33 605 IV Jaarverslag en slotwet Koninkrijksrelaties 2012

Nr. 5 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 7 juni 2013

De vaste commissie voor Koninkrijksrelaties heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het Jaarverslag 2012 van Koninkrijksrelaties (Kamerstuk 33 605 IV, nr.1).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 6 juni 2013. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Recourt

De griffier van de commissie, De Lange

1

Uit welke onderdelen bestaat het tot en met 2014 doorlopende samenwerkingsbeleid tussen Nederland enerzijds en Sint Maarten en Curaçao anderzijds, en welke financiële gevolgen heeft dit samenwerkingsbeleid tot en met 2014?

Antwoord: Het samenwerkingsbeleid voor Sint Maarten en Curaçao bestaat uit een aantal samenwerkingsprogramma’s die zijn ondergebracht in twee verschillende stichtingen: de Antilliaanse Medefinancieringsorganisatie (AMFO) en de Stichting Ontwikkeling Nederlandse Anitillen (SONA). De AMFO beheert sinds 2004 de Nederlandse ontwikkelingsgelden die voor NGO’s op Sint Maarten en Curaçao bedoeld zijn. Thema’s als jeugd, ouderen, zieken, gehandicapten, tienermoeders en integrale wijkaanpak worden met behulp van AMFO-gelden opgepakt. In de stichting SONA zijn de gelden van de samenwerkingsprogramma’s Onderwijs en Jongeren (OJSP), Institutionele Versterking van de Bestuurskracht (IVB), het sociaaleconomisch Initiatief (SEI) en Plan Veiligheid (Nederlandse Antillen) ondergebracht. De laatste storting van het Nederlandse samenwerkingsbeleid heeft in 2012 plaatsgevonden. In 2012 ging het om een storting van € 40 miljoen voor SONA en € 6,5 miljoen voor AMFO. De uitvoering van AMFO loopt nog door tot eind 2013 en van SONA tot eind 2014.

2

Kan aangegeven worden bij welke gelegenheden en op welke wijze van Nederlandse zijde de nieuwe landen zijn gewezen op het gevolg van het feit dat zij de status van autonoom land bezitten, en op de verantwoordelijkheden die dat met zich meebrengt?

Antwoord: In de contacten met mij en mijn ambtsvoorgangers en de correspondentie over de samenwerkingsmiddelen wordt steeds aandacht besteed aan de gevolgen die de landsstatus heeft voor de samenwerkingsmiddelen. Met name de verantwoordelijkheid van de landen om na afloop van het samenwerkingsbeleid voldoende geld te reserveren in de begroting om de resultaten van het samenwerkingsbeleid te kunnen borgen. Ook de Vertegenwoordiging van Nederland in Curaçao, Aruba en Sint Maarten heeft regelmatig overleg met de landen op ambtelijk en bestuurlijk niveau waarin het onderwerp met grote regelmaat voor het voetlicht is en wordt gebracht.

3

Voldoet Aruba tot nu toe aan haar stortingen om de oorspronkelijk geplande projecten alsnog uit te voeren? Hoe is de planning en evaluatie van de projecten? Hoe ziet het nieuw meerjarenprogramma er uit?

Antwoord: Aruba heeft steeds voldaan aan haar stortingen, zoals overeengekomen in het Protocol van Afspraken inzake de samenwerking tussen Aruba en Nederland. De beëindiging van het samenwerkingsprogramma via het ontwikkelingsfonds Fondo Desaroyo Aruba (FDA) is in februari 2012 door minister-president Eman en mijn ambtsvoorganger vastgesteld op eind 2015. Dan moeten ook alle projecten administratief zijn afgerond. De laatste storting door Nederland in het fonds van FDA is begin 2013 gedaan. In opdracht van Aruba en Nederland is in de periode van 1 juni tot en met 1 oktober 2012 een evaluatie uitgevoerd naar de werking van het FDA en de Meerjarenprogramma’s over de periode 2000 tot en met 2012. Doel van deze evaluatie was om te toetsen in hoeverre afspraken zijn nagekomen en of de aanbevelingen uit een eerdere evaluatie in 2005 zijn opgevolgd. Verder zijn ook de afspraken en procedures tegen het licht gehouden, zodat waar nodig de samenwerking tot en met december 2015 verbeterd kan worden. Op 9 juni a.s. vindt met MP Eman een bestuurlijk overleg plaats over de vervolgstappen na deze evaluatie. Belangrijke onderwerpen zijn dan de herprioritering van de projecten binnen FDA en de wijze waarop gerapporteerd zal worden gedurende de resterende periode van de samenwerking tussen Aruba en Nederland in FDA. De eindevaluatie van het samenwerkingsprogramma FDA zal in 2016 zijn beslag krijgen.

4

Hoe maakt de minister duidelijk dat de toepassing van de waarborgfunctie moet worden voorkomen? Wat is het probleem met het gebruik van de waarborgfunctie zoals in het Statuut beschreven?

Antwoord: De waarborgfunctie van de Koninkrijksregering komt pas in beeld als een land zelf er structureel niet in slaagt de mensenrechten, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur te realiseren. Ingrijpen door toepassing van de waarborgfunctie is ingrijpen in de autonomie van de landen. Daarom moet er terughoudend mee worden omgesprongen. Als er iets misgaat, is het in de eerste plaats aan de organen en mechanismen in het betrokken land om dit te corrigeren. Zo nodig, kan het betrokken land aangesproken worden en worden gestimuleerd tot het treffen van een adequate remedie om de situatie te redresseren.

5

Welke zeggenschap heeft Nederland over de inzet van de Koninklijke Marechaussee op Sint Maarten? Klopt het dat de Koninklijke Marechaussee nu niet meer in de frontoffice zit maar in de backoffice t.a.v. de vreemdelingenketen?

Antwoord: Nederland stelt sinds 2008 een flexibel inzetbare pool van de Koninklijke Marechaussee (KMar) beschikbaar ten behoeve van de ondersteuning van de rechtshandhaving in Curaçao en Sint Maarten en incidenteel Caribisch Nederland. Het protocol, dat na de staatkundige transitie is opgesteld, bepaalt de taakgebieden waar de Marechaussee op kan worden ingezet, namelijk binnen het grens- en vreemdelingentoezicht, voor bestrijding van drugssmokkel via de lucht- en zeehavens en voor de bestrijding van drugs-, migratie- en geweldscriminaliteit. De inzet binnen die taakvelden geschiedt vervolgens op verzoek van de betreffende minister van Justitie. De medewerkers van de KMar opereren in de landen onder het lokaal gezag en onder aansturing van het lokale diensthoofd.

Het klopt dat op verzoek van toenmalig minister van Justitie Sint Maarten, de heer Duncan, de inzet van de Koninklijke Marechaussee op luchthaven Princess Juliana International Airport medio 2012 is verschoven van de ondersteuning in de frontoffice naar de backoffice van de grensbewaking. In de backoffice wordt de Koninklijke Marechaussee onder aansturing van het Korps Politie Sint Maarten ingezet voor de opsporing van luchthaven gerelateerde criminaliteitsvormen. Tevens is de KMar beschikbaar voor de opvolging van signalen vanuit de frontoffice, vallende onder de nieuwe immigratiedienst.

6

Wat de laatste stand van zaken wat betreft de aanwijzing van de Rijksministerraad aan Curaçao? Kunt u aangeven of het effect heeft en of het financieel herstel is ingezet?

Antwoord: In aanvulling op de aan uw Kamer op 25 maart gezonden halfjaarrapportage over de periode half juli tot en met december 2012 van het College financieel toezicht waarin het Cft in paragraaf 1.2.3. is ingegaan op de effecten van de aanwijzing en waarbij het Cft heeft geconcludeerd dat de aanwijzing een positief effect heeft gehad omdat het veel onduidelijkheid heeft weggenomen en ervoor gezorgd heeft dat de budgettaire problemen rondom de begrotingsuitvoering zijn gemitigeerd, bericht ik u voorts het volgende.

Bij brief van 10 april heeft het Cft geconcludeerd dat Curaçao voldaan heeft aan vier van de zes onderdelen van de aanwijzing en in grote mate heeft voldaan aan de overige aanbevelingen van het Cft. Dit leidde tot het oordeel van het Cft, met inachtneming van tevens het uitvoeringsbeeld van de begroting tot dan toe, dat de begroting 2013 op dat moment voldeed aan de normen van artikel 15 van de Rijkswet, op twee onderdelen van de aanwijzing na waar het Cft een voorbehoud bij heeft gemaakt.

Aan vier van de zes onderdelen van de aanwijzing is tegemoet gekomen, het betreffen:

  • het niet langer uitgaan van besparingen in de begroting 2012 en het niet inzetten van de wettelijke reserves van de SVB voor het dekken van tekorten;

  • het opnemen van maatregelen in de begroting van 2012 en de meerjarenbegroting om oplopende tekorten op te vangen;

  • het versterken van de regie op de uitvoering van maatregelen;

  • het niet opnemen van verplichtingen tot het aangaan van leningen zolang er geen meerjarig evenwicht is.

Het onderdeel van de aanwijzing dat betrekking heeft op de vacaturestop moet volgens het Cft in stand blijven. Ten aanzien van de compensatie van oude tekorten is afgesproken met Curaçao de rapporten van de accountant en de Algemene Rekenkamer over de jaarrekeningen 2010 afgewacht zullen worden omtrent een oordeel over de inzet van de BRK reserves.

Curaçao staat aldus het Cft voor een grote budgettaire uitdaging met een zeer ambitieuze begroting. De begroting 2013 is nodig om de overheidsfinanciën van het land structureel te versterken, en het Cft heeft waardering voor het feit dat de regering van Curaçao voortvarend aan de slag is gegaan met de voorgenomen maatregelen. Het Cft zal de begrotingsontwikkeling nauwlettend blijven monitoren.

7

Kan de minister aangeven waarop hij de verwachting baseert uiterlijk eind 2013 een eindadvies van de Vereffeningscommissie te ontvangen?

Antwoord: In de tweede helft van 2013 wordt de boedelbalans opgemaakt. De Vereffeningscommissie zal vervolgens een voorlopige boedeltoedeling en vereffening opstellen die voor besluitvorming wordt voorgelegd aan de rechtsopvolgende landen Curaçao, Sint Maarten en Nederland. Niettemin blijven nog een aantal zaken dan open staan, die nader onderzoek en analyse vergen. De Vereffeningscommissie heeft aangegeven waarschijnlijk niet de streefdatum 1 januari 2014 te zullen halen, om te komen tot een afronding van de werkzaamheden.

Er zijn diverse discussiepunten die het komende jaar zullen moeten worden besproken. Er zijn nog waarderingskwesties van de onroerende goederen en terreinen, vaststelling van de reële waarde van de activa van de naamloze vennootschappen waar de Nederlandse Antillen deelnemingen in hadden. De commissie heeft geconstateerd dat enkele bij wet ingestelde instellingen zoals de Sociale Verzekeringsbank, het Algemeen Pensioenfonds Nederlandse Antillen, het Fonds Ziektekostenverzekering Overheidsgepensioneerden en het fonds Algemene Voorziening Bijzondere Ziektekosten nog omvangrijke vorderingen hebben op het voormalige land Nederlandse Antillen.

De commissie zal bovenstaande vorderingen de komende maanden nader onderzoeken op houdbaarheid.

8

Kunt u aangeven welke andere factoren, naast mondialisering en internationalisering, het vervullen van verantwoordelijkheden beïnvloeden? Zijn dit ook bestuurlijke factoren?

Antwoord: Mondialisering en internationalisering maken dat landsgrenzen steeds minder praktische betekenis hebben, zeker waar het (kleine) eilanden betreft zoals Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De verantwoordelijkheid voor de rechtshandhaving van de eilanden ligt bij de afzonderlijke autonome landen. Het bestuur van de betreffende landen maakt keuzes ten aanzien van het budget en het beleid op het terrein van de rechtshandhaving en is op die manier een factor van invloed op de rechtshandhaving.

9

Is het moeilijk of is er geen ambitie voor op de betrokken landen, in het bijzonder Sint Maarten, om grensoverschrijdende criminaliteit, drugssmokkel, mensenhandel en terrorisme te bestrijden?

Antwoord: Het is voor een klein land als Sint Maarten niet eenvoudig zelfstandig grootschalige onderzoeken naar grensoverschrijdende criminaliteit uit te voeren. Zoals ik heb aangegeven bij vraag 8, is voor de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit, drugssmokkel, mensenhandel en terrorisme internationale samenwerking noodzakelijk. Binnen het Koninkrijk wordt daarom door Aruba, Curaçao, Nederland en Sint Maarten bijvoorbeeld samengewerkt binnen de Kustwacht voor het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch gebied en het Recherchesamenwerkingsteam. Daarnaast werkt Sint Maarten aan de versterking van de eigen organisaties binnen de rechtshandhaving, bijvoorbeeld in het kader van het Plan van Aanpak voor het politiekorps.

10

Kan de minister aangeven wat hij wil zeggen met de opmerking dat bij het invullen van de statutair bepaalde autonomie het resultaat van de inspanning afhankelijk is van de mate waarin overeenstemming bestaat tussen de landen over de te volgen aanpak in het bereiken van de beleidsdoelstellingen? Is er sprake van onzekerheid of onwil?

Antwoord: De middelen die vanuit artikel 1 van hoofdstuk IV ter beschikking worden gesteld ten behoeve van de «preventieve waarborgfunctie», worden ingezet op een terrein dat valt onder de autonome verantwoordelijkheid van de landen, namelijk de rechtshandhaving. Het resultaat van de inzet van de middelen is zodoende mede afhankelijk van de landen. Voor bijvoorbeeld de Kustwacht en het Recherchesamenwerkingsteam geldt dat het beleid gezamenlijk met de landen wordt vastgesteld. Dat betekent dat de resultaten afhankelijk zijn van de overeenstemming die daarover wordt bereikt met de participerende landen.

11

Blijft het leasen van helikopters voor de Kustwacht permanent, of worden er helikopters aangeschaft in eigen beheer van de Kustwacht?

Antwoord: De Kustwacht beschikt over twee AW-139 helikopters die geleased worden van een civiel bedrijf. Het contract met dit bedrijf loopt tot 2022. Daarnaast heeft de Kustwacht beschikking over een vastgesteld aantal vlieguren van de helikopter van het stationsschip van de Koninklijke Marine. Er zijn op dit moment geen voornemens om helikopters te kopen.

12

Komen alle betalingen van de gezamenlijke bijdragen voor de Kustwacht op tijd binnen? Zijn er betalingsachterstanden?

Antwoord: De bijdragen voor de Kustwacht van de landen van het Caribisch deel van het Koninkrijk komen niet altijd binnen de gestelde betaaltermijn binnen. Op dit moment bestaan er echter geen betalingsachterstanden.

13

Kan de minister aangeven of de Kustwacht met de extra capaciteit nu beter invulling kan geven aan zijn taken of dat het nu conform het gewenste beleid is?

Antwoord: Ik ga ervan uit dat u met «extra capaciteit» doelt op de in 2012 aangeschafte vijf nieuwe lichte vaartuigen. Deze vaartuigen zijn bedoeld om te worden ingezet in gebieden waarbinnen de super-RHIBs minder of helemaal niet geschikt zijn, zoals binnenwateren en drukke recreatiegebieden. Hiermee kan de Kustwacht nog beter en gedifferentieerder invulling geven aan het beleid zoals uiteengezet in het Jaarplan en het Lange Termijnplan 2009–2018.

14

Hoe staat het met het onderzoek naar de vermeende verkiezingsfraude van Theo Heyliger? Kan de minister aangeven wat de stand van zaken is?

Antwoord: Rechtshandhaving valt onder de autonome bevoegdheden van de landen. Dit betekent dat het aan het Openbaar Ministerie op Sint Maarten is om onderzoeken te verrichten en te bepalen of en zo ja wie vervolgd zou moeten worden. Ik ben als minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland niet verantwoordelijk voor eventuele strafrechtelijke onderzoeken van het land Sint Maarten en kan u zodoende niet informeren over de stand van zaken met betrekking tot een mogelijk onderzoek naar vermeende verkiezingsfraude door de heer Heyliger.

15

Kan de minister per land aangeven hoeveel geld er tot nu toe is betaald en gaat worden voor de schuldsanering? Wat is het totaalbedrag en wanneer zijn de betalingen afgerond? In welke vorm wordt de schuldsanering uitgevoerd?

Antwoord: De schuldsanering viel uiteen in twee onderdelen:

  • 1. de sanering van schuldtitels, langlopende leningen die het voormalig Land Nederlandse Antillen en Curaçao zijn aangegaan om in hun financieringsbehoefte te voorzien;

  • 2. de sanering van betalingsachterstanden, schulden aan derde partijen voor geleverde goederen of diensten.

De sanering van schuldtitels (in totaal ca 3,4 mrd. NAf= circa € 1,5 mrd.) is al in 2010 afgerond. Hiervan was 1,5 mrd. NAf van het voormalige land Nederlandse Antillen (Sint-Maarten en Caribisch Nederland) en 1,9 mrd. NAf van Curaçao. Het aandeel van Sint Maarten in de schuld van het voormalige Land Nederlandse Antillen is door Nederland gesaneerd, wat de startpositie van Sint Maarten per 10-10-10 met 280 mln. NAf heeft verbeterd. Voor de betalingsachterstanden is in totaal ruim 100 mln. NAf, (binnen de gemaakte afspraken) gesaneeerd. Hiervoor geldt dat de laatste afwikkelingen in 2011 en begin 2012 plaats hebben gevonden. Voor Sint Maarten was dat 65,5 mln. NAf aan betalingsachterstanden. Voor Curaçao bedroeg dat in totaal 37,4 mln. NAf.

16

Kan de minister aangeven hoe effectief het financieel toezicht is? Wat de laatste stand van zaken met het op orde krijgen van de financiën van de eilanden en of zij inmiddels voortgang hebben gemaakt met het op orde krijgen van de financiën. Wat er gebeurt als deze niet op orde zijn?

Antwoord: Ik verwijs u voor een antwoord inzake Curaçao naar het antwoord op vraag 6. Aanvullend kan daarop worden aangegeven dat het financieel toezicht in 2012 in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het besef in Curaçao dat (financiële) hervormingen noodzakelijk zijn.

Voor Sint Maarten geldt dat de begroting op 17 april jl. is aangenomen door de Staten, maar nog altijd niet vastgesteld is en daarmee ook niet ter definitieve beoordeling aan het Cft voorgelegd. Het Cft heeft adviesmogelijkheden zoals opgenomen in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Rijkswet). Als deze zijn uitgeput en de procedures uit de Rijkswet zijn gevolgd bestaat er conform de Rijkswet de mogelijkheid tot het geven van een aanwijzing.

Het financieel toezicht wordt in 2015 overeenkomstig de bepalingen van de Rijkswet geëvalueerd.

17

Hoe kan de doelbereiking geëvalueerd worden van projecten die in 2000 zijn gestart?

Antwoord: Het huidige Onderwijs en Jongeren Samenwerkingsprogramma (OJSP), het samenwerkingsprogramma Institutionele Versterking van het Bestuur (IVB) en het Sociaal Economisch Initiatief (SEI) lopen vanaf 2008 en zijn in 2011 tussentijds geëvalueerd. De evaluatierapporten zijn naar de Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2010–2011, 31 568, nr. 84, Kamerstukken II, 2011–2012, 31 568, nr. 90 en Kamerstukken II, 31 568, nr. 88). Voorlopers van de huidige programma’s zoals het programma Bestuurlijke Ontwikkeling en het programma Duurzame Economische Ontwikkeling zijn in 2007 al geëvalueerd. In 2015 zal een eindevaluatie van de samenwerkingsprogramma’s plaatsvinden.

18

Kan de minister aangeven wat hij bedoelt met het «verduurzamen van de resultaten» van het samenwerkingsbeleid? Hoe kan dit als er nog geen beeld is van wat de resultaten zijn?

Antwoord: Met het «verduurzamen van de resultaten» van het samenwerkingsbeleid wordt bedoeld dat de landen Sint Maarten, Curaçao en Aruba die maatregelen nemen die ook na afloop van de samenwerkingsprogramma’s van nut zijn voor de landen en daarvoor voldoende middelen voor reserveren op de begroting. Zo heeft Sint Maarten het onderwijsinnovatiekantoor dat was opgericht om goede uitvoering te geven aan het Onderwijs en Jongeren samenwerkingsprogramma opgenomen in de reguliere onderwijsbegroting. Andere vormen van verduurzaming zijn het aantrekken van leerplichtambtenaren en onderwijsinspecteurs, maar ook het reserveren van voldoende financiën in de begrotingen van de landen voor onderhoud van de wegen, gebouwen en meubilair dat met behulp van samenwerkingsmiddelen tot stand is gekomen. Hoewel niet alle resultaten op dit moment volledig in beeld zijn, geven de tussentijdse evaluaties wel de nodige houvast aan de landen in het Caribische deel van het Koninkrijk om alvast stappen richting verduurzaming te zetten (Kamerstukken II, 2010–2011, 31 568, nr. 84, Kamerstukken II, 2011–2012, 31 568, nr. 90 en Kamerstukken II, 31 568, nr. 88).

19

Wat verstaat de minister onder «meer ruimte» als hij opmerkt dat op Sint Maarten voor een aantal deelprojecten van de institutionele versterking en bestuurskracht meer ruimte nodig is? Geldt dit tevens voor programma’s onderwijs en jongerenproblematiek? Betreft het hier tijd of geld? Om welke projecten gaat het voorts?

Antwoord: Sint Maarten heeft eind 2012 meer tijd gekregen om verplichtingen aan te gaan voor een aantal projecten binnen de programma’s Institutionele Versterking van de Bestuurskracht en het Onderwijs en Jongeren Samenwerkingsprogramma. Er is geen extra geld beschikbaar gesteld. Het gaat om de volgende projecten:

IVB: opbouw land, integriteit, opbouw Hoge Colleges van Staat, nieuwe Belastingsdienst, versterking financieel beheer.

OJSP: het funderend onderwijs programma, het deelproject VSBO en het deelproject Youth Development Program van het project Vocational Education 2012.

Overigens past de nieuwe deadline voor het aangaan van verplichtingen binnen de kaders van de afspraken die zijn gemaakt voor de afsluiting van de samenwerkingsprogramma’s: de programma’s worden eind 2014 afgerond.

20

In hoeverre zijn de afspraken uit 2011 voor een transparante verantwoording door SONA nageleefd? Wat gaat de minister doen aan de onrechtmatig ontvangen bedragen?

Antwoord: Begin 2012 heeft mijn ambtsvoorganger met SONA een aantal afspraken gemaakt op onder meer de volgende punten: dossiervorming, inzichtelijk maken van projectresultaten, verbeteren van de opdracht aan de accountant voor diens controle, regelen hoe en wanneer de definitieve subsidievaststelling door BZK zal plaatsvinden en herziening van de beheersovereenkomst en het bijbehorende controleprotocol. Dit heeft er onder meer toe geleid dat mijn ambtsvoorganger en SONA in juni 2012 een nieuwe beheersovereen-komst en controleprotocol zijn overeengekomen. In de beheersovereenkomst zijn de afspraken neergelegd over de begroting, het financieel beheer en de wijze van rapporteren naar BZK. SONA vermeldt in haar voortgangsverslag juli-december 2012 dat een intensivering van de controle op betalingen en de aanscherping van de dossiervorming heeft plaatsgevonden en dat extra controlemomenten in de betaalcyclus zijn ingevoerd.

21

Hoe is tussentijds het subsidieprogramma AMFO geëvalueerd, en wordt na afloop, eind 2013 / begin 2014, een eindevaluatie gehouden? Is bekend of eerdere subsidies op de goede plek zijn gekomen?

Antwoord: In 2008 is er een externe evaluatie uitgevoerd onder de NGO’s die via deze stichting subsidie ontvangen. Aan het eind van dit samenwerkingsprogramma in 2014 wordt een eindevaluatie gehouden. De doelmatigheid en de resultaten van de samenwerkingsmiddelen op programmaniveau zullen in deze eindevaluatie naar voren komen.

22

Is de evaluatie van de werking van het FDA ook beschikbaar voor de Kamer? Wat is het kamerstuknummer?

Antwoord: De evaluatie van de werking van FDA en Meerjarenprogramma’s Evaluatie 2000 – 2012 is niet eerder naar u gezonden. Indien gewenst kan ik u die doen toekomen.

23

Kan de minister aangeven wanneer de plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten wel uitgevoerd zullen worden? Is oktober 2014 echt de einddatum of is er dan wederom een verlenging mogelijk? Hoe komt het dat de plannen nog niet uitgevoerd waren? Wat is de status?

Antwoord: De verschillende plannen van aanpak voortkomend uit de Algemene Maatregel van Rijksbestuur Waarborging plannen van aanpak Curaçao en Sint Maarten, worden sinds 2010 uitgevoerd. Of de plannen in 2014 eindigen moet blijken uit de op dat moment behaalde resultaten. Aangezien de plannen van aanpak als doel hebben dat de landen hun eigen landstaken zo snel mogelijk naar behoren kunnen uitvoeren, is het streven om de plannen van aanpak zo spoedig mogelijk af te ronden. Het is echter mogelijk om de AMvRB met nog eens twee jaar te verlengen, indien gebrek aan resultaat hiertoe aanleiding geeft. Conform de motie van het lid Leerdam c.s. van 14 april 2010 (Kamerstuk 32 213 (R1903) en artikel 42 van de AMvRB dienen beide Kamers van de Staten-Generaal gekend te worden in ieder besluit tot beëindiging of verlenging van de AMvRB. Voor de status van de verschillende plannen van aanpak verwijs ik u naar de uitvoerings- en voortgangs-rapportages die ik periodiek aan uw Kamer stuur.

24

Kan de minister aangeven waar het definitieve concept boedelbalans van de Vereffeningscommissie blijft, nu het volgens het verslag in maart 2013 verwacht zou mogen worden?

