Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201733529 nr. 309

33 529 Gaswinning

Nr. 309 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 september 2016

Het kabinet heeft uw Kamer op 24 juni 2016 geïnformeerd over de inhoud van het ontwerpinstemmingsbesluit gaswinning Groningen (Kamerstuk 33 529, nr. 278). Het ontwerpinstemmingsbesluit is op 1 juli 2016 voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Iedereen heeft in die periode de gelegenheid gehad om een zienswijze in te dienen. In totaal zijn 5530 zienswijzen ingediend. Door middel van deze brief informeer ik uw Kamer op hoofdlijnen over de wijze waarop de zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het ontwerpinstemmingsbesluit en daarmee over de vormgeving van het definitieve instemmingsbesluit. Het kabinet beoogt het definitieve instemmingsbesluit uiterlijk 30 september 2016 bekend te maken.

De zienswijzen hebben het ontwerp instemmingsbesluit verder aangescherpt op het gebied van onder meer veiligheid en schade, de rollen en verantwoordelijkheden die worden toegeschreven aan de verschillende partijen en de opleverdata van rapporten. Dit heeft geleid tot de totstandkoming van het definitieve instemmingsbesluit. Hieronder wordt eerst de kern van het definitieve instemmingsbesluit geschetst en daarna wordt nader ingegaan op de overige wijzigingen die hebben plaatsgevonden ten opzichte van het ontwerpinstemmingsbesluit.

Met het definitieve instemmingsbesluit neemt het kabinet verschillende maatregelen om veiligheidsrisico’s en schade door gaswinning uit het Groningenveld verder te beperken. Het kabinet streeft er met de halvering van de gaswinning vergeleken met het jaar 2012, het verder verbeteren van de schadeafhandeling, het uitvoeren van de benodigde versterking van gebouwen en de diverse compenserende maatregelen naar het vertrouwen van de Groningers te herstellen.

Kern definitieve instemmingsbesluit

Het definitieve instemmingsbesluit komt op hoofdlijnen overeen met het ontwerpinstemmingsbesluit. Dat betekent dat het productieniveau wordt vastgesteld op 24 miljard m3 per jaar, conform advies van Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), met ruimte voor meer winning bij een winter die kouder is dan gemiddeld. NAM zal worden gevraagd voor 1 oktober 2020 een nieuw winningsplan in te dienen, zodat het daarop gebaseerde volgende instemmingsbesluit, conform advies van de Mijnraad, per 1 oktober 2021 kan ingaan.

Op verzoek van uw Kamer zal jaarlijks, te beginnen op 1 oktober 2017, een ijkmoment plaatsvinden. Dit ijkmoment houdt in dat ik bekijk of nieuw verworven kennis of verandering van feiten en omstandigheden, gelet op de in artikel 36 van de Mijnbouwwet genoemde belangen, aanleiding geven om opnieuw te kijken naar het instemmingsbesluit. Het kabinet zal uw Kamer hierover jaarlijks informeren. Ik zal de komende maanden samen met de regio de betrokkenheid van decentrale overheden bij het jaarlijkse ijkmoment vormgeven. Het jaarlijkse ijkmoment is een aanpassing ten opzichte van het ontwerpinstemmingsbesluit waar, op advies van de Mijnraad, pas na twee jaar een ijkmoment werd ingebouwd. Hiermee geeft het kabinet uitvoering aan de motie van het lid Jan Vos (Kamerstuk 33 529, nr. 305) waarmee de regering wordt verzocht om in samenspraak met de Kamer ieder jaar opnieuw te herzien of de winning naar beneden kan worden bijgesteld.

Bij de vaststelling van het productieniveau zijn het beperken van veiligheidsrisico’s en het zoveel mogelijk voorkomen van schade belangrijke overwegingen geweest. Een productieniveau van 24 miljard m3 per jaar is volgens SodM een onderbouwde keuze, omdat bij dat niveau volgens de huidige modellen de seismiciteit de komende vijf jaar niet hoger zal zijn dan het huidige niveau (peildatum 2015). Daarbij adviseert SodM om de gaswinning over het hele jaar zo gelijkmatig (vlak) mogelijk te houden en fluctuaties in de gaswinning zoveel mogelijk te vermijden, om de kans op bevingen verder te verkleinen.

Bij een zo vlak mogelijk gewonnen jaarlijks volume van 24 miljard m³, met ruimte voor meer winning in een winter die kouder is dan gemiddeld, is tevens de leveringszekerheid geborgd. In het instemmingsbesluit wordt deze additionele productie, bovenop de 24 miljard m³ die in een gemiddeld jaar nodig is, tot maximaal 6 miljard m3 per jaar alleen toegestaan in die mate dat het kouder is dan een gemiddeld jaar en voor de periode dat het kouder is. Dat gebeurt door middel van een formule die GTS heeft ontwikkeld en waarmee de productie heel precies kan worden ingericht. De formule zal alleen worden gehanteerd in het geval van een koudere winter en niet in het geval van een warmer jaar dan gemiddeld, omdat daarmee de kans op fluctuaties in de gaswinning en daarmee de kans op seismiciteit toeneemt. Ter illustratie: bij een productie van 27 miljard m3 kan de gasvraag in ongeveer 90% van de winters op een vlakke manier worden afgedekt. Het op deze manier verder aan banden leggen en conditioneren van additionele winning vanuit het oogpunt van leveringszekerheid is een verdere aanscherping van de huidige situatie.

Het productieplafond, de gelijkmatige winning en de strikte voorwaarden voor additionele productie maken onderdeel uit van de voorschriften en beperkingen in het instemmingsbesluit. In de voorschriften is tevens opgenomen dat NAM uiterlijk op 1 juni 2017 een nieuw meet- en regelprotocol moet indienen. Ook op dit punt wijkt het definitieve instemmingsbesluit af van het ontwerpinstemmingsbesluit, waarin NAM werd gevraagd uiterlijk op 1 november 2017 een nieuw protocol in te dienen. Hiermee geeft het kabinet invulling aan de toezegging die ik op 14 september 2016 aan uw Kamer heb gedaan tijdens het plenaire debat over het ontwerpinstemmingsbesluit (Handelingen II 2015/16, nr. 111, debat over Nieuw gaswinningsbesluit).

In de voorschriften en beperkingen is tevens voorgeschreven dat onderzocht moet worden of een alternatieve verdeling van de productie over de regio’s tot een lagere seismische dreiging of seismisch risico leidt. Daarnaast heeft het kabinet besloten, conform advies van SodM, om een tijdelijk alarmeringssysteem te hanteren in afwachting van het nieuwe meet- en regelprotocol. Bij overschrijding van de gestelde grenswaarden ten aanzien van aardbevingsdichtheid en grondversnellingen van dit alarmeringssysteem moet NAM binnen twee weken een rapport uitbrengen met daarin de beheersmaatregelen om het seismische risico verder te beperken. SodM zal vervolgens worden gevraagd mij te adviseren over (verdere) maatregelen.

Wijzigingen in instemmingsbesluit naar aanleiding van zienswijzen

De zienswijzen hebben, zoals hierboven aangegeven, het instemmingsbesluit verder aangescherpt. Zo is duidelijker uiteengezet dat schade op twee manieren kan worden voorkomen en beperkt. Het gaat niet alleen om versterkingsmaatregelen aan woningen, maar ook om maatregelen aan de bron, zoals het beperken van de gasproductie met als resultaat minder aardbevingen en een kleinere kans op zwaardere aardbevingen.

In het instemmingsbesluit is tevens opgenomen dat NAM een methodiek moet ontwikkelen voor het berekenen van de mate van schade als gevolg van geïnduceerde bevingen. De uitkomst van deze studie zal een bijdrage leveren aan het inzicht op welke wijze schade verder beperkt kan worden. Het kabinet zal uw Kamer hierover uiterlijk in het eerste kwartaal van 2017 informeren.

Daarnaast is op basis van de zienswijzen een aantal kleine aanpassingen gedaan die betrekking hebben op de verschillende rollen en verantwoordelijkheden die worden toegeschreven aan de verschillende partijen, inclusief die van de overheden, en op de opleverdata van rapporten. Het gaat hier om verbeteringen ten aanzien van de werkbaarheid in de praktijk. Zo is er een voorschrift toegevoegd waarin NAM wordt gevraagd om actualisaties van het onderzoeksplan (Study and Data Acquisition Plan) vooraf aan de Minister van Economische Zaken voor te leggen. Hiermee ontstaat meer grip op de onderzoeken die NAM uitvoert.

Ten slotte gaan veel zienswijzen over de onvrede ten aanzien van de afwikkeling van schade, het langzame verloop van de versterkingsopgave, de maatschappelijke en psychosociale impact van de aardbevingen en de gevolgen voor de leefbaarheid en economie. Het kabinet erkent dat de door gaswinning veroorzaakte aardbevingen in Groningen diepe sporen hebben getrokken. Deze belangrijke onderwerpen hebben daarom mijn volle aandacht. In navolging van de motie Van Veldhoven c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 287) zal ik uw Kamer dit najaar informeren over de wijze waarop de schadeafhandeling is georganiseerd. Over de voortgang hieromtrent zal in het geactualiseerde meerjarenprogramma van de Nationaal Coördinator Groningen, dat ik naar verwachting eind 2016 aan de Kamer zal aanbieden, uitgebreid verslag worden gedaan.

Vervolgtraject

Het definitieve instemmingsbesluit met bijbehorende nota van antwoord, waarin op de zienswijzen wordt gereageerd, zal vanaf 30 september 2016 voor een periode van zes weken ter inzage liggen. Deze terinzagelegging wordt aangekondigd door middel van een kennisgeving in huis-aan-huis bladen en in de Staatscourant. Een belanghebbende die op het ontwerpinstemmingsbesluit een zienswijze heeft gegeven, kan binnen deze termijn tegen het definitieve instemmingsbesluit beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp