33 368 Wijziging van de Politiewet 2012 in verband met de positie van de korpschef en van de regioburgemeester alsmede enkele andere verbeteringen

Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 26 november 2012

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de door de verschillende fracties gestelde vragen en naar voren gebrachte punten. De vragen die de leden van de verschillende fracties over het wetsvoorstel hebben gesteld geven mij de gelegenheid de voorgestelde wijzigingen van de Politiewet 2012 te verduidelijken. Graag ga ik dan ook hieronder op deze vragen in.

Bij de beantwoording van de vragen is de indeling van het verslag gevolgd.

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd nader in te gaan op de algemene en bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van artikel 30 van de Politiewet 2012 (hierna: de wet). Deze leden antwoord ik dat het inderdaad zo is dat deze aanwijzingsbevoegdheid als een normaal sturingsinstrument moet worden gezien. Anders dan in het regionale politiebestel is de aanwijzingsbevoegdheid uitdrukkelijk géén «ultimum remedium». Deze leden kan ook worden bevestigd dat het een laagdrempelig sturingsinstument is, nu er geen vormvoorschriften aan zijn verbonden. Dat betekent bijvoorbeeld dat een aanwijzing ook mondeling kan worden gegeven. Laagdrempelig is de bevoegdheid van de minister ook in die zin dat een aanwijzing niet behoeft te worden voorafgegaan door overleg of dat voldaan moet worden aan bepaalde voorwaarden voordat de aanwijzing kan worden gegeven. Indien de minister meent dat de korpschef een taak of bevoegdheid op een bepaalde manier dient uit te oefenen, kan daarin reeds reden zijn gelegen een aanwijzing te geven.

De hier aan het woord zijde leden hebben gevraagd naar een voorbeeld van de wijze waarop dit instrument onder de Politiewet 1993 is ingezet. Deze leden antwoord ik dat in de praktijk van deze aanwijzingsbevoegdheid geen gebruik is gemaakt anders dan dat het als spreekwoordelijke «stok achter de deur» heeft gefunctioneerd. Dat was ook in lijn met de bedoeling die het instrument onder de Politiewet 1993 heeft, namelijk als een buitengewoon ingrijpend middel dat als «ultimum remedium» beperkt dient te blijven tot gevallen waarin de Politiewet 1993 geen mogelijkheden meer biedt op andere wijze het doel te bereiken1.

De in artikel 31 van de Politiewet 2012 neergelegde algemene en bijzondere aanwijzingsbevoegdheid zal, zoals gezegd, als een normaal en laagdrempelig sturingsinstrument dienen. Omdat de aanwijzingsbevoegdheid de uitvoering van alle taken en bevoegdheden van de korpschef kan betreffen, zo antwoord ik deze leden op hun vraag naar hoe de aanwijzing onder de Politiewet 2012 zal worden gebruikt, zijn de voorbeelden van zeer uiteenlopende aard. Gedacht kan worden aan aanwijzingen met betrekking tot de structuur van de politieorganisatie, aanwijzingen op het terrein van de prioritering van ICT-programma’s, aanwijzingen op het terrein van huisvesting et cetera, voor zover althans de korpschef in dat verband niet reeds is gebonden door het door de minister vastgestelde beheersplan of door regels over het beheer die op grond van artikel 31 van de wet worden gesteld. In feite is het aantal voorbeelden oneindig, zo concludeer ik naar aanleiding van de vraag van de hier aan het woord zijnde leden.

Mocht uit de evaluatie van onder andere de werking van artikel 27 blijken dat het bestel niet werkt zoals beoogd, dan zal ik, zo zeg ik deze leden toe zoals ik ook de leden van de Eerste Kamer heb toegezegd, bezien hoe het bestel moet worden aangepast om de gewenste werking alsnog te realiseren. Welke maatregelen dan eventueel nodig zijn, valt uiteraard nu nog niet te zeggen. Dat zal immers in hoge mate afhangen van de uitkomst van de evaluatie.

De verwachting is dat de toezichtvisie en het daarop gebaseerde voorstel voor de taken van de commissie van toezicht op het beheer begin 2013 gereed zijn, waarna de commissie spoedig met haar werkzaamheden zal kunnen starten, zo antwoord ik deze leden ten slotte.

De leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd in te gaan op de constatering van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: Afdeling advisering) dat de vastlegging in artikel 27 dat de korpschef over de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden verantwoording aflegt aan de minister, slechts de zelfstandigheid van de korpschef accentueert. Deze leden antwoord ik dat dat geenszins het geval is. De ondergeschiktheid van de korpschef volgt, anders dan de Afdeling advisering meent, uit de wet, om precies te zijn uit de aanwijzingsbevoegdheid van de minister. De verantwoordingsplicht, zoals geëxpliciteerd in het voorgestelde gewijzigde artikel 27, onderstreept die ondergeschiktheid juist. Er is sprake van een materiële wijziging van de relatie tussen de minister en de korpschef, in zoverre dat door aanvaarding van dit wetsvoorstel een verplichting komt te liggen bij de korpschef om zich te allen tijde te verantwoorden ten opzichte van de minister. Een dergelijke verplichting is impliciet besloten in het karakter van de ondergeschikte positie van de korpschef maar wordt nu expliciet. Als symbolisch kan de verplichting niet worden gekarakteriseerd, benadruk ik jegens de hier aan het woord zijnde leden. Aan de verplichting zal namelijk zonder meer in de praktijk invulling worden gegeven.

Met de voorgestelde wijziging van de Politiewet 2012 is de korpschef niet langer belast met wettelijke taken ten aanzien van de begroting, de meerjarenraming, de jaarrekening, het beheersplan en het jaarverslag. Het initiatief ten aanzien van deze beheerstaken verschuift daarmee naar de minister. De hier aan het woord zijnde leden hebben gevraagd hoe de minister deze taken in de praktijk zal uitvoeren. Gelet op het belang van deze taken zullen hiervoor in de algemene maatregelen van bestuur op grond van het voorgestelde artikel 30 regels worden getroffen. Het betreft regels die deels ook al op grond van de ministeriële regelingen op grond van het huidige artikel 30 in ministeriële regelingen worden neergelegd. Daarbij kan met name worden gedacht aan regels over de inrichting van de begroting en het beheersplan. Het ligt in de rede dat bij de feitelijke voorbereiding van de begroting en het beheersplan een belangrijke rol voor de korpschef ten aanzien van het aanleveren van de benodigde informatie zal zijn weggelegd, gelet op diens kennis van de materie, van de wensen en mogelijkheden van de politie en van de doelen van de lokale gezagsdragers. Deze rol zal echter telkens uitdrukkelijk onder de verantwoordelijkheid van de minister invulling krijgen.

De voor de uitoefening van deze taken benodigde kennis en informatie, waarnaar deze leden hebben gevraagd, wordt gevraagd en ongevraagd door de korpschef aan de minister verstrekt. Daarnaast kan de minister inzage vorderen van gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de uitoefening van zijn taak redelijkerwijs nodig is. Daarin voorziet reeds artikel 32 van de wet.

Het belang van de vormgeving van de politie in een aparte rechtspersoon is onverminderd de wens om tot uitdrukking te brengen dat de politie er primair voor de lokale gezagsdragers is. De maatregelen die met dit wetsvoorstel worden getroffen zien voorzover hier van belang op de positie van de korpschef en doen niets af aan het uitgangspunt (dat met de rechtsvorm mede tot uitdrukking wordt gebracht) dat de politie er primair is voor de lokale gezagsdragers.

De voorgestelde werkwijze waarbij de regioburgemeesters op aanbeveling van de andere burgemeesters van de gemeenten binnen de regionale eenheid worden benoemd en aan hen verantwoording afleggen, is vormvrij gehouden. Het is aan de desbetreffende burgemeesters om een werkwijze in te richten. Reden hiervoor is dat één bij of op grond van de wet vastgelegde procedure geen recht zou doen aan de bestuurlijke verschillen tussen de regionale eenheden. Zo is het goed voorstelbaar dat binnen de regionale eenheid Amsterdam, met zes gemeenten, een andere procedure dan in de regionale eenheid Oost-Nederland met 81 gemeenten de meest aangewezen weg blijkt te zijn.

Er is geen directe relatie tussen de gemeenteraden en de regioburgemeesters. Ook de gemeenteraad van de gemeente waarvan de regioburgemeester burgemeester is, kan hem slecht aanspreken op zijn rol als burgemeester en niet op zijn rol als regioburgemeester. De regioburgemeester legt, zo wordt met dit wetsvoorstel voorgesteld, over de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden verantwoording af aan de overige burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert.

Ook het verzoek van de burgemeesters om een regioburgemeester uit zijn functie te ontheffen is vormvrij gelaten. Zoals de hier aan het woord zijnde leden reeds aanhalen, kan dit als een zeer zwaar besluit worden getypeerd, dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal voorkomen. Een dergelijk verzoek zal worden voorafgegaan door intensief bestuurlijk overleg door de burgemeesters binnen de regionale eenheid en vervolgens tussen de minister en betrokkenen. Aangezien niet te voorzien is in welke specifieke gevallen deze situatie zich zal kunnen voordoen, noch welke feiten of omstandigheden vervolgens doorslaggevend kunnen zijn bij de beslissing om de regioburgemeester van zijn taak te ontheffen, is het niet opportuun om daarvoor een formele procedure te ontwerpen. Er is dan ook geen specifieke meerderheid of ander quotum waaraan voldaan moet worden. Immers, in een dergelijke situatie zou een meerderheid binnen de regionale eenheid Amsterdam bestaan uit 3 burgemeesters, terwijl in de eenheid Oost-Nederland een dergelijk verzoek van 30 burgemeesters geen meerderheid zou hebben maar wel op sterk verstoorde bestuurlijke verhoudingen zou wijzen. De minister zal elk verzoek op zijn merites beoordelen. Formeel betrokkenen zijn de burgemeesters van de gemeenten binnen de regionale eenheid, de regioburgemeester en de minister. Deze leden vragen voorts naar de verdere gevolgen voor de desbetreffende regioburgemeester. Die zijn er niet. Het functioneren als regioburgemeester staat los van het functioneren als burgemeester. De raad beoordeelt een burgemeester op zijn functioneren als burgemeester en heeft geen rol waar het gaat om diens functioneren als regioburgemeester.

De leden van de PVV-fractie hebben gevraagd nader in te gaan op het commentaar van de Afdeling advisering op de verhouding tussen de korpschef en de minister. Deze leden verwijs ik in de eerste plaats naar hetgeen daarover hierboven is opgemerkt naar aanleiding van de vragen van zowel de leden van de VVD-fractie als de leden van de PvdA-fractie over de aanwijzingsbevoegdheid en de ondergeschiktheid van de korpschef. Deze leden hebben voorts gevraagd naar voorbeelden waaruit de ondergeschiktheid van de korpschef zal blijken. Voor deze vraag verwijs ik de leden naar het antwoord op vragen van de leden van de VVD-fractie hierover.

Deze leden hebben vervolgens gevraagd in te gaan op de brief van de Algemene Rekenkamer2 van 28 augustus 2012 met betrekking tot het budgetrecht van de Tweede Kamer. Uit de brief van 28 augustus 2012 ontstaat het beeld dat de Algemene Rekenkamer de mening is toegedaan dat in het voorliggende wetsvoorstel ten onrechte de positie van het parlement niet wordt aangepast aan de in het wetsvoorstel geregelde, nieuwe positie van de minister. Daarbij miskent de Algemene Rekenkamer dat de politie ook met het voorliggende wetsvoorstel een aparte rechtspersoon is en dat «slechts» de rol van de korpschef ten aanzien van het ontwerpen van de eigen begroting en andere (financiële) stukken wordt geschrapt. De minister stelt, net als in de huidige Politiewet 2012, deze stukken vast. Dit wetsvoorstel brengt daarin geen wijziging. Het voorgaande betekent ook dat de positie van het parlement ten opzichte van de politiebegroting niet wordt gewijzigd door dit wetsvoorstel.

Ik vind het evenwel van groot belang dat het parlement voldoende inzicht heeft in de besteding van de politiemiddelen. Daarom zie ik aanleiding toe te zeggen dat bij de departementale begroting de ontwerpbegroting van de politie zal worden meegezonden in plaats van de eerder toegezegde indicatieve conceptbegroting op hoofdlijnen. Op basis van deze ontwerpbegroting kan het parlement invloed uitoefenen op de definitieve begroting van de politie. Het ziet dan immers wat de uitwerking is van het voor de politie in de departementale begroting gereserveerde bedrag. Het parlement kan de minister door het aannemen van moties bewegen tot aanpassing van de ontwerpbegroting van de politie. In beginsel zal de minister die moties uiteraard, zoals elke aangenomen motie, uitvoeren. De minister stelt de begroting van de politie definitief vast nadat zijn departementale begrotingswet door het parlement is aangenomen.

Vanzelfsprekend zal deze toezegging voor het eerst gestand kunnen worden gedaan bij gelegenheid van de departementale begrotingswet voor 2014.

De leden van de SP-fractie hebben gevraagd hoe gedetailleerd de minister kan sturen op het beheer en het financieel beheer, nu hij de begroting, de jaarrekening, het beheersplan en het jaarverslag niet alleen vaststelt maar ook opstelt. Deze leden antwoord ik dat de minister volledige politieke verantwoordelijkheid draagt voor het (financiële) beheer van de politie. Zijn taak om de door deze leden genoemde (financiële) stukken vast te stellen en ook, zoals met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld, op te stellen, is een onderdeel van het instrumentarium van de minister om zijn verantwoordelijkheid waar te maken. De hier aan het woord zijnde leden hebben gevraagd in hoeverre de minister zich kan bemoeien met de uitvoering van politietaken op het niveau van de regionale onderdelen, de territoriale onderdelen en de robuuste basisteams. Deze leden antwoord ik dat dit wetsvoorstel niet tot gevolg heeft dat lokale autoriteiten minder zeggenschap hebben over de inzet van de politie(middelen), zoals zij lijken te vrezen. Op de eerste plaats is hierbij van belang dat ingevolge dit wetsvoorstel regels ten aanzien van het beheer en het financieel beheer bij algemene maatregelen van bestuur worden gesteld, die ook bij het parlement worden voorgehangen, net als nu al het geval is ten aanzien van de regels betreffende de verdeling van de sterkte en de middelen over de onderdelen van de politie. In bijvoorbeeld het beheersplan maar ook in de begroting zal uiteraard rekenschap moeten worden gegeven van die voorschriften.

Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de zeggenschap van de lokale autoriteiten over de inzet van de politiemiddelen, benadruk ik in de richting van deze leden. Het gezag, dat is de zeggenschap over de inzet van de politie berust zoals gezegd onverminderd bij de burgemeesters en de officieren van justitie. De betrokkenheid van de minister bij de politie ziet uitdrukkelijk niet op de uitoefening van het gezag, tenzij hij zelf het gezag uitoefent, zoals ten aanzien van de beveiliging van het koninklijk huis. De politiesterkte wordt bovendien in het beleidsplan van de regionale eenheid door de burgemeesters en de hoofdofficier van justitie verdeeld over de onderdelen van die eenheid. De landelijke prioriteiten worden ingevolge artikel 18 vastgesteld nadat de regioburgemeesters en de voorzitter van het College van procureurs-generaal daarover zijn gehoord.

De hier aan het woord zijnde leden hebben vragen gesteld naar aanleiding van de hierboven genoemde brief van de Algemene Rekenkamer van 28 augustus 2012. Deze leden verwijs ik in de eerste plaats naar hetgeen ik daarover hierboven heb opgemerkt naar aanleiding van enkele vragen van de leden van de PVV-fractie. In aanvulling daarop merk ik naar aanleiding van de vragen van de leden van de SP-fractie nog op dat dit wetsvoorstel geen wijziging brengt in de eindverantwoordelijkheid voor de (financiële) stukken. Dit berust ook in de huidige Politiewet 2012 bij de minister. Dit wetsvoorstel strekt ertoe de wettelijke taak van de korpschef, strekkende tot het opstellen van een ontwerp voor deze stukken, te schrappen. Verder hecht ik eraan nogmaals te benadrukken dat besluitvorming over de daadwerkelijke inzet van de politie is voorbehouden aan de gezagsdragers en dat dit wetsvoorstel daaraan niets verandert.

De hier aan het woord zijnde leden hebben verder gevraagd naar het orgaan dat de aanbeveling zal doen voor de aanwijzing van twee burgemeesters die zullen deelnemen aan het zogeheten artikel 19-overleg. Voorop gesteld moet worden, zo antwoord ik deze leden, dat er geen sprake is van het schrappen van het Genootschap van Burgemeesters uit het wetsvoorstel als aangewezen orgaan om aanbevelingen te doen. In het wetsvoorstel zoals dat voor advies aan de Afdeling advisering is gezonden, was sprake van een de burgemeesters vertegenwoordigend orgaan, waarbij in de toelichting was aangegeven dat dit het Genootschap van Burgemeesters zou zijn. De Afdeling advisering heeft terecht opgemerkt dat het genootschap geen algemeen vertegenwoordigend orgaan voor burgemeesters is. Zodoende wordt nu in het voorgestelde artikel I, onderdeel B, van het wetsvoorstel nog slechts gesproken van een door de minister aangewezen orgaan. De wijziging die op advies van de Afdeling is doorgevoerd moet worden gezien als een wijziging die het juist mogelijk moet maken dat een orgaan als het Genootschap, als niet-vertegenwoordigend orgaan, de aanbeveling doet. Dat blijft dus ook uitdrukkelijk de bedoeling.

Omdat ik zoveel als mogelijk zonder formele wetswijziging, al in de geest van dit wetsvoorstel handel, heb ik het genootschap reeds verzocht om een voordracht te doen voor twee burgemeesters die vooruitlopend op de formalisatie daarvan in dit wetsvoorstel, al deelnemen aan het artikel 19-overleg.

De hier aan het woord zijnde leden hebben gevraagd of er niet een discrepantie zit tussen het nemen van verantwoordelijkheid door de minister en het afleggen van verantwoording achteraf. Zij doelen vermoedelijk op het afleggen van verantwoording door de korpschef aan de minister, zo antwoord ik hen, zoals in het voorgestelde nieuwe artikel 27 is neergelegd. Anders dan deze leden kennelijk veronderstellen is hier geen sprake van een discrepantie. De minister beschikt immers over een uitgebreid instrumentarium om zijn verantwoordelijkheid waar te maken, waarvan de verantwoordingsverplichting van de korpschef er slechts één is. De verplichting van de korpschef om verantwoording af te leggen over de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden is wel een belangrijk element in dat instrumentarium. Zo is denkbaar dat het verantwoordingsproces aanleiding geeft tot nieuwe of andere aanwijzingen van de minister aan de korpschef.

Voor vormgeving van de politie als een departementaal onderdeel is niet gekozen omdat daarmee niet tot uitdrukking kan worden gebracht dat de politie er primair is voor de lokale gezagsdragers, zo antwoord ik de hier aan het woord zijnde leden op hun daartoe strekkende vraag. Ik verwijs hen in dit verband ook naar hetgeen hierover hierboven is opgemerkt over het belang van vormgeving van de politie in een aparte rechtspersoon naar aanleiding van vragen van de leden van de PvdA-fractie. Voor de krijgsmacht, die deze leden als voorbeeld hebben genoemd, is in dit verband nog van belang dat, anders dan ten aanzien van de politie, het gezag daarover centraal is belegd. Voor een organisatie als de krijgsmacht als instrument van de centrale overheid, is niet goed denkbaar dat deze buiten de rijksdienst wordt georganiseerd.

De hier aan het woord zijnde leden hebben voorts vragen gesteld naar aanleiding van de meergenoemde brief van de Algemene Rekenkamer van 28 augustus 2012. Ik verwijs deze leden allereerst naar hetgeen ik in dit verband hierboven reeds heb toegezegd naar aanleiding van vragen over deze brief.

Deze leden hebben verder gevraagd waarom de regering geen aanleiding heeft gezien tot heroverweging van het wetsvoorstel naar aanleiding van de constatering in deze brief dat de minister volledig verantwoordelijk wordt voor het beheer. Deze leden antwoord ik dat de Algemene Rekenkamer weliswaar terecht constateert dat de minister verantwoordelijk is voor het beheer, maar daarmee miskent dat artikel 27 niet ziet op de politieke verantwoordelijkheid van de minister maar op de leiding en het beheer van de rechtspersoon politie. Die taak berust, ook ingevolge het voorliggende wetsvoorstel, bij de korpschef, zij het uiteraard onder de volledige politieke verantwoordelijkheid van de minister. Dat de minister op grond van de wet een aantal specifieke beheerstaken heeft ten aanzien van de politie (waaronder de vaststelling van de begroting), doet daaraan niet af.

Naar aanleiding van vragen van deze leden over het toezicht op de politie, ook in verband met de meergenoemde brief van de Algemene Rekenkamer, kan ik melden dat, mede aan de hand van een analyse van de reeds bestaande toezichtstaken ten aanzien van de politie die worden uitgevoerd door onder meer de externe accountant, de Inspectie Veiligheid en Justitie, en de Algemene Rekenkamer, een toezichtvisie opgesteld zal worden. Op basis daarvan wordt een taakopdracht geformuleerd voor de nieuw op te richten Commissie van toezicht op het beheer. De taken van deze Commissie zullen in elk geval aanvullend zijn op de al bestaande toezichtstaken. Hiermee wordt bewerkstelligd dat op alle aspecten van de politie toezicht wordt gehouden, de samenhang geborgd en de administratieve belasting voor het korps zo veel mogelijk wordt beperkt. De verwachting is, zoals hierboven ook al is opgemerkt, dat de toezichtsvisie en het voorstel voor de taken van de commissie begin 2013 gereed zijn, waarna de commissie spoedig met haar werkzaamheden zal kunnen starten.

De hier aan het woord zijnde leden hebben verschillende vragen gesteld in relatie tot de cultuur bij de politie. Zoals ik 29 oktober 2012 aangaf in mijn voortgangsbericht aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 29 628, nr. 336) is, kort na de publicatie van de wetgeving op 16 juli 2012, de selectie- en benoemingsprocedure van de in de Invoerings- en Aanpassingswet aangewezen functies die op de eerste dag van de start van de nationale politie («Dag 1») vervuld moeten zijn, van start gegaan. Uitgangspunt hierbij is altijd geweest dat wordt geselecteerd op capaciteit en complementariteit. Met andere woorden de beste teams worden samengesteld om landelijk en binnen de eenheden leiding te gaan geven. Het proces hiertoe is in nauw overleg met de kwartiermaker, de politievakbonden, het gezag en de medezeggenschap vorm gegeven. Inmiddels is de huidige kwartiermaker Nationale Politie, de heer Bouman, benoemd tot korpschef van de nationale politie. Deze benoeming gaat in op 1 januari 2013. Daarnaast zijn de heren Bik en Kuijs en mevrouw Van den Berg voorgedragen voor benoeming als lid van de korpsleiding nationale politie en zijn recent de politiechefs van de eenheden voorgedragen voor benoeming.

De selectie- en benoemingsprocedures van de overige in de Invoerings- en Aanpassingswet aangewezen functies (o.a. de overige leden van de eenheidsleidingen, de PIOFACH-directeuren, de hoofden van de landelijke eenheid) lopen nog. Hiertoe vinden op dit moment onder meer draagvlakgesprekken, arbeidsvoorwaardentoetsen en veiligheidsonderzoeken plaats.

De vorming van de nationale politie biedt het momentum om structuurverandering gepaard te laten gaan met cultuurverandering. Zoals ik reeds eerder aan uw Kamer aangaf, ben ik aanspreekbaar op het proces dat tot de gewenste cultuurverandering moet leiden. In het Realisatieplan voor de vorming van de nationale politie wordt veel aandacht besteed aan het proces waarmee de nieuwe organisatie gestalte gaat krijgen alsmede aan de interventies die zullen worden gepleegd om te komen tot een andere cultuur binnen het nieuwe korps. Daarbij is ervoor gekozen om structuur- en cultuurinterventies in samenhang uit te voeren vanuit de overtuiging dat cultuur niet maakbaar is, maar wel beïnvloedbaar. De organisatieverandering die de nationale politie voorstaat, kan mijns inziens niet slagen zonder veranderingen op het gebied van cultuur, gedrag en leiderschap. Als verantwoordelijk minister zal ik de cultuurtransitie uiteraard monitoren. Over de voortgang van de cultuurverandering zal ik uw Kamer rapporteren.

Op de vragen van de hier aan het woord zijnde leden over de operationele sterkte van de politie, antwoord ik als volgt. Met uw Kamer is voor de politie voor de lange termijn een operationele sterkte van 49 500 afgesproken3. De afspraken hebben betrekking op de periode tot 2015 en hebben dus ook betrekking op de situatie na de vorming van de nationale politie. Tot 2015 vinden als gevolg van de herijking van het budgetverdeelsysteem (BVS) wijzigingen plaats in de verdeling van de operationele sterkte, zoals eerder eveneens met uw Kamer is afgesproken. Met het verdeelsysteem wordt de beschikbare capaciteit verdeeld op basis van de verdeling van het werkaanbod voor de politie. Omdat, gegeven een realistisch daalpad, in 2015 niet overal de uiteindelijk beoogde operationele sterkte kan worden bereikt, is de door de korpschef te bereiken operationele sterkte voor de politie in 2015 hoger dan 49 500. In mijn brief aan uw kamer van 24 maart 2011 is deze hogere operationele sterkte voor 2015 opgenomen. Daarin is nog een wijziging opgetreden, omdat bleek dat nog één extra regionale eenheid in 2015 de uiteindelijke operationele sterkte niet in redelijkheid kan realiseren. De operationele sterkte voor 2015 komt daarmee op 49 802. De operationele sterkte van 49 500 is gebaseerd op onderzoeken naar de kosten van de politie die in 2010 en 2011 zijn gedaan. Deze onderzoeken heeft u destijds ontvangen4. De toevoeging van de middelen in het regeerakkoord van het eerste kabinet Rutte heeft de tekorten die zichtbaar werden in deze onderzoeken aangezuiverd en de sterkte van 49 500 betaalbaar gemaakt. Aangezien de operationele sterktedoelstelling van 49 500 ongewijzigd blijft, herken ik de opmerking van de politiebonden over het schrappen van banen in de operationele sterkte niet. Wel is de operationele sterkte op dit moment hoger dan de afgesproken operationele sterkte en zal deze geleidelijk moeten afnemen om op de lange termijn betaalbaar te blijven. Dit betekent echter niet dat ontslagen vallen binnen de operationele sterkte maar wel een verminderde inname van nieuwe medewerkers (veelal aspiranten). De brief waarin de operationele sterkte per ultimo 2011 aan uw Kamer is gemeld laat een operationele sterkte zien van 50 587.5 De verwachting voor 2012 is dat de operationele sterkte ook dan hoger zal zijn dan 49 500. Ik zal u over deze sterkte per ultimo 2012 zoals gebruikelijk in 2013 berichten.

De leden van de SP-fractie hebben ten slotte vragen gesteld over de invulling van de structurele besparingen op de nationale politie van 230 miljoen euro na 2015. De leden willen weten waarop de besparingen exact zijn gebaseerd en hoeveel en welke banen mogelijk hiermee verloren gaan. Deze leden antwoord ik dat de vorming van de nationale politie zal moeten leiden tot structurele besparingen in mensen of middelen oplopend tot 230 miljoen na 2015. Een deel van de besparingen zal gerealiseerd worden door het reduceren van overhead. Het aantal operationele eenheden wordt bij nationale politie verkleind van 26 naar 11. Verder worden de werkprocessen gestandaardiseerd en worden bedrijfsvoeringstaken ondergebracht binnen het Politiedienstencentrum (PDC). Efficiënter werken, betere automatisering en het vergroten van het kostenbewustzijn bij de operatie en bedrijfsvoering zijn andere belangrijke pijlers voor het realiseren van de besparingen.

De veranderingen binnen de politieorganisatie zullen vooral gevolgen hebben voor het aantal management- en bedrijfsvoeringfuncties, maar niet voor de operationele functies. In het Inrichtingsplan en het Realisatieplan van politie is een nadere uitwerking opgenomen van het totaal aan functies in de nieuwe organisatie. Ik zal u deze binnenkort toesturen. De vergelijking op functieniveau met de huidige situatie volgt begin 2013 in het reorganisatieplan. Voor de betreffende medewerkers moet conform de regeling LSS in principe een passende functie (binnen of buiten de politie) worden gezocht.

De leden van de CDA-fractie hebben een aantal vragen gesteld naar aanleiding van de meergenoemde brief van de Algemene Rekenkamer. Daarbij hebben deze leden gevraagd de voorgestelde juridische vormgeving van de politie nogmaals toe te lichten, met name op het punt van de financiële controle en de verantwoording.

Deze leden verwijs ik allereerst naar hetgeen hierboven naar aanleiding van vragen van de leden van de PVV-fractie is opgemerkt over de eigen begroting van de politie. De politie heeft als aparte rechtspersoon uiteraard ook een eigen jaarrekening (artikel 35 van de wet). Deze wordt vastgesteld door de minister. Het voorliggende wetsvoorstel strekt ertoe de wettelijke taak van de korpschef ten aanzien van de jaarrekening te schrappen. Hetgeen hierboven ten aanzien van de begroting is opgemerkt, impliceert uiteraard dat ook de jaarrekening van de politie geen onderdeel vormt van de departementale jaarrekening. Wel wordt de (afzonderlijke) jaarrekening van de politie ter informatie met de departementale jaarrekening aan het parlement gezonden. In combinatie met de hierboven gedane toezegging om de ontwerpbegroting van de politie te voegen bij de departementale begrotingswet, heeft het parlement naar mijn overtuiging een optimale informatiepositie. De minister is volledig aanspreekbaar op de uitoefening van zijn taken om de begroting en de jaarrekening van de politie vast te stellen.

Ik vind het van belang dat deze informatiepositie en de wijze waarop is omgegaan met opmerkingen en eventuele moties van het parlement ten aanzien van de politiebegroting wordt geëvalueerd. Ik zeg dan ook toe dat dit zal worden meegenomen in de reeds voorziene evaluatie van de Politiewet 2012.

Op hun vraag over de status van het overleg met de Algemene Rekenkamer, anwtoord ik deze leden als volgt. Op meerdere aspecten over de vorming van de nationale politie ben ik met de Algemene Rekenkamer in gesprek. Daarbij zijn de punten zoals de Algemene Rekenkamer die noemt in haar brief meegenomen. Daar waar dit betrokkenheid van het Ministerie van Financiën vergt, vindt uiteraard afstemming plaats.

Naar aanleiding van hun vraag over een toezichtvisie antwoord ik deze leden, onder verwijzing naar hetgeen hierover reeds is opgemerkt naar aanleiding van vragen van de leden van de VVD-fractie en de leden van de SP-fractie, dat een toezichtvisie begin 2013 gereed zal zijn.

De leden van de D66-fractie hebben gevraagd hoe de vormgeving van de politie in een aparte rechtspersoon zich verhoudt tot het expliciteren van de ondergeschikte positie van de korpschef met dit wetsvoorstel. Deze leden antwoord ik dat de keuze voor een aparte rechtspersoon verband houdt met het feit dat het gezag over de politie bij de burgemeester en de officier van justitie berust en met die aparte rechtspersoon tot uitdrukking wordt gebracht dat de politie er primair voor de gezagsdragers is. Dat laat onverlet dat de minister volledige politieke verantwoordelijkheid draagt en dat hij daarom moet worden voorzien van een adequaat instrumentarium om die verantwoordelijkheid waar te maken. De aanwijzingsbevoegdheid van de minister, waardoor de korpschef ondergeschikt wordt, is in dat instrumentarium een belangrijk element. Zoals hierboven naar aanleiding van vragen van leden van de PvdA-fractie is opgemerkt, is ook de verantwoordingsplicht in dit verband een belangrijk element.

De hier aan het woord zijnde leden hebben voorts gevraagd naar de betekenis van de verschuiving van het initiatief op de beheersstukken van de korpschef naar de minister. Deze leden antwoord ik dat dit precies is wat met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld, namelijk dat het initiatief verschuift. Dat neemt niet weg dat er voor de korpschef wel degelijk een rol zal zijn weggelegd, zoals hierboven naar aanleiding van vragen van de leden van de PvdA-fractie naar voren is gebracht. Op de vraag van deze leden of er niet voor een ander model kan worden gekozen waarbij de minister een vaststellende bevoegdheid heeft, antwoord ik dat die vaststellende bevoegdheid op de financiële (en andere beheers)stukken al onderdeel is van de Politiewet 2012. Met dit wetsvoorstel wordt alleen het schrappen van de ontwerptaak van de korpschef ten aanzien van deze stukken voorgesteld. Dat is, in samenhang met de andere voorgestelde maatregelen, van belang om te voorkomen dat de korpschef een té zelfstandige positie krijgt.

De korpschef blijft, ook met dit wetsvoorstel, gewoon belast met de leiding en het beheer van de politie, zo benadruk ik. Dat deze taak wordt ingekaderd door regelgeving, door zijn ondergeschikte positie ten opzichte van de minister en door eigen taken van de minister ten aanzien van de politie, doet daaraan niet af. Dat is, zoals gezegd, naar mijn overtuiging ook zonder meer verenigbaar met de keuze voor een aparte rechtspersoon. Met dit wetsvoorstel worden de verschillende te verenigen belangen ten aanzien van de politie nog beter op elkaar afgestemd.

De meerwaarde van het toevoegen van de twee extra burgemeesters aan het artikel 19-overleg, waarnaar deze leden voorts vragen, is dat hiermee de invloed van het gezag op het beheer wordt vergroot. Door wettelijk te bepalen dat zij burgemeester zijn van een kleinere gemeente wordt bovendien ook de stem van de kleinere gemeenten nadrukkelijker gehoord op nationaal niveau.

Zoals reeds in antwoord op gelijkluidende vraag van de leden van de SP-fractie is geantwoord, wordt nog steeds gedacht aan het Genootschap van Burgemeesters voor het doen van een aanbeveling voor de extra burgemeesters die deelnemen aan het artikel 19-overleg, zo antwoord ik de hier aan het woord zijnde leden op hun vraag over de betrokkenheid van het Genootschap. De wijziging die gedaan is naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling is een louter technische, die het juist mogelijk maakt dat het Genootschap een aanbeveling doet.

De leden van de D66-fractie hebben verder gevraagd naar omstandigheden waaronder de minister de voordracht van de burgemeesters van gemeenten binnen een regionale eenheid ten aanzien van de benoeming van de regioburgemeester van die eenheid niet zou overnemen. Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke situatie hoogst uitzonderlijk zou zijn. Eén mogelijke situatie is die genoemd in de toelichting, namelijk de situatie waarin de aanwijzing van een bepaalde burgemeester als regioburgemeester nadelige gevolgen zou hebben voor het functioneren van het artikel 19-overleg. Een andere kan zijn dat het aanstellen van deze burgemeester zeer nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor de bestuurlijke verhoudingen binnen de regionale eenheid. In het eerste geval zou het kunnen gaan om een situatie waarbij er sprake is van een incompatibilité des humeurs met de andere regioburgemeesters en of ook de voorzitter van het College van procureurs-generaal. In het tweede geval zou het kunnen gaan om een voordracht waar weliswaar een meerderheid achter staat maar die desondanks verstoorde bestuurlijke verhoudingen zou opleveren. In beide gevallen echter zal deze bevoegdheid van de minister een laatste redmiddel zijn en zal, indien dergelijke situaties dreigen te ontstaan, bestuurlijk overleg meestal tot overeenstemming leiden.

De minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten


X Noot
1

Kamerstukken II 1996/97, 25 195, nr. 1.

X Noot
2

Kamerstukken II 2012/13, 33 368, nr. 5.

X Noot
3

Kamerstukken II 2010/11, 29 628, nr. 239.

X Noot
4

Kamerstukken II 2009/10, 29 628, nr. 211.

X Noot
5

Kamerstukken II 2010/11, 29 628, nr. 326.

Naar boven