33 520 Wijziging van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijke Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 199/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 304/64) (Implementatiewet richtlijn consumentenrechten)

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 5 maart 2013

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave

 
     

1.

Inleiding

1

2.

Wijze van implementatie

3

3.

Toezicht en handhaving

5

4.

Gevolgen voor het bedrijfsleven en burgers

6

5.

Advisering, consultatie en uitvoerings- en handhavingstoets

7

6.

Artikelsgewijze toelichting

8

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met gemengde gevoelens kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben begrip voor de strekking van het wetsvoorstel en beseffen de geringe beleidsruimte die de regering wordt gelaten door de Implementatie van de richtlijn 2001/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 october 2011 betreffende consumentenrechten(de richtlijn) die met dit wetsvoorstel wordt geïmplementeerd. Tegelijkertijd merken deze leden op dat de systematiek en cohesie van het Burgerlijk Wetboek (BW) met de implementatie van iedere consumentenbeschermende EU-richtlijn steeds verder onder druk komt te staan. Ten aanzien van die aspecten resteren bij deze leden nog twijfels en een aantal vragen. Een aantal van de gemaakte keuzes wordt door hen niet als de meest voor de hand liggend onderschreven. Op de punten waar dat nog mogelijk is en waar de richtlijn niet maximum harmoniserend werkt, zien deze leden graag aanpassingen. Hierop zal eerst worden ingegaan. Voorts maken zij graag enkele algemene opmerkingen met betrekking tot de consumentenbescherming, de invloed die dit heeft op de algemene vermogensrechtelijke bepalingen en de belasting die de rechterlijke macht ondervindt als gevolg van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot het EU-rechtelijk consumentenrecht.

De leden van de VVD-fractie merken op dat op redactioneel vlak enige opmerkingen bij het wetsvoorstel zijn te maken. Zij gaan ervan uit dat de in de titel van het wetsvoorstel voorkomende fouten, bijvoorbeeld het vermelden van 199/44/EG in plaats van 1999/44/EG, door de regering zullen worden verbeterd

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Hoe verhoudt deze richtlijn zich tot andere Europese richtlijnen op het gebied van consumentenbescherming, zoals richtlijn 90/314/EG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten en richtlijn 2008/122/EG van het Europees Parlement en de Raad over de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde aspecten van overeenkomsten betreffende het gebruik in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling en richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten? Is er sprake van overlap? Zo ja, welke richtlijn heeft dan voorrang?

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van bovengenoemd wetsvoorstel. Naar aanleiding daarvan hebben zij enkele vragen. Klopt het dat de richtlijn consumentenrechten op bepaalde punten een minder vergaande consumentenbescherming biedt dan het huidige Nederlandse recht? Zo ja, kan de regering uiteenzetten welke punten dit zijn en waarom de huidige verdergaande bescherming niet de voorkeur geniet? De richtlijn consumentenrechten kent als uitgangspunt volledige harmonisatie. Deze leden merken op dat Nederland hierdoor geen strengere voorschriften ten aanzien van consumentenrechten mag hanteren. Zij vrezen dat Nederlandse consumenten hier in de toekomst nadeel van kunnen ondervinden. Hoe kijkt de regering hier tegenaan? Voornoemde leden vragen tevens of er lidstaten zijn die de huidige consumentenrichtlijnen niet goed naleven.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij achten de nieuwe richtlijn een belangrijke stap op de weg naar harmonisatie van de Europese regelgeving op het gebied van de verbetering van de positie en de bescherming van de rechten van consumenten. Zij hebben kennisgenomen van de uitvoerige en gedegen memorie van toelichting. Die schept veel duidelijkheid over de werking en de handhaving van de uit de richtlijn voortvloeiende aanpassing van de Nederlandse consumentenregelgeving.

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van bovengenoemd wetsvoorstel. Consumentenrechten zijn een belangrijke verantwoordelijkheid van de overheid. Daarbij is de Europese integratie van consumentenrechten een belangrijke stap in de eenwording van Europese markten. Deze leden beseffen dat hier sprake is van een implementatiewet en dat er derhalve weinig ruimte is voor aanpassingen en verbeteringen.

2. Wijze van implementatie

De leden van de VVD-fractie merken op dat in de memorie van toelichting wordt ingegaan op de redenen de implementatiebepalingen in een aparte afdeling in boek 6 BW te plaatsen. Enerzijds kunnen zij zich voorstellen dat de implementatie van een maximum harmoniserende richtlijn zoveel mogelijk in een afdeling wordt geconcentreerd. Anderzijds wijzen zij op voor de hand liggende bezwaren tegen de plaatsing in boek 6 van het BW. Immers gaat het hier niet om regels voor zogenaamde bijzondere overeenkomsten, allen te vatten onder de noemer van de zogenaamde B2C-overeenkomsten? Vormt boek 7 BW dan niet een veel voor de hand liggender plaats om deze afdeling in op te nemen? En als boek 6 BW toch als meest voor de hand liggend wordt aangewezen, waarom zijn de bepalingen dan niet verspreid over boek 6 BW opgenomen? Ligt het immers niet voor de hand bepalingen die zien op het aangaan van overeenkomsten, bijvoorbeeld over aanbod en aanvaarding, bij de artikelen 6:217 e.v. te plaatsen?

De leden van de VVD-fractie merken op dat het wetsvoorstel een verplichting invoert een telefonisch gemaakte afspraak schriftelijk te bevestigen, alvorens er daadwerkelijk een overeenkomst tot stand komt. Het uitblijven van deze schriftelijke bevestiging of ondertekening daarvan door de consument leidt ertoe dat de gepretendeerde overeenkomst niet bestaat, nietig is, omdat niet is voldaan aan het vormvereiste. Deze leden zijn van mening dat het gevolg van het niet naleven van het vormvereiste, namelijk nietigheid, logischerwijs volgt uit de algemene bepalingen van het vermogensrecht. Dat is ook niet het bezwaar van deze leden. Immers, een vernietigbaarheidssanctie veronderstelt een geldige overeenkomst totdat de overeenkomst vernietigd wordt, terwijl bij het uitblijven van de schriftelijke bevestiging of ondertekening niets tot stand komt en dus ook niets valt te vernietigen. Niettemin wijzen zij op de door belanghebbenden naar voren gebrachte bezwaren. Dit type overeenkomsten moet ook nu al schriftelijk worden bevestigd en daarmee gaat een bedenktermijn lopen waarin de consument de overeenkomst zonder opgave van redenen kan ontbinden. Is deze schriftelijkheidseis dan ook niet een dubbele en overbodige bescherming? En als de schriftelijkheidseis al wordt gehandhaafd, kan daaraan dan ook worden voldaan door middel van het aanklikken van een link in de bevestigingsmail?

De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel diverse ontbindingsmogelijkheden kent. Het baart deze leden zorgen dat de bedenktermijn bij een overeenkomst tot het leveren van meerdere goederen pas gaat lopen na levering van de laatste zaak. Biedt de richtlijn nog enige vorm van ruimte deze voorgestelde bepaling strenger in te kleuren? Hoe dient een handelaar die zich verplicht tot het doorlopend leveren van zaken te opereren om te voorkomen dat hij niet jaren later wordt geconfronteerd met retour gezonden producten?

Het wetsvoorstel kent ook een regeling voor misbruik van de ontbindingsbevoegdheid en voor het van rechtswege ontbinden van aanvullende overeenkomsten. Hoe verhoudt een ontbinding van rechtswege van aanvullende overeenkomsten zich tot de figuur van ontbinding? Is het niet zo dat ontbinding niet de rechtsgrond aan de prestatie ontneemt en slechts verplicht tot ongedaan making van die prestatie? Is het dan niet vreemd dat een naar aanleiding van een overeenkomst aangegane aanvullende overeenkomst deelt in het lot van de onderliggende overeenkomst, ook al vervalt de rechtsgrond van de eerste overeenkomst niet?

Kan met betrekking tot het misbruik niet gebruik worden gemaakt van de algemene misbruikbepaling van artikel 3:13 BW? Zo ja, verdient het dan aanbeveling dit niet nogmaals te regelen in het voorliggende wetsvoorstel, vooral ook gezien het streven zoveel mogelijk te komen tot deregulering en dejuridisering, iets waar meer regelgeving niet toe bijdraagt?

De leden van de VVD-fractie hebben van belanghebbenden vernomen dat zij vrezen voor situaties waarin een consument aanzienlijk profiteert van diensten die zijn geleverd terwijl de ontbindingstermijn nog niet is verstreken en niet meer behoeven te worden gecompenseerd na ontbinding van de overeenkomst. Is die vrees terecht? Kan bijvoorbeeld een uitgever van kranten een vergoeding verlangen voor reeds bezorgde kranten, ook als deze in goede staat worden teruggezonden door de consument?

De leden van de VVD-fractie constateren dat overeenkomsten die onder invloed van een oneerlijke handelspraktijk worden aangegaan vernietigbaar zijn op grond van artikel 6:193j, derde lid, BW. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de door de Kamer aanvaardde motie-Recourt.1 Het invoegen van de vernietigingsmogelijkheid leidt tot de onwenselijke, situatie dat schending van een informatieplicht zowel kan leiden tot verlenging van de ontbindingstermijn en tot een eventuele ontbinding als tot een vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling ex artikel 6:193j, derde lid, jo. 6:228 BW. Deze leden vernemen graag van de regering of dit leidt tot inconsequenties in het BW? Is het niet beter in het geheel te kiezen voor een vernietigbaarheidssanctie? Past dat niet beter bij het dwingend karakter van het consumentenrecht?

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering waarom Nederland afziet van de mogelijkheid taalvoorschriften in te voeren en te handhaven. Is het denkbaar dat overeenkomsten worden aangegaan in een andere taal dan Nederlands of Engels?

Klopt het dat Nederland gebruik maakt van de mogelijkheid overeenkomsten tot 50 euro niet onder de richtlijn te brengen? Waarom is hier voor gekozen? Hoeveel transacties zijn er onder de 50 euro, in absolute aantallen, en als percentage van het totaal aantal transacties?

Ziet de regering ook kansen en mogelijkheden de nieuwe afdeling 2B ook te laten gelden voor overeenkomsten tussen ondernemers onderling, teneinde ook daar oneerlijke handelspraktijken tegen te gaan?

De leden van de PVV-fractie merken op dat de memorie van toelichting bij voorliggend wetsvoorstel stelt dat indien niet aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan, de overeenkomst nietig is. Verschillende organisaties zijn van mening dat nietigheid van de overeenkomst de consumentenkeus beperkt. Kan de regering toelichten waarom het wetsvoorstel uitgaat van de sanctie van nietigheid bij dit vormvereiste?

De leden van de SP-fractie hebben kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden achten het positief dat de motie Aasted-Madsen (Kamerstuk 27 879, nr. 29) in het voorliggende wetsvoorstel wordt vertaald. Deze leden vernemen graag waarom het handtekeningvereiste is beperkt tot het «geregeld verrichten van diensten», alsmede energie, water, gas en stadsverwarming? Waarom vallen niet alle overeenkomsten onder het bereik van dit artikel, dus niet alleen het geregeld verrichten van diensten en energie, water, gas en stadsverwarming, maar ook het geregeld leveren van alle mogelijke zaken en de telefonisch overeengekomen eenmalige verrichting van een dienst of toezending van een zaak?

Waarom heeft de regering besloten een uitzondering te maken voor de implementatie van de richtlijn voor overeenkomsten, tot een maximum van 50 euro, die buiten de verkoopruimte worden gesloten? Op basis van welk onderzoek heeft de regering deze keuze gemaakt? Kan de regering aangeven hoe hoog zij het bedrag schat dat door deze maatregel aan lastenverlichting wordt behaald?

De leden van de CDA-fractie merken op dat artikel 26 van de richtlijn de lidstaten verplicht tot het feitelijk verstrekken van informatie aan handelaren en consumenten. Hieraan zal worden voldaan door publicatie op de website van ConsuWijzer, Antwoord voor Bedrijven en de Consumentenautoriteit. Verder roept artikel 26 van de richtlijn lidstaten op, waar passend, handelaren en houders van gedragscodes aan te moedigen consumenten over hun rechten te informeren. Hiervoor zal binnen de SER-CCA aandacht worden gevraagd. De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze erop wordt toegezien dat handelaren en houders van gedragscodes in de praktijk daadwerkelijk op effectieve wijze aan deze informatieplicht voldoen. Wat is de taak voor de huidige toezichthouders en straks, na samenvoeging van Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) en Consumentenautoriteit, voor de Autoriteit Consument en Markt (ACM)? In hoeverre hebben de nationale consumententoezichthouders hierin een pro-actieve rol te vervullen? Of geldt hier dat het in eerste instantie aan de individuele consument, dan wel «collectieve» consumenten is een vermeend nalatige handelaar aan te spreken en naleving van de normen uit het onderhavige wetsvoorstel te vorderen?

3. Toezicht en handhaving

De leden van de VVD-fractie merken op dat het de bedoeling is dat alle onderdelen van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. Nu bevat het consumentenrecht, zo begrijpen deze leden uit het proefschrift van Pavillon ten aanzien van dit onderwerp, een groot aantal open normen.2 Is dit beter te handhaven door de burgerlijke rechter, die naar zijn aard beter bekend is met open normen en meer speelruimte heeft met betrekking tot die normen?

De leden van de VVD-fractie hebben behoefte aan een herijking van de Nederlandse positie ten aanzien van EU-rechtelijk consumentenrecht. Op dit moment vallen veel kleine ondernemers niet onder de consumentenbeschermende bepalingen en zijn zij voor de toepassing van die bepalingen te hunner aanzien afhankelijk van de welwillendheid van rechters (met alle rechtsongelijkheid van dien) om tot reflexwerking van de bepaling over te gaan. Is de regering bereid de definitie van consument, al dan niet door daar aandacht voor de vragen op Europees niveau, te herzien? Kan de regering aangeven in hoeverre de positie van de Nederlandse rechter onder druk komt te staan door de toenemende verplichting die hem door het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt opgelegd zich actief in te zetten voor de bescherming van de consument? Leidt dit inderdaad tot de in de literatuur opgeworpen gevolgen dat de civiele rechter in B2C-overeenkomsten steeds vaker los moet komen van de rechtsstrijd, zoals bedoeld in artikel 24 Rechtsvordering (Rv)?3 Zo ja, kan de positie van de civiele rechter, die de laatste jaren toch al meer verschoven is van een lijdelijke naar een actievere rechter binnen de grenzen van artikel 149 Rv en het beginsel van hoor en wederhoor, dan niet beter herzien worden? Is de regering bereid separaat van dit wetsvoorstel te beoordelen of de positie van de rechter in eerste aanleg actiever kan worden, bijvoorbeeld door schrapping van artikel 24 Rv conform het Franse model4, en daarbij de handhaving van de volledige herkansingsfunctie van het hoger beroep te herzien?

De leden van de PvdA-fractie vragen wanneer de indiening van het wetsvoorstel stroomlijning marktoezicht Autoriteit Consument en Markt (ACM) is te verwachten? Hierin zal o.a. worden geregeld dat op alle bepalingen uit de bijlage van de Whc bestuursrechtelijk zal worden gehandhaafd. Brengt dit gevolgen met zich mee voor de handhavingscapaciteit? Hoeveel fte is beschikbaar voor de handhaving van dit wetsvoorstel en de overige consumentenwetgeving?

