Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333571 nr. 5

33 571 Rapport van de commissie-Haren

Nr. 5 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 12 juni 2013

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 24 april 2013 overleg gevoerd met minister Opstelten van Veiligheid en Justitie over:

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 8 maart 2013 betreffende het rapport van de commissie Haren (Kamerstuk 33 571, nr. 1);

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 28 maart 2013 betreffende een reactie op de bevindingen van de commissie Haren (Kamerstuk 33 571, nr. 2).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Jadnanansing

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Nava

Voorzitter: Van Dekken

Griffier: Tielens-Tripels/Roovers

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Berndsen-Jansen, Bontes, Van Dekken, Dijkhoff, Kooiman, Marcouch en Oskam,

en minister Opstelten van Veiligheid en Justitie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aanvang 16.00 uur

De voorzitter: Een heel goede middag allemaal. Ik heet iedereen van harte welkom bij de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie. Op de agenda staan het rapport van de commissie Haren en de reactie op de bevindingen van de commissie Haren. Ik heet ook iedereen op de publieke tribune en elders in het land welkom. Dit debat kreeg in het verleden veel aandacht, het heeft in het hier en nu veel aandacht en zal wellicht ook de aandacht houden, maar dat laatste hangt natuurlijk een beetje af van de wijze waarop wij het debat hier vanmiddag zullen voeren met zijn allen. Het voorstel is om de leden in de eerste termijn maximaal vijf minuten spreektijd te gunnen. Tijdens het antwoord van de minister kunnen zij een tweetal interrupties plaatsen. Zo zouden wij dit met u allen willen afspreken. Ik neem aan dat u hiermee akkoord gaat.

Ik geef als eerste het woord aan de heer Bontes van de PVV.

De heer Bontes (PVV): Voorzitter. De wereld moet niet op zijn kop gezet worden. De relschoppers zijn de schuldigen van wat er is gebeurd in Haren. Brandstichtingen, geweld, gooien, plunderingen, mishandeling, het is de schuld van degenen die de rellen veroorzaakt hebben. Hen moet je keihard aanpakken, en dat is niet gebeurd. Als je ziet hoe de straffen zijn uitgepakt, is het te betreuren hoe laag die straffen weer zijn. Dit is geen voorbeeld voor de volgende keer.

De minister zei dat de politie zich maar moet gaan inleven in jongeren. Bij zo'n reactie denk ik: dat is ook weer de wereld op zijn kop. Laten jongeren zich ook inleven in de wereld van het gezag. Laten wij de zaken dus wel van twee kanten bekijken. Ik vraag de minister om toe te lichten wat hij bedoelt met de zinsnede in de media dat de politie zich maar moet gaan inleven in de jongeren.

Los van wat ik zojuist zei – de relschoppers zijn de schuldigen – zijn er grote fouten gemaakt door de burgemeester van Haren en door de politieorganisatie. Ik heb waardering voor de hulpverleners, voor de politie, de brandweer en de geneeskundige hulpverlening, voor alles wat daar gestaan heeft, maar er zijn grote fouten gemaakt. De burgemeester heeft de zaak volledig onderschat. De besluitvorming was traag en de organisatie gebrekkig. Hij heeft wel zijn verantwoordelijkheid genomen, want hij is afgetreden. Dit wil ik dus verder zo laten.

De politie had zich veel beter moeten voorbereiden. Er is contact geweest met de politie in Hamburg. Er zijn uitzendingen op televisie geweest over de manier waarop dat tot stand is gekomen. Het is bij Pauw & Witteman besproken; ik hoef dat allemaal niet te herhalen. Maar waarom zijn die lessen niet op dat moment in de praktijk gebracht, zou ik van de minister willen weten. Die vraag blijft toch bij mij hangen. De Duitse politie heeft dat namelijk anders opgepakt.

Ook over de organisatie van de politie is het een en ander op te merken. De ME kwam te laat, de middelen waren onvoldoende, een briefing was er niet of die was onduidelijk en communicatie met de leiding was er niet. Ook met C2000 waren er weer problemen; het bekende verhaal. Dit is wel de kern van het grootschalig politieoptreden, en alles is daarbij fout gegaan wat fout kon gaan. Dat mag gewoon niet gebeuren. Er zijn de strandrellen in Hoek van Holland geweest, en kennelijk hebben wij daar helemaal niets van geleerd.

Vervolgens zie je dat de politie in Noord-Nederland geen vertrouwen heeft in het leervermogen van de leiding. Hoe moet je het vertrouwen van de burger vergroten als agenten geen vertrouwen hebben in de leiding? Graag krijg ik daarop een reactie. Wat is er gebeurd met het interne rapport van de politie? Lang voordat Cohen met zijn rapport kwam, heeft de politie zelf geëvalueerd. Daarbij ging het onder meer om zaken als materieel, wapenstokken die besteld zijn, communicatiemiddelen, routeplanners en dergelijke. Wat is daarmee gebeurd? Wat zijn de vervolgacties op dat rapport?

Korpschef Dros, degene die toen toch de korpschef was, is zwaar gezakt voor zijn examen, het spijt me om het te moeten zeggen. Hij is verantwoordelijk voor de hele politieorganisatie op dat moment en dat is niet goed gegaan. Daarom pleit mijn fractie ervoor dat de heer Dros alsnog een andere functie krijgt, dat hij van zijn functie afgehaald wordt. Ik begrijp ook niet waarom in Rotterdam-Rijnmond na de strandrellen de korpsleiding wel vervangen is, terwijl dat nu, in een soortgelijke situatie, niet is gebeurd. Dat is niet uit te leggen, ook niet tegenover de leden van de toenmalige korpsleiding van Rotterdam-Rijnmond.

Tot slot kom ik nog even te spreken over Cohen. Het onderzoek was te duur: € 400.000. Het heeft meer geld gekost dan er schade was, namelijk voor € 250.000. Het heeft te lang geduurd, zes maanden. Wat ik ook niet begrijp, is dat de korpsbeheerder, de burgemeester van Groningen, Rehwinkel, volledig buiten schot is gelaten wat betreft zijn rol. Wel is vermeld dat hij niet gastvrij genoeg was om relschoppers op te vangen, maar over zijn rol als korpsbeheerder wordt verder niet gesproken. Hij is toch verantwoordelijk voor de inzetbaarheid en paraatheid van de ME-organisatie.

Verder heeft Cohen kritiek op de GRIP die is afgekondigd, maar ik durf met droge ogen te stellen dat het helemaal niet zo gek is dat je GRIP 3 afkondigt in zo'n situatie. Men had misschien zelfs GRIP 4 kunnen afkondigen. Waarmee heb je namelijk te maken? Je moet de spoorwegen in stelling brengen, want wellicht moet je geen treinen meer laten rijden op dat traject. Je moet het station afsluiten. Toegangswegen moet je afsluiten. Je hebt dus effectgebieden. De gedachtegang van opschaling is dus helemaal niet zo gek. Wie is Cohen dan dat hij durft te stellen dat dat niet juist is geweest? Ik durf dat te bestrijden. De deskundigheid van Cohen op dat gebied durf ik echt te bestrijden.

Als je een en ander weegt – Rehwinkel buiten schot gelaten, te duur, te lang – zou ik zeggen: nooit meer onderzoek door politiek gekleurde figuren als Cohen. Waar is dat in godsnaam voor nodig? Waarom moet je zo'n type als Cohen zo'n onderzoek laten doen? Er is veel deskundigheid in Nederland. Neem geen politiek gekleurde figuren meer. Hoe staat Cohen immers tegenover Rehwinkel? Zij zijn allebei van de Partij van de Arbeid. Houden zij elkaar de hand boven het hoofd? Dat weet je niet. Alleen al om die schijn tegen te gaan zeg ik: geen Cohennen en geen Wallages meer met allerlei onderzoeken. Daar pleit ik hier voor. Doe dat zeker niet als ze van de Partij van de Arbeid zijn.

De heer Marcouch (PvdA): Ik maak bezwaar tegen de manier waarop collega Bontes tekeergaat tegen de voorzitter van een onderzoekscommissie die uiteindelijk een heel helder rapport heeft opgeleverd. Wat is de feitelijke kritiek van de heer Bontes op de onderzoeken? Met alleen maar schelden en tieren kunnen wij niets. Wat is de kritiek?

De heer Bontes (PVV): De heer Marcouch heeft niet goed geluisterd, want dat gaf ik aan. Ik stel de deskundigheid van de heer Cohen ter discussie. Ik zit dus niet te tieren en te schelden, maar ik kom met feiten en argumenten. Het gaat me om zijn deskundigheid, onder meer over social media. Hij heeft de rol van Rehwinkel buiten spel gelaten. Die rol heeft hij niet benoemd, terwijl Rehwinkel de korpsbeheerder was. Hij was verantwoordelijk voor de inzetbaarheid van de politieorganisatie daar. Zijn rol is totaal niet benoemd. Ik weet niet of de heer Marcouch het rapport heeft gelezen; ik denk van niet, aangezien hij zo'n vraag stelt. Het gaat hierbij om concrete feiten die niet naar voren zijn gekomen. Daarnaast heeft het lang geduurd, en bij zulke crisissituaties moet je veel sneller onderzoek kunnen doen. Het moet een korte klap zijn. Op de zes maanden heb ik dus ook kritiek.

De voorzitter: Mijnheer Bontes, volgens mij is het punt wel helder. De heer Marcouch stelt zijn vervolgvraag. Dat is meteen zijn afrondende vraag of opmerking.

De heer Marcouch (PvdA): Ik constateer dat collega Bontes blijkbaar het rapport over het onderzoek niet heeft gelezen. Anders had hij gelezen dat de heer Cohen voorzitter was van een onderzoekscommissie die veel deskundigen heeft geraadpleegd en bij het onderzoek heeft betrokken. Als de heer Bontes zegt dat het rapport niet van deskundigheid getuigt, doet dat toch vermoeden dat hij ofwel het rapport niet gelezen heeft ofwel twijfelt aan de deskundigen die daarin zijn opgevoerd.

De voorzitter: Een heel korte reactie, mijnheer Bontes.

De heer Bontes (PVV): Ik twijfel dan aan die deskundigheid. Ik weet dat het lastig is om te begrijpen voor de heer Marcouch, maar laat ik terugkomen op de GRIP-situatie. Die is zeer complex en het is zeer wel te verdedigen dat je in dit soort situaties een GRIP-situatie afkondigt. Als men op voorhand al durft te zeggen dat de hele GRIP-situatie tegen het licht moet worden gehouden en dat die niet gemogen had, en als de burgemeester van Haren daar ook nog de schuld van krijgt, blijkt daaruit voor mij een gebrek aan deskundigheid.

De voorzitter: Ook mevrouw Berndsen heeft een vraag aan de heer Bontes.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Mijn vraag ligt in het verlengde van de vraag die de heer Marcouch stelde aan de heer Bontes. In die commissie zaten twee hoogleraren en een lector van de politieacademie die heel veel onderzoek hebben gedaan naar situaties die vergelijkbaar zijn met Haren. Zegt de heer Bontes met zoveel woorden dat deze mensen absoluut niet gekwalificeerd zijn?

De heer Bontes (PVV): Ik vind de uitkomsten zeer mager. Het is een zeer mager resultaat. Ik heb ook weleens les gehad van lectoren van de politieacademie. Daarvan heb ik gezegd: het is toch wat dat je les krijgt van iemand die Jansen & Janssen heeft opgericht en extreemlinks Nederland op de kaart heeft gezet.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Dan concludeer ik dat het kennelijk niet om inhoud en expertise gaat maar alleen om het feit dat het iemand is die ooit Jansen & Janssen heeft opgericht. Voor degenen die dat niet weten: dat is een bureau dat veelvuldig WOB-verzoeken doet.

De voorzitter: Ik geef u meteen het woord, mevrouw Berndsen. O, mijnheer Dijkhoff heeft ook nog een interruptie. Dat had ik niet gezien, excuus.

De heer Dijkhoff (VVD): Los van het feit dat niemand deugt en dat al het kwaad in de wereld de schuld van de Partij van de Arbeid is, stel ik een inhoudelijke vraag aan de heer Bontes. Ik vind dat hij iets te gemakkelijk over het punt van GRIP 3 heen ging. Mijn interpretatie van het rapport is niet zozeer dat dit besluit aan kritiek blootstond, als wel dat het nogal een rigide keuze is om meteen alles te moeten opschalen. Is de heer Bontes het ermee eens dat het zin heeft om te kijken naar een manier waarbij er wel deels ondersteuning is, zonder dat de gehele, zware GRIP-structuur moet worden gevormd, met alle bureaucratische nadelen van dien?

De heer Bontes (PVV): Ik kan merken dat Kamerleden niet goed op de hoogte zijn van de GRIP-situatie. Die is namelijk juist iets wat je kan redden. Als je er middenin hebt gezeten – ik heb zelf gelukkig die ervaring – weet je dat die je handvatten en rugdekking geeft. Wat dat betreft moeten wij dit niet afschilderen als een soort bureaucratisch protocol waarvan iedereen heel veel last heeft. Daar maak ik echt bezwaar tegen, want dat is niet zo. Je verzekert je van een integrale aanpak en van voldoende back-up op elk niveau. Wat dat betreft is het dus een goed instrument. Ik maak er bezwaar tegen dat Cohen stelt – hij heeft dat letterlijk gezegd en men heeft het kunnen lezen – dat de hele GRIP-structuur maar weer eens tegen het licht moet worden gehouden omdat die niet zou werken.

De voorzitter: Dank u wel. U bent langdurig aan het woord. Het punt is helder. U hebt het zelfs twee keer gezegd. De heer Dijkhoff stelt zijn vervolgvraag.

De heer Dijkhoff (VVD): Ik weet nu dat ik er ook geen verstand van heb volgens de heer Bontes. Dat is goed om te weten. Los daarvan stel ik de volgende vraag. De heer Bontes ziet het zwart-wit. Ik zeg niet dat GRIP slecht is, maar in het rapport wordt daarover een duidelijke wens uitgesproken, niet alleen vanuit de bestuurders maar ook vanuit de politie zelf. Soms wil je hulp op één terrein, zo zeggen zij, zonder dat 's middags meteen slachtofferhulp door de wijk hoeft te lopen of er een CoPI-bak wordt neergezet terwijl men niet weet wat men moet doen. Ziet de heer Bontes ook ruimte om daar wat flexibeler mee om te gaan?

De heer Bontes (PVV): Het heeft met besluitvorming te maken. Of je kondigt de GRIP-situatie af of niet. Je kunt niet een halve dag gaan debatteren. Als je die situatie afkondigt, moet je je er ook voor inzetten. Naar ik heb vernomen en heb gezien, heeft Rehwinkel dat niet omarmd als voorzitter van de veiligheidsregio. Hij is dan leading en hij zal in actie moeten komen. Daar zit een deel van het probleem. Als je het doet, moet ook iedereen daarvoor commitment hebben en moet iedereen zich ervoor inzetten. Als men dat niet doet, werkt zo'n GRIP-situatie niet.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Voorzitter. De treurige gebeurtenissen in Haren beperken zich niet tot één dag. Eraan voorafgaand, op 21 september, was al veel gaande. Het werd snel duidelijk dat Project X Haren geen feestje zou worden. De signalen zijn tijdig noch adequaat opgepakt. De commissie Haren bevestigt het beeld dat kort na 21 september ontstond. Het ging om een lokale fout: burgemeester en politie lieten grote steken vallen. Ruim een halfjaar later worden nationale lessen getrokken. Het is nu aan bestuurders en politie om leerpunten op te pakken en uit te voeren.

Er is nog weleens discussie over de vraag waarover de Kamer gaat en waarover de lokale bestuurders gaan. Ik vind dat het vooral ook een zaak is van de gemeenteraad van Haren en de gemeenteraad van Groningen. De laatste vergadert overigens vanavond over de positie van burgemeester Rehwinkel, die tevens korpsbeheerder en voorzitter van de veiligheidsregio is. Ook daar zijn naar mijn mening grote steken gevallen.

Minister Opstelten neemt de aanbevelingen van de commissie Haren ter harte, bijvoorbeeld op het gebied van social media. Het is een goede stap dat alle politieagenten digibewust en digibekwaam worden, maar met een goede stap alleen ben je er nog niet. Op social media springen grote maatschappelijke verschijnselen, zoals Project X, in het oog. Toch zijn soms juist de onopvallende signalen nog gevaarlijker. Denk bijvoorbeeld aan de aanslag in Boston. Binnen de Nationale Politie monitort en duidt het gespecialiseerde team OSINT landelijk het internet. Wij hebben vanmorgen een heel mooie presentatie gekregen, waarvan ik zeer onder de indruk ben. Mijn vraag aan de minister is hoeveel mensen er in dit team werken. Is deze capaciteit voldoende om het universum van internet en social media in de gaten te houden? Hoe staat het met de andere evaluatiepunten van de politie? Kan de minister dieper ingaan op de wijze waarop de verbeterpunten zijn opgepakt? Gelden die verbeterpunten ook voor andere regio's, en hoe wordt daarmee omgegaan?

Mijn fractie is van mening dat de bevoegdheden voor politie en burgemeesters voldoende zijn. In Haren is er echter onvoldoende gebruik van gemaakt. Zo kon de burgemeester een noodverordening gebruiken om het hele dorp af te sluiten, maar het is volstrekt onduidelijk of en hoe er van die noodverordening gebruik is gemaakt. De kennis van burgemeesters over openbare orde en veiligheid zal beter moeten, denk ik. Daarover heeft de minister in een vorig overleg gezegd dat hij het met mij eens is. Wij hebben deze week in Leiden het nut van nauwe samenwerking tussen politie, officier van justitie en burgemeester, de zogenaamde driehoek, gezien. Ik vraag de minister echter welke opties er zijn om de expertise op het gebied van openbare orde en veiligheid beter te bundelen, want ook in het rapport van de commissie-Cohen wordt geconstateerd dat nogal wat organen en organisaties zich bezighouden met trainingen en opleidingen van burgemeesters. Denkt de minister ook aan een verplichte training voor alle burgemeesters, waarbij een verbeterde opschalingsstructuur of iets anders aan de orde kan komen? Wij zien namelijk dat door de technologische ontwikkelingen en vernieuwingen burgemeesters eigenlijk adequaat bijgespijkerd zouden moeten worden in dit dossier. In de brief van de minister staat alleen dat hij met de betrokken partijen afspraken gaat maken. Ik wil graag een toelichting van de minister daarop.

Zoals ik al aanstipte, heeft ook de korpsbeheerder en voorzitter van de veiligheidsregio een functie als iets dergelijks in zijn regio gebeurt. Ik denk daarbij in de eerste plaats aan collegiale ondersteuning. Het is echter ook een kwestie van de veiligheidsregio. Is dit wellicht een punt dat meegenomen kan worden bij de evaluatie van de veiligheidsregio's, zo vraag ik de minister. Dit hoeft dan niet beperkt te worden tot het noorden. Wij kunnen bijvoorbeeld ook bekijken hoe het bij Moerdijk is gegaan. Daar speelde namelijk een ongeveer vergelijkbare situatie.

Zoals in bijna elke crisis ging er in Haren ook behoorlijk wat mis met de communicatie. Het communicatiesysteem van de politie viel uit en er bestond veel onduidelijkheid over zaken als: wel of niet een feestje, wel of niet een noodverordening, wel drank bij je mogen hebben maar niet mogen drinken.

De voorzitter: U moet echt afronden, mevrouw Berndsen. U zit over de vijf minuten.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Nog een paar zinnen, voorzitter, dan heb ik mijn blokje «communicatie» af.

De communicatie onderling en de communicatie in de richting van de burgers waren onduidelijk. Voornamelijk het laatste is voor mijn fractie een zorgelijk punt. De communicatie richting inwoners moet helder zijn, voor, tijdens en na de crisis. Dit blijft een onopgelost probleem van het kabinet, maar hierover lees ik niets in de brief van de minister. Ik vraag hem om ook hierop in te gaan.

De heer Dijkhoff (VVD): Voorzitter. Het is een helder rapport, dat veel duidelijk maakt over wat er in die weken is gebeurd in Haren. Twee beelden blijven bij mij sterk hangen. Ten eerste is er het beeld van twee werkelijkheden die naast elkaar bestaan: jongeren navigeren zich met hun telefoon naar de plaats van bestemming, en de gemeente haalt straatnaambordjes weg in de hoop dat mensen het zo niet kunnen vinden. Ten tweede en vooral is er het beeld van de rare sfeer die er die avond in Haren zelf moet hebben gehangen: inwoners die niet precies weten wat er op hen afkomt, feestgangers die niet lijken te weten waarmee ze bezig zijn, relschoppers die het niet lijkt te interesseren wat ze aanrichten, en daartussen agenten en andere hulpverlenende helden die voor hetere vuren staan dan vooraf was ingeschat. Voor de laatsten kunnen wij alleen onze waardering uitspreken.

Inhoudelijk zie je in het rapport veel overeenkomsten met eerdere rapporten na eerdere incidenten, zoals in Hoek van Holland. Massagedrag, de invloed van alcohol, het puberbrein, ook toen waren dat relevante factoren en ook toen stond dat allemaal in een rapport. Wij kunnen ook herkennen dat goede bedoelingen, protocollen en bewonderenswaardige inzet op straat niet garanderen dat alles goed gaat. Laat dan ook niemand denken dat wij aan het eind van dit debat een soort protocol hebben met een bezweringsformule die garandeert dat zoiets in Nederland nooit meer voorkomt. Wel kunnen wij hopelijk zaken verbeteren die structureel tekortschieten of waarvan nog onvoldoende de ernst werd ingezien. Hopelijk is het rapport ook verplichte kost voor iedereen die zelf ooit een carrière als bestuurder in Nederland overweegt. Bij een volgend incident, dat er ooit weer zal komen, zal het effect namelijk weer voor een groot deel afhangen van hun intuïtie, beoordelingsvermogen en improvisatietalent om op dat moment de juiste beslissingen te nemen.

Veel concrete aanbevelingen van de commissie-Cohen zijn door de minister en de politie al eerder, na een intern kritisch rapport, overgenomen. Dat doet de VVD deugd. Ik zal die aanbevelingen hier niet allemaal herhalen. Ik vertrouw erop dat de minister zelf straks in zijn termijn deze zegeningen opsomt. Ik wil me richten op drie punten; ik hoop dat ik daar ook de tijd voor heb. Deze punten zijn: de echte daders, de politie en de bestuurlijke kant.

Ik begin met de daders. Alcohol, relpoeder, opzwepende werking van media, creativiteit en lol van tevoren en de frontale kwab van pubers, het is allemaal heel erg interessant om te weten en te lezen, maar je zou bijna vergeten dat de daders ook zelf nog een verantwoordelijkheid hebben. Ten eerste hebben de betrokkenen daar eigenlijk niets te zoeken. Ik snap dat het spannend is, maar erheen gaan draagt al bij aan het risico. Er zijn feesten, festivals en kroegen genoeg waar je welkom bent, en als de burgemeester zegt dat je er niet thuishoort, dan hoor je er niet thuis. Ten tweede: als je er toch bent, kun je je nog steeds gedragen. Niemand dwingt je om te veel te drinken, de Albert Heijn leeg te jatten, tuinen te vernielen of tegen de ME te gaan rellen. Een veelzeggend, treurig citaat uit het rapport is: «En verder had politie zich gewoon tussen het publiek moeten begeven. Dan ga je je gedragen». Alsof je dat niet gewoon zelf kunt doen! Het is triest dat je zo de verantwoordelijkheid voor je eigen gedrag afschuift op de overheid. Als de overheid die verantwoordelijkheid op zich zou nemen, is het einde zoek. Hier ligt vooral een taak voor de eigen verantwoordelijkheid van ouders. Men moet elkaar ook durven aan te spreken op gedrag.

Dit brengt me op een gemiste kans bij het aanpakken van de daders, waarvoor ik eerder aandacht heb gevraagd. Er is voor gekozen om heel snel wat offline, op straat, is gebeurd, voor de rechter te brengen en daarbij niet te kijken naar wat er online aan bewijsmateriaal beschikbaar was. Mensen doen voor de rechter net alsof zij allemaal meegesleept werden, terwijl je online kunt zien dat zij elkaar al een paar weken aan het opjutten waren en aan het bedenken waren hoe zij onder de politie uit konden komen. Die dingen horen bij elkaar genomen te worden. Zo krijg je een beter inzicht in wat de dader gedreven heeft en kom je tot een betere straf.

Het OM moest in dit geval ook pionieren met het schadeverhaal als het gaat om de door de bewoners van Haren geleden schade. De eerste poging mislukte. Later is het wel gelukt via het Schadefonds Openlijk Geweld. Heeft dat specifieke fonds een bredere werking voor de toekomst, zo vraag ik de minister. Is dit binnen de bestaande wettelijke kaders nu voldoende helder geregeld of is daarbij nog wettelijke ruggensteun nodig? Vorige week hebben wij het tijdens een ander debat al even gehad over het verhalen van kosten die de overheid heeft moeten maken bij de organisatie van illegale evenementen. Heeft de minister deze week inmiddels zicht gekregen op een geval dat als testcase kan dienen?

Ik kom te spreken over de politie. Wij hebben vanochtend inderdaad een interessante briefing gehad over hetgeen de Nationale Politie heeft ondernomen na Haren. Dat was indrukwekkend, maar ik heb nog wel een vraag over het interveniëren. Als je op internet ziet dat dit zich opbouwt, waarom spreek je de betrokkenen dan niet direct aan en waarom verstoor je de mensen dan niet? Als je als agent op straat een groep mensen groter ziet worden en onraad ruikt, stap je er ook op af om te zeggen wat de gevolgen kunnen zijn en om te vragen waarmee deze mensen bezig zijn. Dat kan ook op Facebook, bijvoorbeeld. In het rapport wordt gesteld dat men houtje-touwtjeoplossingen moest bedenken als het gaat om de social media. Je moet wel snappen wat je leest, en daarvoor was geen structurele kennis voorhanden. Ik begrijp dat die ontwikkeld wordt, maar kan de minister er ook voor zorgen dat die structurele kennis in het hele land beschikbaar is en benut kan worden, zonder hierop een bureaucratie en structuur te leggen die tegen de hele aard van social media indruist?

Volgens mij ben ik door mijn tijd heen.

De voorzitter: Dat hebt u heel scherp gezien, maar dat komt ongetwijfeld door mijn strenge blik. Als u het hierbij kunt laten, dan heel graag.

De heer Dijkhoff (VVD): Ik zou nog een paar afrondende opmerkingen willen maken.

De voorzitter: Nee, mijnheer Dijkhoff, u bent over uw tijd heen. U hebt heel veel vragen gesteld. Als u afrondende opmerkingen wilt maken, mag dat, maar dat zijn dan geen vragen. Ik heb liever dat u die overslaat en ze wellicht in de tweede termijn nog maakt.

De heer Dijkhoff (VVD): Oké, het is uw macht.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik werd getriggerd door de eerdere interruptie van de heer Dijkhoff over de rol van de veiligheidsregio. Naar mijn idee spreekt het rapport zichzelf een beetje tegen. Je mag eigenlijk niet opschalen, want dan zouden er meer structuren bij komen, terwijl Bats, de burgemeester van Haren, heeft aangegeven dat hij dit zo weer zou doen, omdat hij handen te kort had. Is er iets in de veiligheidsregio wat moet worden opgelost, of moeten wij opnieuw naar de wet kijken? Wat is de visie van de heer Dijkhoff in dezen?

De heer Dijkhoff (VVD): Zo kan ik toch nog een punt kwijt, dank daarvoor. Ik kan de weging van mevrouw Kooiman wel onderschrijven. In dit geval was de keus: óf hulp door opschaling óf geen hulp. Ik denk dat je elkaar in een veiligheidsregio ook op verzoek gericht moet kunnen bijstaan, zonder dat je van elkaar verlangt, het «in GRIP 3-voud» aan te vragen, om het zo maar te zeggen. Nu is het lastig om te vragen om een formele structuur voor een informelere omgang met structuren, maar volgens mij moet het in een veiligheidsregio gerichter kunnen, zonder meteen op te schalen tot alles wat er bij de GRIP hoort, waarbij het over alle takken heen gaat. Structuren die er zijn voor het geval dat rampen of incidenten weer de onhebbelijke neiging hebben om zich niet aan onze regio- of gemeentegrenzen te houden, moeten niet beletten om op het bewuste moment te blijven nadenken en gerichtere keuzes te maken.

Mevrouw Kooiman (SP): Als ik het goed begrijp, moeten wij hiervan dus leren, en bekijken of wij inderdaad eerder de veiligheidsregio erbij kunnen betrekken, en dit ook kunnen delen met andere veiligheidsregio's. Begrijp ik de heer Dijkhoff zo goed?

De heer Dijkhoff (VVD): Ja. Het is heel goed dat we de GRIP hebben voor gevallen waarin die echt nodig is, maar dat betekent niet dat daarmee alle andere opties zijn uitgesloten.

De heer Marcouch (PvdA): Voorzitter. Het is alweer een paar maanden geleden dat «de rellen van Haren», zoals het inmiddels heet, plaatsvonden. Ik kan me nog herinneren dat ik in de auto zat en Radio 1 aanhad. Ik hoorde de burgemeester van Haren spreken. Het was in de namiddag, en hij maakte zich, voor zover dat althans uit de boodschap op de radio was op te maken, toen weinig zorgen dat er daadwerkelijk iets zou gaan gebeuren. Ik was onderweg naar Zeeland. Toen ik terugkwam uit Zeeland, was het geëscaleerd en uit de hand gelopen. Er is in de evaluatie natuurlijk heel veel gezegd over wat er bij de taxatie goed is gegaan en wat niet, en dit is ook uitvoerig bediscussieerd in de gemeenteraden. Dit geeft echter wel aan hoe snel het gegaan is.

Voor een deel is dat misschien te wijten aan de social media, maar voor een deel is het ook te wijten aan hoe makkelijk er wordt gedaan – dat was ook op Twitter te lezen – over dit soort rellende jongeren, die onder de titel van «een feest» rellen schoppen. Heel snel was het de schuld van de autoriteiten en de schuld van de politie in plaats dat werd gekeken naar degenen die – dat deel ik met de heer Bontes – verantwoordelijk zijn voor het rellen en voor het geweld. Er is geplunderd, er is gestolen, er zijn auto's in de fik gestoken. Ik ben in Haren geweest en heb met ondernemers daar gesproken. Haren is een heel mooie, rustige gemeente. Als je daar op een doordeweekse dag loopt, is onveiligheid het laatste waar je aan denkt. Ik denk dat het heel belangrijk is om dit te markeren.

Daarnaast wil ik complimenten geven aan en mijn waardering uitspreken voor de politiemensen, die met heel weinig middelen en heel slecht aangestuurd toch heel wijs en professioneel hebben opgetreden. Mijn complimenten daarvoor, want er zijn situaties geweest waarin het nog erger had kunnen aflopen, bijvoorbeeld met doden. Het is echt een geluk dat dit niet is gebeurd, en dat komt doordat de politie daar heel professioneel heeft opgetreden. Ik vraag de minister dus wat zijn rol is geweest naar deze politiemensen toe. Zijn deze politiemensen allemaal aan het werk? Is er goede nazorg geweest voor deze helden, die zij wat mij betreft zijn?

Hoe staat het met de daders, vraag ik de minister vervolgens. In het begin hebben wij daar zo nu en dan wat over gelezen. Zijn alle daders, alle verdachten, opgespoord en aangehouden? Hebben zij de aangerichte schade ook vergoed? Ik heb van een aantal ondernemers gehoord dat zij die avond letterlijk in hun winkel moesten overnachten omdat zij daar werden gegijzeld. Er zijn dus niet alleen goederen vernield, maar het heeft ook mensen ontzettend veel kwaad gedaan. Dat onrecht moet bestraft worden. Ik ben benieuwd of de minister er nog steeds op toeziet dat het opsporingsonderzoek wordt voortgezet en dat de daders worden opgespoord.

Heel veel van de relschoppers zijn jongeren. Zo'n twee jaar geleden heb ik een motie ingediend waarin ik stelde dat het van belang is dat wij de ouders erop aanspreken wanneer jongeren delicten plegen. Veel jongens stonden er natuurlijk bij en hebben niets gedaan. Overigens waren er ook jongeren die de relschoppers probeerden tegen te houden. Wat mij betreft verdienen zij daarvoor complimenten. Degenen die wel wat gedaan hebben, moeten echter binnenkomen, en hun ouders moeten wij aanspreken op hun verantwoordelijkheid.

De voorzitter: U hebt nog ongeveer een halve minuut.

De heer Marcouch (PvdA): Oké. Ik heb nog twee punten; op andere zaken kom ik in tweede termijn wel terug. Het eerste punt is de invloed van alcohol. De commissie-Cohen wijst daarop als een onderdeel van de jeugdcultuur. Ik ben benieuwd wanneer wij de wet ter behandeling krijgen die de minister in voorbereiding heeft met betrekking tot het zwaarder bestraffen van mensen die onder invloed van alcohol geweld gebruiken. Wat zijn de ambities van de minister op het terrein van preventie van het gebruik van alcohol? De commissie-Cohen signaleert dit punt immers als een gevaarlijke ontwikkeling binnen deze jeugdcultuur.

Ik heb nog één punt, waarna ik afsluit.

De voorzitter: Precies, dat is meteen uw laatste punt.

De heer Marcouch (PvdA): De commissie-Cohen heeft het over de opschaling. Er is al gesproken over de GRIP en de veiligheidsregio. Ik ben benieuwd hoe de minister de opschaling ziet in de blauwe kolom. Is het noodzakelijk dat elke gemeente daadwerkelijk een eigen driehoek heeft, en wat betekent dat voor de politie? Was dit bijvoorbeeld daardoor te voorkomen geweest? Ik heb daar mijn twijfels bij. Hoe staat het met in ieder geval de opschaling in de blauwe kolom in relatie tot de veiligheidsregio?

De heer Oskam (CDA): Voorzitter. In het rapport van de commissie-Cohen en de interne evaluatie van de politie in Groningen wordt uitvoerig beschreven wat er allemaal is misgegaan. Er worden tal van aanbevelingen gedaan. Nu komt het erop aan dat die aanbevelingen worden omgezet in daden.

Het onderzoek heeft bijna vier ton gekost. Ik vind dat nogal veel. Wist de minister dit van tevoren of heeft hij Cohen een blanco cheque gegeven?

De gang van zaken in Haren wekt de indruk dat door bestuurders nogal eens in processen, procedures en protocollen wordt gedoken. Flexibiliteit en leiderschap scoren een dikke onvoldoende. Bij alle excessen van de afgelopen jaren valt te zien dat men steeds in dezelfde valkuil trapt. Er is onvoldoende alertheid aan de voorkant van het probleem; ik verwijs naar Hoek van Holland en natuurlijk naar Haren. De Groningse politie had natuurlijk beter moeten weten omdat zij een paar jaar daarvoor ook met de Oosterparkrellen te maken heeft gehad. Ik vraag de minister of hij het lokale bestuur evenals de Nationale Politie voldoende stimuleert om te leren denken vanuit het probleem en in mogelijke scenario's in plaats van in processen. Hoe vergroot de minister het lerend vermogen van die lokale bestuurders? Welke structuur is daarvoor ingericht, ook binnen de Nationale Politie? Wordt er nu ook getraind met de casuïstiek uit Hoek van Holland en Haren?

De minister heeft veel vertrouwen in de vorming van de Nationale Politie, zoals hij vaak heeft uitgesproken. Hij verwacht daar veel van. Wij hebben dat vertrouwen ook. Wat er gebeurd is in Haren, op een moment dat de Nationale Politie eraan zat te komen, leert echter dat de aanwezige expertise onvoldoende is gebruikt en dat eerdere ervaringen niet zijn gedeeld. In Groningen zitten nog steeds dezelfde mensen bij de politie. De vraag is dus welke garanties er zijn dat met de Nationale Politie de zaken in de toekomst wel goed zullen gaan.

In zijn brief stelt de minister dat binnen de inrichting en realisatie van de Nationale Politie een ME-concept wordt gebruikt dat flexibiliteit en mogelijkheden van de-escalatie combineert met slagkracht en opschaling waar nodig.

De heer Bontes (PVV): Ik heb in mijn termijn gezegd dat de heer Dros naar een andere functie moet. Hij moet opstappen. De heer Dros is gepromoveerd in plaats van gedegradeerd. Hij heeft drie regio's gekregen. Ik hoorde de heer Oskam ook kritiek geven op de leiding van de politie. Is hij het met mij eens dat de heer Dros moet opstappen?

De heer Oskam (CDA): Wat mij betreft wel, maar over het punt van de korpsbeheerder kom ik verderop in mijn betoog te spreken.

De voorzitter: Ondertussen moet u uw tijd in de gaten houden.

De heer Oskam (CDA): Die moet u dan nu wel stilzetten!

De voorzitter: Maakt u zich geen zorgen. U bent aan het scheidsrechteren. Ik ben een voetballiefhebber, dus maakt u zich geen zorgen.

De heer Oskam (CDA): Ik zet mezelf niet stil!

De minister geeft aan dat direct na de rellen het voormalige regionale politiekorps in Groningen daadwerkelijk verbeteringen heeft ingezet en gerealiseerd bij de commandostructuur voor grootschalig optreden, de opschaling, de toereikendheid van het materieel en de nazorg. Dat alles zou verbeterd zijn. Nu is er onlangs een oefening geweest van de ME van de noordelijke eenheid van de politie. Daarbij is weer van alles misgegaan. ME'ers werden opgeroepen om de paraatheid te testen, maar het alarmeringssysteem faalde, waardoor zij persoonlijk gebeld moesten worden. Zij kwamen te laat en waren incompleet. Een tweede oefening daarna schijnt wel beter gegaan te zijn, maar toch: wat vindt de minister ervan dat er zes maanden na het Project X weer zo veel fout is gegaan en wat gaat hij daaraan doen?

Zoals eerder is gemeld, hebben wij vanochtend een presentatie door de korpsleiding van de Nationale Politie gehad over het gebruik van social media. Ook ik heb daar een goed gevoel bij. Ik denk ook dat dit wel binnen de organisatie wordt ingebed. De minister stelt dat het oproepen tot openbareordeverstoring of geweld op social media, voor zover openbaar, strafbaar is gesteld en onderwerp kan zijn van opsporing, en dat tegen dergelijke oproepen hard wordt opgetreden. Zo zijn mensen die in het openbaar, via de social media, hebben opgeroepen tot onlusten, zowel in Haren als daarna in andere steden – daarna is het immers ook een paar keer voorgekomen – gearresteerd. Hulde daarvoor.

Naar aanleiding van de onlusten in Haren zijn 110 verdachten aangehouden. 96 zaken zijn voor de rechter geweest en meer dan 45 verdachten zijn veroordeeld. Er is voor meer dan 1 miljoen euro schade. Wij hebben ook nog vier ton geld van de samenleving uitgegeven aan het rapport van de heer Cohen. Het schadebedrag dat door de rechter is opgelegd ter vergoeding van de schade, is bijna € 18.500, en dat is een schijntje. Als je dat bedrag per persoon omrekent, komt het neer op ongeveer € 400 per persoon. De verzekeringsmaatschappijen en de overheid draaien voor de schade op. In het rapport-Cohen staat dat de onderbouwing van de geleden schade niet goed kon plaatsvinden door het toegepaste snelrecht. Collega Dijkhoff heeft daarover zo-even ook een vraag gesteld. Wij hebben er vaker met de minister en de staatssecretaris over gesproken dat ook bij oud en nieuw bij toepassing van supersnelrecht het bewijs moeilijk te leveren is en dat de slachtoffers vaak met hun schade blijven zitten. De vraag aan de minister is opnieuw of hij het daarmee eens is. Wat gaat de minister hiermee doen?

Een belangrijk punt dat nog niet echt aan de orde is gekomen, is de conclusie van de commissie-Cohen dat de ouders een belangrijke rol spelen. Ik zie de beelden nog voor me van kinderen die thuis aan het indrinken waren, naar tv-beelden van Haren keken en tegen pa zeiden: pa, wij gaan er ook even naartoe. Wat is de rol van die ouders? Wat gaat de minister, mogelijk samen met andere ministers, eraan doen om hierin ook de rol van de ouders een plek te geven?

De voorzitter: Mijnheer Oskam, u bent bijna door uw tijd heen. U hebt misschien nog tien seconden. Als u uw laatste punt kunt maken, zouden wij dat zeer waarderen.

De heer Oskam (CDA): Ik noem nog één punt. In tweede termijn kom ik nog wel op de resterende zaken. De burgemeester van Haren, die net is binnengekomen, heeft overwogen om het leger in te zetten. Mijn vraag aan de minister is waarom dit niet is gebeurd. Naar wij hebben begrepen, komt namelijk vanuit Defensie vaker de opmerking dat de veiligheidsregio's de inzet van het leger niet genoeg zien als een optie. Voor de burgers in Haren gaat het erom dat zij beschermd worden. Als de politie het op dat moment niet aankan, zou het in Nederland zo moeten zijn dat wij gewoon samenwerken. Daar moeten wij niet te groot voor zijn. Als het niet lukt, moet je zo groot zijn om te zeggen: kom maar op. De vraag is wat de minister daarvan vindt.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Het was een hippe presentatie van Cohen over de rellen in Haren. Het rapport had een nog hipper onderschrift, namelijk YOLO, You Only Live Once. Toen ik dat zag en het rapport had gelezen, dacht ik: ik reis af naar Haren en ik vraag aan de bewoners, de ondernemers en de agenten zelf wat zij van het rapport vinden. Het begon eigenlijk vrij aardig, daarover is iedereen het wel eens. Het begon met toeters en slingers, en iedereen zong voor Merthe, want zij was jarig. Het begon dus eigenlijk heel gezellig. Maar zoals iedereen weet, sloeg het 's avonds compleet om. «Hoezo YOLO», zei een inwoner tegen mij, «er was sprake van een massapsychose». Van winkels werden ruiten ingegooid. Dakpannen werden van huizen gehaald, en vervolgens vlogen die door de lucht. Ook bij de winkels in de winkelstraat ging alles kapot en de lucht in.

Over één ding is iedereen het uitgesproken eens, en dat is dat de agenten op straat veel respect verdienen. Zij stonden daar maar, zonder enige aansturing en met gevaar voor eigen leven. Dat er geen doden of ernstig gewonden zijn gevallen, is een wonder. De bewoners zeggen allemaal dat dit echt te danken is aan het optreden van de agenten op straat. Ik sluit me bij hen aan.

Maar er is ook veel kritiek. Er is kritiek op de aansturing of, beter gezegd, het gebrek daaraan. Agenten die ik sprak, zeiden dat zij bijvoorbeeld om 18.00 uur naar huis werden gestuurd vanuit de gedachte: ga jij maar een biertje drinken, wij hebben het hier wel onder controle. Vooral jonge agenten gaven aan dat zij helemaal niet naar huis wilden. Dit gaat helemaal uit de hand lopen, dachten zij, kan ik niet blijven? Ik vraag de minister waarom er niet beter is geluisterd naar de agenten in Haren zelf die aangaven: dit gaat niet goed, ik wil blijven, luister naar ons.

De minister heeft waarschijnlijk ook het onderzoekje gelezen van Politievakbond ACP, die concludeert dat er forse vraagtekens gezet kunnen worden bij het vertrouwen van de medewerkers in de huidige eenheidsleiding. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat de agenten die ik gesproken heb, aangeven wel vertrouwen te hebben in Dros. Ik krijg echter ook mails met andere geluiden. Ik vind het heel belangrijk dat er voldoende draagvlak en vertrouwen is. Ik vraag daarom de minister wat hij eraan gaat doen om in ieder geval ook de kritische geluiden op te vangen.

Ik kom op de verantwoordelijkheden van burgemeesters, maar ik zie dat er een interruptie is.

De voorzitter: Dat zagen wij ook, maar ik wilde u uw zin laten afmaken.

De heer Marcouch (PvdA): Ik heb het onderzoek van de vakbond ook gelezen. Heeft collega Kooiman meegekregen dat de ondernemingsraad vertrouwen heeft in de korpschef en dat de or ook betrokken is bij zijn benoeming?

Mevrouw Kooiman (SP): Ik zei al dat ik tegenstrijdige geluiden hoor. Ik vind het van groot belang dat er binnen het hele korps vertrouwen in de leiding bestaat. Ik kan me goed voorstellen dat een leidinggevende zelf ook graag wil dat er vertrouwen in hem is. Er zijn kritische geluiden. Niet alleen ik heb die opgevangen in mailberichten, maar ook de vakbond ACP heeft zulke signalen ontvangen. Ik vind het heel goed als de minister en de verantwoordelijke leidinggevenden die oppakken, want het moet natuurlijk niet gebeuren dat er kritiek is. Ik neem aan dat de heer Marcouch dat met mij eens is. Hij reageert niet. Wie zwijgt, stemt toe.

De voorzitter: Dat is duidelijk. Ik zie nu dat de heer Marcouch nog een vraag wil stellen. U moet wel wat alerter zijn, mijnheer Marcouch. Een korte reactie graag.

De heer Marcouch (PvdA): Excuus, voorzitter. Ik veronderstel dat er gewoon vertrouwen is in de leiding. De ondernemingsraad heeft dat ook uitgesproken. Dat er kritiek is op de leiding, is van alle tijden. Dat is niet bijzonder. Maar als dat ene onderzoek wordt genoemd, is het van belang om ook te constateren dat de ondernemingsraad bij de benoeming is betrokken en het vertrouwen heeft uitgesproken in deze korpschef.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik wil één ding gezegd hebben: als er kritische geluiden zijn, moet je die serieus nemen. Daarom heb ik Politievakbond ACP aangehaald. Ik heb echter ook mijn eigen ervaringen genoemd. Ik heb zelf agenten gesproken die zeggen dat zij wel vertrouwen in Dros hebben. Als gezegd, gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat ik tegenstrijdige geluiden heb gehoord. Ik vind wel dat de minister de rol heeft om de kritische geluiden op te pakken. Ik neem aan dat de minister hierop straks zal reageren.

De voorzitter: Gaat u door voor de paar minuten die u in deze termijn nog hebt.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik had het over de burgemeester. Zonet gaf ik op een interruptie van de heer Dijkhoff al aan dat ik soms tegenstrijdige geluiden hoor. Bats zegt: wij moesten opschalen, want ik had handen te kort. De burgemeester van Groningen, de voorzitter van de veiligheidsregio, kon mij namelijk de ondersteuning niet geven, aldus Bats. Wat ging hier mis? Kon men niet eerder met de veiligheidsregio bij elkaar komen? Wij hebben destijds de Wet veiligheidsregio's gemaakt. Wat is er misgegaan en wat kunnen wij daaruit leren voor de toekomst?

Ik sluit me aan bij de zorgen over de kosten van het onderzoek. Een inwoner van Haren zei tegen mij: de grootste schadepost is misschien wel het onderzoek van Cohen zelf. Ik zou van de minister willen weten wie er voor deze kosten opdraait. Is dat de gemeente Haren, de politie of het ministerie? Ik weet het niet. Misschien kan de minister dat aangeven.

Er is, tot slot, iets wat ik niet begrijp. Wij hebben het destijds allemaal op de social media gevolgd. Wij hadden heel veel zorgen en vroegen ons af wat zich in Haren zou gaan afspelen. Ik kan me niet voorstellen dat de minister dit op een afstandje heeft gevolgd en gedacht heeft: daar doe ik niets mee. Ik zou dus graag van de minister willen weten wat het ministerie zelf heeft gedaan om eventueel de mensen in Haren of de veiligheidsregio hierbij te helpen en te ondersteunen. Wat is zijn rol hierin geweest?

Is dat binnen de tijd of niet, voorzitter?

De voorzitter: Dat is echt binnen de tijd en daar ben ik u dankbaar voor. De minister heeft gevraagd om een schorsing van vijf minuten.

De vergadering wordt van 16.45 uur tot 16.50 uur geschorst.

De voorzitter: Ik vraag aandacht voor de reactie van minister Opstelten.

Minister Opstelten: Voorzitter. Ik dank de afgevaardigden voor hun vragen, opmerkingen en opinies. Ik denk dat wij het met elkaar eens zijn dat dit een ongelooflijke verstoring van de openbare orde is geweest met een enorme maatschappelijke impact. Ik ga niet alles herhalen.

Zoals verschillende leden hebben gezegd, is er heel veel fout gegaan. Dat is duidelijk. Ik zal daar zo dadelijk iets over zeggen, maar ik wil ook waardering uitspreken voor de mensen die wel degelijk in die situatie hun inzet hebben getoond. Een aantal van hen is hier aanwezig. Enkele leden zijn naar Haren geweest en hebben met de mensen, politiemensen en anderen die bij de gebeurtenissen betrokken waren, gesproken. Ik denk dat dat zeer gewaardeerd wordt. Ook ik ben naar Haren geweest en heb met betrokkenen gesproken. Ik heb altijd met een enorm respect geluisterd naar wat men te vertellen had, want niemand heeft elkaar gespaard. Vanaf het moment dat het was afgelopen, in september, is men aan de slag gegaan met de eigen nazorg. Zoals ik zelf heb gezien, was die heel professioneel. Iedereen sprak zich buitengewoon duidelijk uit, zonder iemand te sparen. Zo is het gesprek aangegaan. Dat betekent echter niet dat er geen fouten zijn gemaakt.

De verantwoordelijkheden hierbij zijn duidelijk. Die liggen bij de lokale driehoek en nergens anders. Het kan natuurlijk regionaal worden; daarop kom ik straks terug. Van GRIP 3 kun je GRIP 4 maken. Dan ligt het bij de voorzitter van de regio. Hierbij is het echter anders gegaan. Er was geadviseerd, zo weet ik, om het bij GRIP 2 te laten. Naar mijn mening is het wel begrijpelijk dat de burgemeester uiteindelijk heeft besloten dat het minimaal GRIP 3 moest worden. Anders zou er namelijk geen staf zijn geweest waarin hij had gezeten, en dat zou eigenlijk ook ondenkbaar zijn geweest. Op deze situatie kom ik terug, maar ik wilde er wel mee beginnen.

Ik ga niet in op alle punten uit het rapport en uit mijn brief. Beide zijn helder. Wel wil ik ingaan op de gemaakte opmerkingen. Sommigen hebben mij gevraagd of ik in een paar zinnen kan zeggen wat er naar mijn mening gewoon fout is gegaan. Hoe kijk ik ertegenaan? Laat ik het zo samenvatten. Ten eerste is er sprake geweest van onderschatting van wat er op ons afkwam. Ik zeg erbij dat dit helaas iedereen kan overkomen die een bepaalde verantwoordelijkheid heeft. Ik besef het elke dag weer, waar ik ook ben. Natuurlijk is dat een verantwoordelijkheid die men moet nemen, maar het kan gebeuren. Ten tweede hebben het bestuur en de politie, om het in mijn eigen woorden te zeggen, niet consistent en langs dezelfde lijn geacteerd. Met zo'n crisis, ook al heeft die je overvallen, moet je een scenario hebben dat je consistent toepast. Je moet bijvoorbeeld niet eerst zeggen dat je een alternatief feestje gaat organiseren en vervolgens zeggen dat het alternatieve feestje niet doorgaat. Ook moet je niet zeggen: het is niet toegestaan om met bier het terrein op te komen, maar het is wel toegestaan om het bier te drinken. Dit zijn heel belangrijke lessen om te trekken. Het alcoholverbod werd niet gehandhaafd. In zijn algemeenheid is de communicatie ongelukkig geweest, zoals een aantal leden ook hebben gezegd. Er was natuurlijk geen feest, dat had duidelijk moeten zijn. Daar kunnen en moeten wij enorm van leren.

Mevrouw Kooiman heeft gevraagd wat ik eigenlijk zelf heb gedaan. Sprekend over verantwoordelijkheden, wil ik daarop meteen ingaan. Wij hebben dit gevolgd via de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, die in crisissituaties bekijkt: wat komt daar aan? Later hebben wij hetzelfde gedaan ten opzichte van andere gemeenten. Op een gegeven moment was toch het beeld ontstaan dat men het daar aankon. Als er een operatie aan de gang is, moet je, ook al ben je als minister hoog gezeten, degenen die daar verantwoordelijkheid dragen niet lastigvallen met de vraag: kan ik iets voor u betekenen? Die les heb ik geleerd en zo ben ik opgevoed. Ik heb er dus mee volstaan om die avond zeer laat een sms'je te sturen aan de burgemeester met de strekking: als je tijd hebt, zou ik het op prijs stellen als je me wilt terugbellen. Dat heeft hij zaterdagochtend ook keurig gedaan. Zo zijn wij daarmee aan de slag gegaan.

Dit is natuurlijk een verantwoordelijkheid van het lokale bestuur, de burgemeester, de driehoek; ook een aantal van de leden heeft dat gezegd. Zo moeten wij het ook houden, want zo zit het systeem in ons land gelukkig in elkaar. Die verantwoordelijkheid moet je dan ook nemen en afleggen. In de situatie van Haren heeft de burgemeester zijn conclusies getrokken. Dat is aan hem in de relatie tot de gemeenteraad van Haren. Vergelijkbaar is de situatie voor de voorzitter van de veiligheidsregio, toentertijd de korpsbeheerder, de burgemeester van Groningen. Dat is een zaak van het regionaal college van toen – dat bestaat niet mee; laten wij het ook staatsrechtelijk scherp houden – en het bestuur van de veiligheidsregio, bestaande uit de collega-burgemeesters.

Laat ik meteen iets zeggen over de chef van de regio-eenheid Noord; ik kom er nog op terug. Hij is direct met zijn interventies begonnen. Het plan dat los van de commissie-Cohen is opgesteld en daaraan voorafging, met de lessen die getrokken zijn, hebben wij ook toegezonden. De regiochef is daarmee met zijn mensen dwars door de politie aan de slag gegaan. Door de commissie-Cohen wordt het positief beoordeeld dat hij dat heeft gedaan. Wel wordt gezegd dat het korps voor het examen is gezakt – laten wij het gewoon helder zeggen – maar dat overkomt de besten.

De heer Bontes (PVV): Ik heb een vraag met betrekking tot de voormalig korpsbeheerder Rehwinkel, de voorzitter van de veiligheidsregio. Ik hoor de minister zeggen dat de staatsrechtelijke situatie anders is. Dat klinkt een beetje alsof Rehwinkel geluk heeft gehad dat er nu een andere werkelijkheid is, aangezien hij anders die positie niet meer had gehad. Kan de minister dat iets scherper neerzetten?

Minister Opstelten: Nee, ik denk dat je altijd verantwoordelijk bent voor hetgeen je hebt gedaan, ook al is de staatsrechtelijke positie anders. In de Nationale Politie is het anders geworden in de verhouding korpsbeheerder versus regiochef. Destijds was het korpschef en korpsbeheerder. Dat is een andere verantwoordelijkheid. De heer Rehwinkel is geen korpsbeheerder meer, maar hij is natuurlijk wel verantwoordelijk voor wat er toen gebeurd is. Dat neem ik niemand af. Ik denk ook dat hij die verantwoordelijkheid wil en kan dragen. Daarnaast is er de vraag tegenover wie hij verantwoordelijk is. Dat is het vroegere regionaal college van het korps Groningen. Als voorzitter van het bestuur van de veiligheidsregio is hij ook verantwoordelijk tegenover het algemeen bestuur van de veiligheidsregio. Dat is de kern.

Ik had het over de heer Dros. Hij is aan de slag gegaan. Daarna hebben wij de hele benoemingsprocedure gehad voor de tien regio-eenheidchefs. Daarbij is iedereen betrokken geweest, en er bestond een groot draagvlak, unanimiteit, voor de heer Dros. Ik heb ook persoonlijk met alle chefs gesproken voordat zij werden benoemd. De heer Dros is toen benoemd. Vervolgens is er het rapport-Cohen gekomen. Ik heb toen wederom een gesprek gehad met de heer Dros en met de korpsleiding. In de tegenwoordige verhoudingen kijk ik namelijk in de eerste plaats naar wat de korpsleiding ervan vindt; dat vind ik de goede positie. Vervolgens ben ik zo vrij om te bekijken of ik het daarmee eens ben. Ik heb daarover natuurlijk een aantal vragen, en die heb ik ook gesteld. Ik heb wel geconstateerd dat zowel de ondernemingsraad van de regio-eenheid als de nationale ondernemingsraad het vertrouwen in de heer Dros heeft uitgesproken. Ik heb ook vastgesteld dat hij precies heeft aangegeven dat de fouten zijn gemaakt en daarvan totaal niets wegneemt. Hij wenst de verantwoordelijkheid daarvoor te dragen. Hij wil de nodige maatregelen nemen en heeft maatregelen genomen zodat hij verder met zijn regio-eenheid aan de slag kan gaan. Ik heb ook geconstateerd dat er uit de gezagssfeer, de burgemeesters en het Openbaar Ministerie, geen andere signalen zijn gekomen.

Wat betreft de ACP-enquête zeg ik tegen mevrouw Kooiman dat ik individuele signalen niet bagatelliseer. Ik ben dan ook van plan om met de korpsleiding te bespreken dat wij deze situatie en al dat soort signalen gewoon zoals het hoort met de heer Dros en zijn team bespreken. Ik vind het goed dat zo'n signaal is afgekomen. Wij nemen dat serieus. Zo heb ik de bedoeling van die enquête ook begrepen. Die signalen pakken wij op, zeg ik tegen mevrouw Kooiman, en elk signaal is belangrijk.

Over de ACP-enquête zou ik niet veel meer willen zeggen. Ik meen ook de heer Rehwinkel voldoende te hebben besproken. Ik kom nu op de verbetermaatregelen.

De voorzitter: Minister, er is een vraag naar aanleiding van dit blok, over de heer Rehwinkel, naar ik heb begrepen.

De heer Bontes (PVV): Nee, mijn vraag gaat over de heer Dros. De minister is onvoldoende ingegaan op mijn vragen. In Rotterdam-Rijnmond is de korpsleiding destijds na de strandrellen wel vervangen. Waarom is Dros niet vervangen maar is hij gepromoveerd? Die vraag dringt zich des te meer op als je een en ander bekijkt op de tijdlijn van de rellen, het onderzoek, dat lang geduurd heeft, en de procedure voor de benoeming van de chef van de regionale eenheid. Hoe loopt het op die tijdlijn? Het is te makkelijk om te zeggen: de ondernemingsraad vindt het allemaal prima. Nee, de korpschef bepaalt of iemand geschikt is. De minister en de Kamer kijken daarbij mee. Het is te kort door de bocht om het bij de ondernemingsraad neer te leggen en te zeggen: die vond het allemaal wel goed, en dus vind ik het ook goed. Bovendien wijst de evaluatie van een recente oefening uit dat de politiemensen zeggen: onze leiding heeft onvoldoende leervermogen; die leert niet van de fouten van de afgelopen tijd. Ik zet hierbij dus echt mijn vraagtekens. Ik heb ervoor gepleit om de heer Dros te vervangen. Waarom? Dat is niet omdat ik altijd bloed wil zien of een hoofd wil zien rollen, helemaal niet. Maar waarmee heb je hierbij te maken? Als een politieman of -vrouw de fout ingaat, wordt die persoon eruit gezet, krijgt hij een onderzoek of wat dan ook. Hierbij zou men dat ook moeten doen.

De voorzitter: Mijnheer Bontes, u hebt uw vraag over de rol en de positie van de heer Dros gesteld. Daarop krijgt u nu een reactie van de minister.

Minister Opstelten: Ik kan hier heel helder op ingaan. De vergelijking met het korps Rotterdam-Rijnmond gaat niet op, want daar was sprake van een totaal andere situatie in een totaal ander bestel met totaal andere verantwoordelijkheden. De situatie daar heeft geleid tot verandering van de functie van de heer Meijboom. Dit is in het geval van de heer Dros niet aan de orde. Uiteindelijk is dat mijn oordeel, dat ben ik totaal met de heer Bontes eens. Ik noem alleen een aantal feiten waarop ik dat mede baseer. Ik heb heel veel respect voor de heer Dros als politieman. Ik kan ook veel zeggen over zijn verleden als politieman. Hij is absoluut een professional. Het komt iemand toe om, als er grote fouten zijn gemaakt en als het is misgegaan, gewoon te zeggen: nu ga ik daar stevig mee aan de slag; ik heb ervan geleerd en ik zet de zaken recht. Dat is heel belangrijk. Ik heb het vertrouwen dat dat gebeurt. Dat vertrouwen is niet alleen gebaseerd op mijn eigen inzichten, mijn eigen professionaliteit, mijn eigen ervaring, mijn eigen intuïtie en mijn eigen mensenkennis, maar het wordt mede bevestigd door een aantal aanvullende standpunten. In de enquête van de ACP hebben een aantal mensen zich kritisch getoond. Dat zijn er niet veel. Wij moeten de cijfers ook relatief zien. Een regio-eenheid omvat ruim 4.000 personeelsleden. Op de ACP-enquête hebben, om het naar boven af te ronden, ruim 70 mensen gereflecteerd. Uit de enquête blijkt dan bovendien een verdeeld huis. Het is niet zo dat alles één kant op wijst. Toch neem ik die enkeling, de mensen die dat doen, wel serieus, want het is een serieuze enquête. Dit zal met de heer Dros besproken worden. Ik denk ook dat de korpsleiding dat allang gedaan heeft. Er zijn ook nieuwe verhoudingen.

De voorzitter: Dank u wel, minister.

Minister Opstelten: Ik vind dit een belangrijk punt, voorzitter.

De voorzitter: Ik denk dat u in dezelfde categorie nog een opmerking of vraag van mevrouw Kooiman krijgt. Het antwoord is voor nu tot tevredenheid, denk ik. Ik geef eerst het woord aan mevrouw Kooiman.

Mevrouw Kooiman (SP): Maar ik heb een ander punt. Het betreft de positie van Rehwinkel.

De voorzitter: Gaat u dan vooral door over het onderwerp Dros, minister. Daarna kunnen wij het nog over Rehwinkel hebben.

De heer Bontes (PVV): Mag ik nog een vervolgvraag stellen? De minister stelde dat de situatie in Rotterdam-Rijnmond een totaal andere was. Wat was daar totaal anders? Het ging daarbij ook om het inschatten van situaties, het analyseren van de informatie, de paraatheid, het regelen van de aanrijroutes en dergelijke. Krijg je snel troepen, versterking, ter plaatse? Dat is de kern van het grootschalig optreden. Wat is er zo wezenlijk anders? Destijds had het ook te maken met de inschatting van de burgemeester, de bereikbaarheid van de korpsleiding en al dergelijke zaken.

Minister Opstelten: Jazeker. Ik ga nu niet de situatie bij Hoek van Holland helemaal overdoen en alle daarbij genomen maatregelen bespreken. Ik zeg alleen dat het in de verantwoordelijkheden een andere situatie was, in een ander stelsel. Ik kom tot de conclusie dat het alleszins terecht is als wij de heer Dros in zijn functie laten, mede gelet op zijn opstelling ten aanzien van wat zich daar heeft voorgedaan, zichzelf totaal niet sparend en vervolgens de nodige maatregelen initiërend en nemend. Wij zijn er nog lang niet; zo dadelijk kom ik nog te spreken over die oefening en over andere concrete maatregelen. Ik constateer dat de heer Dros binnen de regio-eenheid het vertrouwen heeft. Hij heeft het vertrouwen van de verschillende instanties en van de korpsleiding. Er zijn ook geen signalen uit het gezag die op het tegendeel wijzen. Dan is er alleszins ruimte voor hem om zijn werk daar te continueren.

De voorzitter: Mijnheer Bontes, volgens mij is uw interruptietijd om. Ik laat nog een heel korte interruptie toe.

De heer Bontes (PVV): Heel kort, voorzitter. Het stelsel was niet anders. In Rotterdam-Rijnmond waren er een regiokorps en een regionaal college. In Groningen was het precies eender. Het stelsel was niet anders. De situatie was identiek. De minister zegt dat het totaal anders is, maar dat is niet waar.

De voorzitter: Ik constateer een meningsverschil.

Minister Opstelten: Dat hoeft niet. Ik zeg dat het stelsel nu totaal is veranderd wat betreft de verantwoordelijkheden. Daar gaat het om. Ik ben nu verantwoordelijk voor de positie van de heer Dros. Daarom is het terecht dat de heer Bontes het aan mij vraagt. Ik geef aan waarom de heer Dros van mij het vertrouwen krijgt en dat verdient.

De voorzitter: Mijnheer Oskam, hebt u een vraag op dit punt?

De heer Oskam (CDA): Ik wil ingaan op Rehwinkel. De minister zei dat hij met dat punt klaar was.

De voorzitter: Als het over Rehwinkel gaat, moet ik nu mevrouw Kooiman het woord geven, want zij was de eerste.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik vroeg me af of de minister nog gesproken heeft met de voorzitter van de veiligheidsregio. Dat was Rehwinkel ten tijde van de gebeurtenissen. Naar ik heb begrepen, is hij niet erg behulpzaam geweest. Dat schrijft Cohen ook. Als ik verder spit in gemeentelijke stukken, blijkt hetzelfde. Agenten zeggen het zelf ook. Terwijl zij stonden te knokken voor hun leven, heeft het anderhalf uur geduurd voordat er toestemming van Rehwinkel was dat de bussen naar Groningen konden. Die mensen stonden daar in nood. De voorzitter heeft daarbij wel steken laten vallen. Heeft de minister de voorzitter daarop aangesproken?

Minister Opstelten: Natuurlijk. In dit kleine land spreken wij elkaar. Ik heb de heer Rehwinkel ook gesproken, vanzelfsprekend. Ik ga even van de formele posities uit. Dat is onze taak. Er is GRIP 3, geen GRIP 4. Daarop heeft niemand aangedrongen. Ik heb begrepen dat van de kant van de burgemeester van Groningen is aangeboden om de nodige dingen te doen. Wel is het zo dat dit zich in de gemeente Haren heeft afgespeeld en nergens anders. Daar liggen dan ook de formele verantwoordelijkheden. Verder vind ik dat het oordeel daarover – ik ben daar op zichzelf heel mild in – altijd bij het bestuur van de veiligheidsregio ligt. Daarvan heb ik geen andere signalen ontvangen. Ik ben laatst nog op werkbezoek bij de veiligheidsregio Groningen geweest. Daarover hebben wij het hier niet gehad. Dat liep uitstekend.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik vind deze reactie heel erg mild. De gemeente Haren gaf aan: wij hebben nu hulp nodig van de burgemeester van Groningen, de voorzitter van de veiligheidsregio. Er werd gezegd: wij hebben nu bussen nodig, want het loopt hier vast. Daarop zei de burgemeester van Groningen: wij willen alleen leuke feestvierders. Daar komt bij dat Haren en Groningen enorm verschillen qua regio. Er was een verzoek om hulp. Een gemeente verderop heeft hulp nodig en agenten daar vechten letterlijk voor hun leven. Mijn vraag aan de minister is dan wel wat de burgemeester van Groningen daarmee heeft gedaan. Cohen concludeert terecht dat hij niet erg behulpzaam is geweest, en dat is nog zacht uitgedrukt.

Minister Opstelten: De situatie speelde zich daar af, en daar lagen de verantwoordelijkheden. Laten wij onszelf ervoor behoeden dat wij van grote afstand die situatie ook nog een keer gaan bekijken, terwijl dat gewoon in het bestuur van de veiligheidsregio en in de gemeenteraad van Haren behoort te gebeuren. Ik denk dat er altijd afwegingen zijn op grond waarvan een dergelijk besluit als dat rond de bussen is genomen. Natuurlijk is er betrokkenheid geweest. Dat heb ik zelf van de burgemeester van Groningen gehoord en ik heb het ook van anderen gehoord. Hij handelde als burgemeester van Groningen en niet als voorzitter van de veiligheidsregio, omdat het GRIP 3 was. Je moet tijdens een operatie anderen niet gaan storen en de driehoek niet gaan lastigvallen met vragen of men hulp nodig heeft, terwijl men daar op dat moment niet om vraagt.

De heer Oskam (CDA): Ik wil het toch nog even over de verantwoordelijkheden hebben. In dit soort situaties heb je flexibiliteit en leiderschap nodig. Zoals ik eerder zei, vluchten bestuurders vaak in procedures, zoals GRIP 2 en GRIP 3. De minister doet het zelf ook als hij zegt: de lokale driehoek is verantwoordelijk. Burgemeester Rehwinkel is een grote burgemeester. Ik vind eigenlijk dat hij zo'n kleine burgemeester toch in bescherming moet nemen en meer moet aandringen. De burgemeester kent ook zijn korps. Achteraf is gebleken dat hij zijn korps niet kende, want in het onderzoek zegt hij: het verrast me dat het Groningse korps zo veel tekortkomingen had. Hoe kan het zijn dat de regioburgemeester, de korpsbeheerder daarvan schrikt? Hoe kan dat?

Minister Opstelten: Ik hoef het niet voor de heer Rehwinkel op te nemen, want dat kan hij zelf, maar ik zeg nogmaals dat de heer Rehwinkel daarvoor volgens mij niet terugschrikt. Er is alleen een situatie met verantwoordelijkheden die in Haren liggen, en die ziet hij. Daarbij heeft hij de diensten aangeboden en is hij best behulpzaam geweest. Uiteindelijk moet de burgemeester, de driehoek, in Haren het echter voor elkaar krijgen met het hele korps. Daar doet een burgemeester van Groningen of Delfzijl of welke andere stad dan ook, niets aan af. Het gaat erom dat hij verantwoordelijk is en niemand anders.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): De minister legt heel erg de nadruk op de rol van burgemeester van Groningen, maar deze zelfde burgemeester was ook korpsbeheerder ten tijde van Haren. Als korpsbeheerder heb je wel degelijk een verantwoordelijkheid. Je bent verantwoordelijk voor het beheer van het korps en voor de inzet van de politiemensen. Ik kan me toch niet aan de indruk onttrekken dat het daaraan geschort heeft. De minister had uiteindelijk ook altijd een duidelijke rol tegenover de korpsbeheerders. Ik vraag hem dus of hij vanuit die rol de korpsbeheerder niet heeft aangesproken op – laat ik het maar zachtzinnig formuleren – het matig functioneren van de korpsbeheerder in deze kwestie.

Minister Opstelten: Het ergste wat een korpsbeheerder kan doen – ik weet het als geen ander want ik heb de situatie in dat bestel in verschillende korpsbeheerderschappen meegemaakt – is treden in het gezag van een collega. Als het met het politiekorps fout zou zijn gegaan, als dat onwillig zou zijn geweest of als er verschil van inzicht zou hebben bestaan tussen de korpschef en de burgemeester van Haren over de inzet, zou dat een punt voor de korpsbeheerder zijn geweest. Dat heb ik niet geconstateerd. Ik heb wel geconstateerd dat er een aantal fouten is gemaakt. Daarvoor is de korpsbeheerder van toen mede verantwoordelijk. Natuurlijk is dat zo, en dat zal hij ook volledig erkennen. In de kern is echter het gezag de baas. Dat hoef ik mevrouw Berndsen niet te vertellen. Mevrouw Berndsen bracht over de situatie wel een goed punt naar voren, dat ook aan de orde komt in de evaluatie van de veiligheidsregio. Dit betreft de verschillende opschalingspunten en de verantwoordelijkheden die daarbij horen, dus van GRIP 3 naar GRIP 4 en de positie van de voorzitter van de veiligheidsregio. Een aantal conclusies hebben wij al besproken naar aanleiding van Moerdijk. Er moet echt een eenheid van opvatting zijn, zodat overal op dezelfde manier wordt opgeschaald en daarover geen discussie bestaat. Er is telkens discussie over. Bij Moerdijk was daar discussie over en nu is er weer discussie. Wij moeten daarover duidelijkheid creëren. Ik zal dan ook nadrukkelijk aan de commissie-Hoekstra vragen om daar goed naar te kijken.

De voorzitter: Tot slot, mevrouw Berndsen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Ik had het niet over de gezagsituatie. Natuurlijk weet ik hoe die in elkaar steekt. Ik had het over de beheersituatie. Bij die beheersituatie hoort ook de inzet van politiemensen. Ik vind het mooi dat de minister het hier zo opneemt voor de toenmalig korpsbeheerder van de veiligheidsregio, maar wij constateren nu met elkaar dat er grote fouten zijn gemaakt en dat men veel steken heeft laten vallen. Ik vind dat deze korpsbeheerder thuishoort in het rijtje van hen die grote steken hebben laten vallen.

Minister Opstelten: Ik zeg alleen dat de korpsbeheerder die verantwoordelijkheid nooit uit de weg gaat of is gegaan. Dat doet echter niets af aan de inzet van de politie noch aan de gezagsverantwoordelijkheden. Toen was die verantwoordelijkheid er. Daarna is de commissie-Cohen gekomen. Die heeft dat geconstateerd. Zowel het gezag als de politiechef, de heer Dros, is aan de slag gegaan. Daar zou ik het bij willen laten. We hebben nu een andere verantwoordelijkheidsstructuur, dat maakt het ingewikkelder. Destijds echter was de korpsbeheerder natuurlijk altijd verantwoordelijk voor het functioneren van het politiekorps. Dat was de werkelijkheid en dat is nu nog steeds de werkelijkheid, met het verschil dat ik nu de verantwoordelijke ben en die verantwoordelijkheid ook neem.

Voorzitter. Ik kom te spreken over de verbetermaatregelen. De heer Bontes, mevrouw Berndsen en ik meen ook de heer Dijkhoff vinden dat er enorm veel verbetermaatregelen zijn voorgesteld. Zij vragen zich af of ik iets kan zeggen over de interne evaluatie in Noord-Nederland en of ik kan toelichten hoe het staat met de verbetermaatregelen. De afgelopen maanden is hard gewerkt aan de uitvoering, het checken en het onverwacht testen. Dat gaat dan een keer goed en een keer fout. Deze checks en tests lopen nog steeds. Het overgrote deel van de 27 punten blijkt daadwerkelijk gerealiseerd. Zo is nu voor alle medewerkers duidelijk dat speciale rollen voor conflict- en crisisbeheersing en grootschalig optreden altijd voorrang krijgen op het reguliere werk. Verder worden medewerkers tijdens de integrale beroepsvaardigheidstraining aanvullend geïnstrueerd in het optimale gebruik van de communicatieapparatuur, is de communicatieapparatuur in de commandokamer in Groningen geüpgraded en is de functionaliteit van de Stafofficier Verbindingen standaard opgenomen in de Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden (SGBO). Ook heel eenvoudige, praktische verbeteringen zoals het uitreiken van zichtbaarheidsvestjes met herkenbare opdruk voor de ME zijn direct opgepakt. Daar waar tijdens de checks en tests toch nog geen voldoende werd gehaald, is direct versnellende of corrigerende actie ingezet, bijvoorbeeld in de optimale verdeling van de lange wapenstokken over de verschillende locaties.

Vier punten bevinden zich nog in de implementatiefase omdat deze eenvoudigweg niet overhaast kunnen worden uitgevoerd. Daardoor wordt de paraatheid echter niet aangetast. Dit betreft bijvoorbeeld het bereiken van de definitieve vaste samenstellingen van de Staven Grootschalig en Bijzonder Optreden. Alle ME-voertuigen zijn inmiddels voorzien van navigatie maar het voorzien van alle voertuigen van het zogenaamde Automatic Vehicle Location System, dat in verbinding staat met de meldkamersystemen, heeft meer tijd nodig. Verder is van de gelegenheid gebruikgemaakt om de laatste stand der techniek te verkennen voor het mobiel beschikbaar stellen van elektronisch kaartmateriaal aan de ME-commandanten.

Recent zijn in de pers de resultaten van één specifieke «paraatheidstest» behandeld. De vakbond ACP heeft van de gelegenheid gebruikgemaakt om zijn ongenoegen over deze testresultaten in de pers te uiten. Echter, ook de leerpunten uit deze stresstest zijn onmiddellijk opgepakt en opnieuw getest. Dit betrof bijvoorbeeld softwarefouten in het alarmeringssysteem, die inmiddels met succes zijn verholpen. De eenheid Noord-Nederland blijft met regelmaat de paraatheid testen, zowel die van de hardware en de software als die van de human factor. De korpsleiding van de Nationale Politie ondersteunt deze doorlopende kwaliteitsslag ten volle en monitort de resultaten.

Ik wil nog iets zeggen over die oefening, want die heeft veel aandacht gekregen. Ik kan me daar ook wel iets bij voorstellen. In het kader van het verbetertraject naar aanleiding van Haren worden voortdurend checks en testen uitgevoerd. Om alle systemen te testen is op tweede paasdag een ME-sectie van 24 personen twee uur eerder dan het begin van hun feitelijke dienst met spoed opgeroepen om zich te verzamelen op een parkeerplaats in Friesland. Deze sectie stond op dat moment dus niet op piket. Er bleek een technisch gebrek te zijn waardoor de alarmering feitelijk pas een halfuur later uitging. Desondanks waren de Friese politiemensen binnen anderhalf uur na start van de test om 7.00 uur ter plaatse. Om 9.00 uur meldde de Drentse groep zich in de lucht. Die was toen via Assen, om nog een aantal mensen op te pikken, op weg naar de opkomstplaats in Friesland. Omwille van de tijd is de oefening op dat moment beëindigd; de reguliere dienst begon. In de pers is vermeld dat de laatste collega's pas drie uur later ter plaatse waren, maar dat kwam doordat deze groep uit Drenthe bij het afbreken van de oefening is afgebeld – dan is dat logisch – en de sectie twee uur later volgens planning wel in dienst is gekomen voor een voetbalwedstrijd van Cambuur. Op 3 april, dus een dag later, is het alarmeringssysteem opnieuw getest binnen de ME. Bij deze test ontvingen alle opgeroepen mensen binnen twee minuten het bericht in hun gsm. Het interne alarmeringsproces binnen het Bureau Conflict- en Crisisbeheersing (BCCB) is onmiddellijk verbeterd, zodat er minder tijd zit tussen het alarmeren van het BCCB en het alarmeren van de ME. De leden hadden recht op deze uitgebreide briefing over hoe het werkelijk is gegaan, voorzitter.

De heer Marcouch heeft een belangrijk punt over de nazorg voor agenten. Ik ben zelf zo spoedig mogelijk ter plaatse gegaan en heb daar gesproken met de agenten. Het is mooi dat een aantal van hen vandaag hier is. Er is grote betrokkenheid bij de nazorg binnen het korps. Er zijn veel gesprekken geweest met medewerkers en leiding. De or bewaakt dit ongetwijfeld. Daar ga ik van uit.

Mevrouw Berndsen heeft een vraag over het aantal fte's bij OSINT. Er zijn continu vier fte's per Real Time Intelligence Center (RTIC). De realtime-intelligenceorganisatie is in alle eenheden 24 uur per dag bezet. Dit is al gerealiseerd. Samen met OSINT en de RTIC's hebben we nu 50 mensen die permanent en realtime de social media volgen.

De heer Oskam heeft een vraag over trainen met casuïstiek op paraatheid. Er is een nieuwe ME-opleiding binnen de Politieacademie. In die opleiding staat het onderwerp flexibel opschalen centraal. Daarin wordt geoefend met casuïstiek. Ik ga ervan uit dat daarbij wordt geleerd van ervaringen uit het verleden en natuurlijk ook van de casus Haren.

Mevrouw Kooiman wil weten wat V en J als departement doet en wat de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) doet in het kader van de social media. De Directie Risico's en Dreigingen (DRD) van de NCTV monitort de social media op sociale onrust en andere dreigingsrelevante uitingen. Daarnaast worden onder meer de social media benut om tijdens incidenten, evenementen en dreigende crises omgevingsanalyses te maken voor het Nationaal Crisis Centrum (NCC). Deze omgevingsanalyses beschrijven de informatiebehoefte, het gedrag en de duiding van de betrokken burgers en het publiek. De omgevingsanalyses vormen input voor het crisiscommunicatieadvies van het NCC of het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie (NKC) aan de overheid die het aangaat. Dit kan ook lokaal zijn.

De voorzitter: Dank u wel, minister. Er is een vraag van mevrouw Kooiman.

Mevrouw Kooiman (SP): Tenzij de minister nog verder te spreken komt over de opschaling? Was dit het?

Minister Opstelten: Ik kom daarop terug, los van wat ik al heb gezegd.

Ik kom op het punt deskundigheid van burgemeesters plus GRIP plus veiligheidsregio. Ik denk niet dat ik over de verantwoordelijkheden nog iets hoef te zeggen. Mevrouw Berndsen heeft het al een paar keer gezegd en in de brief heeft ook het kabinet er het nodige over gemeld. We hebben het in het kabinet besproken. Ik bespreek het ook graag met mijn buurman in het departement. Dat hebben we ook gedaan. Ik ben er een groot voorstander van dat we echt al deze zaken scherp met alle burgemeesters bespreken en hen daarin meenemen. Ditzelfde geldt voor degenen die nieuw in het vak komen. Ik ben hierover al in gesprek geweest met diverse burgemeesters. In het bijzonder heb ik het besproken met de regioburgemeester in het artikel 19-overleg op 15 april jl. Daaruit kwam direct naar voren dat de G-4-burgemeesters ongelofelijk graag hun startende collega-burgemeesters willen helpen. Het is altijd moeilijk om tegen een collega te zeggen «we willen je coachen», maar ze willen hen wel laten weten «onze ervaring staat voor jullie beschikbaar». Daar gaat het om. Dat moeten we operationeel maken. Er is natuurlijk al heel veel. We hebben het ook besproken met de voorzitter van het genootschap. Ik denk dat de VNG, BZK, wij, de betrokkenen bij het artikel 19-overleg en de verschillende gezagsgremia dit operationeel maken. We zullen versterken wat er is. Ik denk dat dat belangrijk is. Het woord «verplichtend» werkt hier in de regel niet bij. Een morele verplichting weegt echter vaak veel zwaarder dan een regel. Wij denken dat wij deze suggestie heel zwaar zullen oppikken.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Ik ga hier nog even op door. De commissarissen van de Koningin hebben regelmatig gesprekken met de burgemeesters. Als de minister het niet wil verplichten, is het misschien goed als de CvK's in hun gesprekken met burgemeesters deze onderwerpen nadrukkelijk aan de orde stellen. De wereld verandert immers heel erg snel. Als je al lang burgemeester bent, is het goed als je eens wat bijgespijkerd wordt, bijvoorbeeld op het gebied van de nieuwe media. Als de CvK daar een bepaalde rol in kan krijgen, komt het in ieder geval ergens terug en wordt het ergens vastgelegd.

Minister Opstelten: Het is misschien vervelend om telkens te zeggen dat ik iets al gedaan heb, maar dat is ook hierbij het geval. Toevallig hebben we deze week in de CvK-vergadering het rapport over Haren besproken. Gezeten naast collega Plasterk heb ik dit besproken met alle CvK's. Wat een timing van de vraag en wat een timing van het antwoord! Het wordt heel serieus genomen. Het is volkomen terecht dat mevrouw Berndsen dit opmerkt; de CvK's spelen een belangrijke rol op dit punt omdat zij periodiek de burgemeesters spreken. Bij dat gesprek kan het gaan over de vraag hoe het gaat met de burgemeesters, of ze voorbereid zijn en of ze iets doen aan hun ontwikkeling.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Om alle misverstanden te voorkomen: dit was geen een-tweetje. Het is niet mijn gewoonte om de minister te laten scoren.

Minister Opstelten: Het is precies zoals mevrouw Berndsen zegt.

Wat de GRIP-situatie betreft heb ik het meeste al besproken. Een goede lezer zal in ons antwoord op het rapport-Cohen hebben opgemerkt dat ik een kleine kritische kanttekening maak. Ik heb met veel burgemeesters gesproken. Er was een GRIP 3 en een SGBO-structuur. Dat is ook heel normaal. Ik denk dat ik hetzelfde zou hebben gedaan in die lijn. Ik kan mij er iets bij voorstellen. Ik vind ook dat het regionaal en lokaal maatwerk is. Er is niet overal dezelfde cultuur en er zijn niet overal dezelfde tradities. Niet overal is er dezelfde persoonlijke chemie of geoefendheid. Dat is natuurlijk ook belangrijk. Het is heel belangrijk dat in zo'n team de mensen elkaar goed kennen en in zo'n situatie de weg weten.

Mevrouw Kooiman (SP): Cohen concludeert inderdaad dat er niet gekozen had moeten worden om op te schalen naar GRIP 3. De burgemeester van Haren geeft aan dat hij handen nodig had. Hij had maar 0,5 fte veiligheidsmedewerker en 1 fte communicatiemedewerker en had gewoon handen nodig. De burgemeester van Groningen zei dat hij pas in de picture kwam als het GRIP 4 werd. Ik wil graag van de minister weten wat er dan had moeten gebeuren en wat andere veiligheidsregio's, andere gemeenten, andere burgemeesters hiervan kunnen leren.

Minister Opstelten: Ik kan die vraag volledig beantwoorden, want dat is gewoon gebleken in een aantal situaties die zich direct daarna hebben voorgedaan. Je moet beginnen met de situatie niet te onderschatten en alles te mobiliseren. Op het departement hebben wij in de dagen na Haren iedereen kunnen adviseren voor zover dat op prijs werd gesteld. Burgemeesters rapporteerden ook hoe zij aan de slag gingen. De een deed het heel soepel en heel licht; helemaal geen nieuwe structuur. Dat is goed afgelopen. De ander, bijvoorbeeld de burgemeester van Arnhem, deed het zwaar. Hij heeft alles uit de kast gehaald. Dat is ook goed afgelopen. Het zijn, kortom, telkens de goede lijnen geweest. Ze hadden echter allemaal wél de kennis van Haren. Zij deden het nadat de situatie in Haren zich had voorgedaan. In de paar dagen erna is de kennis meteen verdergegaan. Dat is goed afgelopen. Het gaat erom dat je precies onderkent wat er aan de hand is, dat je op tijd maatregelen neemt en dat je consistent en vasthoudend bent in je betoog, je communicatie en je maatregelen.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik snap het nog niet helemaal, misschien kan de minister mij helpen. Naar ik begreep, heeft de burgemeester van Groningen pas willen helpen op het moment dat er was opgeschaald. Is dat nodig, vraag ik me af. Moeten we altijd opschalen? Cohen adviseert om dat niet te doen. Ik ben een beetje in verwarring, moet ik eerlijk zeggen.

Minister Opstelten: Ik geef geen maatwerk, in de trant van: zo is het, zo moet je het in dergelijke situaties altijd doen. In de voorbeelden die ik gaf, is er in een heleboel gevallen niet opgeschaald. Dat hoeft ook helemaal niet. Elke burgemeester heeft met de politie, het OM en anderen de benodigde maatregelen genomen. Naar ik meen is het hier en daar soms zelfs met de KMar erbij gebeurd. Dat kan ook, maar het hangt af van de informatie die je hebt. Je kunt GRIP 3 doen en een SGBO. Dat is een stevige structuur voor de politie-inzet, zoals in Haren gebeurde. Ik vind dat heel verantwoord. Het ligt ook niet aan de structuur. Vervolgens kan het zijn dat de burgemeester van een omliggende gemeente of van een centrumstad ook nog hulpdiensten regelt. Dat hoeft echter helemaal niet; het hangt af van de situatie. Er is geen vaste regel dat het te allen tijde op een bepaalde manier moet gebeuren. Nee, te allen tijde loopt het soms totaal verschillend. Het gaat erom dat het bestuur en de lokale driehoek daarop het juiste antwoord geven, samen met hun politie. Het is daarom waardevol dat we nu de Nationale Politie hebben. Zo kun je de kennis vanuit het hoofdkantoor direct inzetten. Dat is erg belangrijk.

De heer Dijkhoff (VVD): Het is belangrijk om helderheid te krijgen over dit punt. Het gaat mij niet zozeer om de vraag of in bepaalde gevallen de opschaling terecht was. Begrijp ik de minister goed – dat hoop ik wel – dat hij zegt dat los van de weging in een dergelijk geval de GRIP-structuur heel nuttig is, maar dat er ook gevallen kunnen zijn waarin je wél hulp nodig hebt van een buurgemeente, waarin je elkaar wél even helpt op een gericht punt zonder dat je daar per se de GRIP-structuur voor nodig hebt?

Minister Opstelten: Dat kan. Het is wel erg theoretisch, maar je kunt inderdaad geen GRIP hebben. Je hebt echter ook nog GRIP 1 en GRIP 2. Op een gegeven moment zit je met een bepaald team. Dan kan inderdaad de buurgemeente gewoon helpen. Dat kan natuurlijk. Dat kan altijd. Het is maatwerk. Je gaat echter wel in een team zitten. In een dergelijke situatie ga je wel met de driehoek rond de tafel zitten. Je kunt in een GRIP 2 zitten, maar dat is helemaal niet bureaucratisch. Als dat wel zo is, loopt het niet goed. Het moet niet bureaucratisch verlopen. Het is ook helemaal niet moeilijk om GRIP 3 te doen. Dat is de driehoek, dus een kwestie van twee telefoontjes en dan zitten ze er. Zo moet je ertegen aankijken. Het kan best zo zijn dat de burgemeester van de centrumgemeente er ook bij komt. Dat kan, maar dat hoeft niet.

Direct na de rellen zijn 25 rechercheurs in een Team Grootschalig Opsporen (TGO) gestart. Het publiek is gevraagd om beeldmateriaal te verschaffen. Alles is uit de kast gehaald. Dat mag ook weleens worden gezegd. Er was sprake van circa 53.000 Facebookberichten en 550.000 tweets. In totaal waren er 110 verdachten, van wie 80 meerderjarig. In bijna alle zaken heeft inmiddels de behandeling ter rechtszitting plaatsgevonden. 14 zaken zijn geseponeerd. De verdachten waren grotendeels jongeren zonder noemenswaardig strafblaf. Er zijn veel werkstraffen gegeven, van kort tot en met een maximum van 240 uur. In een aantal zaken zijn relatief korte vrijheidsstraffen uitgedeeld. Het OM heeft in alle zaken betaling gevorderd van een bedrag ten behoeve van de slachtoffers. Meer dan 45 verdachten zijn veroordeeld tot het storten van een bedrag in een schadefonds. Het totaalbedrag is € 18.450. Er waren geen aanwijzingen dat er hooligans waren.

De heren Marcouch en Oskam vragen naar het supersnelrecht. Het kabinet wil daders van geweld en overlast in het publieke domein zo snel mogelijk lik-op-stuk geven. Punt. Dat willen we allemaal. We hebben het ook afgesproken. De inzet van het supersnelrecht en het snelrecht speelt een belangrijke rol bij het lik-op-stukbeleid. U kunt dat terugzien in mijn laatste rapportage met oud en nieuw. Daaruit blijkt dat met een enkele uitzondering dit een succesvol instrument is gebleken.

De heer Oskam (CDA): Dat juich ik ook toe: lik-op-stukbeleid moet blijven. De andere kant van het verhaal echter is de klacht van Slachtofferhulp Nederland dat de slachtoffers met schade achterblijven omdat zij te weinig tijd hebben om hun schade aan te tonen. Dat is in Haren ook gebeurd. Die ontwikkeling moeten we meenemen. Misschien moeten we toe naar een situatie waarin het weliswaar snel kan maar waarin slachtoffers ook voldoende gelegenheid hebben om hun schade op een fatsoenlijke manier aan te tonen.

Minister Opstelten: We hebben het eerder al over de schade gehad. Er zijn duidelijke uitspraken over gedaan door mij en door het OM. Het Schadefonds Openlijk Geweld heeft goed gewerkt. Het is belangrijk om te melden dat dit een nieuw instrument betreft. Het initiatief van de heer Dijkhoff betreffende de testcase moeten we oppakken. De kosten moeten echt worden verhaald op de daders. Ook moeten we de schade scherper verhalen, met in verhouding een redelijker bedrag dan nu. Daar ben ik het helemaal mee eens, maar dit doet niets af aan het element van lik-op-stuk en supersnelrecht. Het gaat weleens een keer niet goed. Daar ben ik het mee eens. Het is een nieuw instrument en we moeten er nog mee leren omgaan. Als het niet snel kan, vanwege de bewijslast en de tijd die nodig is om het proces goed voor te bereiden, moet je het niet doen. Als het wel kan, doen we het wel.

De voorzitter: Ik zie dat ook de heer Marcouch nog een vraag heeft. Ik vraag de minister om de beantwoording korter te houden en de leden om hun vragen minder uitbundig te stellen, niet omdat het debat niet interessant genoeg is, maar omwille van de tijd.

De heer Marcouch (PvdA): Ik heb de minister ook gevraagd of er nog onderzoeken lopen. Er is geconstateerd dat er zo'n 3.000 tot 5.000 mensen betrokken waren bij de rellen. Dat waren waarschijnlijk niet allemaal relschoppers. Lopen er nog onderzoeken naar verdachten? Zitten er nog politiemensen op de zaak of is deze afgesloten?

Minister Opstelten: Ik was nog niet toegekomen aan dit antwoord. Het OM heeft aangegeven niet meer bezig te zijn met de opsporing van nog meer verdachten in Haren. Die zaak is dus afgesloten. Het heeft ook geen zin meer om er nog langer naar te kijken.

Ik wil naar de vragen van de heer Dijkhoff.

De voorzitter: Precies. Die werd wat onrustig.

Minister Opstelten: Dat voel ik. Daarom is mijn timing ook heel goed.

De voorzitter: Ik zou dat niet te veel zeggen.

Minister Opstelten: Het is mijn eigen inschatting.

De voorzitter: Oké, dank u wel.

Minister Opstelten: Fijn dat u dat onderschrijft.

De heer Dijkhoff wil weten of de kaders nu voldoende helder zijn. Zoals ik zojuist al zei, betreft het een nieuw instrument. Het was pionieren. Nu is er een duidelijke regeling beschikbaar, ook voor nieuwe incidenten, mochten die zich onverhoopt voordoen. Het is gepubliceerd op 21 februari. We gaan er dus mee door.

Een andere vraag van de heer Dijkhof is of de social media voldoende bij het onderzoek zijn betrokken. Het antwoord is ja. Het OM heeft een viertal verdachten ook vervolgd voor opruiing. Je kunt dat weinig vinden, vier verdachten, maar zo zijn de feiten. Het OM en de politie hebben, gelet op de omvang van de rellen, bij een aantal verdachten ervoor gekozen om bij de vervolging prioriteit te geven aan geweldshandelingen tijdens de rellen in Haren. In die afweging heeft meegespeeld dat een onderzoek naar uitlatingen op social media het onderzoek aanzienlijk complexer zou maken, waardoor snelrechtzittingen en lik-op-stukbeleid moelijker zouden worden. De beoordeling van de strafbaarheid van de uitlatingen op internet is complex. Daarmee moet ervaring worden opgedaan.

De heer Dijkhoff (VVD): Betekent dit dat dergelijke gevallen, waarin mensen én relschoppen en schade veroorzaken én opruiend bezig zijn, minder geschikt zijn voor snelrecht? Of verwacht de minister dat we nu met OSINT al vooraf beschikken over informatie van social media en dat die informatie in de toekomst meteen kan worden meegenomen in een snelrechtzaak?

Minister Opstelten: Dat vergat ik zojuist te zeggen: het gaat niet alleen om opruiing tijdens de rellen. Het gaat er met de social media natuurlijk ook om dat je onderkent wat er aankomt, dat je dat strafbaar stelt voordat het is gebeurd en dat je daarbij indien mogelijk snelrecht toepast. Het gaat natuurlijk om een totaal nieuwe ontwikkeling waarop we geheel ingespeeld moeten raken. Zowel bij het OM als bij de politie heeft men nu de deskundigheid daarvoor in huis en is men die verder aan het ontwikkelen.

Voorzitter. De heer Dijkhoff vraagt in het kader van het verhalen van de schade om een testcase. Ik wil nogmaals onderschrijven dat we op zoek zijn naar een dergelijke testcase. Ik hoop dat die snel komt; althans, het moet wel gaan om iets wat al is gebeurd, laat dat duidelijk zijn.

De heer Marcouch heeft een vraag over een wetsvoorstel om daders strenger te bestraffen als zij onder invloed van alcohol hun daad hebben gepleegd. Ik vind het altijd leuk om daarover te spreken. Er is een wetsvoorstel in voorbereiding dat de politie de bevoegdheid geeft om bij geweldplegers een alcohol- of drugstest af te nemen. Voor het zomerreces zal dit wetsvoorstel ter behandeling worden aangeboden aan de Kamer.

Diverse sprekers hadden het over jeugd en alcohol. Ik noem met name de heren Oskam en Dijkhoff in dit verband. Er is duidelijk gerapporteerd over het alcoholgebruik. Laat ik er niet te dramatisch over zijn. Ik ben blij te constateren dat de commissie-Cohen scherp onderkent dat er al veel initiatieven zijn ondernomen om alcoholgebruik bij grote evenementen en tijdens het uitgaan tegen te gaan. Nog niet overal worden de mogelijkheden echter ten volle benut. Samen met de staatssecretaris van VWS faciliteer ik met mijn departement de gemeenten met kennis en expertise voor het vormgeven van hun alcoholbeleid. Het alcoholbeleid is overgedragen aan de gemeenten; de verantwoordelijkheid voor het alcoholbeleid ligt, met de hartelijk instemming van de Kamer, grotendeels bij de gemeenten. Dit beleid betreft zowel gezondheid als openbare orde en veiligheid. Gemeenten kunnen beschikken over een breed arsenaal van instrumenten om uitgaansgeweld en overlast aan te pakken. Ik kan natuurlijk een aantal instrumenten in dit kader noemen, maar de Kamerleden kennen die allemaal al, want ze zijn vervat in de maatregelen die de Kamer heeft onderschreven.

De commissie-Cohen constateert dat het fenomeen veeldrinken deel uitmaakt van de cultuur van feesten en uitgaan. Het opzoeken van grenzen hoort bij de levensfase van jongeren, maar zij zien daarbij onvoldoende risico's en worden lang niet altijd voldoende afgeremd in hun zoektocht naar uitdagingen. Daarom zetten de staatssecretaris van VWS en ik in op het versterken van de maatschappelijke normen. We hebben gezegd dat het niet normaal is om te drinken voordat je 18 jaar bent. Belangrijk is dat ouders, scholen, verenigingen, detailhandel, horecaondernemers en overheidsorganisaties hierbij allemaal een verantwoordelijkheid hebben. Ik wil de ouders daar scherp in noemen.

Ik kom te spreken over de motie van de heer Marcouch over het sociaal verhoor. In mijn brief van 26 juli 2012 heb ik aangegeven dat ik de motie sympathiek vind, maar dat ik geen meerwaarde zie in een gesprek dat de Raad voor de Kinderbescherming met de ouders voert. Ik vind de motie sympathiek maar dat specifieke instrument niet. Ik denk dat een gesprek, in combinatie met het signaleringsinstrumentarium dat er al is, voldoende mogelijkheden biedt om de nodige en passende interventies in te zetten. Ik vind de positie van de ouders ontzettend belangrijk. We hebben recent nog gedebatteerd over de verantwoordelijkheid van ouders en ik neem niets terug van hetgeen ik in dat debat heb gezegd. Ik vind dat we er scherp in moeten investeren en dat we er positie in moeten innemen. Normaal moeten we de ouders zien als een partner in de veiligheidsketen, zoals de heer Marcouch al zei in het debat vorige week. Als zij echter niet willen, moeten ze erbij worden gehaald met het instrumentarium dat we daarvoor hebben.

Tot slot ...

De voorzitter: Precies. Ik denk dat u langzaam tot een afronding zou moeten komen.

Minister Opstelten: Jazeker. Precies. Wederom een voorbeeld van mijn voortreffelijke timing.

De voorzitter: Ik denk dat het ook mijn timing is, minister.

Minister Opstelten: Jazeker voorzitter, dan zijn we het daarover eens.

Ik kom bij het laatste punt, de samenstelling van de commissie, de duur en de kosten en de vraag wie die betaalt. De opdracht aan de commissie-Cohen was in de eerste plaats een zaak van de lokale driehoek. Die heeft gezegd de voorkeur te geven aan het voorzitterschap van de heer Cohen. Dat is aan mij voorgelegd en ik heb daar gaarne mee ingestemd. Dat wil ik hier zeggen. Ik heb wel aangetekend dat wij graag betrokken zouden worden bij de opdracht aan de commissie-Cohen, omdat er een aantal onderwerpen is, zoals paraatheid en social media, waarvoor het van nationaal belang is dat er een goed, stevig rapport komt. De gang van zaken, het nemen van de verantwoordelijkheden en het feest daar zijn aan Haren, maar met de andere punten wilden wij graag meedoen.

Een dergelijk onderzoek kost tijd. We hebben op een gegeven moment gekeken hoe lang andere onderzoeken van het COT of andere instanties hebben geduurd, en dan blijkt dat ze allemaal dezelfde hoeveelheid tijd vroegen. Ook de kosten van de verschillende onderzoeken liepen niet ver uiteen. Op verzoek van Haren hebben we gezegd dat we natuurlijk een substantiële bijdrage in de kosten willen leveren. We laten die kosten niet liggen bij Haren, een niet heel grote stad. Bij elkaar heeft het onderzoek bijna € 400.000 gekost. € 300.000 daarvan is voor mijn rekening gekomen en € 100.000 voor die van de gemeente Haren. Ik vind het prijzenswaardig van de gemeente Haren. Dit leek mij gepast.

De driehoek is de formele opdrachtgever van het onderzoek, wij hebben mogen meekijken naar de opdracht.

Over de samenstelling van de commissie is al het nodige gezegd. Ik vind dat de commissie goed was samengesteld. Ik acht natuurlijk de voorzitter hoog, laat dat gezegd zijn. Hij heeft goede onderzoekservaring en hij heeft op dit terrein een heel verleden alsmede zijn professionaliteit kunnen inbrengen. Dat is heel goed. De kwaliteit van de andere leden van de commissie spreekt ook voor zich. Professor Van den Brink is hoogleraar Bestuurskunde, een belangrijk onderwerp. Dr. Adang is lector Openbare Orde en Gevaarsbeheersing aan de Politieacademie en heeft al vele rapporten geschreven. Professor Van Dijk is hoogleraar Communicatiewetenschap en Nieuwe Media. Als het ergens over gaat bij het onderzoek naar Haren, is het wel daarover. Thomas Boeschoten is student Nieuwe Media en Digitale Cultuur. Hij vertegenwoordigt de jongere in de relatie tot de social media. Die moet je wel binnen de poort hebben. Ik geloof dat het mijn enige bijdrage aan de samenstelling van de commissie is geweest dat ik daarnaar gevraagd heb, maar daar had men al in voorzien.

Dit is het, mijnheer de voorzitter.

De voorzitter: Ik dank u zeer, minister. Er is desondanks nog een vraag van de heer Oskam.

De heer Oskam (CDA): Ik mis het antwoord op mijn vraag over het leger.

Minister Opstelten: Het is volkomen terecht dat de heer Oskam dit zegt. Dank voor die vraag. Ik kan daar heel duidelijk op antwoorden. Er moet geen enkel bezwaar zijn om de verschillende eenheden van het leger, van Defensie, in te zetten op het moment dat dat relevant is. Ik kom, zoals ik eerder al heb toegezegd, nog voor de zomer met een nota waarin de verschillende gradaties in handhaving aan de orde komen. Ik doel op de politie en de verschillende structuren van buitengewoon opsporingsambtenaren (boa) die er zijn: publieke boa, particuliere boa en boa in dienst van particulieren. Daarbij komt nog de KMar, Defensie. In deze nota ga ik in op de vraag hoe de samenwerking is, wat de mogelijkheden zijn en hoe die kunnen worden ingezet. Het is goed dat dit onderwerp aan de orde komt en het is goed dat er duidelijkheid over bestaat. Er moet goed gesproken worden met bestuurders die vrees hebben om het leger in te zetten terwijl dat hun wel zou kunnen helpen.

De voorzitter: Dank u wel. Dan kunnen we nu over naar de tweede termijn. Eenieder heeft maximaal drie minuten spreektijd. En dat is echt maximaal, want ik kreeg zojuist de zeer indringende mededeling dat deze zaal echt om 19.00 uur leeg moet zijn. Ik weet niet welk niveau GRIP er anders wordt toegepast ... Ik wil het ook niet op mijn geweten hebben, dus ik geef heel graag het woord aan de heer Bontes.

De heer Bontes (PVV): Voorzitter. Ik ben niet gerust op de situatie in Noord-Nederland: Groningen, Drenthe en Friesland. Waarom niet? De heer Dros zit er nog als chef van de regionale eenheid. Dros moet weg. Dat heb ik al eerder gezegd en ik heb toen ook gemotiveerd waarom hij weg moet. Maar ook Rehwinkel zit er nog. Rehwinkel heeft al grote problemen achter de rug binnen de veiligheidsregio; de vicevoorzitter van de veiligheidsregio is opgestapt omdat zij Rehwinkel gebrek aan leiderschap en daadkracht verweet. De vicevoorzitter is dus al opgestapt. Er dreigde destijds een dijkdoorbraak. Rehwinkel zit er echter nog steeds en is volledig buiten schot gelaten door Cohen. Samenvattend: laat Cohen niet meer dit soort onderzoeken doen. Laat dergelijke figuren met een politieke kleur niet meer dit soort onderzoeken doen. De minister heeft het over € 400.000 en hoe hij hulpsinterklaas speelde, maar het is wel geld van de belastingbetaler. Laten we dat vooral niet vergeten. Dus niet meer dit soort onderzoeken, de heer Dros weg en er moet scherp gekeken worden naar de heer Rehwinkel want zijn rol in het geheel bevalt mij totaal niet. Ik snap ook niet dat hij buiten schot is gebleven. Nogmaals, het rommelt daar. Ook in de veiligheidsregio rommelt het.

Wat ik ook niet begrijp, is dat we niet gelijk doorpakken en de veiligheidsregio niet op dezelfde leest schoeien als de regionale politie-eenheid. Immers, zo meteen heb je drie veiligheidsregio's in het noorden en één regionale eenheid voor de politie. Als het nu al helemaal fout gaat, wat moet je dan als je drie veiligheidsregio's en één politieorganisatie in een gebied hebt? Daarmee zijn allerlei risico's verweven. Ik blijf pleiten voor het op een dergelijke wijze aanpakken van de veiligheidsregio's.

De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Bontes. Het woord is aan mevrouw Berndsen.

De heer Bontes (PVV): Sorry, voorzitter, ik heb nog een punt van orde. Ik weet niet of de griffier erop terugkomt, maar ik heb een VAO aangevraagd. Moet ik dat nog officieel zeggen?

De voorzitter: Dat had u mogen doen en doet u nu bij dezen. Dat is akkoord en wordt aldus doorgeleid.

Het woord is aan mevrouw Berndsen van D66.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Voorzitter. Ik heb nog één punt dat is blijven liggen van mijn eerste termijn, omdat ik toen wat uitweidde over andere zaken. Dat punt heeft te maken met het democratisch proces en het onderzoek dat heeft plaatsgevonden. Zowel de gemeenteraad van Haren als de Tweede Kamer heeft erg lang moeten wachten op informatie. Hoewel ik het werk van de commissie Haren best waardeer en het belang van een gedegen onderzoek wil onderstrepen, moest de gemeenteraad in Haren van september tot maart «monddood» blijven. En toen het mogelijk was om over de crisis te spreken, trad de burgemeester af. Uit democratisch oogpunt was het beter geweest als hij verantwoording had afgelegd tegenover de gemeenteraad. Daar ga ik natuurlijk niet over, maar ik hoor graag van de minister of er alternatieven zijn voor toekomstige onderzoeken, bijvoorbeeld een quickscan, waardoor de eerste bevindingen na een paar weken al kunnen worden teruggekoppeld. Dat houdt het democratisch proces in stand.

Een tweede punt dat ik naar voren wil brengen, heeft te maken met de opmerking van de minister dat hij nog geen gemeente heeft kunnen vinden die wil procederen. Collega Dijkhoff heeft daar al vragen over gesteld. Er was echter wel een gemeente, namelijk de gemeente Hoorn. Die heeft al vroegtijdig aan de minister gevraagd of hij het proces zou willen financieren. Dat wilde de minister niet. Ik vind het spijtig dat de minister daar toen van heeft afgezien en later, ik denk onder druk van de heer Dijkhoff, besloten heeft om wel de landsadvocaat ter beschikking te stellen en ook het proces te betalen. Misschien dat er nog iets kan worden goedgemaakt met de gemeente Hoorn, want dan heeft de minister in ieder geval een gemeente die alles al op de plank heeft liggen.

Ten slotte. We hebben het vandaag over een ernstige kwestie. Ik hoop dat de politieorganisatie, de burgemeesters en de veiligheidsregio's in het vervolg beter voorbereid zijn om calamiteiten op een ordentelijke manier te kunnen aanpakken. En eigenlijk mogen politiemensen natuurlijk niet in zo'n risicovolle omgeving gebracht worden.

De heer Dijkhoff (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording van de vragen. Ik ben erg blij dat hij nogmaals onderstreept dat de GRIP-structuren erg handig en noodzakelijk zijn, maar dat ze vooral dienen als kader om snel te weten hoe iedereen moet handelen als je ze inzet en niet bedoeld zijn als vervanger voor gewoon blijven nadenken. Als het te dwangmatig wordt, ben je namelijk, zoals we ook in het rapport hebben kunnen lezen, een dag van tevoren bezig met vragen hoe de structuur in elkaar zit, in plaats van met bedenken hoe je de problemen in de praktijk gaat oplossen.

Ik wil nog eenmaal terugkomen op de briefing van deze ochtend, die op alle aanwezigen indruk heeft gemaakt. Als Haren een verbeterde aanpak van de politie heeft opgeleverd als het gaat om het snappen en doorgronden van social media en het belang ervan, komt er uit de ellende toch nog iets goeds. Ik zou graag zien dat de aandacht voor dit punt niet verslapt. Dan spelen er al snel vragen zoals: hoe ga je een stap verder en hoe kun je ook kijken naar dingen die niet openbaar zijn maar achter een gebruikersnaam zitten op internetfora die registratie vereisen?

Een andere vraag waarmee de politie worstelt, naar ons bleek, is welk wettelijk kader eigenlijk toestaat dat we die stap verder zetten. In eerdere AO's over cybersecurity is al gevraagd om specifieke bevoegdheden, bijvoorbeeld de bevoegdheid om te hacken als dat nodig is, uiteraard met een bevel van de rechter-commissaris. We stuiten in het geval van social media op bredere problemen bij dingen die heel normaal zijn voor de politie, zoals observeren en stelselmatig volgen, maar waarbij de online werkelijkheid zich niet goed verhoudt tot de wetten die we offline hebben. Ik vraag de minister om ook dit aspect mee te nemen, zodat politieagenten zeker weten dat zij juridisch gedekt zijn en de burger precies weet waar hij aan toe is.

De heer Marcouch (PvdA): Voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen. Ik heb toch nog een aantal vragen die ik nog niet helemaal helder heb horen beantwoorden.

Er waren duizenden jongeren in Haren. We hebben het vandaag over zo'n 140 relschoppers die zijn aangehouden. Ik ben nieuwsgierig hoeveel verdachten er in beeld zijn geweest. We weten hoeveel daarvan zijn aangehouden maar bij hoeveel is de opsporing of het rechercheren gestaakt?

De minister spreekt in zijn brief over het opleiden van politiemensen in het groepsoptreden van agenten. Betekent dit dat we teruggaan naar de oude cultuur bij de politie waarbij elke agent werd opgeleid tot ME'er? Vroeger was dat zo, maar na een reorganisatie ging dat niet meer. Gaan we nu weer alle agenten opleiden tot ME'er?

Er is één puntje dat ik eerst niet wilde inbrengen, maar de minister is er zelf over begonnen. Nu heb ik het er dus ook maar even over. Het betreft de rol van de nationale inlichtingendiensten. De minister zei dat hij heeft gesproken met de NCTV. Ik ben het met de minister eens dat de diensten hun verstand moeten blijven gebruiken en niet in allerlei structuren moeten blijven hangen op het moment dat er iets aan de hand is. Hadden onze inlichtingendiensten dan misschien meer kunnen doen op het gebied van het taxeren van de informatie op bijvoorbeeld Facebook,al is het maar omdat deze diensten internationale relaties hebben en die kennis zouden moeten hebben? Kan de minister duidelijk maken hoe dit is gegaan en waarom deze diensten niet in actie zijn gekomen, bijvoorbeeld om de gemeenten te attenderen op de grote risico's die eraan kwamen?

De heer Oskam (CDA): Voorzitter. Ik heb nog drie korte punten.

Ten eerste. Het is goed dat de Groningse politie verbeterplannen heeft opgesteld en geïmplementeerd. Die zijn echter met name gericht op de verbetering van operaties, grootschalig optreden. De vraag is of in die verbeterplannen de rol van de toenmalige korpsleiding is meegenomen. Hebben ze ook naar zichzelf gekeken? Was er zelfkritiek?

Ten tweede. Kort na de rellen heeft het Verbond van Verzekeraars aan het Openbaar Ministerie de gegevens van de relschoppers gevraagd, om ervoor te zorgen dat er door verzekeringsmaatschappijen maar ook door gelaedeerden snel actie kon worden ondernomen om de schade te vergoeden. Dat stuitte toen op privacyproblemen. Is daar inmiddels een modus voor gevonden, zodat in dit soort zaken voortaan het Verbond van Verzekeraars namens de grote groep slachtoffers zou kunnen optreden?

Mijn laatste punt komt bij dit soort evenementen iedere keer weer terug:alcoholgebruik, al dan niet in combinatie met drugsgebruik, is de grote boosdoener. We hebben onlangs in de wet opgenomen dat kinderen onder de 18 jaar geen alcohol meer mogen nuttigen, kopen of in bezit hebben. Ik heb begrepen dat er in Haren een grote groep meerderjarigen was die flink onder invloed was. Gaat de minister nog actie ondernemen om een alcoholverbod of iets dergelijks af te kunnen kondigen voor deelnemers aan grote evenementen of aan vooraf aangekondigde rellen?

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Als agenten in Haren om 18.00 uur zeggen dat zij niet uit dienst willen maar willen blijven omdat zij zich grote zorgen maken, vind ik dat een zorgelijk signaal. Ik hoop dat de minister dergelijke signalen serieus neemt.

Politievakbond ACP heeft onderzoek gedaan en zorgelijke signalen gevonden. Ik wil graag vandaag van de minister de uitspraak horen dat hij met de bond om tafel gaat zitten om elk signaal goed op te pakken. Graag krijg ik daar een toezegging op.

Ik blijf worstelen met het wel of niet opschalen naar GRIP 3 destijds. Ik weet dat de burgemeester van Haren met weinig capaciteit zat en gevraagd heeft om ondersteuning maar dat de burgemeester van Groningen zei dat hij pas te hulp zou komen als er werd opgeschaald. Dat vind ik zorgelijk. Immers, als iemand om hulp vraagt, moet die hulp komen, ook van een burgemeester in zijn burgemeestersrol. Op het moment dat de burgemeester in Haren zegt dat hij bussen kwijt moet en dat er allemaal mensen op het plein staan die hij niet kwijt kan, moet de burgemeester in Groningen niet de eis stellen dat het alleen maar leuke feestgangers mogen zijn. Ik wil graag dat de minister hierover een uitspraak doet, want ik denk dat daar echt serieuze fouten zijn gemaakt. Ik hoop dat de minister deze fouten serieus neemt. In het rapport van de commissie-Cohen staat immers dat de burgemeester van Groningen niet heel erg behulpzaam is geweest. Ik hoop dan ook dat de minister om tafel gaat zitten met de burgemeester van Groningen.

Een bewoner van Haren noemde het rapport «de grootste schadepost van Haren»; ik zei het al in mijn eerste termijn. Ik blijf er een naar gevoel aan overhouden. De kosten voor het rapport staan niet in verhouding tot het geld in het slachtofferfonds. Ik sluit me aan bij de eerdere spreker die het hierover had. Ik weet dat de minister dit onderdeel nog gaat evalueren en gaat bekijken of er een slachtoffertaks kan komen. Ik hoop dat de minister dit snel kan doen, want als we weer zo'n situatie hebben, moet er een beter regeling zijn voor slachtoffers.

De voorzitter: Dank u wel. Ik neem aan dat we onmiddellijk kunnen overgaan tot de beantwoording. Het woord is aan de minister.

Minister Opstelten: Voorzitter. Ik begin bij de heer Bontes. Dank voor de vragen in tweede termijn. Ik blijf bij mijn positie – ik denk dat ik die in eerste termijn helder heb aangegeven – ten aanzien van de burgemeester van Groningen, de heer Rehwinkel. Hij heeft gewoon gefunctioneerd binnen de kaders die er zijn. Het is altijd een beoordeling die hij in de eerste plaats samen met het bestuur van de veiligheidsregio moet maken, zoals iedere burgemeester dat hoort te doen, en die hij samen met de gemeenteraad moet bespreken.

Natuurlijk heb ik de verantwoordelijkheid voor de Nationale Politie. Die brengt met zich mee dat ik het vertrouwen uitspreek in de heer Dros, gelet op zijn ervaring en op de conclusie die hij heeft getrokken na het rapport van de commissie-Cohen en na de rellen in Haren en gezien mijn geloof en vertrouwen dat hij zijn kennis en ervaring kan inzetten om de positie van de regio Noord te versterken.

De voorzitter: Ik moet u even onderbreken, minister, want de heer Bontes heeft nog een vraag. Excuses dat ik er niet alert op was. Wilt u het kort houden, mijnheer Bontes?

De heer Bontes (PVV): Jazeker, voorzitter.

Ik begrijp niet dat kennis en ervaring argumenten kunnen zijn bij de beoordeling aan de hand van casuïstiek van de vraag of iemand wel of niet kan aanblijven. Er is daar een grote rel geweest die op nationaal niveau veel aandacht heeft gekregen en die een grote impact heeft gehad. Of je dan 10, 20 of 30 jaar ergens werkt, doet totaal niet ter zake. Sterker nog: hoe meer ervaring, hoe minder het fout mag gaan.

Minister Opstelten: Hoewel ik dit in eerste termijn al zo'n zesmaal heb gezegd, herhaal ik nogmaals dat ik steun geef aan de heer Dros, gezien zijn kennis, zijn ervaring, zijn betrokkenheid bij de politie, de steun en het draagvlak binnen de regio-eenheid en de steun van de korpsleiding, en na een aantal persoonlijke gesprekken die ik met hem hierover heb gehad.

Ik kom op het punt van de veiligheidsregio's in het algemeen. Er zijn nu drie veiligheidsregio's, maar waarom trekken we de situatie niet gelijk met de politiestructuur, zo begrijp ik de vraag van de heer Bontes. Ik ben daar geen voorstander van, zoals ik al eerder zei. Ik heb dit ook duidelijk gemaakt bij de behandeling van de Politiewet, toen we spraken over de stelselwijziging. De Wet veiligheidsregio's (Wvr) wordt geëvalueerd door de commissie-Hoekstra. Voor het zomerreces zal deze commissie rapporteren. Wij wachten even af hoe dat loopt. Ik denk dat we dit debat niet nu moeten voeren.

Ik kom bij de vragen van mevrouw Berndsen. Ik vind dat zij een punt heeft met haar opmerking over het democratisch proces en het lange wachten voordat je over de gebeurtenissen kunt spreken. Dat heeft soms voordelen maar het heeft ook nadelen, zoals nu is gebleken. Ik wil hiernaar kijken. Het is echter altijd moeilijk om meteen een debat te voeren. Ik herinner me uit mijn eigen ervaring dat ik een keer per ommegaande een brief aan de gemeenteraad heb gestuurd en het debat heb gevoerd. De conclusie van dat debat was toen dat er een rapport zou komen. Langs die lijnen kunt je het dus ook doen, maar ik vind dat mevrouw Berndsen wel een punt heeft. Je kunt natuurlijk zeggen dat het rapport sneller moet, maar dan wordt het minder degelijk. Je kunt ook zeggen dat de inspectie snel een rapport moet maken. Hoe dan ook, we kunnen met de burgemeesters en anderen hierover weleens een gesprek voeren om te bezien hoe je dit zou moeten doen. Ik denk dat dit een terecht punt is.

Dan kom ik op de vragen over de case Hoorn. Ik herinner me dit heel goed. De burgemeester van Hoorn, die ik goed ken en waardeer, wilde eigenlijk de wet wijzigen omdat hij van een advocaat het advies had gekregen dat zijn positie kansloos was. Ik wilde juist dat hij wél die procedure voerde, want dan hadden we echt een zaak. Ik was zelfs bereid om de landsadvocaat in te schakelen. Ik heb dat voor het debat van vorige week nog aangeboden. De burgemeester had echter al tegen de raad en anderen gezegd dat hij het opgaf. Daar had ik respect voor. We zoeken dus een andere testcase. Zo zit het in elkaar. Die case gaat dan aldus: de case is in gemeente X maar die betaalt niet, en de minister van Veiligheid en Justitie betaalt de landsadvocaat.

De heer Dijkhoff dank ik voor zijn compliment aan de korpsleiding betreffende hun briefing en presentatie vanochtend. Het gaat inderdaad om zaken die niet altijd openbaar zijn. Dat is een heel belangrijk punt. We moeten dit niet laten rusten. Het is ongelofelijk belangrijk dat we het juridisch instrumentarium hierop inrichten. Hij kan van mij verwachten dat ik zeer binnenkort een wetsontwerp in die richting in consultatie zal brengen. Ik denk dat dat volgende week of de week daarop zal gebeuren. Ook dit is weer perfecte timing, maar geheel toevallig.

Ik kom bij de heer Marcouch.

De voorzitter: Voor de duidelijkheid: gaat het om een wetsontwerp? Op welk onderdeel is dat dan? Gaat het om cybersecurity?

Minister Opstelten: Nee, maar daar heeft het wel mee te maken. Het betreft een wijziging van het Wetboek van Strafvordering dat betreffende de opsporing zal inspelen op de terreinen van cybersecurity. We hebben daarover al eens een brief aan de Kamer geschreven en er een debat over gevoerd. Ik ben aan het werk gegaan en de eerste uitkomsten daarvan zijn aanstaande. Het houdt mij zeer bezig. Ik kom ermee naar buiten, maar het gaat eerst in consultatie. Daarna gaat het natuurlijk via het kabinet naar de Kamer.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Ik vind het heel mooi dat de minister met een wetsvoorstel komt, maar ik heb hem al een jaar geleden gevraagd om een inventarisatie van alle nieuwe ontwikkelingen waaraan onze wetgeving zou moeten worden aangepast. Als dit één onderdeel is, vraag ik de minister wanneer de rest komt.

Minister Opstelten: Dat is een heel ander onderwerp, waarover we lang zouden kunnen praten, maar ik zal het kort houden. Wat destijds gevraagd is, is er al. Voor de goede orde: er zijn in de fractie van mevrouw Berndsen verschillende woordvoerders op dit terrein, dus ik neem het haar niet kwalijk dat zij er nu over begint. Er is echter al een assessment geweest over cybersecurity met daarin op hoofdlijnen aangepast de juridische consequenties en wijzigingen in de wetgeving die er moeten komen. Er komt nu een nieuw assessment. Ook het juridisch antwoord erop zal telkens worden verfijnd en aangevuld. Het is dus aanstaande en het komt allemaal voor de zomer.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Ik zal dit samen met mijn collega's in de gaten houden.

Minister Opstelten: Ik ben daarvan overtuigd en ik verheug me daarop.

De heer Marcouch wil weten of we alle agenten gaan opleiden tot ME'er. Dat is een goede vraag. Nee, dat doen we niet, daar wil ik duidelijk over zijn. We gaan wel ME'ers opleiden in het concept van «Flex-ME». Alle medewerkers van noodhulp en surveillance worden opgeleid in optreden in groepsverband en platte pet. Dat samen leidt tot een continu variabel opschalingsspectrum.

De voorzitter: Volgens mij is er ook nog een vraag in het kader van het blokje van Marcouch over de veiligheidsdiensten. Maar eerst heeft de heer Bontes een vraag.

Minister Opstelten: Jazeker, maar ik kom eerst op de eerder gestelde vraag van Marcouch, als u het niet erg vindt.

De voorzitter: Dat is een bijzondere volgorde, maar eerst heeft de heer Bontes een vraag.

De heer Bontes (PVV): De minister weet dat ik vaak heb gepleit voor een ME-opleiding voor alle politiemensen, zodat zij kennis hebben van die organisatie. Kennelijk steunt de heer Marcouch deze wens van mij en wil hij dat ook graag. We kunnen zeker samen een motie daarover indienen. Waarom dan het stellige nee van de minister? Het heeft immers toegevoegde waarde. Waarom zo strak nee? Die opleiding is gewoon goed.

Minister Opstelten: We hadden in het concept waaraan de heer Bontes nu terugdenkt 25.000 dienders. Ik herinner me die tijd nog. We hebben er nu 49.500. We trainen de mensen bovendien heel gericht. Dit is wat iedereen wil, daar is algemeen overeenstemming over. Dan kun je focussen en voorkom je situaties zoals die zich in Haren hebben voorgedaan. We gaan dus niet alle politiemensen opleiden tot ME'er maar we gaan wel de ME'ers opleiden in een nieuw concept. Dat is hard nodig. Vervolgens gaan we ook alle medewerkers van noodhulp en surveillance opleiden in optreden in groepsverband en platte pet. Dat samen leidt dus, ik herhaal dit, tot een continu variabel opschalingsspectrum. Het versterkt dus de situatie ten opzichte van het verleden aanzienlijk.

Ik kom ...

De voorzitter: Nee, nog even niet, want de heer Bontes heeft een slotvraag. Heel kort natuurlijk, mijnheer Bontes.

De heer Bontes (PVV): Als ik zou stellen dat de intake, service en alle mensen die beleidsmedewerker of controller zijn het niet hoeven, maar alleen de mensen in wijkzorg en noodhulp, vindt de minister het dan wel oké?

Minister Opstelten: Nee. Die voorbeelden betreffen namelijk ook mensen die niet in de operationele dienst functioneren en daar gaat het juist om. Ik herhaal wat ik zojuist heb gezegd. Alle ME'ers worden opgeleid in het nieuwe concept. Het is dus iets nieuws. Het versterkt de situatie, dat is ook de conclusie van de commissie-Cohen. Vervolgens worden alle mensen in de noodhulp en de surveillance opgeleid in het optreden in groepsverband. Daar gaat het om: groepsverband. Ik herhaal: groepsverband, en platte pet. Dat samen leidt tot het geheel nieuwe concept van het continu variabel opschalingsspectrum.

De heer Marcouch vraagt hoeveel mensen zijn aangehouden en hoeveel zaken zijn geseponeerd. Hij weet hoeveel aanhoudingen er zijn geweest: 110 verdachten van wie 80 meerderjarig. In bijna alle zaken heeft inmiddels de behandeling ter rechtszitting plaatsgevonden. Er zijn 14 zaken geseponeerd.

Dan kom ik bij de rol van de inlichtingendiensten.

De voorzitter: Even wachten hoor. Ik heb u gevraagd om snel te zijn en dat doet u ook, maar ...

Minister Opstelten: ... niet overdrijven, wou u zeggen.

De voorzitter: Nee, niet overdrijven. De heer Marcouch heeft nog een vraag.

De heer Marcouch (PvdA): Een belangrijk deel van mijn vraag was hoeveel verdachten er aanvankelijk in beeld waren. Er waren immers duizenden jongeren betrokken bij de rellen.

Minister Opstelten: Tja, dan zou ik echt een studie moeten maken. Ik kan zeggen wat precies de officiële cijfers zijn: zo veel verdachten en zo veel geseponeerd; niet meer en niet minder. Die getallen heb ik genoemd. Door de politie zal er met veel meer mensen zijn gesproken, dat zeker. Maar wilt u dat allemaal uitzoeken? Moet ik daar een brief over schrijven?

De heer Marcouch (PvdA): Het gaat mij erom dat we voor de Harense gemeenschap kunnen verantwoorden dat we tot het gaatje zijn gegaan bij het opsporen van alle verdachten die in beeld waren. In dat kader is het interessant om te weten hoeveel verdachten er aanvankelijk in beeld waren, hoeveel van hen zijn opgespoord en waarom de rest niet is opgespoord. Is het een kwestie van capaciteit, was het uitgerechercheerd of zijn er mensen in beeld die nog achterhaald moeten worden? Dat zijn allemaal mogelijkheden. Het lijkt mij van belang, ook voor de slachtoffers, om daar heel scherp en duidelijk over te zijn.

Minister Opstelten: Ik zeg nog een keer dat de cijfers zijn zoals ik ze net heb genoemd. Alles is uitgerechercheerd; anders waren we natuurlijk nog steeds bezig. Er is geen enkele aanleiding meer om nog iets te doen. Dat is kansloos. Daar moeten we eerlijk over zijn. Natuurlijk had je meer gewild. Je kunt echter ook zeggen dat het altijd moeilijk is om het bewijs te leveren als er werd gehandeld in groepsverband. Cohen heeft ook deze paragraaf beoordeeld. Ik heb het zelf beoordeeld en ernaar gekeken. Ik denk dat het goed is om deze kwestie nu af te sluiten met de conclusies die zijn getrokken. Dat zou ik willen vragen.

De heer Marcouch vraagt naar de rol van de inlichtingendiensten. De inlichtingendiensten hebben hierin natuurlijk geen taak. Zij zijn in beeld bij zaken van staatsveiligheid, terrorisme en al dat soort zaken, maar niet bij kwesties van openbare orde. Natuurlijk zouden zij altijd rapporteren naar de NCTV, die onder mijn verantwoordelijkheid valt, evenals naar het Openbaar Ministerie. Ook via de politie-ID-organisatie zijn de inlichtingendiensten gewoon altijd aanwezig en altijd beschikbaar, zoals de heer Marcouch weet.

De heer Oskam spreekt over zelfkritiek en de heer Dros. Als er iemand is die zelfkritiek heeft, is het wel de heer Dros. Daarom waardeer ik hem, zoals ik al een paar keer heb gezegd. Hij heeft gewoon de fouten toegegeven en is daarmee aan de slag gegaan. Vervolgens heeft hij zich kwetsbaar opgesteld binnen zijn eigen organisatie. Dat is belangrijk. Hij is erop aangesproken en heeft ook toegelaten dat hij erop aangesproken is. Ik hecht eraan om dit zo helder te zeggen tegen de heer Oskam.

De heer Oskam heeft ook nog een vraag over het alcoholverbod. Een alcoholverbod kan, en het gebeurt al bij voetbalwedstrijden en bepaalde evenementen. Dat is altijd een besluit dat in de driehoek door de burgemeester wordt genomen. Dat kan en dat gebeurt. Het is aan de orde van de dag. Ik hoef het ook niet te stimuleren, want het is een afweging in de driehoek. Het is niet goed als wij alles hier gaan doen en bij wet gaan regelen. Men kan het al doen. De burgemeester moet die afweging maken en doet dat ook, is mijn ervaring. Ik heb toen ik nog burgemeester was zelfs een keer een hele stad drooggelegd op Koninginnedag. Het kan dus. Het werd me door de ene helft van de bevolking in dank afgenomen en door de andere helft niet. Ik vond het destijds een verstandige maatregel. Het kan dus; je kunt het doen.

De vraag van de heer Oskam over het Verbond van Verzekeraars zal ik schriftelijk beantwoorden. Zo kan ik hem een precies antwoord geven.

Ik zeg mevrouw Kooiman toe dat ik naar aanleiding van het ACP-rapport een gesprek zal voeren met de ACP. Ik zal dat doen om ook die signalen te krijgen. We zullen die signalen maar ook andere signalen, als die er zijn, via de korpsleiding bespreken met de leiding van de regio-eenheid. Dat zeg ik gaarne toe.

Ik heb een iets andere indruk dan mevrouw Kooiman van de inzet van de burgemeester van Groningen. Ik heb natuurlijk een paar keer met hem gesproken. Ik ben ervan overtuigd dat hij inzet naar vermogen heeft geleverd en dat hij zich natuurlijk ook gebonden achtte aan de formele kaders waarbinnen hij moest en wilde werken.

Het slachtofferfonds zal verder worden uitgebouwd en uitgewerkt en zal ook in de toekomst worden gehanteerd. Ik vind het een goed nieuw instrument. Je kunt best over de uitkomst allerlei opmerkingen maken – dat is ook gebeurd – maar het is wel een stap in de goede richting. We zullen het verder uitbouwen.

Daarbij wil ik het laten, voorzitter.

De voorzitter: Dank u wel.

Ik moet inventariseren welke toezeggingen er zijn gedaan door de minister. In ieder geval gaat het om de nota die voor de zomer verschijnt over de verschillende gradaties van de handhaving van de politie inzake de KMar plus Defensie.

Ook gaat de minister spreken met de ACP.

Daarnaast moet er nog iets gebeuren met een brief voor het Verbond van Verzekeraars, maar dit moet de minister even concreet maken voor mij en voor ons allen, want dit punt heb ik gemist. Wat bedoelde u precies, minister?

Minister Opstelten: De heer Oskam stelde een vraag over het verzoek van de Bond van Verzekeraars of men gegevens kan krijgen over de relschoppers, zodat men kan optreden namens een groep slachtoffers. Naar aanleiding daarvan heb ik een brief toegezegd waarin ik inga op de vraag hoe dat precies is geregeld en hoe we daarmee verdergaan. Ik laat dat precies uitzoeken.

Overigens, voorzitter, het eerste punt dat u noemde, is geen toezegging. Die nota komt. Dat was gewoon een mededeling. Dat had ik al veel eerder gezegd. Anders is het dubbelop en de Kamer krijgt maar één brief. Het was dus een mededeling.

De voorzitter: De minister heeft er lol in vandaag. Het heeft allemaal te maken met timing en dat soort zaken, maar bedankt voor uw reacties en uw antwoorden. Het is nu allemaal duidelijk voor ons allen.

Er wordt een VAO aangevraagd. Het zit er dik in dat dat niet deze week nog zal plaatsvinden maar wel na het meireces.

Ik dank u allen. Ik dank ook alle mensen in de zaal. Ik weet dat een aantal van hen van flink ver is gekomen. Ik ken die afstand wel een beetje. Dank aan de commissieleden, de ambtenaren en de minister.

Sluiting 18.35 uur.