Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533566 nr. 71

33 566 Financieel en sociaaleconomisch beleid

Nr. 71 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 november 2014

Met deze brief en de aangehechte bijlagen informeer ik uw Kamer over de voortgang van de in het Sociaal Akkoord gemaakte afspraken over versterking van de arbeidsmarkt met behulp van sectorplannen.

Ik ga daarbij in op:

  • De stand van economie en arbeidsmarkt

  • De stand van zaken na twee aanvraagrondes sectorplannen

  • Peiling over de uitvoering van de eerste 32 goedgekeurde plannen

  • De voorwaarden voor de derde aanvraagronde sectorplannen en de introductie van het nieuwe instrument brug-WW.

  • Verantwoording, evaluatie en monitoring van sectorplannen, mede naar aanleiding van de motie Heerma c.s. (Kamerstuk 33 930 XV, nr. 6)

Sociaal akkoord

In het Sociaal Akkoord van 11 april 2013 hebben kabinet en sociale partners afspraken gemaakt die de Nederlandse arbeidsmarkt bestand moeten maken voor de uitdagingen van de toekomst. Onderdeel van die afspraken betreft de cofinanciering van sectorplannen, waarvoor € 600 miljoen beschikbaar is in 2014 en 2015. Sociale partners leggen minimaal hetzelfde bedrag bij, waardoor de investering in de arbeidsmarkt in totaal meer dan € 1,2 miljard bedraagt.

De sectorplannen zijn belangrijk bij het aanpakken van de effecten van de recessie en het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt op lange termijn. Door de sectorplannen kunnen mensen hun baan behouden of weer werk vinden in dezelfde of in een andere sector. Daarmee wordt (langdurige) werkloosheid voorkomen.

Elke sector heeft zijn eigen uitdagingen op de arbeidsmarkt. Bijvoorbeeld een tekort aan vakmensen of onvoldoende leerwerkplekken voor jongeren. Sociale partners hebben de handschoen opgepakt om te kijken wat er nodig is per sector en daar zelf in te investeren. Op korte termijn is het doel om onmisbare vakkrachten te behouden voor de sector, door mensen die hun baan dreigen te verliezen naar een andere baan te begeleiden en jongeren via een leerwerkplek kansen te geven op de arbeidsmarkt.

Op langere termijn is het doel om de werking van de arbeidsmarkt te verbeteren en bedrijven daarmee sterker uit de crisis te laten komen. Sociale partners zorgen voor een betere match tussen vraag en aanbod, waardoor mensen aan het werk kunnen gaan bij een andere werkgever in dezelfde of een andere sector en niet thuis komen te zitten. Ook zorgen sociale partners ervoor dat mensen minder vaak uitvallen door ziekte en beter inzetbaar zijn doordat zij voldoende geschoold blijven, waardoor werknemers tot de pensioengerechtigde leeftijd productief kunnen blijven. Bovendien wordt de aansluiting tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven beter.

Stand economie en arbeidsmarkt

Het dieptepunt van de crisis lijkt achter ons te liggen. Hoewel met onzekerheid omgeven, voorspelt het CPB een beperkte economische groei voor dit en volgend jaar. Ook de arbeidsmarkt laat licht herstel zien. Het aantal werklozen is volgens het CBS in september voor de vijfde maand op rij gedaald. Hoewel de daling lijkt ingezet, ligt de werkloosheid nog steeds op een onaanvaardbaar hoog niveau van 8%. Maatregelen om mensen aan het werk te helpen en te houden blijven nog steeds noodzakelijk.

Het herstel dat in de tweede helft van 2013 is ingezet, zet dit jaar door. Voor 2014 verwacht het Centraal Planbureau een economische groei van 0,75 procent. Herstel op de arbeidsmarkt volgt altijd met enige vertraging op veranderingen in de conjunctuur en daarom zal de gemiddelde werkloosheid dit jaar licht hoger uitvallen dan in 2013. In 2015 daalt volgens het CPB de werkloosheid verder.

De Nederlandse arbeidsmarkt staat er in internationaal perspectief relatief goed voor. De netto arbeidsparticipatie gemeten in personen ligt, na Zweden, met 73,6 procent (15–64 jaar, internationale definitie) op het hoogste niveau van de EU. Door het grote aantal deeltijdwerkers ligt de netto arbeidsparticipatie gemeten in voltijdequivalenten in Nederland wel onder het EU-gemiddelde. De werkloosheid is in Nederland lager dan in de meeste andere landen van de EU, en dat geldt ook voor de werkloosheid onder jongeren.

Hoewel de vooruitzichten voorzichtig positief zijn en de daling lijkt ingezet, ligt de werkloosheid nog steeds op een onaanvaardbaar hoog niveau van 8%. Maatregelen om mensen aan het werk te helpen en te houden blijven nog steeds noodzakelijk. Werkloosheid is voor de mensen die het treft zeer ingrijpend. Het hebben van een baan is voor mensen meer dan het hebben van inkomen. Een baan biedt mensen immers een sociaal netwerk, mogelijkheden tot zelfontplooiing en zelfvertrouwen.

Stand van zaken sectorplannen na twee aanvraagrondes

Het Actieteam van de Stichting van de Arbeid stimuleert het opstellen van sectorplannen, onder andere door voorlichtingsbijeenkomsten en het geven van adviezen aan potentiële aanvragers. Tevens informeert het Actieteam Crisisbestrijding spelers op de arbeidsmarkt over de toegekende plannen en de lopende initiatieven, opdat de diverse partijen met elkaar in contact kunnen komen. Daarnaast ondersteunt het Actieteam Crisisbestrijding de uitvoering van de sectorplannen, door periodiek de uitvoerders van de plannen bij elkaar te brengen waardoor best practices uitgewisseld kunnen worden en door waar mogelijk belemmeringen weg te nemen. Meer informatie over het Actieteam is te vinden op http://www.stvda.nl/nl/thema/actieteam-crisisbestrijding.aspx.

Het UWV levert belangrijke arbeidsmarktinformatie ten behoeve van de plannen. De uitdagingen waar sociale partners mee te maken hebben verschillen per sector of regio. Sectoren of regio’s moeten op basis van een analyse van hun arbeidsmarkt vaststellen wat de belangrijkste knelpunten zijn. Daarop zijn de maatregelen gericht die zij in hun sectorplan opnemen. Veel sectoren maken gebruik van de sectorbeschrijvingen die het UWV publiceert. Deze sectorbeschrijvingen, een initiatief van sociale partners, VNG/gemeenten, UWV en het Samenwerkingsverband Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB), bieden een actueel beeld van de tekorten en overschotten op de arbeidsmarkt per sector.

Inmiddels zijn er twee aanvraagtijdvakken geweest waarin sociale partners plannen hebben kunnen indienen die bijdragen aan het oplossen van de knelpunten op de sectorale of regionale arbeidsmarkt.

In totaal zijn er 102 plannen ingediend, waarvan 61 plannen nu zijn goedgekeurd1 voor € 335 miljoen aan cofinanciering. De bijlage geeft een overzicht van alle goedgekeurde plannen van het eerste en tweede aanvraagtijdvak2. Meer informatie over alle goedgekeurde plannen is terug te vinden op de website www.sectorplannen.nl.

Grafiek 1 geeft een beeld van het beoogde bereik van de maatregelen die sociale partners hebben voorgedragen voor cofinanciering in termen van deelnemers en het budgettaire beslag.

In totaal zullen ruim 300 duizend3 mensen betrokken worden bij de maatregelen in de toegekende sectorplannen4.

De meeste deelnemers (150 duizend) volgen bij- of omscholing om vakspecifieke beroepsvaardigheden op te doen, bijvoorbeeld als onderdeel van een traject naar werk of om werkloosheid in de toekomst te voorkomen.

Ook wordt door sociale partners fors ingezet op het begeleiden van mensen die met werkloosheid worden bedreigd of inmiddels werkloos zijn, naar een andere baan binnen of buiten de sector. Sociale partners beogen met deze maatregelen meer dan 40 duizend mensen naar een andere baan te begeleiden.

De maatregelen ter bevordering van de instroom hebben voornamelijk betrekking op het scheppen van extra leerwerkplekken. Er worden de komende twee jaar ongeveer 20 duizend extra leerwerkplekken (bbl) gecreëerd met behulp van cofinanciering van sectorplannen.

Gemeten naar het budgettaire beslag, worden de meeste middelen in de plannen ingezet voor bij- of omscholing en het vergroten van de instroom in werk. Het vergroten van de instroom betreft meestal extra leerwerkplekken voor jongeren. In de grafiek is te zien dat deze kosten relatief hoog zijn vergeleken met het aantal deelnemers. Het gaat hierbij meestal om loonkostensubsidies.

In het begrotingsakkoord 2014 is afgesproken dat een derde van het budget voor de sectorplannen wordt ingezet voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid. In het totaal wordt in de sectorplannen naar schatting voor 42% aan de bestrijding van jeugdwerkloosheid aangewend5. Voor een integraal overzicht van beoogde deelnemers per maatregel verwijs ik u naar de Quick scan in bijlage 26.

Peiling uitvoering eerste 32 van de 61 goedgekeurde plannen

In de Regeling cofinanciering is bepaald dat er binnen zes maanden na de startdatum van elk plan maatregelen in uitvoering moeten zijn. Om de stand van zaken te peilen is in oktober een eerste kwantitatieve en kwalitatieve peiling uitgevoerd onder de plannen die voor 1 augustus waren goedgekeurd. Van die plannen mag immers verwacht worden dat maatregelen al of bijna in uitvoering zijn. Het betreft 32 plannen die voor 1 augustus toegekend en gestart zijn.

Na de toekenning van de cofinanciering starten partijen met de uitvoering van de plannen. Dat betekent dat er een infrastructuur moet worden opgezet, er moet worden gezorgd voor aanbesteding van uitvoerders en voor de inrichting van de administratie ten behoeve van de verantwoording. Dergelijke voorbereidingen zijn nodig, maar moeten uiteraard niet te lang duren. In de Regeling cofinanciering is dan ook bepaald dat er binnen zes maanden na de startdatum van elk plan maatregelen in uitvoering moeten zijn.

In de afgelopen weken is contact opgenomen met alle 32 hoofdaanvragers waarvan het plan voor 1 augustus 2014 is toegekend en gestart. De meeste van deze plannen zijn in het tweede kwartaal beschikt en zij lopen dus enige tijd. Aan deze partijen is gevraagd of de maatregelen gestart zijn, wat de realisatie is en of de realisatie volgens verwachting verloopt.7

Uit navraag bij sectoren blijkt dat de maatregelen in deze 32 toegekende plannen in verschillende stadia van uitvoering verkeren. Ongeveer de helft van de maatregelen loopt. De andere helft bevindt zich in de opstartfase of implementatiefase, in lijn met de voorbereidingstijd. Vooral maatregelen die «nieuw» zijn voor sociale partners en de O&O fondsen, zoals het opzetten van een mobiliteitscentrum, kennen een langere opstarttijd volgens de sectoren.

In totaal zijn in deze 32 plannen 231 maatregelen opgenomen met een beoogd bereik van 225.000 deelnemers gedurende de volledige looptijd van het sectorplan8. Op het peilmoment, waarop voor de meeste plannen (85%) geldt dat ze op of binnen deze 6 maandperiode zitten, zijn er bijna 35 duizend geregistreerde deelnemers geteld. Het feitelijke aantal deelnemers ligt overigens hoger omdat hoofdaanvragers aangeven dat de registratie in een aantal gevallen achterloopt9, vooral bij projecten met externe uitvoerders.

Grafiek 2 geeft een beeld van het aantal geregistreerde deelnemers per maatregel in de 32 plannen.

Ondanks dat veel sectoren nog volop bezig zijn met het opzetten van de infrastructuur, zijn er ruim 34 duizend geregistreerde deelnemers.

Een belangrijke maatregel van sectoren bij het bestrijden van jeugdwerkloosheid, is het vergroten van het aantal leerwerkplekken. De inspanningen van sociale partners in de bevraagde sectoren heeft er toe geleid dat er nu meer dan 6.500 van de leerwerkplekken gerealiseerd zijn.

Veel sectorplannen bevatten maatregelen gericht op bij- of omscholing van de huidige werknemers of van voormalig werknemers. Bijscholing is nodig om de werknemers te laten beschikken over de kennis- en vaardigheden die in de komende jaren van hen wordt verlangd, waardoor wordt voorkomen dat mensen (onnodig) moeten worden ontslagen. Omscholing is een belangrijk instrument om mensen op weg te helpen naar een andere functie in dezelfde sector of in een andere sector. In totaal volgen bijna 14 duizend mensen een opleiding met behulp van de sectorplannen.

Er is eveneens veel aandacht voor maatregelen gericht op verbetering van de gezondheid van werknemers zodat men langer en gezonder door kan werken tot de pensioengerechtigde leeftijd. In totaal doen bijna 10 duizend mensen mee aan deze gezondheidsbevorderende maatregelen.

Van de 231 de maatregelen in de 32 plannen is 86% gestart en zijn gegevens bekend. Van de maatregelen die lopen, gaat 80% naar of boven verwachting. Vooral bevorderen van leerwerkplekken loopt boven verwachting. Ook arbeidsbemiddeling loopt in de meeste gevallen naar of boven verwachting. In sommige gevallen blijft dit achter bij de verwachting omdat het aantal faillissementen en ontslagen lager blijkt dan men bij het opstellen van het plan had verwacht. Het realiseren van EVC-trajecten blijft achter bij de verwachting.

Derde tranche sectorplannen en introductie instrument brug-WW

Met de eerste twee tranches sectorplannen is voor een groot aantal sectoren, bedrijven en deelnemers een zeer breed palet aan arbeidsmarktmaatregelen mogelijk gemaakt, zoals bijscholing, het vergroten van het aantal leerwerkplekken en maatregelen gericht op het verbeteren van de gezondheid. Het ging bij de maatregelen gericht op mobiliteit vooral om transities binnen een beroep en/of sector. In mindere mate worden mensen begeleid en omgeschoold naar een ander beroep. Ten behoeve van de derde tranche heeft het kabinet na consultatie van de sociale partners besloten tot een sterke focus op een van de belangrijkste uitdagingen van de Nederlandse arbeidsmarkt: het vergemakkelijken van transities van werk naar werk en van werkloosheid naar werk.

Onderstaand wordt ingegaan op de reden voor het aanbrengen van deze focus en op de specifieke voorwaarden ten aanzien van het nieuw te introduceren instrument brug-WW.

Transities op de arbeidsmarkt vinden momenteel vooral plaats binnen een beroep en/of sector. In mindere mate zien we mobiliteit naar een ander beroep of een andere sector. Een aantal beroepen heeft al te maken met schaarste en in veel meer beroepen zal de komende jaren een grote vraag naar nieuw personeel ontstaan, onder andere als gevolg van vergrijzing. Voorbeeld hiervan zijn beroepen in de techniek. De instroom vanuit het onderwijs kan niet altijd in deze vraag voorzien. Tegelijkertijd zien we beroepen en/of sectoren waar de komende jaren de werkgelegenheid zal krimpen.

Juist in deze tijd van voorzichtig herstel van de economie en de arbeidsmarkt is het belangrijk om te ervoor zorgen dat de arbeidsmarkt beter gaat functioneren en om kansen om mensen aan het werk te helpen niet onbenut blijven. Het kabinet en de sociale partners hebben in de afgelopen periode afspraken gemaakt om transities op de arbeidsmarkt structureel te bevorderen, onder andere met de Wet werk en zekerheid (Wwz). Met de brug-WW in combinatie met de derde tranche sectorplannen is het mogelijk om een verdere impuls te geven aan het door sociale partners, sectoren en bedrijven in gang zetten van transities op de arbeidsmarkt.

Met de Wet werk en zekerheid zijn de benodigde wijzigingen doorgevoerd om structureel de transities op de arbeidsmarkt te bevorderen. Daarnaast is het wenselijk hieraan met tijdelijke maatregelen bij te dragen. Dit kan met name door de sectorplannen van het derde aanvraagtijdvak te richten op het bieden van scholing aan werknemers in combinatie met inzet van de WW die als brug kan fungeren tussen huidig en toekomstig werk of tussen werkloosheid en werk.

De brug-WW verruimt de mogelijkheid om noodzakelijke scholing te volgen met behoud van een uitkering op grond van de WW. Hierdoor vermindert de brug-WW de werkgeverskosten voor de niet-productieve scholingsuren van de nieuwe werknemer.

Er moet sprake zijn van substantiële omscholing of, wanneer het gaat om een WW-gerechtigde, om noodzakelijke bijscholing, om weer aan de slag te kunnen in zijn eigen beroep. Er geldt gedurende de duur van de scholing geen sollicitatieplicht. Als voorwaarde geldt dat de persoon die omgeschoold is om de vacature te vervullen, in ieder geval één jaar in dienst blijft bij de nieuwe werkgever. Sociale partners kunnen gezamenlijk afwijkende afspraken maken indien maatwerk noodzakelijk blijkt te zijn. Voor het overige zijn de reguliere voorwaarden van de WW van toepassing.

De praktische uitvoering wordt zo vormgegeven dat niet het UWV in het kader van de WW de noodzaak van de scholing toetst, maar dat dit volgt uit de arbeidsmarktanalyse in het sectorplan. Het UWV heeft een uitvoeringstoets uitgebracht op de voorgenomen regelingen voor het derde aanvraagtijdvak en de brug-WW. Het UWV acht de regeling uitvoerbaar per 1 maart. Vanaf dat moment kunnen individuele aanvragen voor een brug-WW uitkering die voortkomen uit de uitvoering van een sectorplan worden afgehandeld. Sectorplannen met brug-WW kunnen vanaf 15 januari worden ingediend.

Het is van belang dat de aanvragen tot cofinanciering van maatregelen kunnen rekenen op een breed draagvlak. De betrokkenheid van alle relevante partijen, zoals werkgevers en vakbonden, is van belang voor het succes en de structurele borging van de resultaten. Hierdoor worden niet alleen op korte termijn mensen naar een baan begeleid, maar moet de Nederlandse arbeidsmarkt ook op de lange termijn beter gaan functioneren. De aanvraag en de uitvoering van het plan worden daarom gemaakt, net als in het eerste en tweede aanvraagtijdvak, door een samenwerkingsverband waar in ieder geval sociale partners aan deelnemen.

Bewegingen op de arbeidsmarkt hebben vaak een regionaal karakter. Het ligt dan ook voor de hand dat naast sociale partners gemeenten en provincies een belangrijke rol kunnen vervullen in het samenwerkingverband in het kader van een regionaal sectorplan. Gemeenten en provincies kunnen immers in publiek private samenwerking een belangrijke partij zijn bij het laten aansluiten van vraag en aanbod op de regionale arbeidsmarkt. Daarom kunnen zij bij de sectorplannen van het derde tijdvak uit eigen middelen een financiële bijdrage leveren om transities op de arbeidmarkt te bevorderen. Deze bijdrage zal beperkt worden tot maximaal de helft van de eigen financiering van de maatregelen door het samenwerkingsverband. De andere helft van de eigen bijdrage dient te worden ingebracht door de sociale partners.

Het kabinet stelt voor aanvragen in het kader van de derde tranche sectorplannen een bedrag van 150 miljoen euro beschikbaar. De effecten op de WW-uitgaven worden gefinancierd uit de reguliere WW-fondsen. Publicatie van de regeling is gepland voor begin december. Vanaf 15 januari tot en met 29 mei 2015 kunnen aanvragen worden ingediend.

Belangrijkste voorwaarden cofinanciering sectorplannen 3e tijdvak

  • Een aanvraag tot cofinanciering wordt ingediend door een samenwerkingsverband waar in ieder geval een werknemers- en een werkgeversorganisatie deel van uit maakt.

  • De cofinanciering door het ministerie van SZW in het kader van de Regeling bedraagt maximaal 50 procent van de kosten.

  • Sociale partners moeten zelf een substantieel bedrag bijdragen. Dit zorgt voor een effectieve en efficiënte inzet van middelen.

  • Gemeenten of provincies kunnen uit eigen middelen bijdragen aan deze eigen financiering van het samenwerkingsverband tot maximaal de helft van de eigen financiering.

  • Een aanvraag tot cofinanciering zal een arbeidsmarktanalyse moeten bevatten waaruit blijkt in welke beroepen (in sectoren en regio’s) vacatures zijn waarnaar met ontslagbedreigde werknemers en werkzoekende kunnen worden begeleid.

  • De maatregelen en prestaties waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd, vloeien logischerwijs voort uit de arbeidsmarktanalyse.

  • De regeling cofinanciering sectorplannen kent een viertal maatregelen waarvoor cofinanciering kan worden aangevraagd, te weten maatregelen gericht op

    • A. van werk naar een ander beroep;

    • B. van werk naar hetzelfde beroep;

    • C. van WW naar een ander of hetzelfde beroep en;

    • D. overig naar een ander of hetzelfde beroep.

    In bovenstaande gevallen gaat om van werk of WW naar een ander of hetzelfde beroep bij een nieuwe werkgever.

  • Kosten die voor cofinanciering in aanmerking kunnen komen zijn onder andere de kosten voor arbeidsbemiddeling, het opzetten van een infrastructuur voor van werk naar werk, het in kaart brengen van de competenties van de werknemer en bij- en omscholing.

  • De kosten van de maatregelen moeten in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten.

  • Het plan dient aan te geven hoe uitvoering van het plan binnen of tussen sectoren of binnen een regio wordt vormgegeven.

  • In beginsel kent een sectorplan een duur van maximaal 2 jaar.

  • Het gevraagde budget voor de cofinanciering moet in verhouding staan tot de grootte van de sector of regio (aantal werknemers) en de omvang van de problematiek.

  • Aanvullend op de cofinanciering van het sectorplan is inzet van de brug-WW mogelijk.

Verantwoording, monitoring en evaluatie sectorplannen

Ik blijf u twee keer per jaar, in voor -en najaar, informeren over de voortgang. U wordt daarbij geïnformeerd over de kwantitatieve doelen van de toegekende plannen (inhoud), over de gerealiseerde prestaties en de daarmee behaalde resultaten (voortgang) en over het proces.

Sectorplannen duren over het algemeen maximaal twee jaar en de uitvoerders rapporteren één keer tussentijds en één keer aan het eind over de gerealiseerde aantallen en daarmee bereikte resultaten. De subsidie wordt afgerekend op basis van de gerealiseerde prestaties. Onderzoekscombinatie SEO/ECBO heeft de opdracht gekregen om gebruik te maken van deze verantwoordingsinformatie en aanvullend twee maal per jaar periodieke quick scans bij de uitvoerders te doen.

Het rapport van de eerste quick scan treft u in de bijlage. Deze eerste quick scan inventariseert de inhoud van de sectorplannen en de voorgenomen maatregelen. In de latere quick scans komt ook de voortgang die in de sectorplannen wordt geboekt aan bod.

Onderzoekscombinatie SEO/ECBO zal ook de evaluatie uitvoeren. In de regeling is voorzien dat de regeling in 2016 wordt geëvalueerd. In de evaluatie staan vier vragen centraal: hoe zijn de gesubsidieerde sectorplannen uitgevoerd; op welke wijze hebben de sectorplannen bijgedragen aan het overbruggen van de crisis en het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt; wat was het effect van de tijdelijke cofinanciering op de betrokkenheid en inspanningen van de sociale partners voor een betere werking van de arbeidsmarkt; wat is de invloed van de vorm van de subsidie geweest op het bereiken van de doelen? Omdat in 2016 niet alle sectorplannen volledig afgerond zullen zijn en alle resultaten dus niet meegenomen kunnen zijn, ontvangt uw Kamer in 2016 een voorlopig evaluatierapport en in 2018 een definitief evaluatierapport.

Bij motie Heerma c.s. (Kamerstuk 33 930 XV nr. 6) heeft uw Kamer verzocht om bij voortgangsbrieven, jaarverslagen en eindevaluatie meer en voldoende informatie te verschaffen over kwantitatieve doelen, aangevuld met gegevens over de behaalde resultaten, om een goed oordeel te kunnen vormen over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid. De genoemde monitoring en evaluaties zullen hierin voorzien.

Tot slot

Het is goed om te zien dat sociale partners de handschoen hebben opgepakt om aandachtpunten op de arbeidsmarkt aan te pakken met maatregelen. De goedgekeurde plannen beogen tijdens de looptijd van de sectorplannen meer dan 300 duizend mensen te helpen om hun positie op de arbeidsmarkt te bestendigen of te verbeteren. Hierdoor kunnen vakkrachten worden behouden, mensen die met ontslag bedreigd worden een andere baan vinden en jongeren een leerwerkplek vinden die hen perspectief geeft op de arbeidsmarkt. De uitvoering van de plannen is duidelijk op gang, inmiddels nemen bijna 35 duizend mensen deel aan de activiteiten in de sectorplannen, waarvan meer dan 6,5 duizend jongeren met een leerwerkplek die er anders naar verwachting niet zou zijn geweest. De uitvoering van de plannen blijft een punt om continue te monitoren en waar nodig bij te stellen (de regeling staat bijstelling van plannen tijdens de uitvoering toe). Daarom zal het Actieteam Crisisbestrijding in samenwerking met mijn ministerie ondersteuning blijven bieden, onder andere door bijeenkomsten te organiseren om de implementatie en uitvoering te versterken.

Begin 2015 zal het derde aanvraagtijdvak gericht op van werk naar werk en van uitkering naar werk worden geopend. Ik roep sectoren en regio’s op om de mogelijkheden die de arbeidsmarkt gaat bieden te benutten en vacatures in kansrijke beroepen te vervullen.

Ik zal uw Kamer komend voorjaar wederom over de voortgang informeren.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Stand per 7 november 2014. Nog 19 plannen zijn in behandeling. Er zijn 5 plannen afgewezen en 17 sectorplannen zijn door de aanvragers ingetrokken en soms opnieuw ingediend.

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Op basis van 61 goedgekeurde plannen. In de brief van 30 mei jl. (Kamerstuk 33 566 nr. 69) was de stand 185.000 mensen, op basis van 24 goedgekeurde plannen.

X Noot
4

Dit betreft het aantal deelnemers, niet het aantal unieke personen.

X Noot
5

Dit is een indicatief percentage omdat maatregelen gericht op het vergroten van de instroom (zoals het vergroten van het aantal bbl plekken), ook open kunnen staan voor oudere werknemers en werklozen die via zij-instroom in de sector terechtkomen en gebruik maken van de mogelijkheid om bij te scholen. Andersom staan andere maatregelen zoals het in dienst nemen van kwetsbare groepen ook open voor jongeren.

X Noot
6

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
7

In totaal is met 32 partijen gesproken in de periode van 27 oktober tot en met 12 november.

X Noot
8

zijn niet voor 1 augustus 2014 toegekend en gestart en dus niet meegenomen in de peiling. Deze plannen hebben een beoogd bereik van ongeveer 100.000 deelnemers.

X Noot
9

Zo hadden de regionale zorgplannen nog geen formele realisatiegegevens beschikbaar, terwijl de belangstelling onder de instellingen voor scholing van hun medewerkers groot is.