Hoe verloopt de samenwerking in ICPEN (International Consumer Protection and Enforcement Network) -verband, zo vragen de leden van de PvdA-fractie? Hoe verloopt de samenwerking van de consumententoezichthouders uit China en de Verenigde Staten, die door de regering wordt genoemd? In hoeverre zijn bedrijven van buiten de EU gebonden aan de richtlijn?

Aangegeven wordt dat het duale stelsel van handhaving zal worden afgeschaft en dat alle onderdelen van de bijlage bij de Whc voortaan bestuursrechtelijk gehandhaafd zullen worden. Het afschaffen van het duale stelsel wordt meegenomen in het wetsvoorstel stroomlijning marktoezicht ACM. De leden van de CDA-fractie vragen op welke manier dit naar verwachting gestalte gaat krijgen.

4. Gevolgen voor het bedrijfsleven en burgers

De leden van de D66- fractie verzoeken de regering het aantal van 1280 bedrijven die aan verkoop of dienstverlening op afstand doen (op basis waarvan de administratieve lastenberekening plaats zal vinden) nader te duiden en hierbij ook de meest recente CBS-cijfers mee te nemen. Voor de volledigheid wijzen deze leden hierbij op de ruim 20.000 bedrijven die in 2012 onder SBI-code 479 van het CBS vallen.

Gesteld wordt dat de schatting van de totale toename van de nalevingskosten circa 6 miljoen euro bedraagt. De leden van de CDA-fractie vragen of dit bedrag wel realistisch is. In een van de ontvangen commentaren wordt gesteld dat alleen al de nalevingskosten van het schriftelijkheidsvereiste niet de geschatte 2,8 maar 11,5 mln. bedragen. Wat is de reactie van de regering hierop?

Verwacht wordt dat het harmoniserende karakter van de richtlijn zal leiden tot een aanzienlijke lastenbesparing voor de bedrijven in de grensoverschrijdende handel, omdat veel meer dan voorheen dezelfde informatieverplichtingen in de lidstaten zullen gelden, waarbij ook het gebruik van het modelformulier voor de herroeping van een overeenkomst een kostendrukkend effect kan hebben. De leden van de CDA-fractie vragen waarom, zoals enerzijds wordt gesteld, het momenteel niet mogelijk is deze mitigerende effecten te kwantificeren, terwijl anderzijds wel wordt gesproken van een aanzienlijke lastenbesparing. Kan dit laatste concreet worden gemaakt?

5. Advisering, consultatie en uitvoerings- en handhavingstoets

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering in hoeverre het advies van de CCA/SER uit 2009 van invloed is geweest op de totstandkoming van de richtlijn? De Consumentenautoriteit heeft erop gewezen dat in de huidige Colportagewet (die ingetrokken wordt) betaling tijdens de herroepingstermijn niet afdwingbaar is. De Consumentenautoriteit pleit ervoor dit alsnog te doen, er op wijzend dat de richtlijn hier ruimte voor biedt. Is de regering bereid dit punt alsnog in het BW op te nemen?

De leden van de PVV-fractie constateren dat Energie-Nederland in een reactie op dit wetsvoorstel laat weten dat de vermelde nalevingskosten van 2.8 mln. niet realistisch zijn. Een reële berekening van DDMA, op grond van ervaringscijfers, komt uit op een bedrag van 11.5 mln. nalevingskosten. Deze leden vragen een reactie hierop van de regering. Klopt het dat de nalevingskosten naar verwachting 8.7 mln. hoger liggen dan wordt aangegeven in de memorie van toelichting?

De leden van de PVV-fractie vragen de regering te reageren op de door de Nederlandse Uitgeversbond geformuleerde vragen. Deze leden vernemen graag welk bedrag de uitgever bij herroeping van een combinatieproduct (print + digitaal) in rekening mag brengen aan de consument voor gedurende de ontbindingstermijn afgenomen diensten? Mag de uitgeverij de abonnee laten betalen voor gedurende de herroepingstermijn geleverde (dag)bladen?

