Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333554 nr. 6

33 554 Aanpassing van enige wetten op het terrein van het Ministerie van Veiligheid en Justitie teneinde een aantal zelfstandige bestuursorganen onder de werking van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen te brengen

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 17 juli 2013

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie over het wetsvoorstel. Ik hoop, mede namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de gestelde vragen en ingebrachte opmerkingen naar tevredenheid te kunnen beantwoorden.

1. Algemeen

Ik ben verheugd over de mededeling van de leden van de CDA-fractie dat zij zich kunnen vinden in dit wetsvoorstel. Ook nam ik met genoegen kennis van de mededeling van de leden van de D66-fractie dat zij de uitgangspunten van het wetsvoorstel delen.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de vier zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) waarop dit wetsvoorstel betrekking heeft, niet eerder onder werking van de Kaderwet zijn gebracht.

In reactie hierop merk ik op dat de relatief lange tijd is die verstreken tussen de aankondiging van dit wetsvoorstel en de indiening ervan voortvloeit uit prioriteitstellingen binnen het zware wetgevingsprogramma van het ministerie. Prioriteit is gegeven aan andere wetsvoorstellen, waarbij overigens moet worden opgemerkt dat diverse van die wetsvoorstellen ertoe hebben geleid dat tal van belangrijke zbo’s reeds onder de werking van de Kaderwet zijn komen te vallen, zij het niet via het onderhavige wetsvoorstel, maar door middel van separate wijzigingen van instellingswetten of geheel nieuwe instellingswetten. Dit betreft, zoals in de memorie van toelichting vermeld, in totaal zes zbo’s op het terrein van Veiligheid en Justitie, te weten het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, de Commissie schadefonds geweldsmisdrijven, het Bureau Financieel Toezicht, de raad voor rechtsbijstand, de Kansspelautoriteit en het College voor de rechten van de mens. In de memorie van toelichting was ook nog melding gemaakt van het Instituut Fysieke Veiligheid, waarvoor ook wetgeving tot stand is gebracht. Anders dan in de memorie van toelichting was vermeld, is op dat instituut de Kaderwet echter niet van toepassing, aangezien dat instituut geen zbo is op het niveau van de centrale overheid, maar op het decentraal niveau, namelijk de veiligheidsregio’s.

De grote meerderheid van de zbo’s op het terrein van mijn ministerie is dus reeds langs andere weg onder de werking van de Kaderwet gebracht. Dit wetsvoorstel betreft slechts de vier overbleven zbo’s waarbij dat nog niet het geval is. Daarbij was voorts vanzelfsprekend nauwkeurige analyse van de betreffende instellingswetten en overleg met de betrokken zbo’s noodzakelijk, waarvoor ook tijd en capaciteit moest worden vrijgemaakt.

Ook vragen de leden van de fractie van de VVD zich af hoeveel zbo’s nog niet onder de werking van de Kaderwet zijn gebracht en of de regering voornemens is om zoveel mogelijk zbo’s onder werking van de Kaderwet te plaatsen.

Namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst kan ik deze leden daarover het volgende meedelen. Het aantal zbo’s dat (nog) niet onder de werking van Kaderwet zbo is gebracht, bedraagt 22. Met dit wetsvoorstel neemt dit aantal af tot 18. Van deze 18 (clusters van) zbo’s zijn of worden er op termijn 13 opgeheven, twee zbo’s zijn momenteel in voorbereiding om onder te brengen onder de Kaderwet en drie zbo’s zijn nog in heroverweging. Zoals vermeld in de Hervormingsagenda Rijksdienst (bijlage bij Kamerstuk 31 490, nr. 119) is door ABDTOPConsult een doorlichting uitgevoerd van zbo’s op nut en noodzaak van zbo-status. Op basis van de resultaten van deze doorlichting zal het kabinet een besluit nemen over een eventuele herziening van het stelsel van zbo’s.

De leden van de PVV-fractie vragen of de voorgestelde beperkingen van de mogelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: minister) om overeenkomstig artikel 22 van de Kaderwet een besluit van een zbo te vernietigen een juiste beperking is. Zij vragen de regering de overwegingen tot het veelvuldig schrappen van de vernietigingsbevoegdheid nader te motiveren. Ook vragen deze leden of de regering voor alle in het wetsvoorstel benoemde zbo's uiteen kan zetten of zich gedurende de afgelopen jaren problemen hebben voorgedaan die met gebruikmaking van de vernietigingsbevoegdheid als bedoeld in de Kaderwet hadden kunnen worden opgelost.

In antwoord op deze vragen van de leden van de PVV-fractie betreffende artikel 22 van de Kaderwet merk ik het volgende op. Voor drie van de vier zbo’s die door middel van het wetsvoorstel onder de werking van de Kaderwet worden gebracht, wordt voorgesteld om artikel 22 van de Kaderwet niet, of niet in volle omvang, van toepassing te laten zijn. Voor het College bescherming persoonsgegevens (hierna: Cbp) vloeit uit artikel 28, eerste lid, van de richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281) een dwingende eis van strikte onafhankelijkheid voort. Daarmee verdraagt zich geen vernietigingsbevoegdheid van de minister ten aanzien van besluiten die door het Cbp worden genomen.

Het College van Toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten (hierna: CvTA) oefent taken uit in de kunst- en cultuursector. Gelet op de onafhankelijke positie die het CvTA moet hebben is, in aansluiting op het advies «ZBO’s binnen kaders» van de Commissie Gerritse dat er reden bestaat om artikel 22 uit te zonderen indien er sprake is van markttoezichthoudende en semi-rechterlijke taken in de kunst- en cultuursector, besloten om voor het CvTA de vernietigingsbevoegdheid van artikel 22 niet toe te kennen aan de minister.

Voor wat betreft de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting is een geclausuleerde uitzondering gemaakt op artikel 22. De bevoegdheid die is neergelegd in artikel 22 kan in het geval van de genoemde stichting geen betrekking hebben op beslissingen inzake de dossiers van betrokkenen. Overwogen is dat de minister niet moet kunnen treden in beslissingen over individuele gevallen betreffende de zeer persoonlijke aangelegenheden die het hier betreft.

Er zijn geen problemen bekend die, indien een bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 22 zou zijn toegekend, door middel van gebruikmaking van een dergelijke bevoegdheid hadden kunnen worden opgelost. Overigens betreft het hier een theoretische vraag, want gelet op de redenen die ik hiervoor heb aangegeven waarom is afgezien van (volledige) toepassing van artikel 22 op de betreffende zbo’s, zou nooit gebruik zijn gemaakt van die bevoegdheid.

Ook vragen de leden van de PVV-fractie uiteen te zetten welke bevoegdheid de minister heeft in het geval een zbo een verkeerde belangenafweging maakt met grote publieke of budgettaire gevolgen en hoe dit zich verhoudt tot de ministeriële verantwoordelijkheid.

Ik merk hier allereerst over op dat de taken die aan zbo’s zijn opgedragen, niet onder de regels van politiek toezicht en politieke verantwoording vallen zoals die wel gelden voor taken die aan departementale diensten zijn toebedeeld. De ministeriële verantwoordelijkheid voor de taakuitvoering door zbo’s is niet volledig en beperkt zich tot de bevoegdheden die – met name in de Kaderwet – aan de minister zijn toegekend. De Kaderwet biedt aldus de kaders voor de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid voor zelfstandige bestuursorganen. In de Kaderwet zijn de meest gebruikelijke instrumenten voor toezicht op en sturing (van het beleid en van het beheer) van zelfstandige bestuursorganen door de verantwoordelijke minister neergelegd. Het gaat onder meer om de bevoegdheden die zijn neergelegd in de artikelen 20 (recht op inlichtingen), 21 (bevoegdheid tot het maken van beleidsregels), 22 (vernietigingsbevoegdheid). Als ultimum remedium bevat artikel 23 van de Kaderwet de bevoegdheid voor de minister om de noodzakelijke voorzieningen te treffen indien een zbo naar zijn oordeel zijn taak ernstig verwaarloost,

Als regel zijn al deze bevoegdheden van toepassing, maar soms zijn daarop in bijzondere wetten gemotiveerde uitzonderingen gemaakt. Verder maakt de Kaderwet zelf wat sommige bevoegdheden betreft nog onderscheid tussen publiekrechtelijke en privaatrechtelijke zbo’s en tussen publiekrechtelijke zbo’s die al dan niet eigen rechtspersoonlijkheid hebben.

De leden van de SP-fractie kunnen de lijn van de regering om de raad van toezicht van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO) af te schaffen, volgen. Zij vragen zich af of op welke manieren de resterende taken van de raad van toezicht binnen de organisatie worden opgevangen.

In antwoord hierop merk ik op dat het staand kabinetsbeleid is dat de uitoefening van de bevoegdheden van een raad van toezicht op generlei wijze de minister mag belemmeren in de uitoefening van zijn bevoegdheden. Bevoegdheden als benoeming, schorsing en ontslag kunnen niet worden gedeeld en komen dus uitsluitend aan de minister toe. In het licht van de bevoegdheden van de minister op grond van de Kaderwet zijn de bevoegdheden van de raad van toezicht hieromtrent dan ook een onnodige en onwenselijke tussenschakel. Het LBIO heeft in reactie op het voorstel de raad van toezicht te schrappen een opsomming gegeven van de overige taken die de raad van toezicht thans vervult, zoals de behandeling van klachten en de advisering over aandacht in de media. Deze taken, die niet expliciet in de wet aan de raad van toezicht zijn opgedragen, kunnen ook worden uitgevoerd door het bestuur van het LBIO zelf. Hoe het LBIO dat organiseert, is aan het LBIO.

Zowel de leden van de SP-fractie als de leden van de PVV-fractie vragen welke voornemens er bestaan om ook bij andere zbo’s raden van toezicht af te schaffen.

Voor wat betreft de zbo’s op het terrein van Veiligheid en Justitie is er naast de raad van toezicht van het LBIO eveneens een raad van toezicht bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA). De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 10 april jl. in een brief aan de Tweede Kamer reeds aangeven dat zal worden voorgesteld de raad van toezicht van het COA bij gelegenheid van dit wetsvoorstel uit de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers te schrappen.1 Parallel met het indienen van deze nota naar aanleiding wordt daartoe een nota van wijziging ingediend.

Ten aanzien van de raden van toezicht bij zbo’s op andere terreinen dan Veiligheid en Justitie kan ik namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst het volgende opmerken. Naar aanleiding van de hierboven reeds genoemde doorlichting van zbo’s zal de meerwaarde van de bestaande raden van toezicht worden beoordeeld ten opzichte van de reguliere sturing van het betrokken ministerie. Ook wordt gekeken of zij meerwaarde hebben ten opzichte van andere, niet-wettelijke «governance»-maatregelen. Voor nieuw in te stellen zbo’s geldt dat deze in principe geen raad van toezicht zullen hebben.

De leden van de SP-fractie vragen of na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel per zbo opnieuw wordt bezien of de bezoldiging van leden de Balkenendenorm overschrijdt en in hoeverre de nevenfuncties ongewenst zijn en een goede uitvoering van hun werkzaamheden in de weg zal zitten.

Mede namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst merk ik hierover op dat de zbo’s die op grond van dit wetsvoorstel onder de werking van de Kaderwet worden gebracht, sinds de inwerkingtreding van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) per 1 januari 2013 zijn onderworpen aan die wet. Deze zbo’s, respectievelijk de topfunctionarissen van deze zbo’s, hebben sindsdien te maken met het bezoldigingsmaximum van de WNT, de «WNT-norm». Met inachtneming van het overgangsrecht van de WNT mag de WNT-norm niet worden overschreden. Er is dus geen reden om in verband met dit wetsvoorstel de bezoldigingsstructuur binnen de betreffende zbo’s opnieuw te bezien.

In antwoord op de vraag van deze leden over nevenfuncties wijs ik op artikel 13 van de Kaderwet. Daarin is bepaald dat een lid van een zelfstandig bestuursorgaan geen nevenfuncties mag vervullen die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van zijn functie of de handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin. Indien dit wetsvoorstel tot wet is verheven, zal deze bepaling ook voor de vier betreffende zbo’s gelden. Los van artikel 13 is het ook thans zo dat nevenfuncties van bestuurders van zbo’s bekend zijn. Indien twijfel mochy bestaan over de vraag of een bepaalde nevenfunctie zich verdraagt met de functie die het betreffende lid vervult bij een zbo, dan zal daarover, ook nu al, in contact worden getreden met het betreffende lid.

2. Centraal Orgaan opvang asielzoekers

Wat betreft de vragen van de leden van de SP-fractie en de CDA-fractie ten aanzien van de positie van het COA verwijs ik naar de eerdergenoemde brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 april jl., waarin de voornemens met betrekking tot het COA zijn uiteengezet (Kamerstuk 33 042, nr. 21).

Ten aanzien van de vragen van de leden van de CDA-fractie over het toezicht op zbo’s in het algemeen, merk ik mede namens de Minister van Wonen en Rijksdienst het volgende op. Zoals hiervoor al is aangegeven, is de meerwaarde van de bestaande raden van toezicht bij de sturing van zbo’s aan de orde in de doorlichting die momenteel wordt uitgevoerd. Het onderzoeksrapport van ABDTOPConsult is onlangs uitgebracht aan de Minister voor Wonen en Rijksdienst. Het kabinet zal binnen afzienbare tijd zijn standpunt over het rapport bepalen en aan de Kamer mededelen.

3. College bescherming persoonsgegevens

Verschillende fracties stellen vragen betreffende het College bescherming persoonsgegevens (hierna: het Cbp). Waar dat de leesbaarheid ten goede komt, zal ik de antwoorden op deze vragen bundelen.

De leden van de VVD-fractie merken op dat artikel 21 van de Kaderwet niet van toepassing wordt verklaard op het Cbp. Indien de regering wenst dat de bescherming van persoonsgegevens zich vooral op één bepaald terrein richt, wat zijn dan de mogelijkheden voor de minister om ervoor te zorgen dat het Cbp diezelfde focus aanhoudt?

In reactie hierop merk ik op dat het Cbp zijn taak in volledige onafhankelijkheid moet kunnen uitvoeren en dus ook zelf moet kunnen bepalen waar de focus van zijn onderzoeken ligt. Gelet op die onafhankelijkheid is het niet mogelijk en ook niet wenselijk het Cbp te dwingen bepaalde onderzoeken wel of juist niet uit te voeren. Overigens vindt er periodiek bestuurlijk overleg plaats tussen de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en de voorzitter van het Cbp. Indien de staatssecretaris van mening is dat het Cbp zich op bepaalde terreinen zou moeten richten, zal dit voorwerp zijn van overleg tussen de staatssecretaris en het Cbp.

In reactie op de vragen van de leden van de VVD-fractie over de totstandkoming van de Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, merk ik het volgende op. Bij de totstandkoming van de richtlijn kon Nederland zich vinden in het uitgangspunt dat er een onafhankelijke autoriteit toezicht moest uitoefenen op zijn grondgebied van de ter uitvoering van deze richtlijn door de lidstaten vastgestelde bepalingen. Ook voordat de richtlijn tot stand kwam, kende Nederland een onafhankelijke autoriteit die was belast met het toezicht op gegevensverwerking. Dat de richtlijn inhoudt dat het voor een betrokken bewindspersoon niet mogelijk is beleidsregels vast te stellen, is een logisch gevolg van het feit dat deze toezichthouder onafhankelijk moet kunnen opereren.

De leden van de PVV-fractie merken op dat artikel 23 van de Kaderwet alleen van toepassing is op de bedrijfsvoering van het Cbp. Zij vragen of dit betekent dat in geval van ernstige taakverwaarlozing door het Cbp ten aanzien van de publieke taak de minister niet kan ingrijpen. Deze leden vragen de regering hiertoe enkele voorbeelden te geven.

In antwoord hierop merk ik het volgende op. Artikel 23, eerste lid, Kaderwet verleent de minister de bevoegdheid om noodzakelijke voorzieningen te treffen ingeval zelfstandige bestuursorganen hun taak ernstig verwaarlozen. Gelet op de onafhankelijke positie van het Cbp is in het voorgestelde artikel 59a inderdaad vastgelegd dat de minister deze bevoegdheid alleen kan uitoefenen ten aanzien van het door het Cbp gevoerde financiële beheer en de administratieve organisatie. De Wet bescherming persoonsgegevens biedt ten aanzien van het Cbp echter wel degelijk mogelijkheden om eventueel in te grijpen indien leden van het Cbp hun wettelijke taak verwaarlozen. Hiervoor gelden namelijk dezelfde regels als voor de rechterlijke macht. Indien een lid van het Cbp door zijn handelen of nalaten ernstig nadeel zou toebrengen aan de goede gang van zaken bij het Cbp of het in het Cbp te stellen vertrouwen, kan hij ingevolge artikel 54, tweede lid, Wbp jo. de artikelen 46c, tweede lid, 46d, tweede lid, en 46o, eerste lid, Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden ontslagen door de Hoge Raad.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan garanderen dat kritiek van het Cbp op de overheid geen enkele invloed heeft op de overheidsbijdrage aan het Cbp. Deze vraag kan zonder meer bevestigend worden beantwoord. Oordelen of opvattingen van het Cbp zijn nimmer van invloed geweest en zullen ook in de toekomst nimmer van invloed zijn op de hoogte van de overheidsbijdrage aan het Cbp.

In reactie op de diverse vragen van de leden van de fracties van de SP, het CDA en D66 ten aanzien van artikel 20 van de Kaderwet, merk ik het volgende op. Met het voorstel om het Cbp onder de Kaderwet te brengen, is niet beoogd wijzigingen aan te brengen in de omvang van de inlichtingenplicht zoals die thans is neergelegd in artikel 59 van de Wbp. Artikel 20 van de Kaderwet («Een zelfstandig bestuursorgaan verstrekt desgevraagd aan Onze Minister alle voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is») is inhoudelijk volledig en tekstueel nagenoeg identiek aan artikel 59, eerste lid, van de Wbp («Het College verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is»). Dat betekent dat artikel 20 van de Kaderwet zonder bezwaar voor artikel 59, eerste lid, van de Wbp in de plaats kan treden. Het betreft de inlichtingen die de minister nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Die taak is, zoals het Cbp terecht opmerkt, een beheersmatige. Evenals als de huidige bevoegdheid in artikel 59, eerste lid, kan de bevoegdheid in artikel 20 van de Kaderwet dus niet verder gaan dan die beheersmatige taak. Uit het voorgaande volgt dat er dus geen reden is om op dit punt wijziging te brengen in het wetsvoorstel.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de D66-fractie om nader toe te lichten hoe er in de Wbp in wordt voorzien dat de onafhankelijkheid van het door het Cbp uit te oefenen toezicht gewaarborgd blijft, merk ik het volgende op.

De Wbp bevat thans reeds diverse voorzieningen die de onafhankelijkheid van het Cbp waarborgen. Deze blijven bestaan. Het wetsvoorstel strekt ertoe in de Wbp de Kaderwet zbo’s van toepassing te verklaren op het Cbp, met enkele uitzonderingen die worden gemaakt juist vanwege de onafhankelijke positie van het Cbp. Ook die uitzonderingen worden neergelegd in de Wbp. Zo wordt in de artikelen 53 en 54 van de Wbp artikel 12 van de Kaderwet buiten toepassing van verklaard. Dat betekent onder meer dat niet de minister leden van het Cbp kan schorsen en ontslaan, maar dat daarvoor de met meer waarborgen omklede regeling uit de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van toepassing blijft. Verder is, zoals reeds ter sprake kwam, de in de Kaderwet aan de minister toegekende bevoegdheid om beleidsregels te stellen over de taakuitoefening van een zbo en de bevoegdheid tot het vernietigen van besluiten, in de voorgestelde artikelen 59 en 59a van het Wbp buiten toepassing verklaard. In artikel 59a is voorts de bevoegdheid van de minister om bij taakverwaarlozing in te grijpen, geclausuleerd tot het door het Cbp gevoerde financiële beheer en de administratieve organisatie. Gecombineerd met de thans luidende tekst van de Wbp zijn en blijven er aldus evenveel waarborgen als thans om de onafhankelijkheid van het door het Cbp uit te oefenen toezicht volledig te kunnen waarborgen.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de keuzes die zijn gemaakt met betrekking tot de juridische positie van het Cbp en de CvTA in verhouding tot de positie van de Autoriteit Consument en Markt (ACM).

In antwoord hierop merk ik allereerst op dat zbo’s nooit volledig met elkaar zijn te vergelijken als gevolg van de verschillende taken die zij uitvoeren. Bij de beoordeling in hoeverre de Kaderwet zbo’s op een zbo van toepassing kan zijn, wordt steeds gekeken hoe met name de bevoegdheden van de minister zich verhouden tot de positie van dat zbo. Bij toezichthoudende zbo’s gaat het om de vraag hoe de onafhankelijke positie zich tot die bevoegdheden verhoudt en worden steeds per zbo afzonderlijke afwegingen gemaakt. Indien bevoegdheden inbreuk kunnen maken op de onafhankelijke positie van een zbo, wordt voorgesteld die bevoegdheden niet van toepassing te verklaren op het betreffende zbo. Dat is dus ook gebeurd bij de door de leden van de D66-fractie genoemde zbo’s. Bij het Cbp speelt daarbij nog de bijzonderheid dat de strikte onafhankelijkheid van deze toezichthouder internationaalrechtelijk is vastgelegd (zie ook de in de memorie van toelichting genoemde uitspraak van het HvJ EU van 9 maart 2010, nr. C-518/07). Dat is de reden waarom voor het Cbp meer onderdelen van de Kaderwet zbo’s buiten toepassing moeten blijven dan in dit wetsvoorstel is voorzien voor de CvTA en in de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt is geregeld voor de ACM. Overigens wijs ik erop dat in artikel 4 van de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten is bepaald dat het CvTA geen toezicht houdt op collectieve beheersorganisaties voor zover toezicht op grond van de Mededingingswet wordt uitgeoefend door de Autoriteit Consument en Markt.

Tenslotte merk ik op dat parallel aan deze nota naar aanleiding van het verslag een nota van wijziging wordt ingediend die voorziet in enkele nadere wijzigingen van de Wbp inzake het aantal leden van het Cbp en hun benoemingsduur.

4. College van toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten

De leden van de PVV-fractie vragen de regering nader te motiveren waarom de bevoegdheid van artikel 21 van de Kaderwet niet van toepassing is verklaard op het CvTA, daarbij verdisconterend de misstanden die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan bij de collectieve beheersorganisaties.

In reactie hierop merk ik allereerst op dat het toezicht op de collectieve beheersorganisaties per 1 juli jl. ingrijpend is aangescherpt. Anders dan vroeger heeft het College van Toezicht nu ook de mogelijkheid om bestuurlijke boetes en lasten onder dwangsom op te leggen. Daarmee is, naar ik aanneem, al voor een belangrijk deel tegemoet gekomen aan de zorgen die bij de PVV-fractie leven. Te meer, omdat de nieuwe Toezichtswet zelf al de nodige delegatiegrondslagen kent waarmee het toetsingskader voor het CvTA bij algemene maatregel van bestuur nader ingekleurd kan worden. Dat geldt bijvoorbeeld ten aanzien van een normering van de beheerskosten bij collectieve beheersorganisaties en nadere regels over good governance. Daarbij past niet ook nog eens een bevoegdheid van de minister om zich via de uitvaardiging van beleidsregels bezig te houden met de toezichthoudende taak van het College. Dat zou bovendien afbreuk doen aan de bewust geschapen onafhankelijke positie van het College; het College moet de wet uitvoeren, maar is geen lange arm van het kabinet. Ten slotte moet bedacht worden dat ook de Staat een gebruiker is of kan zijn van beschermde werken, zoals film en muziek, waarover afspraken nodig zijn met collectieve beheersorganisaties. Het is niet bij voorbaat ondenkbaar dat de Staat zich met een klacht over zo’n beheersorganisatie tot het CvTA zal willen wenden. Daarbij past geen bevoegdheid van de minister om beleidsregels omtrent het toezicht uit te vaardigen.

5. Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen

Voor het antwoord op de vraag van de leden van de PVV-fractie over raden van toezicht verwijs ik naar de beantwoording in onderdeel 1 van deze nota.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten wat de kosten-batenanalyse inhoudt die heeft geleid tot de conclusie dat het teveel geld kost om het LBIO onder de werking van de Kaderwet te laten vallen en welke praktische problemen en consequenties dit besluit met zich meebrengt.

Hier lijkt sprake te zijn van een misverstand. Voorgesteld wordt immers om het LBIO juist wel onder de werking van de Kaderwet te brengen. Hoewel het instellingsmotief van het LBIO (regelgebonden uitvoering) niet meer als valide argument wordt gezien voor de oprichting van nieuwe zbo’s, is in de memorie van toelichting uiteengezet dat juist een andere organisatievorm van het LBIO transformatiekosten met zich meebrengt, die de regering op dit moment niet wil maken.

Uiteraard zal in de komende tijd rekening worden gehouden met de uitkomsten van de genoemde doorlichting van zbo’s. Mogelijkheden voor verdere optimalisatie van de taakuitvoering van het LBIO die hieruit voortkomen, zullen zoveel mogelijk worden benut.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


X Noot
1

Kamerstuk 33 042, nr. 21.