Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333472 nr. 12

33 472 Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de versterking van de kwaliteitswaarborgen voor het hoger onderwijs alsmede tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met de introductie van een aanwijzingsbevoegdheid voor de minister (Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs)

Nr. 12 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 juni 2013

In uw brief van 7 juni 2013, verzoekt u om een nadere uiteenzetting van de argumentatie voor de behandeling van het wetsvoorstel versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs na het zomerreces, in plaats van de nu geplande behandeling voor het reces. Naar aanleiding hiervan ontvangt u deze brief over het proces ten aanzien van het wetsvoorstel versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs. Tegelijkertijd ontvangt u de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging waarmee de invoering van risicogericht toezicht uit het wetsvoorstel wordt gehaald (Kamerstuk 33 472, nrs. 10 en 11).

De kern van mijn betoog is dat ik veel belang hecht aan de maatregelen in het wetsvoorstel ten behoeve van de versterking van de kwaliteitsborging. Daarbij hecht ik aan een spoedige, maar wel zorgvuldige behandeling. In het door mij uiteen gezette alternatieve proces, is mijn insteek dat het wetsvoorstel – met uitzondering van de invoering van het risicogericht toezicht – wat mij betreft overeind blijft, tenzij de evaluatie van het accreditatiestelsel aanleiding geeft voor aanpassingen.

Verder hecht ik aan een spoedige invoering van de verbrede aanwijzingsbevoegdheid. Door een behandeling na de zomer kan deze verbreding van de aanwijzingsbevoegdheid nog worden toegevoegd aan dit wetsvoorstel. In het geval van een behandeling vóór het zomerreces, is dit niet mogelijk en zal de aanwijzingsbevoegdheid als apart voorstel moeten worden behandeld.

Daarnaast acht ik het, voor een zo groot mogelijke effectiviteit van het stelsel van kwaliteitswaarborgen, van belang rekening te houden met de evaluatie van het accreditatiestelsel. De uitkomsten daarvan kunnen relevant zijn voor die onderdelen van dit wetsvoorstel die betrekking hebben op het accreditatiestelsel. De hiervoor relevante evaluaties worden gedurende de zomer voltooid. Indien de informatie uit de evaluaties daar aanleiding toe geeft, zou ik bij een behandeling van het wetsvoorstel na het zomerreces de mogelijkheid hebben om voorstellen te doen voor aanpassing. De behandeling kan dan snel daarna plaatsvinden. Naar verwachting zal ik de evaluatie en mijn reactie hierop, alsmede indien nodig, voorgestelde aanpassingen van het wetsvoorstel, medio september naar uw Kamer kunnen sturen. Hieronder zet ik de argumentatie nader uiteen.

Verbreding aanwijzingsbevoegdheid

In de governancebrief versterking bestuurskracht (Kamerstuk 33 495, nr. 10) is aangegeven dat dit een ingrijpende aanpassing van het wetsvoorstel is die ter advisering dient te worden voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Tijdens het debat met uw Kamer op 25 april heb ik aangegeven, om zo spoedig mogelijk, dat wil zeggen zodra ik het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State heb ontvangen en het Nader rapport daarbij is opgesteld, de verbreding van de aanwijzingsbevoegdheid aan het wetsvoorstel toe te voegen. Inmiddels is de nota van wijziging met een verzoek om spoedadvies aan de Raad van State voorgelegd. Gelet op de adviestermijnen die de Raad doorgaans hanteert, verwacht ik het advies in de zomer en betekent dat ik niet voor het zomerreces een nota van wijziging en het Nader rapport naar uw Kamer kan sturen. Indien het wetsvoorstel voor de zomer wordt behandeld, houdt dat in dat deze verbreding niet meer kan worden meegenomen en dat deze wijziging via een apart wetsvoorstel zal moeten worden voorgelegd. Dit betekent dat de wijziging dan later zal worden ingevoerd. Ik beschouw zo’n stapeling van trajecten als minder wenselijk.

Evaluatie accreditatiestelsel

Zoals ik in mijn brief van 6 december 2012 (Kamerstuk 32 210, nr. 23) heb aangegeven, wordt het nieuwe accreditatiestelsel thans door verschillende organisaties geëvalueerd. Er is en wordt onderzoek verricht door de Algemene Rekenkamer, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), de Inspectie van het Onderwijs en ook door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Daarnaast is NVAO geëvalueerd door European Association for Quality Assurance. Op basis van deze onderzoeks- en evaluatieresultaten stel ik een overkoepelende rapportage op en streef ik ernaar deze medio september naar uw Kamer te zenden. Voor de effectiviteit van de maatregelen acht ik het van belang de resultaten van de evaluatie van het accreditatiestelsel mee te kunnen nemen. Hierbij heeft uw Kamer de gelegenheid de uitkomsten van de evaluatie van de accreditatie ook daadwerkelijk te kunnen betrekken bij de behandeling van het wetsvoorstel. Ik zal u medio september tegelijkmet voornoemde rapportage ook informeren over de mogelijke aanpassingen van dit wetsvoorstel op grond van de evaluatie. Indien het wetsvoorstel voor de zomer wordt behandeld, is het niet mogelijk dit hierbij te betrekken. Daarnaast bestaat dan het risico dat de planning van het wetsvoorstel versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs alsnog vertraging oplevert, wanneer de Eerste Kamer der Staten-Generaal de uitkomsten van de evaluatie terug zou willen zien in het voorliggende wetsvoorstel.

Duurzame wetgeving en betrouwbare overheid

Voor de instellingen vind ik het onwenselijk dat we hen onnodig met nieuwe regelgeving confronteren. Als de verwachting is dat het wetsvoorstel in de huidige vorm over een aantal maanden alsnog wordt gewijzigd, is dit een onwenselijke gang van zaken. Met behandeling na de zomer wordt dit voorkomen.

Alles overziend leiden bovenstaande overwegingen mij tot het voorstel om de behandeling van het wetsvoorstel eind september te plannen. Ik attendeer uw Kamer erop dat het wetsvoorstel – met uitzondering van de invoering van het risicogericht toezicht – wat mij betreft overeind blijft, tenzij de evaluatie van het accreditatiestelsel aanleiding geeft om op onderdelen aanpassingen te maken.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker