Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333571 nr. 2

33 571 Rapport van de commissie-Haren

Nr. 2 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 maart 2013

Op 8 maart jl. zond ik uw Kamer het rapport van de commissie Haren (Kamerstuk 33 571, nr. 1). De commissie concludeert dat de impact van het «Project X» groot was. Iets wat begon als een «feestje» eindigde met gewonden, een totale schade van tegen de miljoen euro, plunderingen, geweld tegen politiemedewerkers en een forse inbreuk op het veiligheidsgevoel van de bewoners van de gemeente. Ik heb mij ter plaatse in Haren laten informeren en mijn medeleven betuigd met de slachtoffers en andere betrokkenen.

De commissie is onder voorzitterschap van de heer Cohen gekomen met verhelderende bevindingen van een breed maatschappelijk belang. De commissie heeft mede op mijn verzoek een aantal thema's besproken dat verder reikt dan de casus Haren alleen. De beschouwingen van de commissie over de landelijke thema’s: de paraatheid van de politie, de omgang met de sociale media, het bestuurlijke instrumentarium bij dreigende openbare ordeverstoringen, opsporing en vervolging en het beleid om uitgaansgeweld en alcoholmisbruik tegen te gaan, acht ik waardevol en nuttig.

Het rapport van de commissie Haren schetst vooral een treffend beeld van de opgaven waar overheidsdiensten voor staan in hun handelen bij het complex van evenementen waar grote groepen jongeren aanwezig zijn. Het schetst ook de invloed van de sociale media op zowel het gedrag van de jongeren als ook op het verloop van het evenement. De commissie geeft aan dat het incident te Haren voor Nederland de eerste ingrijpende kennismaking was met dit nieuwe fenomeen. Voor de eerste keer werd Nederland geconfronteerd met een combinatie van grote mobiliteit van jongeren, de dynamiek van de sociale media en massaal alcoholmisbruik. Het incident te Haren is dan ook een «wake up call» geweest. Een «wake up call», niet alleen voor gemeenten, politie en Openbaar Ministerie, maar voor de gehele samenleving. Ik zie met de commissie Haren de urgentie om de inzet op dit type incidenten doeltreffend en adequaat te laten zijn.

Bijgaand de reactie op de hierboven genoemde landelijke thema's uit het rapport van de commissie Haren. Hierbij worden de belangrijkste aanbevelingen uit het rapport gevolgd.

Deze brief is opgesteld mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, alsmede de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1. Politieoptreden: de politie is paraat

Aanbevelingen commissie Haren:

«De (Nationale) politie moet.. nadenken over de vraag hoe.. ervaring kan worden opgebouwd, ook in gebieden waarin dergelijke evenementen niet vaak voorkomen.»

«Wij benadrukken dat het cruciaal is dat de politie grondige aandacht besteedt aan de voorbereiding op evenementen, het daadwerkelijk doordenken en doorleven van scenario’s (samen met het bevoegd gezag), het nadenken over de wijze en momenten van opschaling bij incidenten.»

De commissie beveelt op basis van haar bevindingen aan om opschaling flexibeler te organiseren. Verder stelt zij vast dat alle eenheden in de nationale politie over ervaren en geoefende medewerkers moeten kunnen beschikken voor de handhaving van de openbare orde in groepsverband. Een flexibel ME concept zou naar mening van de commissie vaker in moeten worden gezet in het kader van een low-profile aanpak waarbij mogelijk opgeschaald moet worden.

De commissie Haren is kritisch op het bestuurlijk en operationeel optreden rondom «Haren». De voorbereidingen waren onvoldoende en de (uitvoering van de) maatregelen tijdens de gebeurtenissen op 21 september jl. waren niet adequaat.

Allereerst hecht ik eraan te benadrukken dat de politie jaarlijks bij honderden evenementen, demonstraties en incidenten keer op keer laat zien voorbereid en paraat te zijn en adequaat op te treden. Aangekondigde evenementen als in Haren zijn in de dagen en weken hierna op andere plaatsen door gezag en politie degelijk aangepakt. De paraatheid van de politie bij evenementen is derhalve in het algemeen op orde. Daar waar het gaat om de gesignaleerde gebreken in Haren constateer ik met de commissie dat direct na de rellen het voormalige regionale politiekorps Groningen niet alleen lessen heeft getrokken uit het incident, maar ook daadwerkelijk verbeteringen heeft ingezet en gerealiseerd bij de commandostructuur voor grootschalig en bijzonder optreden, de opschaling, de toereikendheid van het materieel en de nazorg. Ik stel vertrouwen in de ingezette koers van de politieleiding.