Antwoord: Gezien de complexiteit en het veelal ontbreken van adequate informatie (bijvoorbeeld het ontbreken van jaarverslagen) vergt het opstellen van de boedelbalans meer tijd en werk dan oorspronkelijk gedacht. In september 2013 zal de commissie de werkzaamheden met betrekking tot de boedelbalans afronden. Dan zullen ook de rechtsopvolgers worden geïnformeerd ten dienste van bestuurlijke besluitvorming. Eind 2013 biedt de commissie aan de drie betrokken ministers van Curaçao, Sint Maarten en Nederland haar eerste adviezen aan betreffende de toedeling van de activa en passiva alsmede over de vereffening van over- en onderbedeling.

25

Kan de minister aangeven hoe hij de problematiek bij de totstandkoming van het Jaarverslag Koninkrijksrelaties (Hoofdstuk IV) gaat aanpakken en op welke termijn dit weer in orde zal zijn?

Antwoord: Vanaf 2013 is een verbeterproject van start gegaan ter verbetering van het totstandkomingproces van het jaarverslag en een structurele verhoging van de kwaliteit van het financieel beheer bij Koninkrijksrelaties. Daarbij zijn zowel de directie Koninkrijksrelaties, de centrale en decentrale controlafdelingen, alsmede de Auditdienst Rijk betrokken. Concrete maatregelen die zijn genomen zijn onder meer het structureel inzetten van extra capaciteit ter versterking van het financieel beheer, het wegwerken van achterstanden in de verplichtingen en voorschotten administraties, het maandelijks monitoren van het financieel beheer en het beschrijven van de diverse rollen en verantwoordelijkheden binnen het domein van Koninkrijksrelaties. Ik heb er vertrouwen in dat met deze acties de kaders zijn gezet om het financieel beheer in de tweede helft van 2013 op orde te kunnen hebben.

26

Hoe kan het dat er decharge is verleend terwijl SONA de rechtmatigheid van de besteding van de voorschotten niet kon aantonen? Wie is hier financieel verantwoordelijk voor? Gaat de minister nog verantwoording vragen over 2000–2010?

Antwoord: Mijn ambtsvoorganger heeft het SONA bestuur decharge verleend onder de voorwaarde van het doorvoeren van een aantal maatregelen. Het gaat om maatregelen die zorgen voor verbetering op onder meer de volgende punten: dossiervorming, inzichtelijk maken van projectresultaten, verbeteren van de opdracht aan de accountant voor diens controle, regelen hoe en wanneer de definitieve subsidievaststelling door mijn ministerie zal plaatsvinden en herziening van de beheersovereenkomst en het bijbehorende controleprotocol. Op dit moment heb ik geen aanleiding om extra aandacht te vragen voor de verantwoording van de jaren 2000–2010 die met een jaarlijks accountantsrapport, jaarverslag en decharge zijn afgerond.

27

Wat zijn de beweegredenen geweest om de eerste acht jaar van de lening ten behoeve van het Water- en Energiebedrijf Aruba aflossingsvrij te maken? Welk bedrag loopt Nederland hierdoor mis?

Antwoord: De lening ten behoeve van het Water- en Energiebedrijf Aruba is afgesloten op 1 juli 1996. Als optie heeft Aruba de mogelijkheid gekregen om zelf aan te geven wanneer er van de lening gebruik gemaakt zou worden. Als tegenprestatie is vanuit Nederland aangegeven dat uiterlijk 1 juli 2004 van de lening gebruik gemaakt zou worden met dien verstande dat de rente wel gewoon voldaan werd.

Conform de standaardvoorwaarden bij het verstrekken van leningen was de eerste aflossingsdatum 1 juli 1997. Aruba heeft de toen verschuldigde rente overgemaakt. Nederland is hierdoor geen bedragen mis gelopen.

28

Wat is hiervan het financieel risico voor Nederland nu het garant staat voor de aflossingen en rente van de leningen (Atradius) van Aruba?

Antwoord: Zoals op bladzijde 36 van het Jaarverslag wordt aangegeven is het financieel risico van Nederland € 8,6 miljoen.

Naar boven