Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2022-2023 | 33576 nr. AD |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2022-2023 | 33576 nr. AD |
Vastgesteld 29 maart 2023
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 hebben kennisgenomen van de antwoorden van de Minister voor Natuur en Stikstof van 31 januari 2023, zoals opgenomen in het verslag schriftelijk overleg2 over de achtste voortgangsrapportage Natuur. De leden van de fractie van het CDA hebben naar aanleiding hiervan nog een aantal nadere vragen en opmerkingen.
Naar aanleiding hiervan is op 17 februari 2023 een brief gestuurd aan de Minister voor Natuur en Stikstof.
De Minister heeft op 28 maart 2023 gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, De Boer
Aan de Minister voor Natuur en Stikstof
Den Haag, 17 februari 2023
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben met belangstelling kennisgenomen van uw antwoorden van 31 januari 2023, zoals opgenomen in het verslag schriftelijk overleg3 over de achtste voortgangsrapportage Natuur. De leden van de fractie van het CDA hebben naar aanleiding hiervan nog een aantal nadere vragen en opmerkingen.
Het tempo van inrichting van natuurgebieden ligt te laag door onder meer de gestegen grondprijzen en verminderde grondmobiliteit en dat vraagt volgens u om prioritering. De leden van de CDA-fractie vragen u of genoemde oorzaken voor het te laag liggende tempo voor alle provincies in Nederland gelden of dat zij nadrukkelijker spelen in de zandgebieden (zoals Twente en de Achterhoek).
Voorts vragen zij u om ten aanzien van de realisatie en afronding van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) toe te lichten of u verwacht dat de provincies er in slagen de plannen tijdig te realiseren en af te ronden, zodat het NNN voor 1 april 2023 aan u kan worden opgeleverd. Ook zien zij graag toegelicht wat de relatie is met de provinciale plannen landelijk gebied, die nodig zijn voor de realisatie en uitvoering van rijksbeleid? Welke (ruimtelijke) procedure moeten deze realisatieplannen doorlopen? Worden provinciale staten ook betrokken bij het opstellen van de realisatieplannen NNN en welke ruimtelijke procedure wordt daarbij gevolgd?
Voor het tempo van het inrichten van natuurgebieden is de verlenging van de contracten voor agrarisch natuurbeheer van 6 jaar naar 20- en 30 jarige contracten van cruciaal belang, aldus de leden van de CDA-fractie. Deze leden merken op dat u geen antwoord geeft op de vraag waarom de mogelijkheid van 20- en 30-jarige contracten nog steeds niet is uitgewerkt en gerealiseerd. Dit instrument is volgens de leden van de CDA-fractie nodig om de provinciale plannen landelijk gebied uit te voeren en te realiseren. Deze leden ontvangen op dit punt graag een antwoord, mede gelet op het feit dat zij bij de behandeling van de Omgevingswet, onderdeel Natuur, in 2020 hiervoor hebben gepleit en de Tweede Kamer de motie-Boswijk c.s.4 24 juni 2021 heeft aangenomen. De leden van de CDA-fractie vragen u waarom dit zo lang duurt.
Met betrekking tot het Wierdense Veld hebben de leden van de CDA-fractie de volgende aanvullende vragen. U heeft ingestemd met de term herstellend hoogveen. Deze leden vragen of deze term niet misleidend is, want levend hoogveen is er niet meer. Kunt u deze beleidsdoelstelling van nationaal belang onderbouwen vanwege de bestaande situatie van de natuur, de combinatie met drinkwaterwinning en de vergaande gevolgen voor de uitvoerbaarheid?
Voorts vragen zij nadere toelichting op het «Lijstdocument» uit 2004 met een overzicht van gebiedsselectie voor de Habitatrichtlijn, waarbij het Wierdense Veld gekwalificeerd wordt voor zowel «Aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is» als voor «Noord-Atlantische vochtige heide met dopheide». Met betrekking tot het hoogveen merkt Brussel nog op dat het vanwege de relatief kleine oppervlakte niet tot de belangrijkste gebieden behoort, zo constateren de leden van de CDA-fractie. Kunt u deze toelichtingen nader onderbouwen en aangeven wat daar de gevolgen van zijn bij de uitvoering?
