministerie. Het beheer van alle contracten in dit systeem is belegd bij het in oprichting zijnde Inkoop Uitvoeringscentrum, dat per 1 januari 2014 volledig operationeel zal zijn. Met deze organisatie- en systeemveranderingen kunnen door de stevige centrale regievoering onvolkomenheden in hoge mate worden voorkomen.

Vraag 18

Kunt u aangeven waarom u van mening bent dat de genomen maatregelen om het verlies van de BMKB te beperken voldoende zijn om het resterende tekort op te vangen?

Antwoord

Zie vraag 7

Vraag 19

Wordt de aanbeveling van der Algemenen Rekenkamer om structureel het beschikbare bedrag voor de BMKB te verhogen overgenomen? Zo ja, op welke wijze wordt deze verhoging gedekt?

Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Zie vraag 7

Naar boven