33 515 Wijziging van de Wet verhuurderheffing

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Het voorstel van wet houdende invoering van een verhuurderheffing (Wet verhuurderheffing)1 dat op 18 september 2012 bij de Tweede Kamer is ingediend, vloeit voort uit het Regeer- en Gedoogakkoord van 30 september 20102 alsmede uit het Begrotingsakkoord 2013, zoals uitgewerkt in de Voorjaarsnota.3 In het Regeerakkoord van 29 oktober 2012 (hierna: het Regeerakkoord) is een breed pakket maatregelen opgenomen om te komen tot een beter functionerende huurmarkt als onderdeel van een integrale hervorming van de woningmarkt. De maatregelen in het Regeerakkoord op het terrein van de huurmarkt zien met name op het jaar 2014 en volgende. Tijdens de plenaire behandeling van het voornoemde voorstel van wet heeft de Eerste Kamer de motie-Essers c.s. aanvaard, waarin de regering verzocht wordt met een novelle te komen om de verhuurderheffing 2013 te splitsen van de jaren daaropvolgend.4 Voor de vormgeving daarvan is, ook in relatie tot de verruimingen in het huurbeleid, een zorgvuldige verdere analyse noodzakelijk. Onderhavig voorstel tot wijziging van de Wet verhuurderheffing strekt tot uitvoering van deze motie, aangezien door deze wijziging wordt bewerkstelligd dat die wet uitsluitend geldt voor het jaar 2013. In andere wijzigingen is niet voorzien. De Wet verhuurderheffing zoals deze door dit voorstel wordt gewijzigd treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt dan terug tot en met 1 januari 2013. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de Wet verhuurderheffing op de manier gaat werken die door de Tweede Kamer is geaccordeerd, en al enige tijd publiek en bij de betrokken sector kenbaar is. Daarnaast is van belang dat de beschikkingen houdende de waardevaststelling uit hoofde van de Wet waardering onroerende zaken worden verzonden aan de belanghebbende aan het begin van het kalenderjaar. Als deze gegevens op het tijdstip van verschuldigdheid, later dan het begin van het kalenderjaar, niet meer actueel zouden zijn, zou dit tot onduidelijkheid kunnen leiden.

Voor de jaren 2014 en volgende zal een nieuw wetsvoorstel worden ingediend, waarin (mede) de uitkomsten van de voornoemde analyse tot uitdrukking komen.

De minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

De staatssecretaris van Financiën, F.H.H. Weekers


X Noot
1

Kamerstukken 33 407.

X Noot
2

Kamerstukken II 2010/11, 32 417, nr. 15, blz. 63–64.

X Noot
3

Kamerstukken II 2011/12, 33 280, nr. 1, blz. 23.

X Noot
4

Kamerstukken I 2012/13, 33 407, F.

Naar boven