De vorming van de nationale politie maakt het mogelijk om verdere verbeteringen in de paraatheid van de politie te realiseren. Voor de nationale politie sluiten de aanbevelingen van de commissie aan op de visie ten aanzien van de paraatheid. Beschikbaarheid, geoefendheid, snelle opschaling, en een duidelijke crisis- en commandostructuur, maar ook optimale aansluiting op de informatiehuishouding zijn de thema’s bij de realisatie van de nationale politie. De nationale politie optimaliseert de paraatheid in alle eenheden en maakt deze up-to-date aan eisen van de samenleving van vandaag. Dit betreft zowel flexibilisering als geoefendheid in opschaling van optreden in groepsverband.

Op basis van best practises uit eenheden die jaarlijks met veel grootschalige incidenten te maken hebben, zoals in de grote steden, worden bewezen concepten van flexibele ME landelijk uitgerold, ook in eenheden waarin grootschalige openbare orde-operaties minder vaak voorkomen. De door de commissie Haren voorgestelde uitwisseling van kennis en ervaring vindt binnen de nationale politie gemakkelijker en meer gestructureerd plaats.

Het uitgangspunt bij de inrichting en realisatie van de nationale politie blijft dat de politie onder normale omstandigheden (maatschappelijke rust/orde) opereert vanuit haar basisbeschikbaarheid. Het personeel van de basisteams dat dagelijks is belast met surveillance en handhaving van de openbare orde wordt extra getraind in groepsgewijs optreden. Aanvullend zal op districtsniveau flexibele beschikbaarheid ingericht worden die probleemgericht kan worden ingezet ter ondersteuning van basisteams.

Een beroep op paraatheid ontstaat in situaties die acute opschaling naar meer capaciteit en slagkracht vragen. Hierbij bestaat onderscheid tussen acute interventie (vanaf de eerste minuut) en voortgezet opschalen (binnen anderhalf uur). Binnen de inrichting en realisatie van de nationale politie wordt een ME-concept gebruikt dat flexibiliteit en mogelijkheden van de-escalatie combineert met slagkracht en opschaling waar nodig. In de inrichting van de nationale politie heeft elke eenheid 24/7 minimaal 1 groep ME in dienst ten behoeve van snelle opschaling.

Om de opschaling van reguliere handhaving naar ME optreden zo flexibel mogelijk te maken worden binnen de Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT) operationele politiemensen getraind om in groepsverband op te treden buiten ME-verband op basis van verschillende scenario’s van opschaling. Met dit spectrum van werkvormen is de politie beter toegerust voor taken op het gebied van evenementenbegeleiding, crowd management en crowd control. Hierbij wordt steeds expliciet de keuze gemaakt om allereerst personeel van uit de basispolitiezorg («platte pet») in te zetten met als doel de-escalatie. Als wordt vastgesteld dat de-escalatie minder of niet langer aan de orde is, kan worden omgeschakeld naar inzet van flexibele ME in haar verschillende verschijningsvormen (van zachte uitrusting tot hard pak).

De korpsleiding ziet er strikt op toe dat afspraken over het gebruik van C2000 worden nagekomen. Het opleiden en oefenen vindt plaats binnen het project Portogewoon. De organisatie van het operationeel optreden en de sturing op het juiste gebruik van C2000 moeten beter op elkaar worden afgestemd en de regierol van de meldkamer wordt versterkt, zodat overbelasting van het netwerk of wachtstanden worden voorkomen.

De korpsleiding neemt op dit moment de noodzakelijke stappen, waaronder het overleg met de medezeggenschap en vakbonden, zodat uitrol van dit paraatheidsconcept in de pas loopt met het in het Realisatieplan beschreven en vastgestelde meerjarige realisatiepad van de nationale politie.

2. De omgang met de sociale media: investeren en lokaal bestuur ondersteunen

Aanbeveling commissie Haren:

«Het verdient aanbeveling om sociale media als een vast onderdeel van het dagelijks leven te monitoren [...] Landelijke specialistische expertise, waarin de Nationale Politie een prominente rol moet spelen, moet gecombineerd worden met lokale kennis».

De commissie benadrukt het grote belang van de sociale media voor jongeren en schetst dat een deel van de belevingswereld van jongeren zich afspeelt in de virtuele wereld. Ik heb de boodschap dat de overheid hierop moet aansluiten goed verstaan. Het gaat erom dat overheden zich kunnen inleven in de belevingswereld van jongeren. Overheidsdienaren moeten zich meer in het perspectief van de burger en dus ook van jongeren verplaatsen en hen – waar mogelijk – ook betrekken bij hun afwegingen. De ontwikkelingen binnen de sociale media zijn snel en fluïde, daarom is naast permanente alertheid ook innovatie van belang. De overheid kan het zich niet permitteren achter de feiten aan te lopen. Daarom tref ik een reeks maatregelen.

De nationale politie brengt het gebruik van de sociale media binnen de politieprocessen op een hoger niveau. Sociale media zijn een vast onderdeel binnen het politiewerk. Het bewustzijn van de invloed van de sociale media is gemeengoed en stelt de politie in staat betekenisvolle verbindingen aan te gaan binnen en buiten de organisatie. Sociale media vormen een belangrijk middel om transparant, betrokken, verantwoordelijk en anticiperend bij te dragen aan veiligheid.

Voor het beheersen van (potentiële) openbare ordeverstoringen zijn de domeinen «sociale media als crisis watch en communicatiemiddel in crisissituaties» en «sociale media als event watch / crowd control» van cruciaal belang. Door het monitoren en analyseren van sociale media kan de politie sneller anticiperen op vragen en geruchten tijdens acties, crises of (grote) evenementen. Op deze manier worden de sociale media gebruikt om de informatiepositie van de politie te versterken. Anderzijds kan de politie via sociale media ook zelf sneller informatie verschaffen aan een groot publiek bij grote evenementen en crises. Daarmee versterkt de politie haar communicatiepositie.

In de Staven Grootschalig en Bijzonder Optreden (SGBO) worden de sociale media als informatie- en communicatietool benut. Daarnaast is door de korpsleiding het Crisiscommunicatieteam (CCT) voor de politie versterkt.

Bij de landelijke eenheid van de politie is het gespecialiseerde team OSINT (Open Source Intelligence) ingericht, dat landelijk voor de politie het internet en sociale media monitort en duidt.

Ook in reguliere situaties gebruikt de politie thans het potentieel van sociale media. Sinds de komst van de nationale politie volgen de Real Time Intelligence Centra (RTIC's) in politieeenheden de sociale media. Op lokaal niveau wordt informatie verzameld ten behoeve van de lokale driehoek. Burgemeesters in de driehoek kunnen via de politiechef van de regionale eenheid advies bij deze RTIC's opvragen. Zowel de RTIC's als de recherche beschikken over geavanceerde tools om berichtgeving op de verschillende vormen van sociale media te kunnen monitoren, analyseren en duiden. Door het landelijk dekkend netwerk van de RTIC’s kunnen de eenheden elkaar 24/7 ondersteunen en samenwerken bij de analyse van het berichtenverkeer op de sociale media. Er zijn scenario’s voor interventies op de sociale media; burgers kunnen sociale media gebruiken als zij iets willen melden of hulp nodig hebben; wijkagenten zetten sociale media in om met de mensen in hun wijk te communiceren en hun inzet te bepalen op de behoefte van de burgers. Tot slot spelen de sociale media een belangrijke rol bij handhavingsacties en bij de aanpak van het uitgaansgeweld.

Met deze initiatieven creëert de politie een ondersteunende functie voor het lokale gezag met een kwalitatief hoogwaardig karakter.

In reactie op de bevindingen van de commissie merk ik op dat het oproepen tot openbare ordeverstoring of geweld op sociale media, voor zover openbaar, strafbaar is gesteld en onderwerp kan zijn van opsporing. Hier wordt hard tegen opgetreden. Zo zijn mensen die in het openbaar via sociale media opriepen tot onlusten zowel in Haren als daarna in andere steden gearresteerd. Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of er sprake is van de voor opruiing vereiste openbaarheid.

Op mijn ministerie wordt op landelijk niveau door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid dreigingen voor de nationale veiligheid gevolgd. In het kader van conflict- en crisisbeheersing of nationale evenementen worden de sociale media geanalyseerd. Hiertoe worden zowel technische hulpmiddelen als menselijke analysecapaciteiten ingezet.

Om gezamenlijk stil te staan bij de omgang met de sociale media is op 27 maart jl. in Den Haag een vruchtbare conferentie gehouden. De overheden, het Openbaar Ministerie, de rechterlijke macht en de politie geven de sociale media topprioriteit. Op de conferentie werd helder over het voetlicht gebracht dat in alle politieprocessen de sociale media een cruciale rol vervullen. Verdere intensiveringen maken de politie over de gehele linie meer digibewust en digibekwaam. Het gaat hierbij niet alleen om het vergaren van informatie, maar ook het duiden van die informatie en het zonodig interveniëren via diezelfde kanalen. Wat daarbij de beste methoden en de juridische mogelijkheden zijn wordt nader uitgezocht, mede aan de hand van diverse beproefde voorbeelden uit de praktijk. Het gezag over de politie zal stevig regie gaan voeren op de inzet van sociale media bij zaken als uitgaansgeweld, evenementen en dreigende incidenten. Ook het beter gebruik maken van de wisselwerking tussen de sociale en traditionele media kwam in de conferentie aan de orde. In elk geval is daarbij duidelijk dat de alertheid en de snelheid van handelen van de overheid in het digitale domein omhoog moet.

3. Driehoek in positie, crisisstructuur, expertise burgemeesters

Aanbeveling Commissie Haren:

«Het uitgangspunt zal moeten zijn dat in elke gemeente een gezagsdriehoek actief is en periodiek bij elkaar komt, zodat op momenten van crisis, ook in kleinere gemeenten, een geoefend team klaar staat. Daarnaast is het van belang dat de leiding van de tien nieuwe politie-eenheden [...] voldoende feeling heeft met en contact houdt met hetgeen speelt in de gemeenten.»

«Wanneer er incidenten zijn [...] moet een kleine gemeente personele bijstand kunnen krijgen. Op regionaal niveau moeten daar concrete afspraken over gemaakt worden».

Organisatievormen als SGBO en GRIP zijn er in de eerste plaats om samenwerking tussen verschillende (onderdelen van) disciplines te structureren en van routines te voorzien.

Gaat het, zoals in Haren, om onbekende fenomenen of problemen met veel onzekerheden waarvoor standaardoplossingen niet toereikend of irrelevant lijken, dan kan gedacht worden aan snelle kennismobilisatie, waarmee de afgelopen jaren ervaring is opgedaan.

De commissie Haren geeft aan dat permanente politiek-bestuurlijke aandacht noodzakelijk is voor de inzet van de politie op lokaal niveau. Met de Politiewet 2012 is de rol van de burgemeester als gezagsdrager voor de politie versterkt. In de Politiewet 2012 is expliciet aangegeven wat de taak is van het driehoeksoverleg en dat burgemeester en officier van justitie afspraken maken over onder andere de inzet van de politie voor openbare ordehandhaving. Tevens is geregeld dat het driehoeksoverleg, indien de burgemeester dit wenst, plaatsvindt op gemeentelijk niveau.

Op lokaal niveau moet er op veiligheidsterrein een permanent samenspel zijn tussen burgemeester, politie en officier van justitie. Dit is het hart van de lokale veiligheid.

Bij gebeurtenissen als in Haren moet de crisisstructuur maximaal ondersteunend zijn. Dit kan een SGBO-structuur, maar ook een GRIP structuur zijn. De SGBO-structuur wordt toegepast als het een openbare ordeprobleem betreft. GRIP is van toepassing als het op het lokale of regionale niveau noodzakelijk is om gecoördineerd multidisciplinair op te treden. De afweging wordt steeds lokaal gemaakt.

Ik ben het met de commissie eens dat de GRIP-structuur niet rigide moet worden toegepast, en het daardoor meer een keurslijf is dan een baken. Ondersteuning voor gemeenten, door bijvoorbeeld buurgemeenten of de veiligheidsregio moet ook zonder formele structuren beschikbaar kunnen worden gesteld.

De casus Haren leert dat met name startende burgemeesters in kleinere gemeenten behoefte kunnen hebben aan meer expertise op de veiligheidsportefeuille over zaken zoals deze zich in Haren hebben voorgedaan. Ik neem de bevindingen van de commissie ter harte dat de expertise op het gebied van openbare orde en veiligheid beter kan worden gebundeld, en zal daarom met de betrokken landelijke partijen afspraken maken.

4. Opsporing en vervolging

De commissie Haren heeft geen concrete aanwijzingen voor de aanwezigheid van hooligans. De commissie stelt vast dat de veroordeelden vooral afkomstig waren uit de directe omgeving van Haren en dat de meesten geen groot strafblad hadden.

Met genoegen heb ik kennisgenomen van de positieve waardering van de commissie voor de aanpak van de politie en het OM in de opsporing en vervolging. In de aanloop naar «Haren» werd door het Openbaar Ministerie (OM) geanticipeerd op grote aantallen aanhoudingen en werd voor de avond en het weekeinde capaciteit gereserveerd voor de nodige strafvorderlijke acties. Tevens werden door het OM al op 21 september 2012 met de rechtbank afspraken gemaakt over snelrechtzittingen.

Na de gebeurtenissen in Haren is een grootschalig opsporingsonderzoek, Team Grootschalig Optreden (TGO), gestart. Volgens de laatste gegevens van het OM zijn in totaal 110 verdachten aangehouden, waarvan 80 meerderjarigen en 30 minderjarigen. In 96 zaken heeft de behandeling ter zitting plaatsgevonden of zal deze op korte termijn plaatsvinden. Veertien zaken zijn geseponeerd.

Snelrecht

Het OM heeft nadrukkelijk voor snelrecht gekozen vanwege het lik-op-stuk-karakter. De rellen in Haren hebben immers grote impact gehad op vooral de bevolking van Haren, maar ook op de rest van de samenleving. Met de inzet van snelrechtzittingen is beoogd een snel, duidelijk, zichtbaar en herkenbaar signaal af te geven dat dergelijk gedrag niet wordt getolereerd. De eerste zitting vond ruim twee weken na de rellen plaats. Deze termijn was dusdanig dat snelheid en zorgvuldigheid bij de opsporing en vervolging in een verantwoorde balans waren. In enkele gevallen is een verdachte opnieuw aangehouden voor andere feiten, toen deze in de loop van het politieonderzoek naar voren kwamen.

Met de commissie ben ik mij ervan bewust dat de inzet van snelrecht beperkingen met zich mee brengt in die zin dat de termijn tussen aanhouding en terechtzitting dusdanig kort kan zijn dat niet alle zaken binnen die termijn op een zorgvuldige wijze kunnen worden aangebracht. Niet alle zaken lenen zich dan ook voor afdoening via snelrecht. Daarom hanteert het Openbaar Ministerie als belangrijkste voorwaarde voor snelrecht en anderszins versneld op een zitting brengen (in het kader van een themazitting zoals ook met betrekking tot de rellen in Haren is gebeurd) dat het moet gaan om bewijstechnisch eenvoudige – de zogenaamde panklare – zaken. Daarnaast moeten er geen contra-indicaties voor een snelle afdoening zijn, zoals persoonlijkheidsrapportages of verzoeken van de verdediging, die tot aanhouding van de behandeling ter terechtzitting zouden kunnen leiden. Bij de inzet van snelrecht of anderszins een versnelde behandeling kunnen voorts lokale factoren een rol spelen.

Meer dan 45 verdachten zijn veroordeeld tot het storten van een bedrag in een schadefonds ten behoeve van de slachtoffers. Ik acht het van groot belang dat daders direct worden geconfronteerd met de gevolgen van hun gedragingen en met de positie van het slachtoffer. De regeling tegemoetkoming schade openlijk geweld is op 5 maart jl. in de Staatscourant gepubliceerd. In de Harense situatie is nu voor een bedrag van € 18.450,– door de rechter opgelegd. Hoewel dit een relatief klein deel van de totale schade betreft, is het signaal helder dat daders ook financieel opdraaien voor de schade.

