Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333472 nr. 11

33 472 Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de versterking van de kwaliteitswaarborgen voor het hoger onderwijs alsmede tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met de introductie van een aanwijzingsbevoegdheid voor de minister (Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs)

Nr. 11 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 19 juni 2013

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel III, onderdeel D, wordt «De artikelen 11 en 15» vervangen door: De artikelen 11, 12 en 15.

B

Artikel III, onderdeel F, komt te luiden:

F

Artikel 12a komt als volgt te luiden:

Artikel 12a. Onderzoek hoger onderwijs

1. Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b en d, bedoelde taken onderzoekt de inspectie met inachtneming van artikel 4 de naleving van de wettelijke voorschriften en de financiële rechtmatigheid bij instellingen voor hoger onderwijs.

2. Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b, c en d, bedoelde taken onderzoekt de inspectie ontwikkelingen in het stelsel van hoger onderwijs.

3. Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b, c en d, bedoelde taken kan de inspectie naar aanleiding van signalen van buitenaf die mogelijk kunnen leiden tot gevolgen op stelselniveau in incidentele gevallen onderzoek verrichten op aanwijzing van de minister dan wel uit eigen beweging onder door Onze Minister te stellen voorwaarden. Dit onderzoek kan mede de kwaliteit van het onderwijs omvatten tenzij dit de bevoegdheid van het accreditatieorgaan, bedoeld in artikel 5a.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betreft.

4. Artikel 11, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

5. Indien het onderzoek, bedoeld in het derde lid, mede de kwaliteit van het onderwijs omvat, betrekt de inspectie het accreditatieorgaan, bedoeld in artikel 5a.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, bij haar onderzoek

C

Artikel V vervalt.

TOELICHTING

In de memorie van toelichting is aangegeven dat de maatregelen, voorgesteld in dit wetsvoorstel, op termijn voldoende garanties opleveren voor het waarborgen van de diplomakwaliteit. Om het vertrouwen in het hoger onderwijs te bestendigen was de inschatting van de regering aanvankelijk dat het noodzakelijk zou zijn om de bevoegdheden van de Inspectie uit te breiden met risicogericht toezicht.

Tegelijkertijd gaf de regering al aan, gelet op het advies van de Afdeling advisering van Raad van State en rekening houdend met reacties van de instellingen voor hoger onderwijs, dat zij zich ervan bewust was dat uitbreiding van het inspectietoezicht mogelijk zou leiden tot taakoverlap met de NVAO met als gevolg stapeling van toezicht. Bovendien zou dit een spanningsveld kunnen opleveren met het beleid om de instellingen de ruimte te bieden de focus vooral te richten op het primaire proces van onderwijs en onderzoek. Een en ander heeft geleid tot een aanpassing van het wetsvoorstel voordat het werd ingediend bij de Tweede Kamer in die zin dat beoogd was dat de invoering van risicogericht toezicht door de Inspectie tijdelijk van aard zou zijn, gekoppeld aan een zorgvuldige evaluatie.

De regering heeft geconstateerd dat de wijzigingen die in het wetsvoorstel zijn aangebracht naar aanleiding van het advies van Afdeling advisering de Raad van State de zorgen over taakoverlap en stapeling van toezicht niet hebben kunnen wegnemen. Dit komt ook naar voren in een groot aantal kritische vragen van de Tweede Kamer hierover in het verslag (Kamerstuk 33 472, nr. 5). Ook uit een advies van Actal, door de regering gevraagd op verzoek van de Tweede Kamer nadat het onderhavige wetsvoorstel was ingediend (bijlage bij Kamerstuk 33 472, nr. 6), spreekt zorg over de mogelijke overlap tussen de NVAO en de Inspectie, waarbij het risico ontstaat op een dubbeling qua invulling en uitwerking van taken. Tegen deze achtergrond is de (tijdelijke) invoering van de mogelijkheid van risicogericht onderzoek door de Inspectie heroverwogen. Daarbij speelt ook een rol dat instellingen zichtbaar grotere verantwoordelijkheid nemen, mogelijke overlap tussen NVAO en Inspectie moet worden voorkomen en de beoordeling door de NVAO aan scherpte heeft gewonnen. Alles tegen elkaar afwegende ziet de regering af van de invoering van risicogericht toezicht door de Inspectie.

Zij hecht wel aan het verduidelijken van de taakafbakening tussen de Inspectie en de NVAO in de Wet op het onderwijstoezicht waar het incidenteel onderzoek mede de kwaliteit van het onderwijs omvat en behoudt deze explicitering.

De Inspectie betrekt de NVAO bij het incidenteel onderzoek als dit mede kwaliteit omvat. Daar waar (een deel van) het incidenteel onderzoek de bevoegdheid van de NVAO betreft, beoordeelt de NVAO de kwaliteit van het onderwijs.

De taken van de Inspectie blijven ongewijzigd. De Inspectie is verantwoordelijk voor het toezicht op het stelsel, de naleving van wet- en regelgeving en de financiële rechtmatigheid.

Ik stel de Inspectie in de gelegenheid om binnen de bestaande wetgeving het stelselonderzoek, het toezicht op het stelsel van accreditatie en het verrichten van incidenteel onderzoek naar aanleiding van externe signalen (brandweerfunctie) effectiever in te richten.

Dat instellingen die goed presteren met minder toezichtlasten worden geconfronteerd dan instellingen die niet goed presteren en dat het toezicht van de Inspectie te allen tijde complementair is aan het accreditatiestelsel, vloeit voort uit de recente wijziging van de WOT, waarbij proportionaliteit en de brandweerfunctie belangrijke noties zijn. Dit betekent dat incidenteel onderzoek naar aanleiding van externe signalen proportioneel moet zijn. Zo wordt bij het bestaande toezicht onnodige administratieve drukte richting instellingen voorkomen.

In het kader van de brandweerfunctie kan tot een incidenteel onderzoek worden besloten, indien er sprake is van een ernstig signaal met een zekere uitstraling naar het gehele stelsel voor het hoger onderwijs. Dit kan alleen naar aanleiding van externe signalen. Op grond van de wet kan de minister nu al voorwaarden stellen in het kader van de brandweerfunctie. Daarbij ga ik uit van de volgende uitgangspunten. Er is sprake van een ernstig signaal als:

1) zich ernstige risico’s wat betreft het eindniveau van afgestudeerden voordoen bij verschillende opleidingen van een bepaalde instelling waarbij een groot aantal studenten is betrokken;

2) er aanwijzingen zijn dat een instelling in grote mate nalatig is bij het naleven van wettelijke voorschriften waardoor de kwaliteitsborging van het onderwijs in het geding is;

3) zich herhaalde serieuze klachten met een zekere omvang op een vergelijkbaar terrein voordoen.

In control zijn van instellingen

Naast de aard en ernst van het signaal speelt de mate waarin de instelling de situatie onder controle heeft een belangrijke rol. Beide aspecten bepalen de intensiteit van het vervolgtoezicht het toezicht. Naarmate de situatie ernstiger is, en/of het bestuur de situatie minder onder controle heeft en de interne checks and balances niet goed functioneren, zal het vervolg intensiever worden. Als een instelling zelf in control is, is er geen aanleiding voor acties vanuit de Inspectie. Instellingen die met succes de instellingstoets kwaliteitszorg van de NVAO doorlopen (dat wil zeggen zonder nadere voorwaarden), zullen niet geconfronteerd worden met aanvullend inspectietoezicht. Hierop wordt uitzondering gemaakt wanneer er sprake is van zeer ernstige risico’s die het bestuur niet blijkt te beheersen. Behalve het instellen van een vervolgonderzoek of incidenteel onderzoek, kunnen er afspraken met het bestuur over noodzakelijke verbeteringen gemaakt worden, waarop de inspectie vervolgens toeziet.

Deze nota van wijziging wordt gegeven mede namens de Minister van Economische Zaken.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker