Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333566 nr. 60

33 566 Financieel en sociaal-economisch beleid

29 817 Sociale werkvoorziening

Nr. 60 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 2 september 2013

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar aanleiding van de brief van 27 juni 2013 inzake de Participatiewet en quotum na sociaal akkoord (Kamerstuk 33 566, nr. 55).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 2 september 2013. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van der Burg

De griffier van de commissie,

Post

1

Hoe verhouden de afspraken uit het Sociaal Akkoord zich met de lessen uit de commissie Buurmeijer?

Antwoord vraag 1:

De belangrijkste conclusies van de parlementaire enquêtecommissie onder leiding van de heer Buurmeijer, gingen in 1993 vooral over de beheersing van het uitkeringsvolume in de WAO. De afspraken in het Sociaal Akkoord zijn juist gericht op het voorkomen van werkloosheid, het zo snel mogelijk aanvaarden van een nieuwe baan en de re-integratie van mensen met een arbeidsbeperking. Een belangrijk voorbeeld is de afspraak met werkgevers dat zij zich (oplopend tot 2026) garant stellen voor 100.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking. De afspraken uit het Sociaal Akkoord moeten leiden tot een stevige beperking van het uitkeringsvolume, opdat mensen weer in staat zijn zelf in hun inkomen te voorzien.

Overigens onderschrijft het kabinet de uitgangspunten van de commissie Buurmeijer ook voor de nieuwe arbeidsmarktinfrastructuur en de WW. Deze uitgangspunten zijn nog eens bekrachtigd door ze op te nemen in de recente adviesaanvraag aan de SER over de infrastructuur arbeidsmarkt, die ook met uw Kamer is besproken.

2

Kan de regering de financiële gevolgen van het Sociaal Akkoord voor de Participatiewet ten opzichte van het regeerakkoord in een tabel uiteen zetten? Kan de regering in deze tabel duidelijk maken welke maatregelen uit het regeerakkoord niet doorgaan en welke maatregelen daarvoor in de plaats komen?

Antwoord vraag 2:

Tabel 1 presenteert de financiële gevolgen van het Sociaal Akkoord voor de Participatiewet ten opzichte van het regeerakkoord. In het regeerakkoord (regel 1) was een netto opbrengst opgenomen die opliep tot 2.170 miljoen euro structureel (1.830 miljoen Participatiewet en 340 miljoen quotumregeling). De maatregelen in het Sociaal Akkoord (regel 2) leiden tot een structurele netto opbrengst van 1.620 miljoen (1.250 miljoen Participatiewet en 370 miljoen baangarantie). In het Sociaal Akkoord is dus 550 miljoen extra structureel door het Rijk vrijgemaakt voor de nieuwe Participatiewet inclusief baangarantie (regel 3). In de periode 2014–2017 zijn extra middelen vrijgemaakt die liggen tussen 85 miljoen en 380 miljoen per jaar.

Bij de beantwoording van vraag 4 en 5 wordt uitvoerig ingegaan op de wijzigingen in de Participatiewet ten opzichte van het regeerakkoord. In het onderste gedeelte van tabel 1 (regels 3a tot en met 3f) laat het kabinet de budgettaire gevolgen zien van de gewijzigde of uitgestelde maatregelen. De toelichting hierop is als volgt:

  • a) Gemeenten krijgen voor mensen met een productiviteit van minder dan 80 procent WML de beschikking over het instrument loonkostensubsidie in plaats van het instrument loondispensatie. De inzet van loonkostensubsidies is duurder dan de inzet van loondispensatie. Binnen het financiële kader van het Sociaal Akkoord is door het kabinet een bedrag oplopend tot 480 miljoen euro structureel beschikbaar gesteld voor deze meerkosten.

  • b) Er komt een regeling die gemeenten in staat stelt door middel van individueel maatwerk voor kwetsbare groepen met een zorgbehoefte de effecten van de kostendelersnorm te compenseren. In het Sociaal Akkoord heeft het kabinet een bedrag van 100 miljoen euro aan extra middelen voor gemeenten beschikbaar gesteld.

  • c) Werkgevers in de markt en publieke sector (privaat en overheid) stellen zich in het Sociaal Akkoord garant voor (oplopend) 125 duizend extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking ten opzichte van 2013. Het wettelijk quotum blijft als stok achter de deur bestaan indien de aantallen uit de garantstelling voor de extra banen niet worden gehaald. De opbrengst van de baangarantie is structureel 30 miljoen euro hoger dan die van de quotumregeling (370 miljoen euro in plaats van 340 miljoen euro).

  • d) Het zittend bestand Wajong wordt beoordeeld op arbeidsvermogen. Mensen met arbeidsvermogen kunnen een beroep op de gemeente doen voor een uitkering en/of ondersteuning bij re-integratie. Ook kunnen zij met het instrument loonkostensubsidie aan het werk worden geholpen. De netto besparing in 2017 is in het Sociaal Akkoord geraamd op 170 miljoen euro. In de eerste jaren treden extra uitvoeringskosten UWV op als gevolg van de herbeoordelingsoperatie.

  • e) De efficiencykorting Wsw (die in het regeerakkoord al met een jaar was uitgesteld naar 2014 en gespreid over zes in plaats van drie jaar) is in het Sociaal Akkoord nog een jaar extra opgeschoven naar 2015. Dit levert gemeenten een tijdelijk extra voordeel op van 40 á 50 miljoen euro per jaar tot 2020.

  • f) Invoering van de maatregelen beperking Wajong en geen instroom Wsw zijn in het Sociaal Akkoord uitgesteld van 2014 naar 2015. De tijdelijke besparingsverliezen van 60 á 70 miljoen euro per jaar die hierdoor optreden zijn door het Rijk afgedekt binnen het financieel kader van het Sociaal Akkoord.

3

Het op 1 april 2013 overeen gekomen Sociaal Akkoord kent de randvoorwaarde dat de destijds voorgenomen bezuinigingen vooralsnog niet uitgevoerd zouden worden. Welke consequenties zijn er aan de vormgeving en uitvoering van de Participatiewet verbonden als de voorgenomen bezuinigingen alsnog worden uitgevoerd en de sociale partners daardoor zich niet meer gebonden achten aan dit Sociaal Akkoord?

Antwoord vraag 3:

Het kabinet staat voor zijn handtekening onder het Sociaal Akkoord en is er van overtuigd dat hetzelfde geldt voor sociale partners. In het Sociaal Akkoord is inderdaad afgesproken dat extra bezuinigingen vooralsnog niet worden uitgevoerd. Tegelijkertijd is ook afgesproken dat het kabinet hierover in augustus definitief zal beslissen. Uiteraard kan over de noodzaak en invulling van extra bezuinigingen verschillend worden gedacht, maar er is in geen geval sprake van strijdigheid met afspraken uit het Sociaal Akkoord.

4

Op welke punten wordt de Participatiewet gewijzigd? Worden deze wijzigingen geregeld bij nota van wijziging op de Wet Werken Naar Vermogen?

Zie het antwoord op vraag 5.

5

Kan de regering in een overzicht de verschillen tussen de voormalige Wet werken naar vermogen, de Participatiewet zoals deze was voorzien in het regeerakkoord en de wijzigingen in de Participatiewet naar aanleiding van de afspraken in het Sociaal Akkoord op een rij zetten?

Antwoord vraag 5:

De Participatiewet wordt via een Nota van Wijziging op de Invoeringswet Wet Werken naar vermogen gerealiseerd. In het onderstaande schema staan de belangrijkste verschillen tussen het initiële wetsvoorstel voor de Wet werken naar vermogen (WWNV), de Participatiewet op basis van het Regeerakkoord en de Participatiewet na het Sociaal Akkoord.

Beleidsmatig overzicht:

Onderdeel

WWNV

Participatiewet op basis van Regeerakkoord

Participatiewet na Sociaal Akkoord

Werkbedrijf

Vorming van 35 regionale werkbedrijven, die de schakel vormen tussen de werkgever en de mensen met een arbeidsbeperking die aan de slag worden geholpen.

De uitwerking van het Werkbedrijf vindt plaats in de Werkkamer (gemeenten en sociale partners, Rijk (SZW) adviserend lid, UWV betrokken bij uitwerking).

Wajong

Alleen toegankelijk voor mensen die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben.

Herbeoordeling zittend bestand en verlaging uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen.

Instroom Wajong 2012 per 1-1-2014 over naar WWNV.

Idem (per 1/1/2014)

Geen herbeoordeling en verlaging uitkering

Instroom 2012 en 2013 blijft in de Wajong.

Idem (per 1/1/2015)

Zittend bestand (iedereen die op 31-12-2014 een Wajong-uitkering ontvangt) wordt herbeoordeeld op arbeidsvermogen. Mensen met arbeidsvermogen horen tot de doelgroep van de Participatiewet. Zij kunnen een beroep doen op de gemeente voor een uitkering en/of ondersteuning naar werk. Gemeenten worden in staat gesteld d.m.v. individueel maatwerk voor kwetsbare groepen met een zorgbehoefte de effecten van de kostendelersnorm te compenseren.

Wsw/ beschut werk

Wsw blijft bestaan, toegang wordt beperkt tot mensen die alleen onder beschutte omstandigheden kunnen werken.

Gemeenten dienen 1/3 van de autonome uitstroom uit de Wsw op te vangen met nieuwe instroom in beschut werk.

De instroom in de Wsw stopt met ingang van 1 januari 2014. Zittend bestand behoudt rechten en plichten.

Gemeenten krijgen de ruimte om beschut werk te organiseren. De 1/3- verplichting vervalt. Bij de berekeningen gaat het kabinet er vanuit dat er structureel 30.000 plekken voor beschut werk beschikbaar moeten komen.

De instroom in de Wsw stopt met ingang van 1 januari 2015. Zittend bestand behoudt rechten en plichten.

Idem.

Banen voor mensen met een arbeids-beperking

Er komt een quotumregeling per 1-1-2015. Er wordt in zes jaar tijd een quotum opgebouwd van 5% voor bedrijven met meer dan 25 werknemers.

Werkgevers stellen zich garant voor in totaal 125.000 banen (in marktsector en overheidssector).

Er komt een wettelijke quotumregeling, die wordt geactiveerd op het moment dat de afgesproken aantallen banen niet tot stand komen.

Compensatie werkgevers voor verminderde productivi-teit

Loondispensatie. Werkgever betaalt loonwaarde. Gemeente vult na aantal jaren aan tot WML.

Loondispensatie. Werkgever betaalt loonwaarde. Gemeente vult na aantal jaren aan tot WML. Maatvoering en invulling mede op basis van ervaringen pilot loondispensatie.

Loonkostensubsidie ter hoogte van maximaal 70% WML voor werkgever voor verschil loonwaarde- WML. Werknemer ontvangt loon op basis van cao werkgever.

Bureaucratie en ruimte voor maatwerk

Afwijkende regelgeving en beloningsregime van de Wsw blijft gehandhaafd voor beschut werk.

Uitvoering loondispensatie aan strikte regels gebonden (toegangstoets, periodieke loonwaardemeting).

Gemeenten krijgen ruimte om beschut werk te organiseren.

Nadere maatvoering en invulling mede op basis van ervaring pilot loondispensatie.

Gemeenten krijgen ruimte om beschut werk te organiseren.

Sociale partners, gemeenten en andere partijen werken in samenspraak met het Rijk de invulling van het instrument loonkostensubsidie de komende periode verder uit (o.a. loonwaardemeting, doelgroepbepaling). Het voorkomen van onnodige bureaucratie staat daarbij centraal.

Financieel overzicht:

Onderdeel

WWNV

Participatiewet op basis van Regeerakkoord

Participatiewet na Sociaal Akkoord

Re-integratie-middelen

Een efficiencykorting op de Wsw die in drie jaar (2013–2015) oploopt tot 290 miljoen.

In de periode 2012–2018 is er een herstructureringsfaciliteit van 400 mln beschikbaar, waar gemeenten een beroep op kunnen doen voor de financiering van de kosten van de herstructurering van de uitvoering van de Wsw.

De efficiencykorting op de Wsw gaat een jaar later in en wordt over zes jaar gespreid (2014–2019). Dit levert gemeenten cumulatief een voordeel op van 700 miljoen ten opzichte van WWNV. Daarnaast rekent het kabinet met een langzamere afbouw van het zittend bestand Wsw

(5.000 in plaats van 6.000 plekken per jaar).

Inclusief het voordeel van de gespreide efficiencykorting ontvangen gemeenten in de periode 2013–2018 daardoor voor de Wsw 1,2 mrd meer dan bij de WWNV.

De herstructurerings-faciliteit is vervallen.

Het participatiebudget «oude stijl» (= excl. Wsw/beschut werk middelen en de re-integratiemiddelen die overkomen van het UWV) wordt m.i.v. 2014 gekort met 51 mln oplopend naar 192 mln in 2018.

De efficiencykorting op de Wsw gaat nog een jaar later in en wordt over zes jaar gespreid (2015–2020). Ten opzichte van het regeerakkoord levert dit een extra voordeel op van cumulatief 300 miljoen (bovenop het voordeel van 1,2 miljard voor het zittende bestand Wsw uit het regeerakkoord).

Idem.

6

Hoeveel personen met een arbeidsbeperking zijn er op de totale beroepsbevolking? Welke opleiding hebben zij gevolgd?

Antwoord vraag 61:

In 2011 bedroeg de beroepsbevolking in de leeftijd 20–64 jaar gemiddeld 7.585 miljoen personen, van wie circa 559 duizend personen (7 procent) arbeidsgehandicapt2 waren. Tot de «arbeidsgehandicapten» worden hier personen gerekend die in de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS hebben aangegeven dat zij door een langdurige aandoening, ziekte of handicap worden belemmerd bij het uitvoeren of verkrijgen van werk. Het betreft dus aantallen op basis van zelfrapportage en ongeacht of men al of niet een uitkering heeft.

Van genoemde 559 duizend arbeidsgehandicapten in de beroepsbevolking hebben er 385 duizend, ofwel 69 procent, een opleiding op tenminste het niveau startkwalificatie (een afgeronde havo- of vwo-opleiding of een beroepsopleiding vanaf mbo-2 niveau). Van de niet-arbeidsgehandicapten in de beroepsbevolking 20–64 jaar heeft 77 procent een opleiding op tenminste het niveau startkwalificatie.

7

Hoeveel personen met een arbeidsbeperking hebben arbeidsvermogen? Hoeveel personen met een arbeidsbeperking ontvangen een uitkering, welk type uitkering?

Antwoord vraag 7:

Het totaal aantal arbeidsgehandicapten in Nederland in 2011 bedroeg ruim 1,4 miljoen personen (20–64 jaar), van wie er feitelijk 559 duizend behoorden tot de beroepsbevolking. Daarnaast waren er 111 duizend arbeidsgehandicapten die niet tot de beroepsbevolking behoorden maar aangaven (in de EBB) dat zij wel werk wilden hebben, en 58 duizend arbeidsgehandicapten in een re-integratietraject. In totaal hadden dus tenminste 728 (= 559 + 111 + 58) duizend arbeidsgehandicapten arbeidsvermogen3.

Van genoemde ruim 1,4 miljoen arbeidsgehandicapten hadden er circa 721 duizend een werkeloosheids-, bijstands- of arbeidsongeschiktheidsuitkering (of combinatie daarvan).

8

Hoeveel personen met een arbeidsbeperking werken zonder aanvullende uitkering en hoeveel met aanvullende uitkering?

Antwoord vraag 8:

Van genoemde ruim 1,4 miljoen arbeidsgehandicapten in de leeftijd 20–64 jaar waren er circa 503 duizend werkzaam (met een werkweek van tenminste 12 uur), van wie 93 duizend (op basis van de EBB) met een uitkering, en 410 duizend zonder uitkering.

9

Hoeveel personen met een arbeidsbeperking werken zonder loonaanvulling bij reguliere werkgevers? Hoeveel personen met een arbeidsbeperking werken met loonaanvulling en andere vormen van ondersteuning bij reguliere werkgevers?

Antwoord vraag 9:

In het antwoord op vraag 8 zijn de cijfers met en zonder aanvullende uitkering opgenomen voor het totaal aantal werkzame arbeidsgehandicapten (zie ook het antwoord op vraag 6 voor toelichting op het begrip «arbeidsgehandicapt»). Een nader onderscheid van deze cijfers naar wel/niet werkzaam bij reguliere werkgever is niet beschikbaar.

10

Welke doelstelling heeft de regering waar het het vergroten van de arbeidsparticipatie van personen met een arbeidsbeperking betreft?

Antwoord vraag 10:

Het kabinet wil dat alle mensen als volwaardige burgers mee kunnen doen aan onze samenleving. Bij voorkeur via een reguliere baan, maar als dat (nog) een brug te ver is, door op een andere manier te participeren in de samenleving. Met de Participatiewet, de afspraken over de baangarantie en de quotumwet wil het kabinet meer kansen creëren om mensen aan het werk te helpen, ook mensen met een arbeidsbeperking.

11

Wat is de ontwikkeling in arbeidsparticipatie van personen met een arbeidsbeperking geweest in de afgelopen twintig jaar? Groeit de arbeidsparticipatie van personen met een arbeidsbeperking in tijden van economische voorspoed?

Antwoord vraag 11:

Volgens CBS-cijfers op basis van de EBB bleef de (netto) arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten tussen 2002 en 2009 vrij constant op circa 43 procent. Tot de arbeidsgehandicapten worden hier personen gerekend die zelf hebben aangegeven dat zij door een langdurige aandoening, ziekte of handicap, worden belemmerd bij het uitvoeren of verkrijgen van werk. Tussen 2009 en 2011 daalde hun arbeidsdeelname van 43 naar 37 procent.

De arbeidsdeelname van de niet-arbeidsgehandicapten nam tussen 2002 en 2009 toe van 69 naar 72%, en daalde tussen 2009 en 2011 licht (met 0,5 procentpunt). Er zijn geen vergelijkbare cijfers beschikbaar over de periode voor 2002. Gemeten over de periode vanaf 2002 was met name in de periode tussen 2005 en 2009 sprake van een aantrekkende arbeidsmarkt. De arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten steeg in deze periode van 40,4 naar 42,8 procent (voor niet-arbeidsgehandicapten steeg deze van 68,2 naar 72,1 procent). Deze stijging bevestigt dat (ook) de arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten groeit in tijden van economische voorspoed.

Verder is ook de arbeidsdeelname van mensen met een uitkering relevant4. De «UWV monitor arbeidsparticipatie 2012» die de Staatssecretaris van SZW op 10 januari 2013 naar de Kamer heeft gestuurd, bevat hierover specifieke informatie. Uit deze monitor blijkt onder meer dat het aandeel werkende Wajongers de laatste jaren redelijk constant is (ca. 25%).

12

Klopt het beeld dat de regering feitelijk komt met twee regelingen? Een voor personen met een arbeidsbeperking, en een voor personen zonder arbeidsbeperking?

Antwoord vraag 12:

Nee. Het uitgangspunt van de Participatiewet blijft om bestaande regelingen voor mensen met arbeidsvermogen die zijn aangewezen op ondersteuning op te nemen in één regeling. Conform het Sociaal Akkoord krijgen gemeenten nieuwe instrumenten (beschut werk en loonkostensubsidie) in handen om mensen uit de kwetsbaarste groep aan het werk te helpen. Ook komen 125.000 extra banen beschikbaar voor mensen met een arbeidsbeperking.

13

Welke definitie van personen met arbeidsbeperking hanteert de regering? Welke groepen zullen straks vallen onder het werkbedrijf, loonkostensubsidies, garantstelling banen en quotum gaan vallen? Zijn dit allen personen met een arbeidsbeperking, bijvoorbeeld ook WIA/WGA, hoger opgeleiden en personen in de bijstandsuitkering met een arbeidsbeperking?

Antwoord vraag 13:

Tot de doelgroep van de Participatiewet horen mensen met arbeidsvermogen die aangewezen zijn op een uitkering en/of ondersteuning van de gemeente. Dit zijn mensen die voorheen aangewezen waren op een WWB of Wajong-uitkering of via de Wsw werkten. De gemeenten zijn, binnen de wettelijke kaders, verantwoordelijk voor de uitkering en/of de ondersteuning van deze mensen.

De Werkbedrijven zijn de schakel tussen mensen met een arbeidsbeperking uit bovenstaande doelgroep die aan de slag worden geholpen en werkgevers.

Voor de doelgroep van de Participatiewet komt loonkostensubsidie beschikbaar voor de mensen met een productiviteit van 80% of minder van het WML. Het kan gaan om mensen die beschut werken of bij een reguliere werkgever kunnen werken.

Voor de extra banen waarvoor werkgevers zich garant hebben gesteld en voor het quotum geldt de volgende definitie:

  • 1. mensen uit de doelgroep van de Participatiewet met een arbeidsbeperking die niet zelfstandig het wettelijk minimum loon (WML) kunnen verdienen, en

  • 2. mensen uit de doelgroep van de Participatiewet met een arbeidsbeperking die minimaal het WML kunnen verdienen door gebruik te maken van een voorziening gericht op persoonlijke ondersteuning op de werkplek (jobcoach).

Voor de mensen uit de WIA/WGA zijn in het Sociaal Akkoord andere afspraken gemaakt. Sociale partners nemen maatregelen die ervoor zorgen dat minder mensen een beroep hoeven te doen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WIA. De maatregelen richten zich op een verdere versterking van de inzet op preventie en re-integratie met name voor vangnetters en de groep WGA 80–100. Sociale partners komen in 2014 met concrete maatregelen die uiterlijk per 2015 kunnen worden ingevoerd. Sociale partners blijven er overigens voor verantwoordelijk dat minder mensen vanuit de Ziektewet een beroep doen op de WIA. In pilots gericht op re-integratie ontwikkelen sociale partners hiertoe innovatieve werkwijzen, die op termijn landelijk uitgerold worden. Deze maatregelen zijn dus additioneel en komen bovenop de 100.000 banen waarvoor werkgevers in de markt (en de 25.000 voor de publieke sector, dat wil zeggen overheid en onderwijs) zich garant stellen.

14

De regering wil met de invoering van de Participatiewet en een quotumregeling kansen creëren voor personen met een arbeidsbeperking. Hoe ziet de precieze kansverdeling eruit voor personen met een arbeidsbeperking, in de wetenschap dat de met de sociale partners overeengekomen 125.000 banen voor deze groep pas in 2026 volledig beschikbaar zullen zijn?

Antwoord vraag 14:

In het Sociaal Akkoord van april jl. is een tijdpad afgesproken dat opbouwt tot een structureel extra aantal banen van 125.000 in 2026 voor mensen met een arbeidsbeperking. Dus de kansen voor personen met een arbeidsbeperking nemen toe. Het volgende ingroeipad is afgesproken in het Sociaal Akkoord (aantallen keer 1000):

Tabel 2 Baangarantie

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

struc

Overheid aantal extra pj

2.5

2.5

2.5

2.5

2.5

2.5

2.5

2.5

2.5

2.5

0.0

0.0

0.0

0.0

Cumulatief overheid

2.5

5.0

7.5

10.0

12.5

15.0

17.5

20.0

22.5

25.0

25.0

25.0

25.0

25.0

Markt aantal extra pj

2.5

5.0

6.0

7.0

8.0

9.0

10.0

10.0

10.0

10.0

10.0

10.0

2.5

0.0

Cumulatief markt

2.5

7.5

13.5

20.5

28.5

37.5

47.5

57.5

67.5

77.5

87.5

97.5

100.0

100.0

Cumulatief totaal

5.0

12.5

21.0

30.5

41.0

52.5

65.0

77.5

90.0

102.5

112.5

122.5

125.0

125.0

Wanneer vanaf 1 januari 2015 het proces in gang wordt gezet dat (nieuwe) doelgroepen (zoals de Wajong) zullen vallen onder de Participatiewet, beschikken de gemeenten over een breed instrumentarium om op basis van maatwerk deze groepen zo goed mogelijk te ondersteunen naar een werkplek. De garantstelling banen van werkgevers is een van de manieren waarop het kabinet en de sociale partners de gezamenlijke verantwoordelijkheid oppakken om een zo evenredig mogelijke kansverdeling te scheppen voor mensen met een arbeidsbeperking ten opzichte van de rest van de beroepsbevolking.

15

Hoe verhouden deze afspraken zich tot het regeerakkoord «Bruggen slaan», waarin is bepaald dat binnen zes jaar een quotum van vijf procent voor bedrijven voor het aannemen van arbeidsgehandicapten wordt opgebouwd? Hoe wordt dit quotum precies per bedrijf vastgesteld? En geldt nog steeds de in het regeerakkoord vastgestelde boete van € 5.000,– per niet gerealiseerde werkplaats voor een arbeidsgehandicapte? Hoe wordt de naleving van het quotum voor overheden afgedwongen?

Antwoord vraag 15:

Het Sociaal Akkoord leidt tot wijzigingen in de plannen zoals deze waren voorzien in het regeerakkoord. Het doel blijft hetzelfde: een inclusieve arbeidsmarkt. Werkgevers stellen zich garant voor 100.000 extra banen in 2026, de publieke sector voegt hier 25.000 banen aan toe. Deze aantallen verschillen van de rekenveronderstelling gehanteerd in het regeerakkoord waar werd uitgegaan van 100.000 extra banen door een quotum. Nadere berekeningen leerden dat dit quotummodel correspondeerde met circa 170.000 banen. Deze banen waren ook bestemd voor mensen met een uitkering op grond van de WIA.

Het kabinet is zeer ingenomen met de omvang van de garantstelling door werkgevers. Het ziet liever de inpassing van mensen met een arbeidsbeperking gebeuren op basis van vrijwillige afspraken dan door een verplichting. Dit zal worden gemonitord. In 2016 zal het eerste meetmoment plaatsvinden om te bezien of activering van het quotum nodig is. De garantstelling extra banen is een macro afspraak. Pas wanneer de activering van een quotum (inclusief die voor de publieke sector) relevant wordt, zal het nader specificeren van percentages plaatsvinden. Daarbij wordt aangesloten bij de aantallen uit de garantstelling extra banen. Een heffing bij werkgevers van de omvang van € 5.000,-per niet gerealiseerde werkplaats, zoals vermeld in het regeerakkoord, indien niet aan het quotum wordt voldaan, wordt vooralsnog gehandhaafd. De verdere invulling wordt nog nader uitgewerkt in de wettelijke quotumregeling.

16

Waaruit bestaat precies het door de sociale partners veronderstelde «return on investment»? Ligt het niet meer voor de hand dat de kosten van begeleiding en ondersteuning de (dalende) uitkeringslasten zullen overstijgen?

Antwoord vraag 16:

Het kabinet en de sociale partners delen de ambitie om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Zo brengen zij gezamenlijk de doelstelling van de Participatiewet dichterbij: zoveel mogelijk mensen naar vermogen te laten participeren in de samenleving.

De sociale partners refereren in hun notitie van 11 april 2013 aan hun inschatting dat de extra kosten aan begeleiding en ondersteuning die de Participatiewet met zich meebrengt, worden gecompenseerd door lagere uitkeringslasten omdat meer mensen met een arbeidsbeperking naar een reguliere werkplek gaan.

Er is een breed instrumentarium voor gemeenten beschikbaar op het gebied van begeleiding en ondersteuning. Door het beschikbaar komen van banen bij werkgevers kunnen gemeenten dit instrumentarium effectiever en efficiënter inzetten. Dit draagt bij aan een selectieve en kosteneffectieve inzet van de re-integratiemiddelen die gemeenten ontvangen.

17

Kan de regering aangeven of de uitwerking van de afspraken met de gemeenten dan wel de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) ook binnen de kaders van het Sociaal Akkoord moeten blijven (financieel en qua rolverdeling)?

Antwoord vraag 17:

Ja, de uitwerking van de afspraken met gemeenten blijven binnen de kaders van het Sociaal Akkoord zoals vastgelegd in de brief van het kabinet over de resultaten van het sociaal overleg aan de Tweede Kamer van 11 april 2013.

18

Ervan uitgaande dat gemeenten budget krijgen om 30.000 beschutte werkplekken tegen het wettelijk minimumloon (WML) te creëren, vallen deze 30.000 plekken onder de 125.000 gegarandeerde banen of gaat het in totaal om 155.000 plekken voor personen die niet zelfstandig het WML kunnen verdienen? Indien de 30.000 onder de 125.000 plekken vallen, hoeveel van deze plekken vallen dan toe aan de marktsector en hoeveel aan de overheid?

Antwoord vraag 18:

De werkgevers in de marktsector stellen zich op termijn garant voor 100.000 extra banen voor mensen met een beperking. Daarnaast stelt de overheid zich op termijn garant voor 25.000 extra banen. Voor het realiseren van nieuw beschut werk door gemeenten blijven middelen beschikbaar voor op termijn 30.000 plekken. De mensen die zijn aangewezen op nieuw beschut werk vallen op grond van de afspraken in het Sociaal Akkoord van 11 april 2013 niet onder doelgroep van de garantstelling extra banen en dus ook niet onder de doelgroep van het quotum. De 30.000 plekken voor beschut werk komen dus bovenop de 125.000 extra banen die in het Sociaal Akkoord zijn afgesproken.

19

Werkgevers hebben zich gecommitteerd aan het realiseren van 100.000 banen in 2026, daarnaast moet de overheid 25.000 plekken realiseren. Vallen hier ook detacheringen vanuit het SW-bedrijf onder?

Antwoord vraag 19:

Het kabinet werkt nog verder uit hoe omgegaan wordt met detacheringen vanuit het sw-bedrijf.

20

Hoe kunnen de op te richten werkbedrijven afdwingen dat regionale werkgevers de banen waarvoor werkgevers zich garant hebben gesteld zullen creëren?

Antwoord vraag 20:

Werkgevers hebben zich in het Sociaal Akkoord garant gesteld voor het scheppen van banen voor mensen met een arbeidsbeperking. Het kabinet heeft er alle vertrouwen in dat deze banen tot stand komen en mensen met een arbeidsbeperking via de regionale werkbedrijven aan de slag worden geholpen bij werkgevers. In de Werkkamer en in de regionale Werkbedrijven maken gemeenten en sociale partners nadere afspraken over de uitwerking van de afspraken in het Sociaal Akkoord.

Zoals het kabinet in de brief van 27 juni jl. heeft aangegeven zijn de afspraken niet vrijblijvend. Het kabinet monitort de gerealiseerde banen. Als werkgevers onvoldoende banen realiseren, treedt na overleg met sociale partners en gemeenten een wettelijke quotumregeling in werking.

21

Welke kaders wil de regering gemeenten meegeven voor uitvoering van de Participatiewet? Op welke wijze en welke rechten voor burgers wil de regering borgen in het wettelijk kader van de Participatiewet? Op welke punten kunnen rechtsverschillen voor burgers in gemeenten ontstaan wanneer zij aangewezen zijn of raken op de Participatiewet?

Antwoord vraag 21:

De wettelijke kaders zijn onderdeel van de nadere uitwerking van de Participatiewet. Inzet is om de voorstellen voor de Participatiewet (via een Nota van Wijziging) in november bij uw Kamer in te dienen. Uitgangspunt is om gemeenten ruime beleidsvrijheid te bieden bij de uitvoering van de Participatiewet, zodat zij hun verantwoordelijkheid om maatwerk en een integrale aanpak te realiseren waar kunnen maken. De Participatiewet zal de wettelijke kaders bevatten voor het gemeentelijk instrumentarium voor arbeidsinschakeling, zoals bijvoorbeeld loonkostensubsidie, om adequate ondersteuning van kwetsbare groepen goed te borgen.

22

Hoeveel banen bieden werkgevers nu aan personen met een arbeidsbeperking? Wat voor soort banen betreft dit?

Antwoord vraag 22:

Zie het antwoord op vraag 9.

23

Er van uit gaande dat de regering in totaal 125.000 banen bij bedrijfsleven en de overheid noemt als garantie voor personen met een arbeidsbeperking, worden hier de al bestaande banen bij opgeteld? Op welke wijze gaat de regering dit controleren? Welke definitie van personen met arbeidsbeperking wordt hiervoor gehanteerd?

Antwoord vraag 23:

In het Sociaal Akkoord stellen werkgevers in de marktsector en de publieke sector zich garant voor 125.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking; oplopend vanaf 2014 naar 2026. De extra banen moeten gerealiseerd worden ten opzichte van het aantal banen waarin arbeidsgehandicapten werken zoals blijkt uit de nulmeting. Deze nulmeting heeft 1 januari 2013 als peildatum.

De definitie van personen met een arbeidsbeperking die hiervoor gehanteerd wordt en die nog nader wordt uitgewerkt, sluit aan bij het Sociaal Akkoord. In vraag 13 is uitvoerig ingegaan op de doelgroepen.

24

Wat is de prikkel voor een werknemer om meer te gaan werken bij het instrument loonkostensubsidie?

Antwoord vraag 24:

Loonkostensubsidie kan worden ingezet voor voltijds- en deeltijddienstverbanden. Bij de inzet van het instrument loonkostensubsidie ontvangt de werknemer een loon conform CAO of ten minste conform WML. Wanneer de werknemer in deeltijd gaat werken, ontvangt hij CAO-loon of WML naar rato van het aantal gewerkte uren. Uitbreiding van het aantal gewerkte uren leidt dan tot een hoger loon. Daarnaast kan uitbreiding van het aantal gewerkte uren leiden tot een hoger fiscaal voordeel. De hoogte van de arbeidskorting is namelijk afhankelijk van de hoogte van het arbeidsinkomen.

25

Loonkostensubsidie vervangt loondispensatie. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was loondispensatie het uitgangspunt maar bleef loonkostensubsidie ook mogelijk. Betekent dit dat nu loonkostensubsidie het uitgangspunt is en dat loondispensatie ook mogelijk blijft?

Antwoord vraag 25:

Nee. Het nieuwe instrument loonkostensubsidie in de Participatiewet komt in de plaats van het voorstel voor loondispensatie dat in de WWNV was opgenomen.

26

Hoeveel personen met een arbeidsbeperking zijn nu aan het werk?

Antwoord vraag 26:

Van de ruim 1,4 miljoen arbeidsgehandicapten in de leeftijd 20–64 jaar zijn er 503 duizend werkzaam met een werkweek van tenminste 12 uur5. Tot de «arbeidsgehandicapten» worden hier personen gerekend die in de Enquête Beroepsbevolking van het CBS hebben aangegeven dat zij door een langdurige aandoening, ziekte of handicap, worden belemmerd bij het uitvoeren of verkrijgen van werk.

Deze cijfers van het CBS zijn gebaseerd op zelfrapportage, ongeacht of men een uitkering ontvangt. Voor het beleid is relevant de arbeidsdeelname van mensen met een uitkering. Volgens cijfers op basis van de uitkeringsadministratie van het UWV bedroeg het totale AO-volume (WAO, Wajong, WGA, IVA en WAZ) per eind december 2011 825 duizend uitkeringen. De UWV monitor arbeidsparticipatie 2012 die de Staatssecretaris van SZW op 10 januari 2013 naar de Kamer heeft gestuurd bevat hierover specifieke informatie. Volgens deze monitor hadden 172 duizend (23%) van de 763 duizend AO-uitkeringsontvangers (exclusief IVA en WAZ) werk.

27

Hoe hoog is het aantal werkende Wajongers?

Antwoord vraag 27:

Het aantal werkende Wajongers per eind december 2011 bedraagt 54 duizend6.

28

Welk percentage van het aantal werkende Wajongers werkt in deeltijd?

Antwoord vraag 28:

Wajongers die werken krijgen vaak nog een gedeeltelijke uitkering omdat ze niet het WML verdienen. Eind 2011 verdiende 72% van de Wajongers werkzaam bij een reguliere werkgever minder dan het WML. Het niet verdienen van het WML kan twee redenen hebben. De eerste is dat een Wajonger met loondispensatie werkt. De tweede is dat een Wajonger wel per uur minimaal het WML krijgt betaald, maar dat hij of zij een beperkt aantal uren werkt, waardoor hij of zij per maand niet het WML verdient. Beide redenen komen ongeveer even vaak voor7.

29

Hoeveel Wajongers werken er bij een reguliere werkgever? Wat is de trend de afgelopen 5 jaar?

Antwoord vraag 29:

Per eind december 2011 werkten er voor het eerst meer Wajongers bij een reguliere werkgever (13,2%, 29 duizend) dan in of via de Sociale Werkvoorziening (11,7%, 25 duizend), zie tabel. Deze trend past bij het beleid om Wajongers zoveel mogelijk naar werk bij een reguliere werkgever te begeleiden8.

30

Hoeveel reguliere werkgevers hebben een Wajonger in dienst. Wat is de trend de afgelopen 5 jaar?

Antwoord vraag 30:

Eind 2011 waren er bijna 16.500 reguliere werkgevers (4,8% van het totaal aantal reguliere werkgevers in Nederland) met één of meerdere Wajongers in dienst, een toename van 13,9% vergeleken met 2010 (14.500, 4,2% van het totaal aantal reguliere werkgevers). Deze groei is sterker dan in 2009 en 2010. Het aantal reguliere werkgevers met een Wajonger in dienst neemt dus toe. Dat geldt voor grote, maar vooral voor kleine werkgevers. In 2011 is bij alle bedrijfstakken, met uitzondering van de overheidssectoren, het aantal werkgevers met een Wajonger in dienst gestegen. De overheidswerkgevers hebben wel het vaakst een Wajonger in dienst9.

31

In het Sociaal Akkoord staat dat de huidige SW-bedrijven moeten opgaan in 35 werkbedrijven. Hoe komen de Werkbedrijven er uit te zien? Wat betekent dit voor de huidige SW-bedrijven? Worden zij gedwongen te gaan fuseren?

Antwoord vraag 31:

Voor de uitwerking van de Werkbedrijven zijn de sociale partners met gemeenten in overleg in de Werkkamer. Uitgangspunt van de Werkbedrijven is dat zij de schakel gaan vormen tussen enerzijds de banen waarvoor werkgevers zich garant hebben gesteld en anderzijds de mensen met een arbeidsbeperking die voor deze banen in aanmerking komen. Voor de uitwerking van de Werkbedrijven kan worden wordt aangesloten op de al bestaande regionale infrastructuur van werkpleinen en werkgeversservicepunten. De huidige sw-bedrijven zullen niet gedwongen worden om te fuseren en op te gaan in de Werkbedrijven. De expertise van de sw-bedrijven kunnen de Werkbedrijven benutten.

32

Wordt bij de totstandkoming van de werkbedrijven en de toedeling van budgetten rekening gehouden met de arbeidsmarktsituatie in de verschillende regio's?

Antwoord vraag 32:

Bij de verdeling van de budgetten voor het inkomensdeel WWB en het gebundelde re-integratiebudget over gemeenten wordt een groot aantal karakteristieken meegenomen, waaronder ook kenmerken van de (regionale) arbeidsmarktsituatie.

33

Wie wordt eindverantwoordelijk voor de Werkbedrijven? De tekst van het Sociaal Akkoord heeft het over tripartiet besturen, maar legt nadrukkelijk de verantwoordelijkheid voor het geld bij de gemeenten. In de brief van 27 juni staat dat gemeenten «de lead» hebben. Hoe verhoudt dit zich tot elkaar? Wat wordt precies verstaan onder «de lead» hebben?

Antwoord vraag 33:

In de onlangs opgerichte Werkkamer maken gemeenten en sociale partners afspraken over de vormgeving van en de verantwoordelijkheidsverdeling binnen de Werkbedrijven. In de Werkbedrijven werken gemeenten, werkgevers, werknemers en UWV deze afspraken nader uit. Het overleg in de Werkkamer vindt inmiddels plaats. Gemeenten worden (financieel) verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet, net zoals nu bij de WWB het geval is.

34

Nederland krijgt de komende 7 jaar (2014–2020) bijna een half miljard euro uit het Europees Sociaal Fonds (ESF). Het grootste deel komt bij 35 arbeidsmarktregio's terecht. Het geld is vooral bedoeld voor ondersteuning en aanvulling voor uitvoering van de Participatiewet. Wat betekent dit concreet? Hoeveel van de beschikbare middelen zet de regering in om langdurige begeleiding en ondersteuning te geven aan personen met een beperking?

Antwoord vraag 34:

Circa de helft van het beschikbare ESF-budget wordt aan de arbeidsmarktregio’s ter beschikking gesteld om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt toe te leiden naar of te plaatsen op werk. Het is aan de arbeidsmarktregio’s, respectievelijk de gemeenten binnen de arbeidsmarktregio, om te bepalen voor wie en hoe de subsidie specifiek wordt ingezet. Deze middelen kunnen gemeenten ook inzetten voor het ondersteunen van de arbeidsparticipatie van mensen met een arbeidsbeperking. Gemeenten kunnen deze middelen ook inzetten voor mensen met een arbeidsbeperking.

35

Zijn de voorstellen tot herkeuring van Wajongers en de vorming van een centraal indicatieorgaan conform de afspraken in het Sociaal Akkoord?

Antwoord vraag 35:

In de kabinetsbrief van 11 april jongstleden10 waarin de afspraken van kabinet en sociale partners over het Sociaal Akkoord zijn opgenomen, staat dat het zittend bestand van de Wajong wordt beoordeeld op arbeidsvermogen. In de brief staat ook dat het kabinet nader zal bezien of de keuring van werknemers door één organisatie zal plaatsvinden. Dit wordt nog nader uitgewerkt.

36

In het Sociaal Akkoord is geregeld dat personen die beschut werken, minimaal 100 procent van het WML ontvangen met een doorgroeimogelijkheid van 120 procent. In de brief van 27 juni wordt aangegeven dat het CAO-loon zo dicht mogelijk bij het minimumloon moet komen te liggen. De 120 procent regeling is niet meer terug te vinden. Hoe valt dit met elkaar te rijmen?

Antwoord 36:

Uitgangspunt voor het kabinet is de brief van het kabinet van 11 april. Hierin is aangegeven dat beschut werk bij zowel de gemeente als een reguliere werkgever ingezet kan worden. De beloning is dan conform de «gemeente-cao» of de cao die voor de reguliere werkgever geldt. Een hoger loon dan 100% WML is daarbij mogelijk. Met een loonkostensubsidie wordt het verschil tussen de loonwaarde en het WML gecompenseerd. Het is mogelijk dat het cao-loon hoger is dan het WML; het verschil tussen cao-loon en WML is dan voor rekening van de werkgever. In de brief van 11 april wijst het kabinet er daarbij op dat de aanvulling tot het cao-loon niet ten koste mag gaan van het aantal plekken voor beschut werk. Het is daarom van belang dat het cao-loon voor deze groep zo dicht mogelijk bij het WML ligt.

37

Worden gemeenten gecompenseerd in het participatiebudget voor de financiële gevolgen van de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) die in het Sociaal Akkoord is overeengekomen?

Antwoord 37:

Uitgangspunt voor het nieuwe beschut werk is de brief van het kabinet van 11 april. Daarin is geen sprake van een aparte cao voor beschut werk, maar is aangegeven dat werknemers die beschut gaan werken, komen te vallen onder de «gemeente-cao» of de cao die van toepassing is op een reguliere werkgever.11 Voor het verschil tussen loonwaarde en het WML wordt loonkostensubsidie ingezet. Gemeenten krijgen met de Participatiewet middelen voor de inzet van deze loonkostensubsidie. Mocht het cao-loon hoger zijn dan het WML, dan komt het verschil voor rekening van de werkgever.

38

In het Sociaal Akkoord is afgesproken dat het instrument van loondispensatie wordt geschrapt ten gunste van loonkostensubsidie. Loonkostensubsidie is een veel duurder instrument. Worden gemeenten hiervoor gecompenseerd?

Antwoord vraag 38:

Ja. Zoals ook in het antwoord op vraag 2 staat krijgen gemeenten extra middelen (oplopend tot structureel 480 miljoen euro) voor loonkostensubsidies.

39

Kunnen gemeenten de loonkostensubsidie betalen uit het zogenoemde «inkomensdeel» van het gemeentelijk budget?

Antwoord vraag 39:

Het kabinet is voornemens de middelen voor loonkostensubsidie aan gemeenten beschikbaar te stellen via het inkomensdeel.

40

Kunnen gemeenten arbeidsbeperking definiëren op de werkvloer aan de hand van de loonwaarde?

Antwoord vraag 40:

Het kabinet werkt op dit moment het instrument loonkostensubsidie nader uit in overleg met de VNG, gemeenten en sociale partners. Het gaat hierbij ook om de bepaling van de doelgroep en de vormgeving van de loonwaardebepaling.

41

Wat betekent het dat gemeenten de lead hebben in een Werkbedrijf? Betekent dit dat de gemeente uiteindelijk bepaalt wat er gebeurt in een Werkbedrijf?

Zie het antwoord op vraag 33.

42

Wat wordt de rol van sociale partners in een Werkbedrijf? Gaan zij deelnemen in het bestuur van een Werkbedrijf?

Zie het antwoord op vraag 33.

43

Als sociale partners een rol krijgen in het bestuur van een Werkbedrijf, hebben zij dan ook invloed op de voorwaarden waaronder iemand een uitkering krijgt? Krijgen sociale partners een rol bij het vaststellen van het recht op een uitkering?

Antwoord vraag 43:

Nee. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Participatiewet ligt bij gemeenten. Zij stellen vast of iemand recht heeft op een uitkering.

44

Gemeenten en sociale partners werken het Werkbedrijf samen uit in de onlangs opgerichte Werkkamer. Hoe is de regering hierbij betrokken? Stemt de regering in met elke afspraak die gemeenten en sociale partners maken? Welke voorwaarden heeft de regering aan de uitkomsten van dit overleg verbonden?

Antwoord vraag 44:

In de Werkkamer maken sociale partners en gemeenten afspraken over de uitwerking van afspraken uit het Sociaal Akkoord. SZW neemt deel aan de overleggen in de Werkkamer. Bij de uitwerking zijn de afspraken en de financiële kaders zoals die zijn opgenomen in de kabinetsbrief van 11 april leidend.

45

Wat is de verhouding tussen Werkbedrijven, Werkkamer en arbeidsmarktregio's?

Antwoord vraag 45:

De afspraken die gemeenten en sociale partners maken in de Werkkamer worden nader uitgewerkt in de regionale Werkbedrijven. Er komen 35 Werkbedrijven, een in elke arbeidsmarktregio. De Werkbedrijven sluiten zo direct aan bij de al bestaande regionale organisatie van de dienstverlening van gemeenten en UWV voor werkgevers en werkzoekenden.

46

Welke rol krijgen werkgevers bij het bepalen van iemands loonwaarde?

Antwoord vraag 46:

In het Sociaal Akkoord zijn afspraken gemaakt over de inzet van het instrument loonkostensubsidie. De gemeente betaalt een werkgever die iemand met een arbeidsbeperking in dienst wil nemen het verschil tussen WML en iemands loonwaarde (maximaal 70% WML). De manier waarop de loonwaarde wordt vormgegeven, wordt nog nader uitgewerkt. Het kabinet vindt het daarbij van belang voor alle partijen dat een zorgvuldige, objectieve vaststelling van de loonwaarde plaatsvindt. De methodiek van loonwaardebepaling is onderwerp van gesprek in de Werkkamer en de 35 regionale Werkbedrijven waar gemeenten, sociale partners in samenspraak met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de afspraken uit het Sociaal Akkoord nader uitwerken.

47

Klopt het dat, doordat loonkostensubsidie wordt gegeven voor het verschil tussen loonwaarde en WML, een werkgever aan iemand wiens CAO-loon hoger is dan WML per saldo meer moet betalen dan zijn loonwaarde? Waarom zou een werkgever iemand in dienst nemen die meer kost dan hij oplevert?

Antwoord vraag 47:

Bij de inzet van het nieuwe instrument loonkostensubsidie betaalt de werkgever het cao-loon aan de werknemer (indien van toepassing), of tenminste het WML. De werkgever ontvangt van de gemeente loonkostensubsidie ter hoogte van het verschil tussen de loonwaarde van de werknemer en het WML. Het is juist dat ingeval iemands cao-loon hoger is dan WML de werkgever naast iemands loonwaarde het verschil tussen cao-loon en loonwaarde moet betalen. Het kabinet en sociale partners hebben in het Sociaal Akkoord daarom het belang onderstreept dat het cao-loon zo dicht mogelijk bij het WML ligt. De arbeidsvoorwaarden zijn de verantwoordelijkheid van (vertegenwoordigers van) werkgevers en werknemers. Het is hierbij van belang dat werkgevers en werknemers goede afspraken over de beloningsniveaus, zodat die bijdragen aan het in dienst nemen van mensen met een arbeidsbeperking.

48

Hoe worden de door de overheid toegezegde extra banen voor personen met een arbeidsbeperking gecreëerd? Gaat het hier om bestaande functies of om daadwerkelijk nieuw te creëren banen?

Antwoord vraag 48:

Werkgevers in de publieke sector zijn verantwoordelijk voor het nakomen van deze garantstelling. Het kabinet heeft er groot vertrouwen in dat dit gaat lukken. Net zoals de garantstelling voor extra banen van werkgevers in de markt, gaat het hier om extra banen voor mensen uit de doelgroep. Net zoals geldt voor de extra banen in de marktsector, moet ook de overheid de toegezegde extra banen realiseren ten opzichte van het aantal banen waarin arbeidsgehandicapten werken zoals blijkt uit de nulmeting. Deze nulmeting heeft

1 januari 2013 als peildatum.

49

Voorzien is dat de quotumregeling na overleg met sociale partners en gemeenten in werking treedt. Wat is de status van dat overleg aangezien het quotum en eventuele sancties wettelijk vastgelegd zullen worden?

Antwoord vraag 49:

In het Sociaal Akkoord hebben sociale partners en het kabinet de afspraak gemaakt dat het kabinet een wettelijke quotumregeling voorbereidt. De quotumregeling treedt in werking, wanneer werkgevers in de marktsector of de publieke sector hun garantstelling voor de extra banen niet nakomen. Voor beide sectoren wordt dit apart bekeken.

Het kabinet vindt het met de sociale partners van groot belang dat zij de garantstelling van de banen nakomen. Gemeenten hebben ook aangegeven dat zij de garantstelling voor de banen voor de Participatiewet belangrijk vinden. Deze drie partijen zullen regelmatig met elkaar in gesprek blijven over het aantal banen dat gerealiseerd is. Het ligt voor de hand dat bij het niet realiseren van de aantallen, hierover overleg plaatsvindt.

Als blijkt dat werkgevers in 2016 hun garantstelling extra banen niet zijn nagekomen, dan zal de regeling over de heffing worden geactiveerd. Die voor de marktsector zal gaan gelden na overleg met sociale partners en gemeenten. Het kabinet zal tevens overleggen met de sociale partners in de publieke sector, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP), alvorens de wettelijke regeling van heffing bij het niet halen van de quotumdoelstelling voor de publieke sector in werking treedt.

50

Is het de bedoeling dat de 35 op te richten Werkbedrijven de bestaande SW-bedrijven gaan vervangen? Mogen vanuit deze werkbedrijven alleen personen met een arbeidsbeperking geholpen worden? Welke definitie van arbeidsbeperking zal hierbij worden gehanteerd? Wat bedoelt de regering met dat de gemeenten de lead gaan krijgen? Hoe moet dit in de praktijk aangezien de werkbedrijven alle gemeenten in de regio ook moeten gaan bedienen? Wat is de rol van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) hierbij? Wat is de rol van vakbonden? En die van werkgevers?

Het Werkbedrijf is niet een fusie van de bestaande Sw-bedrijven. De Werkbedrijven vormen de schakel tussen de werkgevers en mensen met een arbeidsbeperking die aan het werk worden geholpen. Het kabinet werkt momenteel aan een wetsvoorstel voor een quotumregeling. Daarin zal de doelgroepomschrijving van mensen met een arbeidsbeperking worden uitgewerkt. Zie verder het antwoord op vraag 13.

Gemeenten en sociale partners werken de vorming van de werkbedrijven thans samen uit in de Werkkamer. Het Rijk is in de Werkkamer als adviserend lid hierbij aangesloten. Doel van het overleg is om te komen tot een praktische en werkbare invulling van de werkbedrijven. Het kabinet loopt daarop niet vooruit. Bij de uitwerking zal ook aandacht gegeven moeten worden aan de rol- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende betrokken partijen. Gemeenten hebben de lead omdat zij verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de Participatiewet. De samenwerking geldt uiteraard niet alleen de samenwerking tussen gemeenten en andere betrokken partijen als UWV en sociale partners, maar ook de intergemeentelijke samenwerking. In de huidige 35 arbeidsmarktregio’s krijgt deze samenwerking in veel verschillende verschijningsvormen gestalte.

De precieze vormgeving van de samenwerking is de verantwoordelijkheid van de genoemde partijen.

51

Betekent het loslaten van het instrument loondispensatie dat niemand die naar vermogen werkt nog langer onder het wettelijk minimumloon zal komen te werken? Worden bestaande instrumenten van loondispensatie gestopt en vervangen door loonkostensubsidie? Wordt voor werkgevers met CAO, ten alle tijden de CAO leidend? Zo nee, wanneer mag de werkgever hier dan van afwijken? Wie moet het loon tot CAO aanvullen? Op welke wijze zal dit geschieden? Wat bedoelt de regering met «Aandachtspunt hierbij is dat de aanvulling tot CAO loon niet ten koste mag gaan van het aantal plekken voor beschut werk. Het is dan ook van belang dat het CAO loon zo dicht mogelijk bij het WML ligt.» Hoeveel beschutte plekken moeten worden gerealiseerd en worden gemeenten hiertoe verplicht? Behouden de personen die in de beschutte werkplaatsen gaan werken hun CAO? Zo nee, waarom wijkt de regering af van het Sociaal Akkoord waarin staat dat «op werknemers die voor het Werkbedrijf werkzaam zijn op een beschutte werkplek of gedetacheerd worden een CAO van toepassing blijft»? Deelt de regering de mening dat CAO lonen niet gedrukt of onderuit gehaald mogen worden om werk nog goedkoper te maken en kosten voor overheid en bedrijfsleven te drukken over de ruggen van personen met en zonder arbeidsbeperking?

Antwoord vraag 51:

Het nieuwe instrument loonkostensubsidie van de Participatiewet komt in de plaats van het voorstel voor loondispensatie dat in de WWNV was opgenomen. Dat betekent dat werkgevers geen toestemming kunnen krijgen om hun werknemers minder dan het minimumloon te betalen. Het zittend bestand van de Wajong, dus ook diegenen die op dit moment met loondispensatie werken, wordt beoordeeld op arbeidsvermogen. Deze beoordeling wordt nog nader uitgewerkt. Daarbij wordt de vraag betrokken hoe om te gaan met bestaande dienstbetrekkingen en bijhorende voorzieningen.

Werkgevers die onder een cao vallen, moeten zich houden aan de afspraken die in het kader van die cao zijn gemaakt. Bijna alle bedrijfstak-cao’s zijn algemeen verbindend verklaard. Dat betekent dat alle werkgevers in een bedrijfstak zich dan aan de cao-afspraken moeten houden. Soms kan een werkgever om vrijstelling van het algemeen verbindend verklaren van die cao vragen. Indien deze vrijstelling wordt verleend betaalt de werkgever de werknemer conform de individuele arbeidsovereenkomst. Een werkgever mag echter nooit minder dan het minimumloon betalen. Als de werknemer tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, betaalt de gemeente de werkgever een subsidie ter hoogte van het verschil tussen de loonwaarde en het minimumloon.

Ook voor mensen die via beschut werk nieuwe stijl gaan werken geldt dat hiertoe het instrument loonkostensubsidie kan worden ingezet. Zoals het kabinet in de brief van 11 april heeft aangegeven gelden voor beschut werk nieuwe stijl de arbeidsvoorwaarden van de werkgever. De beloning is dan conform gemeente-cao of de cao die voor de reguliere werkgever geldt. De Wsw cao is enkel van toepassing op mensen die op basis van artikel 2 Wsw een diensbetrekking vervullen. Per 1 januari 2015 stopt de instroom in de Wsw.

Indien een gemeente personen aanneemt in beschut werk met een loon hoger dan 100% WML, zijn de kosten van het deel boven de 100% voor rekening van de werkgever en in dit geval, van de gemeente. Een gemeente kan het deel boven 100% WML niet ten laste brengen het Participatiebudget, maar betaalt dit uit de algemene middelen. Het is mogelijk dat dit effect heeft op het aantal plekken beschut werk dat een gemeente bereid is aan te bieden. In dit kader heeft het kabinet in de brief van 11 april aangegeven dat het van belang is dat het cao-loon voor mensen die beschut gaan werken zo dicht mogelijk bij het wettelijk minimumloon ligt. Gemeenten krijgen in de structurele situatie de middelen voor 30.000 beschutte plaatsen. Gemeenten zijn verplicht om beleid te maken voor het realiseren van beschut werk en krijgen binnen de wettelijke kaders van de Participatiewet de ruimte om daar een eigen lokale invulling aan te geven. Zij worden verplicht deze lokale invulling in een verordening vast te leggen. Het kabinet gaat de inzet van de voorziening beschut werk monitoren.

52

Hoe gaat de herkeuring van alle Wajongers in zijn werk? Wanneer is iedereen herkeurd?

Antwoord vraag 52:

De wijze waarop de overdracht van UWV naar gemeenten gaat plaatsvinden, wordt nog nader uitgewerkt. In november zal de Nota van Wijziging voor de Participatiewet naar verwachting naar de Kamer worden gestuurd. Dan zal ook meer duidelijk worden over de overgang van de Wajongers naar gemeenten. Uitgangspunt bij de vormgeving van de overdracht is dat deze heel zorgvuldig gebeurt.

53

Hoe vaak worden de Wajongers herkeurd?

Antwoord vraag 53:

Het Sociaal Akkoord spreekt van twee aparte beoordelingen.

  • 1. Het zittend bestand van de Wajong wordt beoordeeld op arbeidsvermogen. Het betreft hier een eenmalige operatie waarbij alle Wajongers zullen worden beoordeeld op arbeidsvermogen (zie vraag 52).

  • 2. Wajongers die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben worden iedere vijf jaar opnieuw beoordeeld. Het betreft hier de groep die zal komen te vallen onder de Wajong 2015. Daarbij gaat het om de nieuwe instroom en de groep waarvan in de beoordeling op arbeidsvermogen is vastgesteld dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. Deze vijfjaarlijkse beoordeling wordt nog nader uitgewerkt.

54

Hoe wordt gecommuniceerd over de herkeuring naar de Wajongers?

Antwoord vraag 54:

Zodra de overgang en de beoordeling op arbeidsvermogen nader zijn uitgewerkt, wordt zo snel mogelijk duidelijkheid verschaft aan de Wajongers. Goede, zorgvuldige communicatie is van groot belang.

55

Volgens prognoses zullen uiteindelijk slechts 40.000 jonggehandicapten voortaan aangewezen zijn op de Wajong. Waarop zijn die prognoses precies gebaseerd? Waarom zijn de overige naar schatting 190.000 Wajongers tot nu toe niet aan een baan gekomen? Is het reëel om onder de huidige sombere economische omstandigheden te veronderstellen dat deze personen met een arbeidshandicap door toepassing van het bijstandsregime nu wél aan een passende baan geholpen kunnen worden?

Antwoord vraag 55:

Eind juni is in diverse media het beeld ontstaan dat 40.000 Wajongers hun recht op Wajong behouden omdat zij duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. Het is onduidelijk waar deze cijfers op gebaseerd zijn. De ramingen die de regering hanteert geven aan dat van de circa 240.000 Wajongers die beoordeeld zullen worden op arbeidsvermogen, ongeveer 100.000 hun Wajong zullen behouden. De verwachting is dat bij circa 140.000 personen vastgesteld wordt dat zij arbeidsvermogen hebben. Van deze groep werken circa 60.000 Wajongers. Nu werkgevers (marktsector en publieke sector) zich garant hebben gesteld voor 125.000 extra banen worden de mogelijkheden op de arbeidsmarkt voor mensen met een arbeidsbeperking aanzienlijk verbeterd ten opzichte van de situatie bij ongewijzigd beleid. Daarnaast krijgen gemeenten de mogelijkheid om plekken beschut werk te organiseren. Gemeenten krijgen financiële middelen om 30.000 plekken te realiseren.

56

Hoe wordt het zittend bestand Wajong herkeurd en wanneer gaat dit plaatsvinden?

Zie het antwoord op vraag 52.

57

Hoeveel huidige Wajongers zullen in de Wajong blijven (duurzaam en volledig arbeidsongeschikt) en hoeveel hebben er arbeidsvermogen?

Zie het antwoord op vraag 55.

58

Wanneer komt er duidelijkheid over de herkeuring van Wajongers?

Antwoord vraag 58:

Dit is wordt nog nader uitgewerkt. Zie ook het antwoord op vraag 52. Uitgangspunt is dat de overgang van UWV naar gemeenten zorgvuldig gebeurt.

59

Worden er groepen Wajongers buiten de herkeuring gelaten? Zo ja, welke groepen zijn dit?

Antwoord vraag 59:

De beoordeling op arbeidsvermogen geldt voor het gehele zittend bestand van de Wajong.

60

Wajongers die na herkeuring onder de nieuwe Participatiewet vallen krijgen een bijstandsuitkering. Heeft deze uitkering een vermogens- en een partnertoets?

Antwoord vraag 60:

Ja, de bijstanduitkering kent een dergelijke toets. Mensen die niet in aanmerking komen voor een uitkering (nuggers) kunnen wel een beroep doen op gemeenten voor ondersteuning richting de arbeidsmarkt. Gemeenten kunnen het beschikbare re-integratie-instrumentarium ook voor deze mensen inzetten. In het Sociaal Akkoord is verder opgenomen dat bepaalde Wajongers worden gecompenseerd voor de effecten van de kostendelersnorm. Dit wordt nader uitgewerkt.

61

De Wajong is vanaf 2015 alleen nog toegankelijk voor personen die volledig en duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. Is het de bedoeling om deze personen elke vijf jaar te herkeuren? Wat is hiervan de toegevoegde waarde? Iemand die een dwarsleasie heeft, zal hier niet meer van genezen, waarom dan toch herkeuren?

Antwoord vraag 61:

De vijfjaarlijkse herbeoordeling voor de Wajong 2015 wordt nog nader uitgewerkt. De gedachte achter deze herbeoordeling is dat het goed is om periodiek te bekijken of iemand toch mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft ontwikkeld. Bij de uitwerking zal de doelmatigheid van deze herbeoordeling in overweging worden genomen.

62

Heeft de regering van sociale partners de garantie dat alle CAO's loonschalen op het niveau van het WML zullen krijgen?

Antwoord vraag 62:

De arbeidsvoorwaarden zijn de verantwoordelijkheid van de sociale partners. Het kabinet gaat daar niet over. Het kabinet heeft de sociale partners gewezen op het belang om het cao-loon voor mensen die onder de Participatiewet beschut werken, zo dicht mogelijk op het wettelijk minimumloon aan te laten sluiten. De Stichting van de Arbeid zal cao-partijen aanbevelen om na te gaan of er in hun cao voldoende passende loonschalen zijn tussen het WML en 120% WML. Bij het ontbreken daarvan worden ze gevraagd deze in de cao op te nemen.12

63

Waarom is er voor gekozen om de volledige Wajong-populatie iedere vijf jaar te herkeuren? Betekent «volledig en duurzaam» arbeidsongeschikt niet dat iemand na vijf of tien jaar nog steeds arbeidsongeschikt is?

Zie het antwoord op vraag 61.

64

Hoe wordt er voor gezorgd dat voor personen die niet volledig, maar wel duurzaam arbeidsongeschikt zijn werken loont boven een uitkering?

Antwoord vraag 64:

Wanneer iemand niet volledig, maar wel duurzaam arbeidsongeschikt is, is er sprake van arbeidsvermogen, maar met een arbeidsbeperking. Voor deze doelgroep krijgen gemeenten instrumenten in handen om hen naar werk te begeleiden, zoals loonkostensubsidie. Het loon hiervoor komt minimaal op het niveau van het minimumloon te liggen. Bij een voltijd dienstverband loont het daardoor voor deze groep om te gaan werken.

65

Hoe wordt omgesprongen met Wajongers waarvan nu uit het beschikbare dossier reeds bekend is dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen hebben? Welk nut dient het om deze groep opnieuw te keuren en iedere vijf jaar te herkeuren?

Zie het antwoord op vraag 61.

66

Staat tegenover de besparingen op de Wajong ook een extra investering in re-integratie? Kan de regering nader toelichten waar de besparing op de Wajong aan wordt besteed?

Antwoord vraag 66:

Voor mensen die niet meer in de Wajong terecht komen of mensen die na herbeoordeling op arbeidsvermogen onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid vallen, hevelt de regering de re-integratiemiddelen vanuit het re-integratiebudget Wajong van het UWV over naar het gebundeld re-integratiebudget van gemeenten. Voor deze groep komt het instrument loonkostensubsidie beschikbaar. Gemeenten ontvangen hiervoor de financiële middelen, naast de middelen die ze ontvangen voor re-integratieondersteuning. Met de afspraak over de 125.000 extra banen komen (onder andere) voor deze groep arbeidsplaatsen beschikbaar.

67

Hoe worden gemeenten bij de transitie van de uitvoering van de Wajong betrokken? Hoe ziet de op 28 mei jl. met de VNG besproken decentralisatieagenda er precies uit? Wat is het oordeel van de VNG over deze transitie en verwacht VNG dat de gemeenten in staat zullen zijn de hen toebedachte verantwoordelijkheden te dragen? Hoe zullen bijvoorbeeld gemeenten de vaak zeer intensieve begeleidingstrajecten voor personen met een arbeidsbeperking kunnen vormgeven?

Antwoord vraag 67:

De afspraken van kabinet en sociale partners voorzien onder andere in een beoordeling van degenen met een Wajong uitkering (zittend bestand) en de overgang naar gemeenten, indien zij arbeidsvermogen hebben. Op deze manier kunnen gemeenten integraal beleid voeren voor de mensen binnen hun gemeente met arbeidsvermogen die tot de doelgroep van de Participatiewet behoren. Dit bevordert de mogelijkheden voor een integrale benadering. Gemeenten hebben eerder aangegeven dat zij ook verantwoordelijk willen zijn voor deze groep. De afspraken uit het Sociaal Akkoord worden nu uitgewerkt in de Werkkamer.

Met de decentralisatieagenda wordt bedoeld het geheel aan taken dat aan gemeenten wordt overgedragen en de daarbij behorende planning. De Minister van BZK heeft uw Kamer hierover onder meer geïnformeerd in zijn brief van 19 februari 201313.

De decentralisaties vergen aandacht voor voldoende bestuurskracht, management van verwachtingen en goede voorbereiding van gemeenten. Dit is niet zondermeer gerealiseerd. De inspectie SZW wijst in haar rapporten van de afgelopen jaren op tekortkomingen in het gemeentelijk beleid of de uitvoering daarvan14 en signaleert dat de voorgenomen decentralisaties bestuurskracht en actief gebruik van beleidsruimte vereisen die nog geen gemeengoed zijn. Het is belangrijk dat gemeenten zich tijdig voorbereiden op de wijze waarop ze invulling gaan geven aan de taken en beleidsvrijheden en de wijze waarop gemeentebesturen regie gaan voeren. Voor gemeenteraden is het van belang dat zij zich voorbereiden op (uitbreiding van) hun controlerende taak. Een adequate financiële stimulans en bezinning daarop binnen een gemeente zijn van belang. De verdeelsystemen worden mede met het oog daarop herijkt.

Gemeenten krijgen ondersteuning bij de voorbereiding op de Participatiewet (en de andere decentralisaties). De overdracht van mensen met arbeidsvermogen vanuit de Wajong naar gemeenten is daarbij een heel belangrijk onderdeel. De implementatieondersteuning wordt samen met de relevante partijen vormgegeven. Ook bij het overleg in de Werkkamer over de vorming van de regionale Werkbedrijven is de overgang naar gemeenten van mensen uit de Wajong onderwerp van bespreking. Daarnaast is er nog een aantal initiatieven gericht op het versterken van de bestuurskracht van gemeenten in het algemeen15. In de gezamenlijke werkagenda van de departementen die betrokken zijn bij de decentralisaties is professionalisering een belangrijk thema.

Overigens beschikken gemeenten over een breed instrumentarium dat zij, afhankelijk van de afstand tot de arbeidsmarkt, via maatwerk kunnen inzetten. Naast bestaande instrumenten voegt de Participatiewet hieraan onder meer toe het instrument loonkostensubsidie en de voorziening beschut werk. Daarnaast worden financiële middelen van UWV naar gemeenten overgeheveld om de begeleiding naar regulier werk te stimuleren van mensen die eerder onder de Wajong vielen, bijvoorbeeld met de inzet van een instrument als de jobcoach. De afspraken uit het Sociaal Akkoord over de garantstelling van extra banen in markt en overheid voor mensen met een arbeidsbeperking en de vorming van regionale Werkbedrijven bevorderen de arbeidsdeelname van mensen met een arbeidsbeperking.

68

Hoe wordt gegarandeerd dat alle gemeenten de regeling voor individueel maatwerk voor kwetsbare groepen gelijkelijk zullen toepassen? Wat worden de precieze criteria en voorwaarden voor «individueel maatwerk»?

Antwoord vraag 68:

Zie het ook het antwoord op vraag 21. De wettelijke kaders zijn onderdeel van de nadere uitwerking van de Participatiewet. Inzet is om de voorstellen voor de Participatiewet (via een Nota van Wijziging) in november bij uw Kamer in te dienen. Uitgangspunt is om gemeenten ruime beleidsvrijheid te bieden bij de uitvoering van de Participatiewet, zodat zij hun verantwoordelijkheid om maatwerk en integrale aanpak te realiseren waar kunnen maken. De Participatiewet zal de wettelijke kaders bevatten voor het gemeentelijk instrumentarium voor arbeidsinschakeling, zoals bijvoorbeeld loonkostensubsidie, om adequate ondersteuning van kwetsbare groepen goed te borgen. Gemeenten worden verplicht om in een verordening de inzet van een aantal reïntegratieinstrumenten vast te leggen. De regeling voor individueel maatwerk voor kwetsbare groepen met een zorgbehoefte wordt momenteel nader uitgewerkt in de Nota van Wijziging.

69

Wat zijn huidige criteria voor keuring van Wajongers? Zullen deze criteria straks ook gelden voor herkeuring van het zittend bestand wajongers en nieuwe keuringen of is het de bedoeling dat deze criteria worden aangescherpt? Hoeveel personen hebben een Wajong-uitkering, volgens welke categorie arbeidsongeschiktheid? Hoeveel personen met een Wajong-uitkering zullen naar verwachting na de herkeuringen de Wajong-uitkering behouden? Hoeveel personen zullen naar verwachting na de herkeuringen een WWB-uitkering krijgen? Hoeveel personen zullen naar verwachting na herkeuringen niet meer in aanmerking komen voor een uitkering en krijgen zij dan wel een recht op ondersteuning naar werk? Waarom wijkt de regering af van het Sociaal Akkoord waarin staat dat jonggehandicapten een keuring kunnen krijgen?

Antwoord vraag 69:

In de huidige Wajong wordt door UWV gekeken of iemand zelfstandig het WML kan verdienen. Wanneer dit niet het geval is en iemand voldoet aan alle andere eisen van de Wajong (bijv. beperking opgelopen voor 17e levensjaar of tijdens studie) komt deze persoon in aanmerking voor de Wajong. In de nWajong (geldend vanaf 1 januari 2010) wordt vervolgens onderscheid gemaakt tussen de werkregeling en de uitkeringsregeling. De uitkeringsregeling is de regeling voor personen die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. In de oWajong wordt gewerkt met arbeidsongeschiktheidsklassen. De verdeling ziet er als volgt uit:

Tabel 4 Wajong totaal

2012 (*1000)

bestand in uitkeringen

226,5

Waarvan oWajong

189,6

waarvan volledig arbeidsongeschikt

98,1%

nWajong

36,9

waarvan werkregeling1

67%

waarvan studieregeling

23%

waarvan volledig en duurzaam arbeidsongeschikt

9%

X Noot
1

Hieronder vallen ook Wajongers die tijdelijk volledig arbeidsongeschikt zijn. Na verloop van tijd kan duidelijk worden dat zij duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Bron: UWV, Jaarverslag 2012 (2012–2013, 33 605 XV).

Naar verwachting zullen circa 100.000 personen in de Wajong blijven, omdat wordt vastgesteld dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. Van circa 140.000 personen zal worden vastgesteld dat zij wel arbeidsvermogen hebben. Van hen werken er al ongeveer 60.000. 80.000 personen zouden dus een beroep kunnen doen op gemeenten voor ondersteuning en eventueel een uitkering. De verwachting is dat 65.000 personen ook daadwerkelijk aankloppen bij gemeenten. De overigen doen dit niet vanwege gedragseffecten. Hier kunnen ook mensen tussen zitten die niet in aanmerking zouden komen voor een uitkering. Uiteraard mogen deze mensen een beroep op de gemeente doen voor ondersteuning bij re-integratie.

De brief van het kabinet van 11 april jongstleden bevat de afspraken van het kabinet met de sociale partners. Een van die afspraken is dat het totale zittend bestand van de Wajong wordt beoordeeld op arbeidsvermogen. Mensen met arbeidsvermogen kunnen een beroep doen op de gemeente voor een uitkering en/of ondersteuning bij re-integratie.

70

Hoe komt «de regeling die gemeenten in staat stelt door middel van individueel maatwerk voor kwetsbare groepen met een zorgbehoefte om de effecten van de kostendelersnorm te compenseren» eruit te zien? Wat bedoelt de regering met de kostendelersnorm, een zorgbehoefte en over welke effecten spreekt de regering?

Antwoord vraag 70:

De compensatie is een onderdeel van de nadere uitwerking van de Participatiewet, waaraan nu wordt gewerkt. De kostendelersnorm is de nieuwe naam voor de huishouduitkeringstoets; het voorstel dat opgenomen is in het regeerakkoord «Bruggen Slaan». Dit houdt in dat het normbedrag van de WWB wordt verlaagd naarmate in een huishouden meer inwonende volwassenen aanwezig zijn. De inkomsten van deze personen binnen het huishouden worden niet verrekend met de uitkering van de bijstandsontvanger, zodat werken lonend is en niet direct consequenties heeft voor de overige (gezins-)leden van het huishouden. Wel wordt de bijstandsuitkering lager naarmate er meer boven bedoelde inwonende volwassenen gezinsleden zijn. Elk van de (gezins-) leden van het huishouden blijft een zelfstandig recht op bijstand houden.

71

Op welke wijze worden werknemers, uitkeringsgerechtigden en belangenorganisaties betrokken bij uitwerking van deze plannen?

Antwoord vraag 71:

Bij de uitwerking van het Sociaal Akkoord betrekt het kabinet de relevante partijen, zoals de gemeenten en de VNG, de sociale partners, UWV en vertegenwoordigers van cliënten(organisaties). Het kabinet heeft de conceptwetgeving voor de Participatiewet en de quotumregeling inmiddels voorgelegd aan de uitvoerende organisaties om deze op uitvoerbaarheid te toetsen. Aan de VNG heeft het kabinet om een bestuurlijke reactie op de plannen gevraagd. Deze reacties worden verwerkt in de concept-wetgeving die te zijner tijd aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Ook is het kabinet met de sociale partners en de Landelijke Cliëntenraad in gesprek over de plannen. Al deze organisaties worden ook nauw betrokken bij het implementatieprogramma dat de invoering van de nieuwe regelingen en de afspraken uit het Sociaal Akkoord gaat ondersteunen.

72

Maken de zogenoemde garantstelling van de banen en het quotum integraal onderdeel uit van de Participatiewet? Waarom niet?

Antwoord vraag 72:

Het wettelijk kader voor de Participatiewet komt tot stand via een Nota van Wijziging op de Invoeringswet Werken naar vermogen. Voor de quotumregeling wordt een apart wetsvoorstel voorbereid. Beide trajecten hangen inhoudelijk sterk met elkaar samen en worden dan ook in samenhang met elkaar en onder verwijzing naar elkaar vormgegeven. In het Sociaal Akkoord hebben de werkgevers zich garant gesteld voor extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking. Deze garantstelling verstevigt het fundament van de Participatiewet.

73

De invoering van de Participatiewet is uitgesteld tot 2015. Betekent dit dat er tot die datum nog nieuwe personen kunnen instromen in de huidige Wet sociale werkvoorziening (Wsw)?

Antwoord vraag 73:

Vanaf de datum van inwerkingtreding van de Participatiewet is het niet meer mogelijk in de Wsw in te stromen. Wie dan in de Wsw werkt houdt zijn wettelijke rechten en plichten. Tot en met 31 december 2014 kunnen personen met een Wsw-indicatie dus nog instromen in de Wsw. Indien deze personen op 1 januari 2015 geen dienstbetrekking hebben vallen zij, voor zover zij behoren tot de gemeentelijke doelgroep, onder de Participatiewet.

74

Klopt het dat voor de wetsbehandeling van de Participatiewet een andere planning gehanteerd wordt, dan voor de behandeling van de wet voor de quotumregeling? Zo ja, waarom is hier voor gekozen?

Antwoord vraag 74:

Zoals het kabinet in het antwoord op vraag 72 heeft aangegeven komen de Participatiewet en de quotumregeling via twee wetstrajecten tot stand, maar worden zij in samenhang vormgegeven. De planningen van de regelingen sluiten goed op elkaar aan. Naar verwachting wordt het wetsvoorstel voor de Participatiewet in november ingediend bij de Tweede Kamer. Het kabinet hecht eraan dat gemeenten in een vroeg stadium kennis kunnen nemen van de inhoud van de Participatiewet en voldoende tijd krijgen om zich, in samenspraak met andere (uitvoerings)organisaties, goed op de nieuwe wet voor te bereiden. Het wetsvoorstel voor de quotumregeling volgt iets later. De beoogde inwerkingtreding van de Participatiewet is 1 januari 2015.

Ook de inwerkingtreding van de quotumregeling is voorzien voor 1 januari 2015, maar wordt op grond van de afspraken uit het Sociaal Akkoord pas geactiveerd als werkgevers de afgesproken banen voor mensen met een arbeidsbeperking niet hebben gerealiseerd. De wet met de quotumregeling voorziet in een regeling van deze procedure.

75

Wat is een Werkbedrijf?

Het uitgangspunt van de Werkbedrijven is dat zij de schakel gaan vormen tussen de werkgever en de mensen met een arbeidsbeperking die aan de slag geholpen worden. Hiermee worden de kansen op succesvolle plaatsing vergroot. Voor de uitwerking van het Werkbedrijf overleggen de sociale partners en gemeenten in de Werkkamer.

76

Hoe zien de Werkbedrijven er uit? Zijn dit fysieke instellingen of kunnen dit ook bijvoorbeeld netwerkbedrijven zijn?

Zie het antwoord op vraag 31.

77

Waar ligt de grens van duurzaam arbeidsvermogen? Is dat op loonwaarde 20 procent van het WML?

Antwoord vraag 77:

Het begrip arbeidsvermogen dat relevant is voor de Wajong 2015 wordt nog nader uitgewerkt in lagere regelgeving. Wel ligt het in de rede dat dit zal aansluiten op het begrip arbeidsvermogen zoals dit in de nWajong (2010) is vorm gegeven.

78

Wanneer zijn naar verwachting de op te richten 35 Werkbedrijven operabel? Hoe zullen deze Werkbedrijven worden geoutilleerd?

Antwoord vraag 78:

De Werkbedrijven krijgen bij de uitvoering van de Participatiewet een belangrijke rol en moeten dan ook bij de invoering van de wet per 1 januari 2015 voldoende uitgerust zijn om hun taken uit te voeren. In de Werkkamer en in de Werkbedrijven worden daarover tussen gemeenten en sociale partners afspraken gemaakt. Ook UWV wordt daarbij betrokken.

79

Is al zicht op de wijze waarop Werkbedrijven gestimuleerd kunnen worden om evenredige aandacht te besteden aan het detacheren van zowel relatief gemakkelijke als de moeilijk bemiddelbare werknemers?

Antwoord vraag 79:

Het gaat in de Werkbedrijven om het matchen van mensen met een arbeidsbeperking met banen waarvoor werkgevers zich garant hebben gesteld. Het gaat om mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen en dus op afstand staan van de arbeidsmarkt. Sociale partners en gemeenten maken over de inzet van het beschikbare instrumentarium nadere afspraken in de Werkkamer en de Werkbedrijven. Daarbij zal aandacht worden gegeven aan de matching van zowel relatief gemakkelijke als relatief moeilijk bemiddelbare personen met een beperking. Matching is maatwerk, waarbij meerdere aspecten een rol spelen. Of de matching tot stand komt, hangt bijvoorbeeld ook af van het soort werk en de richting of de sector waarbinnen de werkzoekende werk zoekt. Het is daarom goed dat de wijze van matching in de Werkkamer en Werkbedrijven wordt besproken.

Gemeenten moeten overigens in een verordening vastleggen onder welke voorwaarde de gemeentelijke doelgroep en werkgevers in aanmerking komen voor re-integratie voorzieningen en hoe deze, rekening houdende met omstandigheden, evenwichtig over deze personen worden verdeeld.

80

Wat wordt er bedoeld met de opmerking dat gemeenten in de lead zijn?

Zie het antwoord op vraag 33.

81

Wat betekent het concreet dat «werkgevers hebben aangegeven dat zij op regionaal niveau betrokken zullen zijn bij de financiering van de Werkbedrijven»?

Antwoord vraag 81:

De vormgeving van de financiële betrokkenheid van werkgevers bij de Werkbedrijven staat op de agenda van het overleg tussen sociale partners en gemeenten in de Werkkamer.

82

Op welke manier wordt een eenduidige en objectieve methodiek voor loonwaardebepaling gegarandeerd?

Antwoord vraag 82:

Sociale partners en gemeenten overleggen in de Werkkamer over de uitwerking van de 35 regionale Werkbedrijven. Ook het Rijk is bij dit overleg betrokken. De uitwerking van de Werkbedrijven is erop gericht om tot de gewenste eenduidige regionale aanpak te komen, waaronder ook eenduidigheid over de methodiek voor loonwaardebepaling voor bedrijven en mensen met een arbeidsbeperking. Voor werknemer, werkgever en gemeente is het van belang dat de loonwaardebepaling op een zorgvuldige, objectieve manier gebeurt. Zie ook het antwoord op vraag 46.

83

Hoe lang mag een proefplaatsing maximaal zijn?

Antwoord vraag 83:

Het kabinet werkt het instrument loonkostensubsidie in overleg met in ieder geval de VNG en sociale partners nader uit. De proefplaatsing maakt deel uit van het instrument loonkostensubsidie. In de Nota van Wijziging van de Participatiewet die het kabinet in november bij uw Kamer zal indienen zal de vormgeving van het voorgestelde instrument naar voren komen.

84

Gaat bij de proefplaatsing gelden dat het geen regulier werk mag verdringen en re-integratie niet in de weg mag staan? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 84:

Het instrument loonkostensubsidie wordt ingezet om mensen met een arbeidsbeperking aan de slag te helpen op de arbeidsmarkt. Voorafgaand aan de feitelijke plaatsing kunnen mensen tijdelijk via een proefplaatsing op de beoogde arbeidsplaats geplaatst worden. Zij behouden hun recht op een uitkering. De proefplaatsing kan dus deel uitmaken van het voortraject voor het inzetten van het instrument loonkostensubsidie. Het kabinet vindt loonkostensubsidie een essentieel instrument om voor mensen met een beperking uitzicht te bieden op werk. Het kabinet heeft op basis van CPB-studies16 geen aanwijzingen dat er een substantieel risico van verdringing is.

85

In welk tijdsbestek vindt de herkeuring Wajong plaats en hoe verhoudt zich dit tijdsbestek tot de opbouw van de afgegeven baangarantie van in totaal 125.000 extra banen in de marktsector en overheid?

Zie het antwoord op vraag 52.

86

Werkgevers zullen op regionaal niveau betrokken zijn bij de financiering van de Werkbedrijven. Wat betekent dit? Welke zeggenschap verlangen zij terug voor de financiering?

Zie het antwoord op vraag 81.

87

Is de regering van mening dat betrokkenheid van sociale partners in de Werkbedrijven risico's geeft, omdat de belangen van sociale partners niet altijd gelijklopen met de belangen van de doelgroep van de Participatiewet en met het algemeen belang? Ziet de regering het gevaar dat werkgevers de kosten voor werknemers met een beperking zo veel mogelijk bij het Werkbedrijf c.q. de gemeente c.q. de belastingbetaler zullen willen leggen?

Antwoord vraag 87:

Sociale partners hebben in het Sociaal Akkoord verantwoordelijkheid genomen voor de versterking van de positie van mensen met een arbeidsbeperking op de arbeidsmarkt. Zo hebben werkgevers zich garant gesteld om extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking ter beschikking te stellen. De sociale partners hebben zich ook gecommiteerd aan de vorming van Werkbedrijven, die de schakel gaan vormen tussen de werkzoekenden met een arbeidsbeperking en het toeleiden van deze mensen naar werk. Werkgevers hebben aangegeven dat ze op regionaal niveau betrokken zullen zijn bij de financiering van de Werkbedrijven. Het kabinet ziet als meerwaarde van het Sociaal Akkoord dat de sociale partners zich nu ook hebben verbonden aan de doelstelling om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. In de Werkkamer zitten sociale partners met gemeenten bij elkaar aan tafel om de afspraken uit het Sociaal Akkoord in gezamenlijkheid uit te werken. Het kabinet heeft er vertrouwen in dat dit leidt tot een werkzame uitwerking van de afspraken uit het Sociaal Akkoord.

88

Kan de regering aangeven, ervan uitgaande dat over een aantal zaken nog overleg zal worden gevoerd met VNG, UWV en sociale partners, zoals over de overgang van de Wajong naar gemeenten, wanneer dit overleg gereed is? Is de regering voornemens dit nog voor de Kamerbehandeling af te ronden?

Antwoord vraag 88:

Zie ook het antwoord op vraag 71. In de aanloop tot de behandeling in de Kamer en erna zal het kabinet overleg met de betrokken partners blijven voeren, omdat de uitwerking van de Participatiewet, de uitwerking van de lagere regelgeving en de voorbereiding op de implementatie van de wet dan plaats moeten vinden.

89

Is bekend hoe werkgevers op regionaal niveau betrokken zullen worden bij de financiering van de Werkbedrijven?

Zie het antwoord op vraag 81.

90

«Het Werkbedrijf is de schakel om personen te verbinden met de banen waarvoor werkgevers garanties hebben afgegeven». Gaat het hier alleen om de «garantiebanen» of over de totale groep arbeidsgehandicapten?

Antwoord vraag 90:

Op basis van het Sociaal Akkoord is het uitgangspunt van de Werkbedrijven dat zij de schakel gaan vormen tussen de banen waarvoor werkgevers zich garant hebben gesteld en anderzijds de mensen met een arbeidsbeperking die voor deze banen in aanmerking komen. Over de uitwerking van de afspraken uit het Sociaal Akkoord, waaronder de afspraken over het Werkbedrijf en de garantstelling voor de extra banen, zijn de sociale partners en gemeenten in overleg in de Werkkamer.

91

Herkeurde Wajongers en nieuwe instroom kunnen, wanneer zij tot de doelgroep van de gemeenten behoren een beroep doen op re-integratieondersteuning en/of een uitkering. Is re-integratieondersteuning in rechte afdwingbaar?

Antwoord vraag 91:

Het Sociaal Akkoord voorziet in herbeoordeling van alle Wajongers op arbeidsvermogen. Wajongers met arbeidsvermogen gaan over naar gemeenten. Dit voornemen wordt verder uitgewerkt in de Nota van Wijziging Participatiewet. Wat betreft de re-integratieondersteuning voorziet de huidige wetgeving er in dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling van mensen die algemene bijstand van de gemeente ontvangen en van niet-uitkeringsgerechtigden. De gemeenteraad stelt bij verordening regels over deze arbeidsondersteuning en het aanbod van daarop gerichte voorzieningen. Mensen uit de gemeentelijke doelgroep hebben aanspraak op de naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk geachte voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Wanneer iemand het niet eens is met een besluit van de gemeente, bestaat de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Het kabinet is bij de uitwerking van de Participatiewet voornemens bij deze vormgeving aan te sluiten.

92

Als de groep herkeurde Wajongers niet in aanmerking komt voor een WWB-uitkering, heeft de gemeente dan wel de re-integratietaak (nuggers)? Om hoeveel herkeurde Wajongers zal dit naar schatting gaan (herkeurde Wajongers met arbeidsvermogen die niet in aanmerking kunnen komen voor een WWB-uitkering)?

Antwoord vraag 92:

Naar verwachting zullen circa 100.000 personen in de Wajong blijven, omdat wordt vastgesteld dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. Van circa 140.000 personen zal worden vastgesteld dat zij wel arbeidsvermogen hebben. Van hen werken er al ongeveer 60.000. 80.000 personen zouden dus een beroep kunnen doen op gemeenten voor ondersteuning en eventueel een uitkering. De verwachting is dat 65.000 van deze groep ook daadwerkelijk aankloppen bij gemeenten. De overigen doen dit niet vanwege gedragseffecten. Hier kunnen ook mensen tussen zitten die niet in aanmerking zouden komen voor een uitkering. Uiteraard mogen deze mensen een beroep op de gemeente doen voor ondersteuning bij re-integratie.

93

Kan helderheid gegeven worden wanneer en langs welke criteria herkeurde Wajongers onder de verantwoordelijkheid van gemeenten gaan vallen?

Antwoord vraag 93:

Het zittend bestand van de Wajong wordt beoordeeld op arbeidsvermogen. Wanneer wordt vastgesteld dat er sprake is van arbeidsvermogen, zal het recht op Wajong worden beëindigd. Deze personen kunnen bij de gemeente terecht voor ondersteuning en eventueel een uitkering. Wajongers van wie wordt vastgesteld dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen hebben, behouden hun recht op Wajong. De Wajong blijft uitgevoerd worden door UWV. De criteria worden nog nader uitgewerkt. Zie ook het antwoord op vraag 52.

94

Kan een onderbouwing gegeven worden van de € 100 miljoen die in het gemeentefonds beschikbaar komt ter compensatie van de kostendelersnorm? Voor welke doelgroepen geldt deze compensatie exact en hoe groot zijn deze doelgroepen?

Antwoord vraag 94:

Zoals ook bij vraag 70 is aangegeven is de compensatie nog onderdeel van nadere uitwerking.

95

Is er verschil in keuringsregime en -instanties bij de Wajong-populatie die herbeoordeeld wordt en de nieuwe instroom? Wie bepaalt bij nieuwe instroom of er een keuring noodzakelijk is?

Antwoord vraag 95:

De beoordeling op arbeidsvermogen wordt uitgevoerd door UWV. Nieuwe aanvragen voor de Wajong 2015 worden eveneens door UWV beoordeeld. Bij nieuwe instroom in de Wajong 2015 zal door UWV beoordeeld worden of er sprake is van duurzaam geen arbeidsvermogen. Alleen in dat geval kan iemand instromen in de Wajong 2015.

96

Onder wiens verantwoordelijkheid gaan de Wajongers in de onderwijs-regeling vallen?

Antwoord vraag 96:

Wajongers in de studieregeling worden eveneens beoordeeld op arbeidsvermogen. Het kabinet beraadt zich over de wijze waarop de overgang wordt vormgegeven. Ook beraadt het kabinet zich nog over een studieregeling.

97

Hoe gaan werkgevers en hun organisaties op arbeidsregionaal niveau betrokken worden bij de financiering van de Werkbedrijven? «Het Werkbedrijf is de schakel om personen te verbinden met de banen waarvoor werkgevers garanties hebben afgegeven». Gaat het hier alleen om deze «garantiebanen» of over de totale groep arbeidsgehandicapten? Hoe verhouden de werkbedrijven zich tot de bestaande werkpleinen en de SW bedrijven? Hoe lang duurt een proefplaatsing en welke baangarantie krijgt de werkzoekende?

Antwoord vraag 97:

Voor het antwoord op het eerste deel van de vraag zie de antwoorden op vraag 50 en 81. Het instrument proefplaatsing kan een nuttige rol spelen om iemand met een arbeidsbeperking aan werk te helpen. Dit instrument wordt door UWV en gemeenten nu al veelvuldig ingezet. Naar aanleiding van de motie-Schouten17 zal ik de Kamer separaat over dit instrument informeren.

98

Kan een Wajonger op een later tijdstip (na herkeuring) weer in de Wajong instromen als er toch sprake blijkt te zijn van duurzame arbeidsongeschiktheid?

Antwoord vraag 98:

In het initiële wetsvoorstel voor de Invoeringswet Werken naar Vermogen was opgenomen dat voor personen die weliswaar geen arbeidsvermogen hebben, maar van wie niet is vastgesteld dat dit duurzaam is, de duurzaamheid hiervan na tien jaar wordt aangenomen. Voor de Participatiewet is er geen aanleiding om van deze lijn af te wijken. In de praktijk komt het erop neer dat wanneer er sprake is van tijdelijk geen arbeidsvermogen en deze situatie tien jaar duurt, dat dan een recht op Wajong 2015 zal ontstaan.

Een andere mogelijkheid is dat bij de beoordeling op arbeidsvermogen sprake is van arbeidsvermogen. Als vervolgens binnen vijf jaar als gevolg van dezelfde beperkingen die ten tijde van deze beoordeling bestonden, er duurzaam geen sprake meer is van arbeidsvermogen, kan eveneens recht op Wajong 2015 ontstaan.

99

Kunnen jonggehandicapten die met loonkostensubsidie deelnemen aan de reguliere arbeidsmarkt, aanspraak maken op een WIA/IVA uitkering wanneer ze wegens volledige arbeidsongeschiktheid uitvallen?

Antwoord vraag 99:

Mensen die met loonkostensubsidie gaan werken ontvangen van hun werkgever het toepasselijke cao-loon of wettelijk minimumloon. Deze mensen zijn werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen en kunnen dus een beroep doen op deze verzekeringen ingeval van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Het kabinet beziet of de betreffende wetten aanpassing behoeven in verband met de toepassing van de wetten op mensen die met loonkostensubsidie gaan werken. In de Nota van Wijziging van de Participatiewet die het kabinet naar verwachting in november bij uw Kamer zal indienen zal hier nader op worden ingegaan.

100

Vallen jonggehandicapten met een urenbeperking onder het quotum?

Antwoord vraag 100:

Tot de doelgroep van de garantstelling extra banen en het quotum behoren de mensen met een arbeidsbeperking die arbeidsvermogen hebben, maar niet zelfstandig het WML kunnen verdienen, of de mensen met een arbeidsbeperking die wel minimaal het WML kunnen verdienen door gebruik te maken van een voorziening gericht op persoonlijke ondersteuning op de werkplek (jobcoach). De personen met een urenbeperking die arbeidsvermogen hebben onder 100% WML, vallen onder de doelgroep van de garantstelling voor de extra banen.

101

Waar hebben «goedgekeurde» Wajongers recht op die geen recht op bijstand hebben?

Antwoord vraag 101:

Wajongers bij wie tijdens de beoordeling op arbeidsvermogen is vastgesteld dat zij arbeidsvermogen hebben en die zijn aangewezen op ondersteuning, komen onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten te vallen. Ook wanneer er geen sprake is van recht op bijstand, is de gemeente verantwoordelijk voor de re-integratie.

102

Er is € 100 mln. beschikbaar in het gemeentefonds voor de zgn. zorgbehoefte. Deze maatregel wordt in overleg met de VNG en gemeenten nader uitgewerkt. Krijgt de Kamer hier ook inspraak in?

Antwoord vraag 102:

Deze maatregel zal worden opgenomen in de Invoeringswet Participatiewet. Na indiening bij de Tweede Kamer maakt de maatregel ter compensatie van de kostendelersnorm onderdeel uit van het wetsvoorstel Invoeringswet Participatiewet, waardoor ook de Kamer zich over dit onderdeel kan uitspreken.

103

Waarom wordt er voor gekozen om de loonkostensubsidie niet in te zetten voor de groep die 80–100 procent van het WML kunnen verdienen?

Antwoord vraag 103:

De keuze om loonkostensubsidie niet in te zetten voor de groep mensen die 80–100 procent van het WML kunnen verdienen is vastgelegd in het Sociaal Akkoord. Mensen die 80–100% van het minimumloon kunnen verdienen, kunnen met andere instrumenten dan loonkostensubsidie aan het werk worden geholpen. Het nieuwe instrument loonkostensubsidie kan zo gericht worden ingezet voor die mensen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt.

104

De mobiliteitsbonus is niet van toepassing op de groep die met loonkostensubsidie gaat werken. Voor welke groep is deze bonus dan nog wel beschikbaar?

Antwoord vraag 104:

De mobiliteitsbonus is beschikbaar voor maximaal drie jaar voor de werkgever die een uitkeringsgerechtigde in dienst neemt van 50 jaar of ouder, of een arbeidsgehandicapte die tot de wettelijke doelgroep behoort. In het Sociaal Akkoord is afgesproken dat de mobiliteitsbonus niet van toepassing is op de groep mensen met arbeidsbeperkingen die met het nieuwe instrument loonkostensubsidie aan het werk gaat. Bezien wordt nog in welke gevallen een mobiliteitsbonus nog wel geldt. Dit zal worden uitgewerkt in de Nota van Wijziging.

105

Wie bepaalt de zorgbehoefte van de personen? Zijn dit de sociale partners of de gemeenten?

Antwoord vraag 105:

In het Sociaal Akkoord is afgesproken dat gemeenten in staat worden gesteld door middel van individueel maatwerk voor kwetsbare groepen met een zorgbehoefte de effecten van de kostendelersnorm te compenseren. Deze afspraak wordt momenteel uitgewerkt. Zoals ook in het antwoord op vraag 71 staat betrekt het kabinet de betrokken partijen zowel bij de uitwerking van de afspraken uit het Sociaal Akkoord, als bij de uitwerking van de wetgeving voor Participatiewet en quotum.

106

Wie is formeel beslissingsbevoegd voor het toekennen van loonkostensubsidie per geval?

Antwoord vraag 106:

Gemeenten hebben een centrale rol in de uitvoering van de Participatiewet. Het ligt dan ook voor de hand dat zij de beslissing zullen nemen bij de toekenning van loonkostensubsidie in het individuele geval. Gemeenten ontvangen van het Rijk middelen voor de financiering van de loonkostensubsidie.

107

Is het mogelijk dat met de mogelijke komst van de gemeentelijke CAO voor de personen die vallen onder de Participatiewet, deze ook uit de SW-CAO stromen naar deze gemeentelijke CAO?

Antwoord vraag 107:

Uitgangspunt voor het nieuwe beschut werk is de brief van het kabinet van 11 april. Daarin is geen sprake van een aparte cao voor beschut werk, maar is aangeven dat werknemers die beschut gaan werken, komen te vallen onder de «gemeente-cao» of de cao die van toepassing is op een reguliere werkgever». Mensen die op dit moment werken volgens de huidige Wsw, behouden hun wettelijke rechten en plichten. Het is aan het overleg tussen de sociale partners (vakbonden en gemeenten) om te bepalen wat er gebeurt met de huidige Wsw-cao.

108

Wat gebeurt er met de status van een bestaande SW-er bij een faillissement van een SW-bedrijf?

Antwoord vraag 108:

Mensen die in een Wsw-dienstbetrekking werkzaam zijn, hebben een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met de gemeente, en vallen onder de cao voor de sociale werkvoorziening. De uitvoering van de Wsw wordt door veel gemeenten gemandateerd aan een sw-bedrijf. Bij een eventueel faillissement van een sw-bedrijf valt het werk van de Wsw-er weg. Dit heeft echter geen gevolgen voor de rechtspositie van de Wsw-werknemers.

109

Wat is het verschil tussen duurzaam arbeidsongeschikt in het kader van de Wajong en een beschutte plek bij een SW-bedrijf?

Antwoord vraag 109:

Duurzaam arbeidsongeschikt in het kader van de Wajong betekent dat er ook op de lange termijn duurzaam geen sprake is van de mogelijkheid tot arbeidsparticipatie. Het betreft hier dus een groep mensen die nooit zal kunnen werken. Deze mensen ontvangen een uitkering op basis van de Wajong 2015. Bij beschut werk in het kader van de Wsw en de Participatiewet is er altijd sprake van loonvormende arbeid. Het betreft dan mensen die wel arbeidsvermogen hebben.

110

Wanneer is er sprake van een AWBZ-indicatie voor arbeidsmatige dagbesteding en wanneer is er sprake van een beschutte werkplek in het kader van de nieuwe Participatiewet?

Antwoord vraag 110:

Het CIZ voert de AWBZ-indicatiestelling uit voor onder andere dagbesteding. Dagbesteding is een vorm van begeleiding in groepsverband (artikel 6 Besluit zorgaanspraken). In bijlage 6 van de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2013 zijn de indicatiecriteria uitgewerkt (stcr 21-12-2012 nr. 26768). Op hoofdlijnen gelden daarbij de volgende criteria:

De verzekerde kan toegang verkrijgen tot de functie Begeleiding als sprake is van een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking of van een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap.

Om in aanmerking te komen voor de functie Begeleiding dient te zijn vastgesteld dat de onderzochte beperkingen van verzekerde betekenen dat verzekerde matige tot zware beperkingen heeft op één of meer van de volgende vijf terreinen:

  • 1. sociale redzaamheid,

  • 2. bewegen en verplaatsen,

  • 3. probleemgedrag,

  • 4. psychisch functioneren of

  • 5. geheugen- en oriëntatiestoornissen.

Als de functie Begeleiding is bedoeld voor het daadwerkelijk bieden van dagstructuur, is in de regel Begeleiding-groep de aangewezen vorm van Begeleiding.

In de hoofdlijnenbrief van 27 juni heeft het kabinet aangegeven dat gemeenten beschut werk organiseren voor mensen die door lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen een zodanige mate van ondersteuning nodig hebben dat van reguliere werkgevers niet (zondermeer) kan worden verwacht dat zij deze mensen in dienst nemen. De bepaling van de doelgroep voor beschut werk is nog een punt van nadere uitwerking in de Participatiewet.

111

Mogen gemeenten de loonkostensubsidie in de toekomst ook gaan dekken uit het I-deel van het budget op grond van de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (BUIG-budget)?

Antwoord vraag 111:

Het kabinet is voornemens de middelen voor loonkostensubsidie aan gemeenten beschikbaar te stellen via het Inkomensdeel.

112

Wie gaat nu op welk niveau de feitelijke loonwaarde bepalen?

Antwoord vraag 112:

In de brief aan de Kamer van 11 april jongstleden over de uitkomsten van het Sociaal Akkoord staat dat het Werkbedrijf in samenspraak met de werkgever de loonwaarde bepaalt. Dit is een belangrijk onderwerp voor nadere uitwerking in de Werkkamer en Werkbedrijven. In de Nota van Wijziging van de Participatiewet die het kabinet naar verwachting in november bij uw Kamer zal indienen, zal nader worden ingegaan op de bepaling van de loonwaarde. De gemeenten worden (financieel) verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en de inzet van de re-integratie instrumenten.

113

Komt er een landelijke instelling voor de indicatiestelling van de loonwaarde. Zo ja, wat is dan hun exacte rol mede in relatie tot gemeenten?

Antwoord vraag 113:

Zie het antwoord op vraag 112.

114

Wat zijn de voor- en nadelen van één indicatieorgaan (samenvoeging UWV en Centrum indicatiestelling zorg (CIZ)?

Antwoord vraag 114:

Het kabinet heeft in de brief van 11 april aan de Tweede Kamer over de resultaten van het Sociaal Akkoord aangegeven nader te bezien of de keuring van werknemers door één organisatie kan plaatsvinden. Het kabinet betrekt ook de VNG hierbij.

115

Waarom komt het instrument loonkostensubsidie slechts beschikbaar voor personen die kunnen worden geplaatst bij een werkgever en een productiviteit hebben tot 80 procent van het WML? Waarom ligt er een grens bij 80 procent van het WML? Wat is hiervan de consequentie voor iemand die tussen 80–100 procent van het WML productief is?

Antwoord vraag 115:

Dat loonkostensubsidie beschikbaar komt voor mensen met een productiviteit tot 80% van het WML is één van de afspraken van het Sociaal Akkoord. Voor mensen die 80–100% van het minimumloon kunnen verdienen, kan geen loonkostensubsidie worden ingezet. Deze mensen kunnen met andere instrumenten dan loonkostensubsidie aan het werk worden geholpen. Het nieuwe instrument loonkostensubsidie kan zo gericht worden ingezet voor die mensen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt.

116

Wat betekent het dat loonkostensubsidie ook beschikbaar komt voor personen die beschut werken? Is dit nieuw? Betekent dit dat de gemeente loonkostensubsidie aan zichzelf kan geven als zijnde werkgever van beschut werk? Of geldt loonkostensubsidie voor beschut werk alleen als personen bij een reguliere werkgever (gedetacheerd) aan het werk zijn?

Antwoord vraag 116:

Met de inwerkingtreding van de Participatiewet krijgen gemeenten de mogelijkheid om mensen die via de nieuwe voorziening beschut werk aan de slag gaan, met een loonkostensubsidie aan het werk te helpen. Indien de gemeente de werknemer die via de voorziening beschut werk aan de slag gaat, zelf in dienst neemt, ontvangt de gemeente zelf deze loonkostensubsidie. Wanneer een werknemer wordt gedetacheerd, betaalt de werkgever een inleenvergoeding aan de werkgever bij wie de gedetacheerde werknemer gaat werken. Bij het bepalen van de hoogte van deze inleenvergoeding kan rekening worden gehouden met de hoogte van de loonkostensubsidie.

117

Kan de mobiliteitsbonus van toepassing zijn op personen die een loonwaarde hebben van minder dan 30 procent van het WML?

Antwoord vraag 117:

De mobiliteitsbonus is beschikbaar voor maximaal drie jaar voor de werkgever die een uitkeringsgerechtigde in dienst neemt van 50 jaar of ouder, of een arbeidsgehandicapte die onder de wettelijke doelgroep behoort. In het Sociaal Akkoord is afgesproken dat de mobiliteitsbonus niet van toepassing is op de groep mensen met een arbeidsbeperking die met het nieuwe instrument loonkostensubsidie aan het werk gaat. Bezien wordt nog in welke gevallen een mobiliteitsbonus nog wel geldt. Dit zal worden uitgewerkt in de Nota van Wijziging voor de Participatiewet.

118

Is de regering voornemens de duur van loonkostensubsidie te maximeren? Zo ja, op welke periode?

Antwoord vraag 118:

Idealiter ontwikkelen mensen zich zodanig dat geen loonkostensubsidie meer nodig is om het minimumloon te verdienen. In sommige gevallen is dit een brug te ver en zal loonkostensubsidie duurzaam nodig zijn om mensen aan het werk te houden.

Het kabinet werkt op dit moment het instrument loonkostensubsidie in overleg met de VNG, gemeenten en andere partijen nader uit. In de Nota van Wijziging van de Participatiewet zal de vormgeving van het instrument worden opgenomen.

119

Wat gebeurt er als meer dan 30.000 personen geïndiceerd worden voor beschut werk?

Antwoord vraag 119:

Gemeenten krijgen in het gebundeld re-integratiebudget in de structurele situatie de middelen voor 30.000 beschutte plaatsen. Het staat gemeenten vrij om binnen de gemeentelijke middelen voor de Participatiewet of uit eigen middelen meer plekken te realiseren.

120

Kan detachering straks nog plaatsvinden binnen het beschut werk dat door gemeenten wordt aangeboden?

Antwoord vraag 120:

Ja. Gemeenten krijgen onder de Participatiewet de ruimte om te bepalen welke voorzieningen en instrumenten mensen nodig hebben, waaronder nieuw beschut werk. Beschut werk kan – met extra aanpassing en begeleiding – ook bij een reguliere werkgever worden georganiseerd. (Groeps-)detachering kan daarbij een variant zijn.

121

In de brief staat nadrukkelijk dat er geen sprake meer is van een aparte CAO voor beschut werk. Hoe verhoudt dit zich tot de afspraken in het Sociaal Akkoord?

Antwoord vraag 121:

Uitgangspunt voor het nieuw beschut werk is de brief van het kabinet van 11 april, waarin de afspraken van het Sociaal Akkoord staan opgenomen dat kabinet en sociale partners met elkaar hebben gesloten. In deze brief is aangeven dat werknemers die beschut gaan werken, komen te vallen onder de «gemeente-cao» of de cao die van toepassing is op een reguliere werkgever.

122

Waarom is er de mogelijkheid dat personen voor beschut werk een hoger salaris krijgen dan het WML? Hoe borgt u dat het risico wordt vermeden dat daardoor minder plekken beschut werk tot stand kunnen komen?

Antwoord vraag 122:

Mensen die via beschut werk aan de slag gaan, hebben een dienstbetrekking. Zij vallen daarmee onder de «gemeente-cao», of de individuele arbeidsovereenkomst of de cao die van toepassing is op een reguliere werkgever. Dit impliceert dat er sprake kan zijn van een hoger loon dan het wettelijk minimumloon. Arbeidsvoorwaarden die worden afgesproken in een cao zijn aan het overleg tussen de sociale partners voorbehouden. In de brief van 11 april heeft het kabinet aangegeven dat het van belang is dat het cao-loon voor deze groep zo dicht mogelijk bij het wettelijk minimum loon ligt. De regering zal de ontwikkeling van het aantal dienstbetrekkingen op basis van de voorziening beschut werk nauwgezet monitoren en indien nodig hierover bestuurlijk overleg voeren met de VNG en sociale partners.

123

Waarom willen sociale partners dat de keuring van werknemers door één instantie zal plaatsvinden? Hoe staat de regering hier tegenover?

Antwoord vraag 123:

De Stichting van de Arbeid heeft in haar voorstellen die opgenomen zijn in «Perspectief voor een sociaal én ondernemend land» een aantal voordelen genoemd. Het kabinet heeft in de brief van 11 april over de resultaten van het Sociaal Akkoord aangegeven nader te bezien of de keuring van werknemers door één organisatie kan plaatsvinden.

124

Waarom komt er een extra regeling om kwetsbare groepen met een zorgbehoefte te compenseren voor de effecten van de kostendelersnorm? Wat houdt deze regeling in?

Antwoord vraag 124:

De compensatie van deze groep is een van de afspraken die het kabinet en de sociale partners in het Sociaal Akkoord hebben afgesproken. Zie verder het antwoord op vraag 70.

125

Klopt het dat iemand alleen in aanmerking komt voor beschut werk, als zijn productiviteit lager is dan 80 procent van het WML? Klopt het dat het mogelijk is dat iemand in beschut werk een hoger CAO-loon krijgt dan 100 procent van het WML? Als iemand meer dan 100 procent van het WML verdient in beschut werk, terwijl hij een productiviteit onder 80 procent van het WML heeft, hoe groot is dan de kans dat deze werknemer ooit naar een andere werkgever zal doorstromen?

Antwoord 125:

Nieuw beschut werk is bedoeld voor mensen die door lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperking een zodanige mate van ondersteuning nodig hebben dat van reguliere werkgevers niet (zonder meer) kan worden verwacht dat zij deze mensen in dienst nemen. De kern van beschut werk betreft de mate waarin een persoon (structureel) begeleiding en werkplekaanpassing nodig heeft om een functie uit te oefenen. Teneinde de doorstromingsmogelijkheden voor mensen die beschut gaan werken te stimuleren kunnen gemeenten bij het vormgeven van beschut werk alle reguliere voorzieningen (inclusief loonkostensubsidie) uit de Participatiewet inzetten. Dat sluit niet uit dat er sprake kan zijn van een hoger loon dan het wettelijk minimumloon. Zoals in het Sociaal Akkoord is afgesproken krijgen mensen op een beschutte werkplek een beloning conform de relevante cao. De kans op doorstroom naar een baan bij een reguliere werkgever is daarmee inderdaad kleiner. Echter, er kan sprake zijn van een zodanige arbeidsontwikkeling dat de mogelijkheid op doorstroom op een later moment alsnog aan de orde kan zijn.

126

Als gemeenten personen aannemen in beschut werk en daarvoor een CAO-loon betalen dat hoger is dan 100 procent van het WML, gaat dit dan (er vanuit gaande dat gemeenten niet uit algemene middelen het budget aanvullen) ten koste van het aantal plekken dat beschikbaar is voor beschut werk?

Antwoord vraag 126:

Indien een gemeente personen aanneemt in beschut werk met een loon groter dan 100% WML, zijn de kosten van het deel boven de 100% voor rekening van de werkgever en in dit geval, van de gemeente. Een gemeente kan het deel boven 100% WML niet ten laste brengen het Participatiebudget, maar betaalt dit uit de algemene middelen. Het is mogelijk dat dit effect heeft op het aantal plekken beschut werk dat een gemeente bereid is aan te bieden. In dit kader heeft het kabinet in de brief van 11 april aangegeven dat het van belang is dat het cao-loon voor mensen die beschut gaan werken zo dicht mogelijk bij het wettelijk minimumloon ligt.

127

Bevat de CAO voor gemeente-ambtenaren een loonschaal op 100 procent van het WML? Zo nee, heeft de regering de garantie dat deze loonschaal voor 2015 in de CAO is opgenomen?

Antwoord vraag 127:

Volgens informatie van de VNG liggen de laagste loonschalen in de CAR-UWO, de cao voor gemeenten, licht boven het wettelijk minimumloon. Het kabinet kan de gevraagde garantie niet geven; de arbeidsvoorwaarden voor mensen in gemeentelijke dienst zijn een verantwoordelijkheid van de sociale partners.

128

Hoe wordt voorkomen dat werkgevers via een zo laag mogelijke vaststelling van de loonwaarde, een te groot gedeelte van het salaris van de werknemer door de gemeente gaan laten betalen? Gaat de loonwaarde worden vastgesteld zonder betrokkenheid van de werkgever?

Antwoord vraag 128:

In het Sociaal Akkoord van 11 april jongstleden staat dat het Werkbedrijf in samenspraak met de werkgever de loonwaarde bepaalt. Uitgangspunt is dat de loonwaarde op een betrouwbare, objectieve wijze wordt vastgesteld en periodiek wordt herhaald. Het kabinet werkt de vormgeving van de loonwaardebepaling in overleg met de VNG en sociale partners nader uit. In de Nota van Wijziging van de Participatiewet zal nader worden ingegaan op de bepaling van de loonwaarde.

129

Kan de regering uitgebreid inzicht geven in de berekening op basis waarvan er vanuit wordt gegaan dat er 30.000 beschut-werkplekken moeten komen? Op basis van welke feiten en berekening is er gebaseerd dat 30.000 plekken voldoende is om alle personen die niet bij een reguliere werkgever terecht kunnen een beschutte werkplek te geven? Kan de regering ook daar uitgebreid inzicht in geven?

Antwoord vraag 129:

Uit de praktijk blijkt dat niet alle mensen met een Wsw-indicatie zijn aangewezen op een volledig beschutte werkomgeving. Een aanzienlijk deel van deze mensen kan met enige begeleiding werken bij een reguliere werkgever. Deze 30.000 plekken zijn in lijn met het streven van de sector zelf naar een sectorbrede verdeling waarin minimaal een derde van de doelgroep werkt bij reguliere werkgevers, een derde werkt op locatie buiten het sw-bedrijf en maximaal een derde binnen de beschutte omgeving van het sw-bedrijf.

130

Het instrument loonkostensubsidie komt beschikbaar voor personen die beschut werken of die kunnen worden geplaatst bij een werkgever en een productiviteit hebben tot 80 procent van het WML. Betreft dit dus de hele doelgroep (met een productiviteit van 80 procent) van de personen die onder de re-integratieverantwoordelijkheid vallen van de gemeenten?

Antwoord vraag 130:

Het kabinet werkt op dit moment het instrument loonkostensubsidie in overleg met de VNG, gemeenten en andere partijen nader uit. Het gaat hierbij ook om de bepaling van de doelgroep.

131

Op welke wijze wordt er rekening gehouden met de inkomenszekerheid van de arbeidsgehandicapten?

Antwoord vraag 131:

In het Sociaal Akkoord wordt onderscheid gemaakt tussen mensen zonder arbeidsvermogen en mensen met (beperkt) arbeidsvermogen. De mensen die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben, houden recht op een Wajong-uitkering. De uitkering bedraagt 75% van het wettelijk minimumloon. Voor de mensen met arbeidsvermogen komt er één regeling, de Participatiewet. Op grond hiervan komen instrumenten beschikbaar, zoals bijvoorbeeld loonkostensubsidie, die hen aan het werk helpen en houden. Werk is immers de grootste inkomenszekerheid voor mensen. Voor mensen met arbeidsvermogen die het nog niet gelukt is om werk te vinden en die inkomen hebben lager dan het bestaansminimum, is er het vangnet van de bijstand.

132

Is het denkbaar dat bij de loonkostensubsidieregeling een onderscheid gemaakt gaat worden tussen hoog- en laag opgeleide arbeidsgehandicapten?

Antwoord vraag 132:

Het kabinet streeft met de Participatiewet naar een regeling voor een brede doelgroep en maximale beleidsvrijheid voor gemeenten om binnen de gestelde kaders maatwerk te kunnen leveren en ondersteuning te bieden aan wie dat nodig heeft. Het kabinet ziet voorshands geen reden om onderscheid te maken naar hoog- en laagopgeleide arbeidsgehandicapten.

133

Loonkostensubsidie is een duurder instrument. In de financiering houdt de regering daar rekening mee door middel van extra middelen van € 480 miljoen voor loonkostensubsidies. Wanneer wordt de structurele situatie van € 480 miljoen bereikt? Kan aangegeven worden hoeveel personen in aanmerking komen voor loonkostensubsidie rekening houdend met:

  • het feit dat voor sommigen nooit meer dan 80 procent productiviteit te halen is, dus loonkostensubsidie moet worden toegepast/betaald tot de pensioengerechtigde leeftijd?

  • het feit dat het beslag op de middelen loopt van 10- 70 procent loonkostensubsidie als percentage van het WML?

Antwoord vraag 133:

Het kabinet verwacht dat de structurele situatie van € 480 miljoen wordt bereikt rond het jaar 2048. De verwachting is dat rond 2048 het aantal mensen in de Participatiewet dat bij ongewijzigd beleid onder de Wajong of de Wsw zou vallen, het hoogtepunt heeft bereikt. Vanaf 2048 blijft dit aantal ongeveer stabiel: de instroom in de Participatiewet en de uitstroom zijn gelijk. In de eerstkomende jaren is er vooral sprake van instroom en nog maar beperkt van uitstroom.

Gemeenten hebben binnen de wettelijke kaders de beleidsvrijheid om te bepalen hoe zij mensen naar werk geleiden. Zij bepalen dus ook wie en hoeveel mensen in aanmerking komen voor loonkostensubsidie. Het kabinet heeft bij het beschikbaar stellen van de extra middelen rekening gehouden met het feit dat voor sommigen de loonkostensubsidie een meer permanent karakter zal hebben en met het feit dat het bedrag per loonkostensubsidie tussen 20% WML en 70% WML zal liggen. Idealiter ontwikkelen mensen zich zodanig dat geen loonkostensubsidie meer nodig is om het minimumloon te verdienen. In sommige gevallen is dit een brug te ver en zal loonkostensubsidie duurzaam nodig zijn om mensen aan het werk te houden. De ervaring zal daarom leren hoe de feitelijke inzet van het instrument door gemeenten zich ontwikkelt. De regering zal dit nauwgezet monitoren.

134

Hoe verhoudt zich het creëren van een aparte categorie beschut werk tot het streven naar één regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt?

Antwoord vraag 134:

De Participatiewet omvat inderdaad één regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt. Er zijn met de inwerkingtreding van de Participatiewet, behoudens de Wsw en WIA, geen aparte regelingen en regimes meer voor arbeidsgehandicapten met arbeidsvermogen. Beschut werk is een van de instrumenten onder deze regeling. Voor de vormgeving van beschut werk kunnen gemeenten gebruik maken van de reguliere re-integratievoorzieningen (inclusief loonkostensubsidie) zoals opgenomen in de Participatiewet.

135

Hoe is de financiering van de beschut werken plekken (en ondersteuning dan wel dure werkplekaanpassingen) geregeld?

Antwoord vraag 135:

De financiering van de loonkostensubsidies bij beschut werk gebeurt vanuit het inkomensdeel WWB van gemeenten. De middelen voor begeleiding (en werkplekaanpassing) worden toegevoegd aan het gebundelde re-integratiebudget van gemeenten. Gemeenten hebben daarbij de vrijheid om maatwerk te bieden. Bij de bepaling van de omvang van het Inkomensdeel en van het gebundelde re-integratiebudget wordt hier rekening mee gehouden.

136

Is het verplicht voor gemeenten beschut werken te organiseren en hoe worden de 30.000 begrote plekken over de arbeidsmarktregio's verdeeld?

Antwoord vraag 136:

Gemeenten zijn verplicht om beleid te maken voor het realiseren van beschut werk. Gemeenten krijgen in de structurele situatie de middelen voor 30.000 beschutte plaatsen en krijgen binnen de wettelijke kaders van de Participatiewet de ruimte om daar een eigen lokale invulling aan te geven. Zij worden verplicht deze lokale invulling in een verordening vast te leggen. De regering gaat de inzet van de voorziening beschut werk monitoren. De wijze van monitoring wordt nader uitgewerkt met de betrokken partijen. Over de verdeling van de financiële middelen voor de plekken beschut werk ben ik nog in gesprek met betrokkenen. Het resultaat daarvan zal neerslaan in de verdeelsystematiek van het Inkomensdeel en het gebundelde re-integratiebudget.

137

Kan aangegeven worden wat het onderscheid en de grens is tussen het beschut werken en arbeidsmatige dagbesteding?

Antwoord vraag 137:

In de huidige situatie gaat het bij begeleiding-groep (waaronder dagbesteding) vanuit de AWBZ om het bieden van een voor betrokkene zingevend dagprogramma ter vervanging van al dan niet aangepaste vormen van arbeid. Het is een programmatisch/methodisch aanbod, gericht op het structureren van de dag, gericht op praktische ondersteuning en op het oefenen van vaardigheden die iemands zelfredzaamheid bevorderen (zie ook het antwoord op vraag 110). De betrokkene wordt daarom actief bij het doel van zijn dagbesteding betrokken. Bij begeleiding-groep is geen sprake van loonvormende arbeid. Beschut werk heeft wel betrekking op loonvormende arbeid. Mensen die beschut werken hebben daarom altijd een dienstbetrekking.

Met de inwerkingtreding van de Participatiewet wijzigt het beleid voor beschut werk. Daarnaast wordt op dit moment in het kader van de hervorming van de langdurige zorg, de decentralisatie van onder andere begeleiding-groep naar gemeenten voorbereid. Dit zal onder meer in het voorstel voor de nieuwe Wmo 2015 worden vormgegeven.

Gemeenten zijn straks verantwoordelijk voor de ondersteuning van mensen in het gehele sociale domein op grond van de Participatiewet, de Wmo en de Jeugdwet. Zij worden in staat gesteld om te komen tot een integraal arrangement, bijvoorbeeld als het gaat om werk en ondersteuning, dat aansluit bij de behoeften en mogelijkheden van hun inwoners.

138

Is er bij beschut werk net als nu bij de Wsw nog een vorm van herindicering/herkeuring aan de orde?

Antwoord vraag 138:

In de brief van 11 april met de afspraken uit het Sociaal Akkoord is aangekondigd dat iedere drie jaar een herkeuring plaatsvindt van mensen die beschut werken.

139

Blijft de studieregeling in de Wajong-bestaan? Zo nee, komt er een studieregeling in de Participatiewet?

Antwoord vraag 139:

Het kabinet beraadt zich hier nog over. Zie ook het antwoord op vraag 96.

140

Komt dat ene onafhankelijke indicatieorgaan er nu voor keuring van werknemers? Zo nee, hoe verhoudt dat zich tot het Sociaal Akkoord en op welke wijze wil de regering onafhankelijke keuringen waarborgen? Kan de regering het proces van keuringen beschrijven? Hoe verhoudt deze zich tot bestaande medische keuringen van werknemers?

Antwoord vraag 140:

Zie het antwoord op vraag 114.

141

Betekent het dat werknemers die een productiviteit hebben tot 80 procent van het WML, wanneer geen verbetering mogelijk is van de productiviteit vanwege de beperking, zij nooit meer dan 100 procent van het WML kunnen gaan verdienen? Op welke wijze, op basis van welke criteria en door wie wordt de arbeidsproductiviteit gemeten?

Antwoord vraag 141:

Bij inzet van het nieuwe instrument loonkostensubsidie ontvangt de werknemer van zijn werkgever het toepasselijke CAO-loon of wettelijk minimumloon. De arbeidsvoorwaarden zijn de verantwoordelijkheid van (vertegenwoordigers van) werkgevers en werknemers. Het kabinet werkt op dit moment het instrument loonkostensubsidie en de loonwaardebepaling in overleg met de VNG, gemeenten en andere partijen nader uit. Met de Nota van Wijziging van de Participatiewet zal de nadere vormgeving van het instrument bekend worden.

142

Het instrument loonkostensubsidie komt beschikbaar voor personen die beschut werken of die kunnen worden geplaatst bij een werkgever en een productiviteit hebben tot 80 procent van het WML. Betreft dit de hele doelgroep (met een productiviteit van minder dan 80 procent) van de personen die onder de re-integratieverantwoordelijkheid vallen van de gemeenten (dus niet alleen de arbeidsgehandicapten met arbeidsvermogen)? Wanneer wordt de structurele situatie van 480 miljoen voor loonkostensubsidies bereikt? Hoeveel personen kunnen in aanmerking komen voor loonkostensubsidie rekening houdend met het feit dat voor sommigen nooit meer dan 80 procentproductiviteit te halen is (vgl. beschut werken), dus loonkostensubsidie moet worden toegepast/betaald tot 65 jaar en het beslag op de middelen loopt van 10- 70 procent loonkostensubsidie als percentage van het WML?

Zie het antwoord op vraag 133.

143

De regering gaat uit van 30.000 beschutte werkplekken maar spreekt tegelijkertijd over een sterfhuisconstructie in de media, houden beschutte werkplekken straks op te bestaan en is dit de reden dat in de brief niets staat over de afspraak zoals neergelegd in het Sociaal Akkoord dat er een CAO komt met loon oplopend van 100 procent WML naar 120 procent WML of komt er een verplichting voor gemeenten om 30.000 beschutte werkplaatsen te realiseren en wat als er meer dan 30.000 personen geïndiceerd worden voor een beschutte werkplaats? Worden bestaande criteria voor beschutte werkplekken aangepast? Zo ja, op welke wijze?

Antwoord vraag 143:

De Wsw wordt vanaf de invoering van de Participatiewet afgesloten voor nieuwe instroom. Daarmee wordt de huidige Wsw stapsgewijs afgebouwd. Met de invoering van de Participatiewet krijgen de gemeenten de vrijheid om te bepalen welke ondersteuning mensen nodig hebben. Eén van de instrumenten die gemeenten kunnen inzetten is beschut werk. Beschut werk is bedoeld voor mensen die door lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen een zodanige mate van ondersteuning nodig hebben, dat niet van een reguliere werkgever verwacht mag worden dat hij deze mensen in dienst neemt. Gemeenten krijgen beleidsvrijheid bij de uitvoering van beschut werk. Zij kunnen daarbij ook de expertise van de huidige sw-bedrijven inzetten. Ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden geldt voor de regering de brief van 11 april. Daarin is geen sprake van een aparte cao voor beschut werk, maar is aangeven dat werknemers die beschut gaan werken, komen te vallen onder de «gemeente-cao» of de cao die van toepassing is op een reguliere werkgever. Zie ook het antwoord op vraag 119.

144

Geldt het maximum van 70 procent Loonkostensubsidie/WML ook voor de groep beschut? Hoe is de financiering geregeld als het personen betreft met een lagere loonwaarde dan 30 procent? Hoeveel bedraagt het beslag op de middelen loonkostensubsidie bij het financieren va 30.000 werkplekken beschut werk en wanneer is dit maximum voorzien? Hoe worden de 30.000 begrote plekken over de arbeidsmarktregio’s verdeeld?

Antwoord vraag 144:

Ja, conform afspraak in het Sociaal Akkoord geldt ook voor beschut werk een maximum loonkostensubsidie van 70% van het wettelijk minimumloon. Indien de loonwaarde van iemand minder is dan 30% WML zijn de extra kosten voor de werkgever. De middelen voor begeleiding en ondersteuning bij de beschut-werkplekken maken onderdeel uit van het Participatiebudget. Deze middelen worden niet verdeeld over de arbeidsmarktregio’s, maar over de gemeenten. Over de verdeelsystematiek is het kabinet in overleg met onder meer de VNG. De middelen voor loonkostensubsidie bij de beschut-werkplekken maken deel uit van het inkomensdeel WWB.

Bij de Nota van Wijziging van de Participatiewet zal nader ingegaan worden op het financiële beeld ten aanzien van beschut werk.

145

Kan aangegeven worden wat het onderscheid en de grens is tussen het beschut werken en arbeidsmatige dagbesteding? Is er bij beschut werk net zo als nu bij de Wsw nog een vorm van herindicering/herkeuring aan de orde?

Antwoord vraag 145:

Zie de antwoorden op de vragen 110, 137 en 138.

146

De groep personen die in aanmerking komt voor beschut werken komt «in dienst bij de gemeente». Wat is de aard van het dienstverband? Worden zij ambtenaar? Wordt ervan uitgegaan dat de gemeenten een CAO voor deze groep werknemers gaan afsluiten?

Antwoord vraag 146:

Zie de antwoorden op vraag 37 en 107.

147

Wat gebeurt er met de SW-ers die (tot 1 januari 2015) op de wachtlijst staan? Houden zij ook de huidige rechten?

Antwoord vraag 147:

Mensen met een geldige Wsw-indicatie die op 31 december 2014 geen Wsw-dienstbetrekking hebben, kunnen met ingang van 1 januari 2015 niet meer de Wsw instromen. Deze mensen vallen, voor zover zij behoren tot de gemeentelijke doelgroep, vanaf die datum onder de werking van de Participatiewet. Zij kunnen een beroep doen op de ondersteuning door gemeenten. Voor de Wsw geïndiceerde mensen met een uitkering bij UWV kunnen een beroep doen op ondersteuning door UWV.

148

Mogen personen uit de SW ook zelf overstappen naar een reguliere werkgever?

Antwoord vraag 148:

Ja.

149

Wanneer beoogt de regering het wetsvoorstel Participatiewet in de Tweede Kamer te behandelen?

Antwoord vraag 149:

Zoals u ook in het antwoord op vraag 74 kunt lezen streeft het kabinet ernaar om de Nota van Wijziging voor de Participatiewet in november aan de Tweede Kamer aan te bieden. Het kabinet hoopt dat het tijdstip van de inbreng van uw Kamer op de Nota van Wijziging voor de Participatiewet het mogelijk maakt dat de behandeling van de Participatiewet nog dit jaar kan plaatsvinden.

150

Wie is financieel eindverantwoordelijk voor de Participatiewet?

Antwoord vraag 150:

De Minister van SZW is verantwoordelijk voor de gemaakte keuzes in de NvW Participatiewet en voor het beschikbaar stellen van financiële middelen aan de gemeenten voor de uitvoering van de Participatiewet. Gemeenten dragen de financiële gevolgen van door hen binnen het beleidsmatige en financiële kader van de Participatiewet gemaakte keuzes. Daarbij geldt uiteraard dat de Minister van SZW de financiële ontwikkelingen van de Participatiewet zal monitoren en dat (meerjarige) risico’s voor gemeenten via de macrosystematiek van het Inkomensdeel worden beperkt.

151

Maakt de zorgplicht deel uit van de rechten die huidige Wsw-ers behouden?

Antwoord vraag 151:

De wettelijke bepalingen op grond van de Wsw blijven van toepassing op de groep mensen die bij de inwerkingtreding van de Participatiewet met een Wsw-indicatie in de Wsw werkzaam zijn. Met de invoering van de Participatiewet per 1 januari 2015 is er geen mogelijkheid meer om in te stromen in de Wsw. Dientengevolge bestaat er ook geen wachtlijst meer en komen de zorgplicht en het wachtlijstbeheer te vervallen voor mensen met een indicatie op de wachtlijst.

152

Op welke manier zoekt de regering naar een oplossing voor het pensioenfonds voor personen in de sociale werkvoorziening (Pwri)?

Antwoord vraag 152:

Zie het antwoord op vraag 154.

153

Is de regering bereid om het pensioenprobleem van de bestaande SW’ers op te lossen en heeft de regering hierover gesprekken gevoerd met werkgevers en werknemers?

Antwoord vraag 153:

Zie het antwoord op vraag 154.

154

Worden bij de oplossing voor de pensioenproblematiek de gemeenten ontzien in financiële zin?

Antwoord op de vragen 152, 153 en 154:

Centraal uitgangspunt is dat sociale partners zelf verantwoordelijk zijn voor afspraken over en de financiering van de Wsw-pensioenen. Het Rijk heeft daar geen rol in. Wel is het kabinet in overleg met de VNG over de precieze gevolgen van de invoering van de Participatiewet op de pensioenlasten. Het kabinet is bereid te bezien welk effect op de pensioenlasten uitgaat van de in het regeerakkoord en het Sociaal Akkoord voorziene afsluiting van de instroom in de Wsw en tot een oplossing te komen. Zolang dit overleg nog niet is afgerond kan het kabinet nog geen uitspraken doen over dit onderwerp.

155

Als personen met een arbeidshandicap straks volgens de CAO van de werkgever betaald krijgen, vallen zij dan ook onder de pensioenregeling van de werkgever?

Antwoord vraag 155:

Mensen die met loonkostensubsidie werken vallen onder de arbeidsvoorwaarden van hun werkgever, inclusief de van toepassing zijnde pensioenregeling. Zij ontvangen ook het toepasselijke cao-loon (of wettelijk minimumloon) van hun werkgever.

156

Hoeveel levert het herkeuren van Wajongers op (jaarlijks t/m 2017 en structureel)?

Antwoord vraag 156:

Het antwoord op vraag 2 bevat de financiële gevolgen van de maatregel herbeoordeling zittend bestand Wajong (regel 3d in tabel 1). De precieze vormgeving van de beoordeling op arbeidsvermogen, en daarmee ook de samenhangende besparingen in de jaren t/m 2017, wordt nog nader uitgewerkt (zie ook het antwoord op vraag 52). Daardoor kan de financiële reeks nog wijzigingen ondergaan. In de structurele situatie zal er geen sprake zijn van besparingen, omdat in de structurele situatie het huidige zittend bestand van de Wajong met arbeidsvermogen uit de Wajong gestroomd zal zijn.

157

Hoeveel duurder is loonkostensubsidie ten opzichte van loondispensatie (jaarlijks t/m 2017 en structureel)?

Antwoord vraag 157:

De jaarlijkse en structurele meerkosten van de inzet van loonkostensubsidies ten opzichte van loondispensatie zijn weergegeven op regel 3a van tabel 1 (zie antwoord op vraag 2).

158

Welke rol ziet de regering voor SW-bedrijven in het kader van de zorgplicht?

Antwoord vraag 158:

Mensen die op 31 december 2014 werken in een dienstbetrekking op basis van de Wsw behouden hun wettelijke rechten en plichten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wsw en de zorgplicht voor mensen met een dienstbetrekking op basis van de Wsw. Gemeenten kunnen sw-bedrijven inzetten voor de uitvoering van de Wsw. Zij hebben daarin beleidsvrijheid. Sw-bedrijven hebben expertise op het terrein van het helpen participeren van mensen met een arbeidshandicap. Gemeenten kunnen deze expertise ook inzetten om de nieuwe doelgroepen van de Participatiewet te helpen participeren.

159

Als een werknemer bij een reguliere werkgever bijvoorbeeld extra begeleiding of aanpassingen nodig heeft, komt deze extra ondersteuning dan tot uiting in een lagere loonwaarde, waarna de werkgever de kosten voor extra begeleiding draagt uit een hogere loonkostensubsidie? Of blijft de loonwaarde gelijk, krijgt de werkgever een lagere loonkostensubsidie en worden de kosten voor extra begeleiding of aanpassingen door de gemeente betaald?

Antwoord vraag 159:

Het kabinet werkt op dit moment het instrument loonkostensubsidie nader uit in overleg met de VNG, gemeenten en andere partijen. Het gaat hierbij ook om de vormgeving van de loonwaardebepaling. In de Nota van Wijziging van de Participatiewet zal hierover meer duidelijk worden. De hoogte van de loonwaarde is bepalend voor de hoogte van de loonkostensubsidie die de werkgever van de gemeente ontvangt. Het kabinet is voornemens de middelen voor loonkostensubsidie aan gemeenten beschikbaar te stellen via het inkomensdeel. Daarnaast kan de gemeente zorg dragen voor de noodzakelijke begeleiding/ondersteuning. De middelen hiervoor komen voor gemeenten beschikbaar via het gebundelde re-integratiebudget.

160

Herkent de regering het signaal dat plaatsing van personen met een beperking regelmatig mislukt doordat door werkgevers een korte inwerktijd wordt gehanteerd en werkgevers na een inwerkperiode van twee weken tot de conclusie komen dat een succesvolle plaatsing niet mogelijk is. Welke maatregelen overweegt de regering om de drempel voor werkgevers zo laag mogelijk te maken en hen te ondersteunen en te stimuleren om iemand met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en deze persoon ook voldoende inwerktijd te bieden?

Antwoord vraag 160:

Dit specifieke signaal is het kabinet niet bekend. Wel is bijvoorbeeld uit de monitor arbeidsparticipatie 2012 UWV bekend dat het voor Wajongers die zijn gaan werken vaak moeilijk is om aan het werk te blijven. Van de Wajongers die in 2010 aan het werk zijn gekomen is iets meer dan de helft een jaar later nog (of weer) aan het werk. Het UWV noemt als belangrijke verklaring dat Wajongers meestal tijdelijke contracten krijgen die minder vaak verlengd worden dan bij jongeren zonder Wajonguitkering. Uit de monitor blijkt ook dat als Wajongers er in slagen om langere tijd te werken, dat zij dan niet meer zo vaak hun werk verliezen.

De afspraken uit het Sociaal Akkoord over het instrument loonkostensubsidie, de vorming van 35 regionale werkbedrijven en de garantstelling extra banen voor 125.000 personen met een arbeidsbeperking in de markt en de publieke sector vormen naar het oordeel van het kabinet een wezenlijke bijdrage om de duurzame arbeidsdeelname van mensen met een arbeidsbeperking te bevorderen. Het kabinet werkt deze afspraken nu samen met gemeenten en sociale partners uit.

161

Over de Wsw wordt in deze brief weinig aangegeven; betekent dat dat uitgegaan kan worden van de in de contourenbrief van 21 december vermelde (financiële) gegevens?

Antwoord vraag 161:

In bijlage 1 van de brief van 27 juni zijn de netto besparingen van de Participatiewet weergegeven (tabel 1). In de Nota van Wijziging van de Participatiewet zal een nader financieel beeld worden weergegeven van de specifieke gevolgen op het terrein van de Wsw. De financiële gegevens van de contourenbrief van 21 december sluiten aan bij de stand van het regeerakkoord. Daarbij is dus nog geen rekening gehouden met de wijzigingen van het Sociaal Akkoord. Zie de beantwoording op vraag 2 voor de belangrijkste wijzigingen en budgettaire gevolgen van het Sociaal Akkoord.

162

Komen de personen die geïndiceerd zijn en per 1-1-2015 (nog) niet werkzaam zijn in de Wsw onder de werking van de Participatiewet te vallen?

Antwoord vraag 162:

Ja, voor zover zij behoren tot de doelgroep van de gemeente.

163

Ook in de Wsw blijft begeleid werken mogelijk; gaat dat onder dezelfde voorwaarden als nu (inclusief financiering begeleiding) en is er een terugkeergarantie? Hoe wordt deze garantie ingevuld als er geen sprake meer is van een wachtlijst?

Antwoord vraag 163:

Gemeenten blijven de mogelijkheid behouden om mensen die reeds op 31 december 2014 met een dienstbetrekking in de Wsw werkzaam zijn (doelgroep Wsw na 1-1-2015) via begeleid werken bij een reguliere werkgever aan de slag te helpen. Met de inwerkingtreding van de Participatiewet wordt geen terugkeergarantie geregeld. Wel blijft het voor gemeenten mogelijk om voor de doelgroep Wsw na 1-1-2015 en van wie de begeleid werken dienstbetrekking eindigt een Wsw-dienstbetrekking aan te bieden. Om mensen met een Wsw-dienstbetrekking te stimuleren een begeleid werken dienstbetrekking te accepteren, geeft de Participatiewet gemeenten de mogelijkheid om een terugkeergarantie aan te bieden. De gemeente geeft daarbij een individuele garantie af dat wanneer de begeleid werken dienstbetrekking binnen een bepaalde periode eindigt, de gemeente deze persoon weer in dienst neemt op basis van een Wsw-dienstbetrekking.

164

Tabel 1 geeft geen inzicht in de gevolgen voor gemeenten. Mede door het ontbreken van de al eerder ingeboekte kortingen op het participatiebudget. Kan deze duidelijkheid gegeven worden?

Antwoord vraag 164:

Tabel 1 van de hoofdlijnenbrief geeft inzicht in de netto (gesaldeerde) opbrengsten van de Participatiewet. Het kabinet streeft ernaar om de Nota van Wwijziging van de Participatiewet in november aan de Tweede Kamer aan te bieden. Daarin zullen de netto-opbrengsten van de Participatiewet onder meer worden gesplitst in bruto besparingen op de Wajong en Wsw en gevolgen voor het inkomensdeel WWB, de re-integratiemiddelen en uitvoeringskosten voor gemeenten.

165

Zijn er behalve de korting op het participatiebudget in het begrotingsjaar 2014 al wijzigingen voor de gemeenten voorzien?

Antwoord vraag 165:

De Participatiewet gaat in op 1 januari 2015. Er zijn op grond van de Participatiewet geen wijzigingen voor gemeenten voorzien in het begrotingsjaar 2014.

166

Blijft de Wsw ook na 1 januari 2015 bestaan? Valt de huidige geïndiceerde voor de Wsw per 1 januari 2015 onder de Participatiewet of onder de Wsw? Zo nee, hoe zullen bestaande rechten en plichten dan worden gewaarborgd?

Antwoord vraag 166:

Ja, de wettelijke bepalingen op grond van de Wsw blijven van toepassing op de groep mensen die met de inwerkingtreding van de Participatiewet met een Wsw-indicatie in de Wsw werkzaam zijn. Zij behouden hun huidige rechten en plichten op grond van de Wsw. Indien mensen met een Wsw-indicatie op 31 december 2014 geen dienstbetrekking hebben op basis van de Wsw vallen zij onder de Participatiewet, voor zover zij behoren tot de doelgroep van de gemeente.

167

Wat betekent invoering van de Participatiewet voor werknemers, die op 1 januari 2015 op de wachtlijsten voor de sociale werkplaats staan?

Antwoord vraag 167:

Vanaf de invoeringsdatum van de Participatiewet kunnen er geen nieuwe mensen in de Wsw instromen. Mensen die op dat moment op de wachtlijst staan en dus geen Wsw-dienstbetrekking hebben vallen, voor zover zij behoren tot de doelgroep van de gemeente, onder de Participatiewet.

168

Wat betekent de nieuwe Participatiewet voor iemand die dan «begeleid werkt» of is gedetacheerd bij een reguliere werkgever en een terugkeergarantie heeft naar de sociale werkplaats?

Antwoord vraag 168:

Als mensen bij invoering van de Participatiewet vanuit de Wsw zijn gedetacheerd bij een reguliere werkgever, dan hebben zij een Wsw-dienstbetrekking. Voor deze mensen verandert er niks aan hun wettelijke rechten en plichten. Zij houden hun Wsw-dienstbetrekking. Voor personen die begeleid werken blijft het voor gemeenten mogelijk om voor de doelgroep Wsw na 1-1-2015 van wie de begeleid werken dienstbetrekking eindigt, een nieuwe begeleid werken diensbetrekking of een Wsw-dienstbetrekking bij de gemeente aan te bieden. Zie ook antwoord op vraag 163.

169

Als iemand met een Wsw indicatie werkloos wordt, komt hij of zij dan in de nieuwe gemeentelijke regeling voor beschut werk of kan hij of zij terugkeren naar de SW met behoud van rechten en plichten?

Antwoord vraag 169:

Mensen met een Wsw-indicatie die op 31 december 2014 niet werkzaam zijn op basis van de Wsw kunnen niet meer de Wsw instromen. Zij vallen met ingang van 1 januari 2015 onder de doelgroep van de Participatiewet, voor zover zij behoren tot de doelgroep van de gemeente. Mensen die op 31 december 2014 (doelgroep Wsw na 1-1-2015) werkzaam zijn op basis van de Wsw behouden hun rechten en plichten. Indien een dienstbetrekking op basis van begeleid werken of Wsw-dienstbetrekking eindigt, blijft de gemeenten de mogelijkheid behouden om hen wederom een Wsw-dienstbetrekking of begeleid werken dienstbetrekking aan te bieden.

170

Welke bezuinigingen op het participatiebudget zijn de afgelopen jaren ingeboekt?

Antwoord vraag 170:

Op het Participatiebudget voor gemeenten zijn voor de periode 2008–2017

de onderstaande bruto ombuigingen ingeboekt. Bij de korting op grond van het regeerakkoord is er rekening meegehouden dat er uitverdieneffecten optreden van 25% in het eerste jaar en 50% in latere jaren. Hierdoor zijn de bruto ombuigingen op de re-integratiebudgetten groter dan de netto taakstelling uit het regeerakkoord.

Tabel 5

Tabel 5

171

Kan de regering aangeven waarom ze er niet voor kiest om ook (voorbeelden van) werkgevers te benoemen die wel de verantwoordelijkheid nemen om personen met een arbeidshandicap in dienst te nemen?

Antwoord vraag 171:

Het kabinet heeft in de hoofdlijnenbrief Participatiewet en quotum van 27 juni melding gemaakt van trends en cijfers die aantonen dat, alhoewel er werkgevers zijn die hun verantwoordelijkheid nemen en mensen met een arbeidsbeperking laten participeren, dit nog veel te weinig gebeurt in Nederland. Dat neemt niet weg dat er al werkgevers actief aan de slag zijn om mensen met een arbeidsbeperking een reguliere werkplek te bieden. In eerdere brieven aan uw Kamer heeft het kabinet voorbeelden genoemd van goede initiatieven die werkgevers hebben genomen om mensen met een arbeidsbeperking aan de slag te helpen. In deze brieven verwijst het kabinet naar interessante initiatieven zoals «De Normaalste Zaak» en «Locus». Dit zijn netwerkorganisaties waarbij een groot aantal werkgevers is aangesloten die mensen met een beperking werk bieden18. Het kabinet vindt het positief dat er al werkgevers zijn die een voorbeeldfunctie vervullen. Met de afspraken die het kabinet in het Sociaal Akkoord met werkgevers en werknemers heeft gemaakt, hebben de sociale partners zich verbonden aan de doelstelling van het kabinet om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Deze gezamenlijke afspraak vindt het kabinet een belangrijke meerwaarde voor het bereiken van deze doelstelling.

172

Hoe hard zijn de toegezegde 2500 extra banen in 2014 in de marktsector? Waarom maken deze 2500 geen onderdeel uit van het eerste evaluatiemoment waarop het quotum geactiveerd kan worden?

Antwoord vraag 172:

Zie het antwoord op vraag 173.

173

Tellen de 2500 extra banen in 2014 bij de overheid wel mee bij het eerste evaluatiemoment van de baangarantie door de overheid?

Antwoord vraag 173:

De toegezegde 2500 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking in 2014 zijn onderdeel van de garantstelling voor de extra banen door werkgevers in de marktsector. Ook is in het Sociaal Akkoord afgesproken dat voor de beoordeling of het quotum geactiveerd moet worden, wordt gekeken naar het realiseren van 11.000 extra banen ten opzichte van de nulmeting. Op basis van het zelfde evaluatiemoment zal in 2016 de beoordeling plaatsvinden voor de realisatie aan de kant van de publieke sector: minimaal 5000 extra banen ten opzichte van de nulmeting.

174

Stopt de overheid na 2025 met het actief aan een baan helpen van personen met een arbeidsbeperking, als zij haar maximum van 25.000 banen heeft bereikt?

Antwoord vraag 174:

De afspraken in het Sociaal Akkoord betreffende de garantstelling van extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking lopen tot 2026. De publieke sector zet zich al een lange periode actief in voor banen voor deze doelgroep. Met de garantstelling van de extra banen in de publieke sector gaat het om structureel 25.000 extra banen. Het is het streven om deze plekken vervuld te houden.

175

Wordt het aantal banen onder de baangarantie gemeten in fte, of in aantal personen?

Antwoord vraag 175:

In het Sociaal Akkoord is afgesproken dat werkgevers in de particuliere sector zich garant stellen voor 100.000 extra banen oplopend naar 2026 voor mensen met een arbeidsbeperking. De publieke sector stelt zich garant voor 25.000 extra plekken. Hoe het aantal extra banen wordt gemeten is een punt van nadere uitwerking.

176

Waarom kiest de regering voor een boete voor werkgevers € 5.000 per fte per jaar bij niet naleving van het quotum? Waarom kiest de regering ervoor om het wetstraject per 1 januari 2015 af te ronden en het quotum mogelijk pas in 2017 in te laten gaan terwijl de bezuinigingen op werk en inkomen en afbraak van de sociale werkplaatsen dan al jaren gaande is?

Antwoord vraag 176:

Voor een nadere toelichting op het tijdpad van de opbouw van de garantstelling extra banen zie het antwoord op vraag 14. De afspraken voor de extra banen zijn niet vrijblijvend. Het kabinet werkt voor het geval de banen niet worden gerealiseerd, een quotumregeling uit.

De exacte invulling van de quotumregeling zal worden uitgewerkt in een aparte wet en in lagere regelgeving. Het wetstraject voor de quotumregeling sluit zo nauw mogelijk aan bij het wetstraject van de Participatiewet en de doelstelling van die wet om werkgevers te stimuleren uitkeringsgerechtigden in dienst te nemen. De quotumheffing als zodanig treedt later in werking, maar het is belangrijk het proces van de garantstelling voor de extra banen en andere instrumenten en als sluitstuk, de eventuele heffing, een goede wettelijke basis te geven.

177

Hoe verhoudt de doelgroep van het quotum zich tot de doelgroep van de loonkostensubsidie? Is dit dezelfde doelgroep? Zo nee, waar wijkt deze af?

Antwoord vraag 177:

De exacte invulling van de quotumregeling zal worden uitgewerkt in een aparte wet en in lagere regelgeving. Ook nader uitgewerkt wordt hoe die zich verhoudt tot het instrument loonkostensubsidie. In het antwoord op vraag 13 wordt ingegaan op de doelgroep.

178

Klopt het dat de garantie van in totaal 125.000 banen meer is dan de veronderstelde 100.000 (later bijgesteld naar 170.000) uit het regeerakkoord, omdat hieronder de aanname lag dat de helft van dit aantal zou worden afgekocht? Zo nee, hoe zit het dan wel met de rekenveronderstellingen?

Antwoord vraag 178:

Bij het regeerakkoord is de rekenveronderstelling gehanteerd dat het quotum circa 100.000 plekken zou beslaan en dat circa de helft van de plekken daadwerkelijk zou ontstaan. De besparing op de uitkeringen bedroeg in het regeerakkoord 100 miljoen euro en aan boetes was 250 miljoen ingeboekt. Het kabinet heeft er vertrouwen in dat de sociale partners hun verantwoordelijkheid nemen en dat de afgesproken aantallen extra banen tot stand komen.

179

Komt de «doelgroep loonkostensubsidie» overeen met de «doelgroep quotum»? Zo nee, waar zit het verschil?

Antwoord vraag 179:

Zie het antwoord op vraag 177.

180

Hoe luidt de definitie van de doelgroep arbeidsgehandicapten die in aanmerking komt voor de mobiliteitsbonus?

Antwoord vraag 180:

De mobiliteitsbonus is beschikbaar voor maximaal drie jaar voor de werkgever die een arbeidsgehandicapte in dienst neemt die tot de wettelijke doelgroep behoort. De huidige doelgroep bestaat uit mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (bijv. WIA, Wajong) en mensen die daarmee zijn gelijkgesteld (zoals mensen uit de gemeentelijke populatie die naar het oordeel van het UWV structureel functionele beperkingen hebben). Door de afspraken in het regeerakkoord en het Sociaal Akkoord wordt de doelgroep van de Wajong beperkt en gaan jongeren met arbeidsvermogen over naar gemeenten. In het Sociaal Akkoord is afgesproken dat de mobiliteitsbonus niet van toepassing is op de groep mensen met arbeidsbeperkingen die met het nieuwe instrument loonkostensubsidie aan het werk gaat. Bezien wordt nog in welke gevallen een mobiliteitsbonus nog wel geldt. Dit zal worden uitgewerkt in de Nota van Wijziging.

181

Wordt de definitie van de doelgroep van het quotum financieel bepaald, in de zin van «niet zelfstandig het WML kunnen bereiken»?

Antwoord vraag 181:

Zoals in de brief van 27 juni uiteen is gezet focust de doelgroep van de garantstelling banen en het quotum op mensen met een arbeidsbeperking die niet zelfstandig het WML kunnen verdienen. Dit uitgangspunt wordt nader uitgewerkt in de wetgeving voor de quotumregeling. Zie ook het antwoord op vraag 13. Hierin wordt ingegaan op de doelgroep.

182

Waar hebben hoogopgeleide arbeidsgehandicapten recht op die wel zelfstandig beduidend meer dan het WML kunnen verdienen, maar waarvoor wel de werkplek moet worden aangepast of die begeleiding nodig hebben?

Antwoord vraag 182:

Hoogopgeleide mensen met een arbeidsbeperking hebben binnen de Participatiewet dezelfde rechten en plichten als ieder ander die onder de Participatiewet valt. De Participatiewet biedt gemeenten de mogelijkheid om met een divers pakket aan instrumenten maatwerk te bieden aan de doelgroep. Tot die instrumenten behoren ook werkplekaanpassingen en begeleiding.

183

Hoe groot is de doelgroep van het quotum?

Antwoord vraag 183:

De precieze formulering van de doelgroep voor de garantstelling van de extra banen en het quotum wordt nog nader uitgewerkt. Hierdoor is de omvang van de doelgroep op dit moment niet aan te geven. Het gaat om mensen met een arbeidsbeperking die niet zelfstandig het WML kunnen verdienen. Zie ook het antwoord op vraag 13.

184

Hoeveel personen uit de doelgroep van het quotum hebben nu al een baan?

Antwoord vraag 184:

Zoals in het antwoord op vraag 183 staat, is de omvang van de doelgroep voor de extra banen en het quotum nog niet aan te geven. In de antwoorden op de vragen 7 en 11 staan gegevens over de aantallen mensen met een arbeidsbeperking die werken.

185

Kunt u de besparing die geraamd is vanwege de baangarantie onderbouwen?

Antwoord vraag 185:

Bij de ramingen is het uitgangspunt gehanteerd dat de extra banen die zijn afgesproken in het Sociaal Akkoord worden gerealiseerd. Voor elke extra baan is gerekend met een besparing van 3.500 euro op de uitkeringslasten. In dit bedrag, dat ook door het CPB is gehanteerd bij de doorrekening van het quotum in het Regeerakkoord, is rekening gehouden met verschillende aspecten, zoals bijvoorbeeld een niet volledig bespaarde uitkering wanneer iemand met een arbeidsbeperking aan het werk gaat met een loonkostensubsidie. Daarnaast is rekening gehouden met een beperkte correctiereeks, omdat verwacht werd dat ook zonder baangarantie extra mensen aan het werk zouden zijn gegaan als gevolg van de Participatiewet.

186

Er wordt een aanduiding gegeven van de doelgroep die onder het quotum zou kunnen vallen. Kan een indicatie gegeven worden hoe groot deze doelgroep is in relatie tot de 100.000 + 25.000 vrijwillig afgesproken plaatsen?

Antwoord vraag 186:

De exacte hoeveelheid mensen in de doelgroep die gebruik kunnen maken van de garantstelling voor extra banen en een mogelijke quotumregeling is pas te geven wanneer de exacte invulling van de quotumregeling bekend is. Zie ook de antwoorden op vraag 183 en 184.

187

Welke additionele stimuleringsmaatregelen gaan er genomen worden om ook hoogopgeleide arbeidsgehandicapten aan het werk te krijgen?

Antwoord vraag 187:

Zoals ook in het antwoord op vraag 132 staat, streeft het kabinet met de Participatiewet naar een regeling voor een brede doelgroep en maximale beleidsvrijheid voor gemeenten om binnen de gestelde kaders maatwerk te kunnen leveren en ondersteuning te bieden aan wie dat nodig heeft. Gemeenten beschikken met de Participatiewet over een breed re-integratie-instrumentarium. Het kabinet ziet daarom geen reden om extra stimuleringsmaatregelen te nemen voor een specifieke groep arbeidsgehandicapten.

188

Krijgt de Kamer ook inspraak bij de lagere regelgeving over de invulling van het quotum?

Antwoord vraag 188:

De exacte invulling van de quotumregeling zal later plaatsvinden. De Kamer zal hierbij worden betrokken.

189

Is het quotum definitief van tafel als blijkt uit de evaluatie in 2016 dat er voldoende instroom, 11.000 of meer, is gerealiseerd?

Antwoord vraag 189:

Nee, in het Sociaal Akkoord is afgesproken dat de garantstelling voor extra banen door werkgevers jaarlijks zal worden gemonitord. De extra banen moeten in 2017, 2018 oplopend naar 2026 met in totaal 125.000 extra banen, gerealiseerd worden. De activering van het quotum hoort bij elke jaarlijkse evaluatie tot een mogelijke uitkomst.

190

Wie gaat het quotum monitoren?

Antwoord vraag 190:

Dit wordt nog nader uitgewerkt.

191

Hoe gaat het quotum worden gemonitord?

Antwoord vraag 191:

Dit wordt nog nader uitgewerkt.

192

Waarom is de peildatum voor de nulmeting 1 januari 2013?

Antwoord vraag 192:

Met sociale partners is afgesproken dat dit de peildatum van de nulmeting zou worden. Dit om te kunnen monitoren of de extra banen waarvoor werkgevers in de marktsector en de publieke sector garant staan ook daadwerkelijk gerealiseerd zijn.

193

Worden de jaren 2013 en 2014 ook jaarlijks gemonitord, zodat duidelijk is of er daadwerkelijk in het eerste jaar van belang (2015) wordt voldaan aan de afgesproken 5.000 extra plekken, en deze niet al voor een deel in 2013 en 2014 zijn gehaald?

Antwoord vraag 193:

De monitoring van de extra banen wordt nog nader uitgewerkt. In het Sociaal Akkoord is afgesproken dat in 2016 een eerste beoordeling plaats zal vinden van de gerealiseerde extra banen. Dit betekent voor werkgevers in de marktsector 11.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking ten opzichte van de nulmeting.

194

Is er sprake van twee losse banenquota, één voor de marktsecor en één voor de overheid? Zo ja, is het de bedoeling dat deze los van elkaar geactiveerd kunnen worden indien een van beide sectoren de afspraken niet nakomt?

Antwoord vraag 194:

Ja, er is sprake van twee verschillende banenquota die los van elkaar kunnen worden geactiveerd. Hoe de quotumregeling precies wordt vormgegeven, wordt nog nader uitgewerkt.

195

Wordt het wettelijk quotum zo vormgegeven dat het ook alleen voor de overheid of alleen voor het bedrijfsleven in werking kan worden gesteld?

Antwoord vraag 195:

Zie het antwoord op vraag 194.

196

Met ingang van 2016 zal jaarlijks gekeken worden of activering van de wettelijke verplichting nodig is. Betekent dit ook na eventuele inwerkingtreding van de regeling jaarlijks gekeken wordt of de regeling moet worden voortgezet?

Antwoord vraag 196:

Nee, eenmaal ingevoerd blijft het van kracht. Met een geactiveerde quotumregeling zal er een minimum vereiste zijn voor werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Jaarlijks wordt gevolgd hoeveel mensen met een arbeidsbeperking aan het werk zijn.

197

Wat betekent de bezuiniging van 150 miljoen op de WIA voor werk en uitkeringen van personen die hiervan afhankelijk zijn? Waarom bezuinigt de regering wel terwijl deze groep evenals de WGA’ers, buiten alle afspraken voor baangarantie, quotum, etc., valt? Kunnen zij desgewenst straks een beroep doen op de Participatiewet?

Antwoord vraag 197:

Zoals in de hoofdlijnenbrief is aangegeven hebben kabinet en sociale partners in het Sociaal Akkoord aparte afspraken gemaakt voor de mensen uit de WIA/WGA. Personen met recht op WIA/WGA behoren niet tot de doelgroep van de Participatiewet. De afspraken houden in dat sociale partners maatregelen nemen die ervoor zorgen dat minder mensen een beroep hoeven te doen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WIA. De maatregelen richten zich op een verdere versterking van de inzet op preventie en re-integratie met name voor vangnetters en de groep WGA 80–100. Vooral bij deze groepen is er potentieel voor een versterkte inzet op preventie en re-integratie. Zoals in de brief van 11 april is aangegeven komen sociale partners in 2014 met maatregelen die uiterlijk per 2015 kunnen worden ingevoerd.

198

Waarom maakt nadere invulling van het quotum geen integraal onderdeel uit van het wetsvoorstel maar kiest de regering ervoor deze bij lagere regels in te vullen?

Antwoord vraag 198:

In de wet worden de contouren van de quotumregeling vastgelegd. De invulling bij lagere regelgeving betreft de omvang van de heffing en de berekening van het quotum en de voorwaarden die gelden.

199

Op welke manier wordt de quotumwet geactiveerd? Door welke vorm van formele besluitvorming?

Antwoord vraag 199:

De quotumwet zal worden geactiveerd nadat uit de monitor is gebleken dat de werkgevers of de publieke sector hun garantstelling voor extra banen niet nakomen. Dit zal gebeuren na overleg met sociale partners in de marktsector en publieke sector, en gemeenten.

200

Voor het wettelijk quotum wordt uitgegaan van dezelfde doelgroep en dezelfde aantallen als in het Sociaal Akkoord. «Op een aantal onderdelen zijn echter aanpassingen nodig. Daar waar nodig, geldt het regeerakkoord als uitgangspunt.» Op welke onderdelen zijn aanpassingen nodig?

Antwoord vraag 201:

Zie het antwoord op vraag 198.

201

Waarom worden werkgevers met minder dan 25 medewerkers uitgezonderd van het wettelijk quotum? Biedt dit niet juist een prikkel aan deze kleinere bedrijven om zich niet te committeren aan de in het Sociaal Akkoord afgesproken baangarantie?

Antwoord vraag 201:

De grens van minder dan 25 medewerkers is getrokken omdat het voor sommige werkgevers met een bedrijf van die omvang moeilijk is om in de functiestructuur aanpassingen te doen om extra banen te creëren voor mensen met een arbeidsbeperking.

Dat laat onverlet dat ook bij werkgevers met minder dan 25 werknemers mensen met een arbeidsbeperking aan de slag kunnen gaan. Banen bij werkgevers met minder dan 25 medewerkers tellen mee voor de toegezegde extra banen. Het kabinet hoopt dat met de garantstelling kleinere werkgevers geprikkeld worden om mensen uit de doelgroep aan te nemen.

202

Worden de wetsvoorstellen voor de Participatiewet en de Quotumregeling gelijktijdig bij de Tweede Kamer ingediend?

Antwoord vraag 202:

Zoals in het antwoord op vraag 74 staat gemeld beoogt het kabinet het wetsvoorstel voor de Participatiewet in november in te dienen. De beoogde indiening van het wetsvoorstel voor de quotumregeling zal spoedig daarna volgen.


X Noot
1

Voor de beantwoording van deze vraag is de definitie gehanteerd uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) Deze enquête bevat veel informatie.

X Noot
2

CBS, «Arbeidsparticipatie en de afstand tot de arbeidsmarkt in Nederland, 2011», 25 januari 2013

X Noot
3

De aantallen zijn gebaseerd op de EEB en verkregen op basis van zelfrapportage, ongeacht of men een uitkering heeft of niet.

X Noot
4

Deze cijfers van het CBS zijn gebaseerd op zelfrapportage, ongeacht of men een uitkering ontvangt.

X Noot
5

CBS, «Arbeidsparticipatie en de afstand tot de arbeidsmarkt in Nederland, 2011», 25 januari 2013.

X Noot
6

UWV, «UWV Monitor Arbeidsparticipatie 2012», 10 januari 2013.

X Noot
7

CBS, «Arbeidsparticipatie en de afstand tot de arbeidsmarkt in Nederland, 2011», 25 januari 2013

X Noot
8

CBS, «Arbeidsparticipatie en de afstand tot de arbeidsmarkt in Nederland, 2011», 25 januari 2013

X Noot
9

CBS, «Arbeidsparticipatie en de afstand tot de arbeidsmarkt in Nederland, 2011», 25 januari 2013

X Noot
10

Kamerstukken II, 2012–2013, 33 566, nummer 15

X Noot
11

In het geval er geen cao van toepassing is, is de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer van toepassing, waarbij het WML de basis is.

X Noot
12

Zie brief Stichting van de Arbeid «Perspectief voor een sociaal en ondernemend Nederland: uit de crisis, met goed werk, op weg naar 2020», pagina 15.

X Noot
13

Kamerstuk 33 400 VII, nr. 59.

X Noot
14

Kamerstuk 29 544, nr. 441, rapportage «Werken met beperkingen», nr. 469, rapport «Regierol gemeenten bij regionaal arbeidsmarktbeleid» en Kamerstuk 33 000 XV, nr. 66.

X Noot
15

Zo levert het Kwaliteitsinstituut Nederlandse gemeenten (KING) een bijdrage aan de bestuurskracht van het lokale bestuur. Vanuit de rijksoverheid is een (interdepartementaal Project «Integrale aanpak» opgezet, waarbij twaalf zogenaamde focusgemeenten worden gevolgd. Het programma Effectiviteit en Vakmanschap, uitgevoerd door Divosa en de VNG, richt zich op vergroting van het vakmanschap in de uitvoeringspraktijk, ook van managers en leidinggevenden. Het Ministerie van BZK en de VNG stellen drie ambassadeurs aan die regio’s bezoeken en zo nodig ondersteunen in het versterken van hun bestuurskracht.

X Noot
17

Tweede Kamer, 2012–2013, 29 544, nr. 458

X Noot
18

Kamerbrief: Maatregelen ter bevordering van werkplekken voor mensen met een arbeidsbeperking, 1-februari 2012