Ten slotte merken deze leden op dat voor de uitvoering en handhaving van beleid het in beeld brengen van de bestaande natuurdata nodig is voor het «meten is weten» en voor de vergunningverlening door overheden. Hiervoor zijn de Natuurdatabank Vegetatie en Habitats en de Nationale databank Flora en Fauna opgericht, zo constateren de leden van de CDA-fractie. Is het juist dat overheden vanaf 2019 de intentie hebben uitgesproken om deze natuurdatabanken toegankelijk te maken voor het publiek? Is het juist dat in maart 2019 gemeld is door Bij12 dat in 2019 deze belangrijke schakel in de natuurmonitoring in gebruik zou worden genomen? Voorts vragen deze leden of in januari 2023 een deel van de natuurdoelen zijn toegevoegd in de databank en ook in de Aerius-natuurkaart. Hoe kunnen grondeigenaren zien hoe en op welke wijze, en op welk moment natuurgegevens worden toegevoegd? Is het juist dat natuurbeschermingsorganisaties wel in de databank kunnen (kijken) en de (andere) grondeigenaren niet? Zo ja, wat is uw mening hierover? Ook vernemen zij graag waarom er door grondeigenaren een Woo-procedure moet worden ingezet om toegang te krijgen tot de juiste data, zoals in Mantingerzand (Drenthe)?
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 17 maart 2023.
Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, L.P. van der Linden
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 maart 2023
De leden van de CDA-fractie van uw vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben nadere vragen gesteld en opmerkingen gemaakt naar aanleiding van mijn antwoorden zoals opgenomen in het verslag van het schriftelijk overleg over de achtste Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk 33 576, AC). In deze brief zal ik deze vragen en opmerkingen beantwoorden.
Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink
172281.03U
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Het tempo van inrichting van natuurgebieden ligt te laag door onder meer de gestegen grondprijzen en verminderde grondmobiliteit en dat vraagt volgens u om prioritering. De leden van de CDA-fractie vragen u of genoemde oorzaken voor het te laag liggende tempo voor alle provincies in Nederland gelden of dat zij nadrukkelijker spelen in de zandgebieden (zoals Twente en de Achterhoek).
Dit speelt in alle provincies, niet alleen op zandgronden zoals in Twente en de Achterhoek.
Voorts vragen zij u om ten aanzien van de realisatie en afronding van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) toe te lichten of u verwacht dat de provincies er in slagen de plannen tijdig te realiseren en af te ronden, zodat het NNN voor 1 april 2023 aan u kan worden opgeleverd.
In het Natuurpact (2013) is tussen Rijk en provincies afgesproken dat de provincies eind 2027 80.000 ha nieuwe natuur hebben ingericht binnen het Natuurnetwerk Nederland. De restantopgave bedroeg op 1 januari 2022 nog 34.400 ha. De provincies hebben afgesproken dat elke provincie een realisatiestrategie opstelt met als inzet het tijdig realiseren van de gezamenlijke inrichtingsopgave. Uit de realisatiestrategieën zal blijken of de provincies verwachten hun aandeel in de inrichtingsopgave eind 2027 te hebben gerealiseerd. De provincies Gelderland en Flevoland hebben aangegeven geen realisatiestrategie op te stellen, omdat zij hun inrichtingsopgave tijdig zullen realiseren.
Ik verwacht de realisatiestrategieën op korte termijn te ontvangen. Ik zal u over de resultaten ervan informeren, uiterlijk bij de aanbieding van de negende Voortgangsrapportage Natuur.
Ook zien zij graag toegelicht wat de relatie is met de provinciale plannen landelijk gebied, die nodig zijn voor de realisatie en uitvoering van rijksbeleid?
De (rest)opgave per provincie is als rijksdoel opgenomen in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG), zodat deze ook onderdeel zal vormen van de provinciale gebiedsprogramma’s.
Welke (ruimtelijke) procedure moeten deze realisatieplannen doorlopen? Worden provinciale staten ook betrokken bij het opstellen van de realisatieplannen NNN en welke ruimtelijke procedure wordt daarbij gevolgd?
De bevoegdheid voor het vaststellen van een provinciaal gebiedsprogramma ligt bij gedeputeerde staten. Niettemin vragen veel provinciale staten om ruime betrokkenheid en daarmee is deze een feit. De vraag welke besluitvormingsprocedure gevolgd wordt, is afhankelijk van de vraag of en in welk stadium een PlanMER wordt opgesteld. Wanneer dat het geval is, is een uitgebreide voorbereidingsprocedure (Artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht) verplicht. Wanneer dit niet het geval is, kan met een eenvoudiger wijze van vaststelling worden volstaan, waarbij via de handreiking gebiedsprogramma’s een aantal voorwaarden met betrekking tot participatie zijn gesteld. Het is goed te beseffen dat het gebiedsprogramma in essentie een beleidsdocument is. Het heeft zelf geen rechtsgevolgen voor derden. Voor de daadwerkelijke realisatie zijn veelal vervolgbesluiten met betrekking tot andere instrumenten noodzakelijk, bijvoorbeeld een peilbesluit, een wijziging van een omgevingsplan of een provinciale verordening voor een Natura 2000-beheerplan.
Voor het tempo van het inrichten van natuurgebieden is de verlenging van de contracten voor agrarisch natuurbeheer van 6 jaar naar 20- en 30 jarige contracten van cruciaal belang, aldus de leden van de CDA-fractie. Deze leden merken op dat u geen antwoord geeft op de vraag waarom de mogelijkheid van 20- en 30-jarige contracten nog steeds niet is uitgewerkt en gerealiseerd. Dit instrument is volgens de leden van de CDA-fractie nodig om de provinciale plannen landelijk gebied uit te voeren en te realiseren. Deze leden ontvangen op dit punt graag een antwoord, mede gelet op het feit dat zij bij de behandeling van de Omgevingswet, onderdeel Natuur, in 2020 hiervoor hebben gepleit en de Tweede Kamer de motie-Boswijk c.s.2 24 juni 2021 heeft aangenomen. De leden van de CDA-fractie vragen u waarom dit zo lang duurt.
Zoals ik in mijn eerdere beantwoording aangaf, werk ik samen met provincies aan het mogelijk maken van het afsluiten van langjarige contracten voor Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) met een looptijd van 12 jaar. Een verlenging van de huidige (ANLb-)contracttermijn van 6 jaar naar 12 jaar is binnen het Nationaal Strategisch Plan (NSP) voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) het maximum. Door gebruik te maken van het ANLb zijn de langjarige contracten gekoppeld aan de financiering vanuit het GLB met een substantiële bijdrage vanuit de Europese Commissie. Ik hecht eraan om deze koppeling met het NSP-GLB bij het mogelijk maken van langjarige contracten te behouden.
De planning voor de uitwerking en realisatie is dat provincies de langjarige contracten aan kunnen bieden nadat de integrale besluitvorming over de besteding van de middelen uit het Transitiefonds is afgerond. Daarna kunnen provincies besluiten om langjarige contracten aan te bieden aan de agrarische collectieven die daarvoor belangstelling hebben.
Met betrekking tot het Wierdense Veld hebben de leden van de CDA-fractie de volgende aanvullende vragen. U heeft ingestemd met de term herstellend hoogveen. Deze leden vragen of deze term niet misleidend is, want levend hoogveen is er niet meer. Kunt u deze beleidsdoelstelling van nationaal belang onderbouwen vanwege de bestaande situatie van de natuur, de combinatie met drinkwaterwinning en de vergaande gevolgen voor de uitvoerbaarheid?
De zogenoemde «verkorte naam» die in Nederland wordt gebruikt voor habitattype 7120 is inderdaad Herstellende hoogvenen. Die naam is niet afhankelijk van het al dan niet aanwezig zijn van het habitattype Actieve hoogvenen (H7110). Overigens staat voor het Wierdense Veld vast dat H7110 aanwezig is. Ik meen dat de naam van het habitattype Herstellende hoogvenen niet misleidend is, want het geeft invulling aan wat met dit habitattype is bedoeld, namelijk: het beschermen van locaties in voormalige actieve hoogvenen die gedegenereerd zijn, maar die potentie hebben voor het bereiken van een goede kwaliteit binnen dertig jaar. Die goede kwaliteit hoeft niet noodzakelijkerwijs «doorgroeien» naar Actieve hoogvenen (H7110) te betekenen: vaker zal de instandhoudingsdoelstelling betekenen dat de kwaliteit van H7120 zelf verbetert. In het beheerplan wordt per gebied uitgewerkt wat een kwaliteitsverbetering concreet betekent.
Voorts vragen zij nadere toelichting op het «Lijstdocument» uit 2004 met een overzicht van gebiedsselectie voor de Habitatrichtlijn, waarbij het Wierdense Veld gekwalificeerd wordt voor zowel «Aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is» als voor «Noord-Atlantische vochtige heide met dopheide». Met betrekking tot het hoogveen merkt Brussel nog op dat het vanwege de relatief kleine oppervlakte niet tot de belangrijkste gebieden behoort, zo constateren de leden van de CDA-fractie. Kunt u deze toelichtingen nader onderbouwen en aangeven wat daar de gevolgen van zijn bij de uitvoering?
In het aanwijzingsbesluit van het Wierdense Veld wordt op deze kwestie uitgebreid ingegaan. Ook in de beroepsprocedure is hier nadrukkelijk bij stil gestaan. Kort gezegd komt het hier op neer, dat bij de selectie van gebieden de overtuiging bestond dat de dopheivegetatie behoorde tot het habitattype Vochtige heiden (H4010A), zodat er betrekkelijk weinig Herstellende hoogvenen in het gebied over waren (en het gebied dus ook niet tot de belangrijkste gebieden voor H7120 behoorde). Uit nader onderzoek, voorafgaand aan de aanwijzing, bleek echter dat die dopheivegetatie volledig onderdeel was van H7120 (Herstellende hoogvenen). Daardoor bleek het gebied wel degelijk tot de vijf belangrijkste gebieden voor H7120 te behoren.
Ten slotte merken deze leden op dat voor de uitvoering en handhaving van beleid het in beeld brengen van de bestaande natuurdata nodig is voor het «meten is weten» en voor de vergunningverlening door overheden. Hiervoor zijn de Natuurdatabank Vegetatie en Habitats en de Nationale databank Flora en Fauna opgericht, zo constateren de leden van de CDA-fractie. Is het juist dat overheden vanaf 2019 de intentie hebben uitgesproken om deze natuurdatabanken toegankelijk te maken voor het publiek?
Ja, dat klopt. Tussen provincies en Rijk is een verbeterproces (transitie) afgesproken van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Hierin wordt onder meer de ICT van het systeem vernieuwd en zullen de natuurdata zoveel mogelijk voor iedereen vrij en gratis beschikbaar worden gesteld (open data beleid). Dat verbeterproces is in 2021 gestart en zal volgens planning vier jaar in beslag nemen. De verwachting is dat deze transitie in 2024 wordt afgerond.
Is het juist dat in maart 2019 gemeld is door BIJ12 dat in 2019 deze belangrijke schakel in de natuurmonitoring in gebruik zou worden genomen?
In maart 2019 heeft BIJ12 een bericht op de website gezet over de ontwikkeling van de Nationale Databank Vegetaties en Habitats (NDVH). Dit betrof specifiek een bericht over NDVH en niet NDFF. De meest recente informatie op de site van BIJ12 over de NVDH is te vinden op: https://www.bij12.nl/nieuws/nationale-databank-vegetatie-en-habitats-ndvh-opgeleverd/
Voorts vragen deze leden of in januari 2023 een deel van de natuurdoelen zijn toegevoegd in de databank en ook in de Aerius-natuurkaart.
In beide natuurdatabanken zijn geen doelen opgenomen, maar gegevens over de (objectief vastgestelde) aanwezigheid van vegetaties en habitats.
AERIUS is een rekentool waarmee de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden wordt berekend. In AERIUS zijn Natura 2000-gebieden opgenomen, met daarin de beschermde habitats. Daarin zijn ook de habitats opgenomen die sinds november 2022 zijn beschermd door het «Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden».
Hoe kunnen grondeigenaren zien hoe en op welke wijze, en op welk moment natuurgegevens worden toegevoegd?
Gegevens in de NDFF zijn op dit moment nog onder voorwaarden toegankelijk via een abonnement of een eenmalige levering:
• Abonnementhouders hebben altijd inzicht in de gevalideerde gegevens uit de NDFF. Abonnementen voor de NDFF zijn bedoeld voor professionele gebruikers waaronder adviesbureaus, overheden en natuurbeherende organisaties.
• Andere organisaties en particulieren kunnen een eenmalige levering van gegevens uit de NDFF opvragen:
– een eenmalige levering in het kader van onderwijs, onderzoek, journalistiek of een maatschappelijk doel. Voor deze aanvraag worden meestal geen kosten in rekening gebracht.
– particuliere initiatiefnemers kunnen een aanvraag indienen bij de NDFF voor natuurdata, die zij nodig hebben bij stikstof gerelateerde vergunningstrajecten. Voor deze aanvraag worden geen kosten in rekening gebracht.
De implementatie van de NDVH is nog niet afgerond. De gegevens over onder andere de ligging van habitats zijn beschikbaar via de betreffende voortouwnemer voor het opstellen van Natura 2000-beheerplannen.
Is het juist dat natuurbeschermingsorganisaties wel in de databank kunnen (kijken) en de (andere) grondeigenaren niet? Zo ja, wat is uw mening hierover?
Meerdere natuurbeschermingsorganisaties leveren data aan voor de NDFF. Zij kunnen altijd hun eigen data raadplegen. Dat geldt ook voor grondeigenaren en eigen data die ze aanleveren. Daarnaast is levering via een abonnement of een eenmalige levering mogelijk.
Ik vind het belangrijk dat de data uit de NDFF zoveel als mogelijk openbaar zijn en daarom werken we aan de transitie van het NDFF naar een systeem met open data.
Ook vernemen zij graag waarom er door grondeigenaren een Woo-procedure moet worden ingezet om toegang te krijgen tot de juiste data, zoals in Mantingerzand (Drenthe)?
Momenteel geldt voor de NDFF nog het huidige toegangsbeleid zoals hiervoor omschreven. Er is nu een transitie gaande naar open data beleid die volgens planning in 2024 wordt afgerond, zoals hierboven is toegelicht. Omdat de NDFF dataset van de stichting NDFF is en deze stichting geen bestuursorgaan is, valt dit buiten de reikwijdte van de Woo.
Samenstelling:
Koffeman (PvdD), Faber-Van de Klashorst (PVV), Van Strien (PVV), Gerkens (SP), Atsma (CDA) (ondervoorzitter), Pijlman (D66), Schalk (SGP), Klip-Martin (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Vos (VVD), Crone (PvdA), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Huizinga-Heringa (CU), Kluit (GL), Van der Linden (Fractie-Nanninga) (voorzitter), Meijer (VVD), Otten (Fractie-Otten), Prins (CDA), vacant (GL), Van der Voort (D66), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA) en N.J.J. van Kesteren (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33576-AD.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.