5. Jeugd / Alcohol / Uitgaan: consequente handhaving

Ik heb met waardering kennis genomen van de beschouwingen en aanbevelingen over de relatie tussen het uitgaansgeweld en het gebruik van alcohol. De commissie Haren geeft aan dat er een hiaat bestaat tussen de werkwijze van de autoriteiten en de belevingswereld van jongeren. De commissie spreekt over de gegroeide feestcultuur en You Only Live Once (YOLO). Dat is de jongeren van harte gegund, tot dit ontspoort door alcoholmisbruik en drugs. Ik citeer de commissie: «Alcohol was een vitale factor in Haren en is een vitale factor bij al die uitgaanscentra waar elke week opnieuw, op tal van plaatsen in ons land incidenten plaatsvinden (...) Als alcoholmatiging niet optreedt, zullen rellen, al dan niet van de omvang zoals nu in Haren, op een andere plaats, in een andere constellatie, blijven voorkomen, ook als het openbaar gezag optreedt».

Dit is een belangrijke conclusie. Alcohol is een belangrijke risicofactor voor geweldpleging. Alle maatschappelijke actoren staan voor de grote opgave het alcoholgebruik onder jongeren terug te dringen. Het aantal jongeren dat blijvende schade ondervindt als gevolg van alcoholmisbruik, neemt schrikbarend toe.

Het gaat bij dit maatschappelijk probleem om samenwerking tussen overheid en burgers. Ik onderschrijf daarom de aanbevelingen van de commissie om barrières op te werpen tegen overmatig alcoholgebruik door jongeren. Ouders, scholen, verenigingen, detailhandel en horeca-ondernemers hebben allen een verantwoordelijkheid om die barrières ook daadwerkelijk op te werpen.

De commissie stelt vast dat bijna 85% van de aangehoudenen aangaf alcohol te hebben gedronken. Bestaande initiatieven gericht op alcoholmatiging vragen om stevige handhaving en maatwerk bij grote en risicovolle evenementen. Na elk weekeinde zijn politie en OM een substantieel deel van hun capaciteit kwijt aan uitgaansgeweldgerelateerde zaken, waarbij alcoholgebruik een rol heeft gespeeld. Gemeenten hebben sinds 1 januari 2013 een belangrijke taak bij de handhaving van de Drank- en Horecawet. Door de per 1 januari 2013 gewijzigde Drank- en Horecawet zijn bovendien extra mogelijkheden gecreëerd om drankgebruik door jongeren in het algemeen verder terug te dringen.

Uw Kamer heeft bovendien op 5 maart jl. ingestemd met een voorstel tot wijziging van de Drank- en Horecawet waarin is geregeld dat de toegestane leeftijd voor de verkoop en bezit van alcohol wordt verhoogd van 16 naar 18 jaar.

De verhoging van de leeftijdsgrens voor alcohol zal gepaard gaan met intensieve voorlichting en adequate handhaving.

Daarnaast zet het kabinet in op preventie van overmatig alcoholgebruik. Dit bestaat uit onderdelen zoals vroegsignalering, preventie en behandeling van alcoholproblematiek. Gemeenten worden ondersteund bij het ontwikkelen en uitvoeren van een integraal uitgaansbeleid, dat veiligheids- en gezondheidsincidenten in het uitgaansleven kan verminderen. Het kabinet zet verder specifiek in op jongeren, veel van de activiteiten zijn daarom gericht op scholen en professionals in de zorg die met jongeren werken.

6. Tot slot

Ik vind de bevindingen van de commissie Haren waardevol voor een ieder die direct betrokkenheid heeft en voelt rondom de gebeurtenissen in de gemeente Haren op 21 september 2012. Ik hoop dat dit hen kan helpen met het verwerken van de te betreuren gebeurtenissen op 21 september.

De alertheid voor dreigingen van grootschalige openbare ordeproblematiek is in de rest van het land vergroot. Het gaat er de komende tijd om die professionaliteit verder uit te bouwen en de expertise te delen. Vooral de dynamiek van de sociale media en het overmatig gebruik van alcohol zijn maatschappelijke verschijnselen, waarbij politie, OM en bestuur steeds opnieuw moeten bezien of de aanpak actueel is, of er nog op de juiste manier wordt geoefend en hoe consequente handhaving wordt gerealiseerd.

Ten slotte spreek ik grote waardering uit voor degenen die op 21 september 2012 in de frontlinie hebben gestaan.

De minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten