Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 september 2018
Met deze brief informeer ik uw Kamer over de aanpak van de vergunningverlening voor
de windparken op de kavels III en IV Hollandse Kust (zuid). Daarnaast informeer ik
u over de voortgang van het wetsvoorstel waarmee de Wet windenergie op zee wordt aangepast
om beter te kunnen inspelen op de situatie waarin voor windparken op zee geen subsidie
nodig is. Tot slot informeer ik uw Kamer hoe ik uitvoering heb gegeven aan de motie
Van Veldhoven om bij het onderzoeken van nieuwe zoekgebieden voor de realisatie van
nieuwe windparken op zee de optie mee te nemen om grotere gebieden in één keer aan
te besteden (Kamerstuk 30 196, nr. 513).
Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavels III en IV Hollandse Kust (zuid)
Volgens planning zal eind dit jaar de tender voor kavels III en IV Hollandse Kust
(zuid) worden opengesteld. Gezien de op hand zijnde wijziging van de Wet windenergie
op zee, heb ik in de afgelopen periode met bedrijven in de windenergiesector gesproken
over de opzet van de regeling voor de vergunningverlening.
Bij een keuze voor een regeling onder het huidige regime, zou de vergunningverlening
weer op basis van een zogenaamde vergelijkende toets plaatsvinden. Met de sector zijn
de ervaringen met de vorige tender (kavels I en II Hollandse Kust (zuid)) besproken,
waarbij ook verbetermogelijkheden aan de orde zijn geweest. Een tender onder het nieuwe
regime zou pas plaats kunnen vinden op het moment dat de wetswijziging in werking
is getreden en zowel de windsector als ik voldoende tijd hebben gehad om zich op het
nieuwe regime in te stellen. Ik verwacht dat dit op zijn vroegst medio 2019 haalbaar
is.
Uit het overleg met de sector is duidelijk geworden dat er vooral behoefte is aan
spoedige duidelijkheid over het regime waaronder de volgende tender gaat vallen, en
dat de sector daarnaast sterk hecht aan het tot dusver gehanteerde ritme van jaarlijks
een tender aan het eind van het jaar. De interne planning van deze bedrijven en de
toeleverende industrie heeft zich hierop ingesteld, en afwijkingen daarvan hebben
een ongunstig effect op de kosten.
Ik ben tot de conclusie gekomen dat continuïteit in de tenderagenda voor mij voorop
staat. Zowel met het oog op de kostenontwikkeling, als met het oog op het tijdig realiseren
van de doelen uit het Energieakkoord en straks het Klimaatakkoord. Ik ben daarom voornemens
de tender voor kavels III en IV Hollandse Kust (zuid), nog dit jaar te starten onder
de huidige wetgeving.
Ik zal in de op te stellen regeling voor dit jaar een beperkt aantal wijzingen aanbrengen
in de selectiecriteria voor de vergelijkende toets. Een deel hiervan is gericht op
verdere verbetering van de transparantie van het proces. Daarmee beoog ik de risico’s
op bezwaar en beroepsprocedures te beperken. Dit naar aanleiding van de bezwaarschriften
door twee partijen tegen de uitslag van de tender. Deze bezwaarschriften zijn overigens
inmiddels ingetrokken, waardoor de vergunningen onherroepelijk zijn geworden.
De regeling wordt op dit moment verder uitgewerkt en zal naar verwachting in de loop
van oktober in de Staatscourant worden gepubliceerd. De tender zelf zal uiterlijk
eind januari 2019 sluiten.
Wetsvoorstel
Zoals aangekondigd in mijn brief van 28 juni 2017 (Kamerstuk 33 561, nr. 39) en opgenomen in de wetgevingsagenda energietransitie (Kamerstuk 30 196, nr. 566) heb ik een traject ingezet om de Wet windenergie op zee aan te passen, zodat beter
kan worden ingespeeld op de ontwikkeling van de kosten van windenergie op zee en wisselende
marktomstandigheden. Recent heb ik het advies van de Afdeling advisering van de Raad
van State ontvangen. Ik zal het wetsvoorstel dit najaar aan uw Kamer aanbieden.
Grotere tenders
In de motie van mevrouw Van Veldhoven (Kamerstuk 30 196, nr. 513) wordt verzocht om bij het onderzoeken van nieuwe zoekgebieden voor de realisatie
van nieuwe windparken op zee de optie mee te nemen om grotere gebieden in één keer
aan te besteden.
Met het oog op een eventuele doorgroei van windenergie op zee heb ik in mijn eerdergenoemde
brief over de routekaart windenergie op zee 2030 (Kamerstuk 33 561, nr. 42) aangegeven dat het kabinet uiterlijk in 2021 wil starten met de noodzakelijke verkenningen
hiervoor. De aanwijzing (en daarbij behorende afweging) van nieuwe windenergiegebieden
zal uiteindelijk in een wijziging van het Nationaal Waterplan of in het kader van
de Nationale Omgevingsvisie zijn beslag krijgen.
Bij de keuze voor gebieden op zee en de optimale tenderomvang, zal de door uw Kamer
en door windenergiesector geuite wens om grotere gebieden te tenderen en daarmee schaalvoordelen
te benutten een rol spelen, evenals de optimale transportcapaciteit van het net op
zee.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
E.D. Wiebes