Ook willen zij graag weten indien de bladen worden teruggestuurd, maar beschadigd aankomen nadat terugbetaling heeft plaatsgevonden, kan de uitgever dan zijn geld terugkrijgen voor de beschadigde bladen?

Mag een uitgever eisen dat een e-book of andere digitale content op een fysieke drager geseald wordt teruggestuurd bij beroep op het ontbindingsrecht? Voorts willen deze leden weten of een schriftelijke bevestiging van een telefonisch afgesloten contract ook door het aanklikken van een bevestigingslink in een bevestigingsmail mag geschieden? Zo ja, onder welke voorwaarden?

De leden van de SP-fractie merken op dat werkgeversverenigingen erop wijzen dat binnen afzienbare termijn uit SEPA voor bedrijven de verplichting zal volgen de automatische incasso’s die afgesproken worden via de telefoon, schriftelijk te laten bevestigen door de consument. Deelt de regering de mening dat het wetsvoorstel hierop nog een tweede verplichting legt? Klopt het dat dit betekent dat de consument straks twee keer schriftelijk moet bevestigen en dat bedrijven twee keer hun bedrijfsproces moeten aanpassen? Welke mogelijkheden ziet de regering dit te voorkomen?

De leden van de CDA-fractie hebben enerzijds geconstateerd dat over een voorontwerp van het voorliggende wetsvoorstel een uitvoerige consulatie met het veld heeft plaatsgevonden. Dit waarderen zij. Anderzijds hebben deze leden zeer recent enkele commentaren op het wetsvoorstel ontvangen, onder andere van de organisaties VNO/NCW, Energie-Nederland, Dutch Dialogue Marketing Association (DDMA), de Nederlandse Uitgeversbond en Vrijhandelsorganisatie Energie en Gas (VOEG). Zij gaan ervan uit dat ook de regering daarvan kennis heeft genomen. Zij vragen de regering in de nota naar aanleiding van het verslag in te gaan op de in die commentaren naar voren gebrachte vragen en opmerkingen.

6. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 230k

In het voorgestelde artikel lezen de leden van de VVD-fractie dat de kosten voor het gebruik van betaalmiddelen, door een professionele partij in rekening gebracht aan de consument, niet meer mogen bedragen dan de daadwerkelijke kosten. Kan de regering aangeven hoe deze hoogte in de praktijk zal moeten worden bepaald? Hoe ziet de regering de handhaving van deze bepaling voor zich? Is het niet verstandig maximumbedragen of richtlijnen vast te leggen in een Algemene Maatregel van Bestuur of in een aanwijzing? Kan een beding in algemene voorwaarden dat deze vergoeding regelt en meer bedraagt dan de daadwerkelijk gemaakte kosten als onredelijk bezwarend worden aangemerkt? Zo ja, is er dan reden dit type bedingen toe te voegen aan de zogenoemde zwarte lijst van artikel 6:236 BW?

De leden van de PvdA-fractie vragen op welke manier wordt bepaald wat de «kern van de prestatie» is?

De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten waaruit deze kosten bestaan.

In het voorgestelde artikel staat dat voor het gebruik van een bepaald betaalmiddel slechts een vergoeding mag worden gevraagd die ten hoogste de kosten van het gebruik daarvan bedraagt.

Artikel 230l

De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting een opdeling in een precontractuele fase, waarop bijvoorbeeld het voorgestelde artikel 6:230l BW van toepassing is, en een pre-precontractuele fase, die wordt genormeerd door de bepalingen betreffende oneerlijke handelspraktijken. Ziet de regering reden dit geforceerde onderscheid te schrappen en wellicht tot een regeling te komen voor de precontractuele fase? Kan de regering daarbij het, ten aanzien van de verschillende in de precontractuele fase voorkomende fasen, zeer instructieve artikel van Schreuder betrekken?5

Artikel 230o

De leden van de D66- fractie willen graag weten of het klopt dat als er meerdere producten tegelijkertijd worden besteld, bijvoorbeeld twee boeken, de wettelijke bedenktermijn pas in gaat bij de laatste levering, ook als deze boeken geen onderlinge relatie hebben. En dat het dus kan zijn dat de bedenktijd voor boek één met meerdere weken wordt opgerekt omdat boek twee niet uit voorraad leverbaar was. Acht de regering dit wenselijk?

Artikel 230o, eerste lid

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering wat wordt bedoeld met de levering van water, gas of elektriciteit, die niet gereed voor verkoop is gemaakt in een beperkt volume of in een bepaalde hoeveelheid, van stadverwarming of van digitale inhoud, anders dan op een materiële drager?

Artikel 230o, tweede lid

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering bij wie ligt de bewijslast te bepalen of alle gegevens op de voorgeschreven wijze aan de consument zijn verstrekt? Geldt dit artikel (termijn van 14 dagen start na ontvangst van de laatste zaak) ook voor series of abonnementen? Bijvoorbeeld een serie van munten of postzegels?

Artikel 230o, vijfde lid

De leden van de PvdA-fractie vernemen graag van de regering waarom de bewijslast voor de juiste en tijdige uitoefening van het recht tot ontbinding binnen 14 dagen rust op de consument?

Artikel 230p

De leden van de PvdA-fractie willen graag van de regering weten op welke manier wordt bepaald of sprake is van levering van zaken die snel bederven of een beperkte houdbaarheid hebben? Waarom geldt voor computerapparatuur geen recht tot ontbinding van de overeenkomst nadat de verzegeling is verbroken?

De leden van de D66-fractie willen graag weten hoe en op welke manier de consument afstand kan doen van zijn rechten tot ontbinding oftewel hoe deze verklaring vorm moet aannemen. Kan de regering enkele voorbeelden geven van uitdrukkelijke voorafgaande instemming?

Artikel 230r

De leden van de VVD-fractie geven de regering in overweging in het voorgestelde artikel 6:230r, tweede lid, voor «handelaar» in te voegen: De. Los van deze kennelijke verschrijvingen, vragen zij of het niet verstandiger is de tot dusver gebruikelijke terminologie van «buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten» te hanteren, in plaats van het voorgestelde «overeenkomsten buiten de verkoopruimte»? Suggereert het gebruik van de term «verbintenissen uit de wet» niet meer dan dat er daadwerkelijk tot stand komt? De verbintenissen in kwestie vloeien toch veeleer voort uit de tussen de consument en zijn professionele wederpartij gesloten overeenkomst, zelfs als een deel daarvan al wordt ingevuld door een wettelijk voorschrift?

Artikel 230x

De leden van de PvdA-fractie vernemen graag van de regering waarom het schriftelijkheidsvereiste niet van toepassing is op het verrichten van financiële diensten op afstand of buiten de verkoopruimte. Is de regering van plan bepaalde financiële producten vrij te stellen van het recht binnen 14 dagen de overeenkomst te ontbinden?

Artikel 6:230v

De leden van de D66-fractie vernemen voor de volledigheid graag of een schriftelijke bevestiging ook vorm gegeven kan worden in een digitale vorm en de samenhang met maatregelen volgend uit SEPA.

De voorzitter van de commissie, Jadnanansing

Adjunct- griffier van de commissie, Tielens-Tripels


X Noot
1

Kamerstukken II, 2011–2012, 32 320, nr. 3).

X Noot
2

C.M.D.S. Pavillon, Open normen in het Europees consumentenrecht. De oneerlijkheidsnorm in vergelijkend perspectief, diss. Groningen 2011.

X Noot
3

Vgl. A.G.F. Ancery, Ambtshalve toepassing van EU-recht, diss. Groningen 2012, p. 152–153.

X Noot
4

Vgl. Ancery 2012 (cit. supra), p. 142–143.

X Noot
5

A.L.J.A. Schreuder, «Precontractuele aansprakelijkheid wegens afgebroken onderhandelingen: een vergelijking tussen Nederlands en Italiaans recht», VrA 2008 (3).

Naar boven