33 348 Regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming)

AD VERSLAG VAN EEN MONDELING OVERLEG

Vastgesteld 28 februari 2017

De vaste commissie voor Economische Zaken1 heeft op 31 januari 2017 een mondeling overleg gevoerd met Staatssecretaris Van Dam van Economische Zaken over:

  • het verslag van een nader schriftelijk overleg met de Staatssecretaris van Economische Zaken over de invoering van de Wet natuurbescherming (33 348, AB);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken inzake inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming (33 348, Z);

  • de motie-Verheijen c.s. over de brede samenstelling van de besturen van de faunabeheereenheden (33 348, I);

  • de Wet natuurbescherming (33 348).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Gerkens

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, De Boer

Voorzitter: Gerkens

Griffier: De Boer

Aanwezig zijn twaalf leden der Kamer, te weten: Dercksen, Gerkens, Kesteren, Klip-Martin, Koffeman, Krikke, Meijer, Pijlman, Schaap, Schalk, Verheijen en Vos,

en Staatssecretaris Van Dam van Economische Zaken.

Aanvang 15.36 uur.

De voorzitter: Welkom. Staatssecretaris, aan u het verzoek om iets te zeggen over de stand van zaken op dit moment. Daarna geef ik de commissie de gelegenheid om vragen daarover te stellen en zo het gesprek te starten.

Staatssecretaris Van Dam: Ik wist niet dat dat de orde was, dus ik ben daar niet helemaal op voorbereid. Ik dacht dat u mogelijk een aantal vragen had.

U vraagt naar de stand van zaken. De Wet natuurbescherming is in werking getreden per 1 januari van dit jaar. Daarmee is alles wat daarin zit in gang gezet. Een enkele bepaling treedt op 1 maart in werking. Dat heeft ermee te maken dat de provincies een aantal dingen op orde moeten brengen voordat de regelgeving daadwerkelijk in werking kan treden. Anders zouden mensen op basis van de nieuwe wet al aanspraken kunnen maken die nog niet gerealiseerd kunnen worden. Per 1 maart treden ook die resterende artikelen in werking. Dan is de hele wet in werking getreden en zijn de provincies formeel bevoegd om in alles op te treden conform de wet.

Verder ben ik vooral benieuwd naar al uw vragen. Ik ben graag bereid alles te beantwoorden voor zover dat mogelijk is.

De voorzitter: Akkoord. Ik ben vergeten iets te vragen aan de commissie. Er staat buiten een journalist die het overleg wil bijwonen. Heb u daar bezwaar tegen? Zo niet, dan laten we weten dat hij binnen mag komen.

De heer Koffeman (PvdD): Voorzitter. We hebben wat vragen gesteld aan de Staatssecretaris en daarover is wat correspondentie heen-en-weer gegaan. Er blijft echter onduidelijkheid bestaan over hetgeen de Staatssecretaris tijdens het debat heeft gezegd, namelijk dat voor alle drie soorten jacht een faunabeheerplan en een faunabeheereenheid noodzakelijk zijn en dat als aan die voorwaarden niet voldaan is, er niet gejaagd kan worden. In de brief van 22 december zegt de Staatssecretaris dat dat niet geldt voor mensen die een eigen jachtterrein hebben, want die mogen op de vijf soorten jagen wanneer zij willen. Dat is lijnrecht in tegenspraak met wat er met zoveel woorden is gezegd tijdens het debat, dus ik wil er vandaag heel graag helderheid over hebben.

Mevrouw Vos (GroenLinks): Voorzitter. Even over de orde. Ik heb drie vragen. Mag ik die nu stellen? Of zegt u: begin met één en dan moet u uw kans straks maar weer grijpen? Het is mij niet geheel duidelijk hoe we het aanpakken.

De voorzitter: Ik stel voor om ze alle drie te stellen.

Mevrouw Vos (GroenLinks): Dank u wel. In aansluiting op de vraag van collega Koffeman heb ik de volgende vraag aan de Staatssecretaris.

U hebt gezegd dat er evenwichtige faunabeheereenheden moeten komen. Als dat niet het geval is en er geen faunabeheerplan tot stand komt op basis van een evenwichtige faunabeheereenheid waar men het ook eens is over dat plan, dan komt de provincie in actie; zo noem ik het maar even. Wat is uw bevoegdheid hierin? U hebt gezegd dat u daar geen bevoegdheid in hebt, maar u hebt ook gezegd dat er volgens de wet minimaal twee maatschappelijke organisaties in moeten zitten. Vanuit Zuid-Holland is mij gemeld dat er maar één in zit. Wat is in dezen uw bevoegdheid? Overigens is de motie van collega Verheijen hier belangrijk bij.

Er was ook een motie van GroenLinks aangenomen. Daarin werd u gevraagd om toe te zien op voldoende capaciteit en middelen, als het gaat om de handhaving van de Wet natuurbescherming en om het monitoren van de kwaliteit en de effectiviteit van de wet. Wij hebben daarop nog geen reactie van gehad. Wij zouden die reactie graag ontvangen.

Ten slotte heb ik een vraag over de nationale bevoegdheden van het Rijk, over de nationale verantwoordelijkheden. U bent ook in internationaal verband verantwoordelijk voor de uitvoering van de wet en het naleven van alle Europese verplichtingen. Hoe pakt u die rol op? Bijvoorbeeld vanuit de provincie Zuid-Holland krijg ik signalen dat er daar nog geen plannen zijn voor actieve soortenbescherming en dat er geen nieuwe natuurvisie komt. Hoe gaat u in dezen uw rol oppakken?

De heer Dercksen (PVV): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de vragen die de heer Koffeman heeft gesteld. Ik vraag de Staatssecretaris om even te reflecteren op het debat, want waar is dat toch vandaan gekomen? Voordat wij het debat aangingen, hadden wij het idee dat er vijf vrij bejaagbare soorten waren, verder niet echt geclausuleerd. Tijdens dat debat leek het opeens allemaal anders. Volgens mij is daar een groot deel van de verwarring ontstaan. Die verwarring heeft zich verplaatst naar de provinciekantoren. Bij de ene provincie worden burgerinitiatieven wel geaccepteerd en bij de andere provincie niet. We hebben natuurgebieden die grensoverschrijdend zijn. Ik vraag mij af of het de bedoeling van de wet is geweest dat aan de ene kant van de grens de provincie X y zegt en aan de andere kant de provincie Y x zegt. Is dat echt de bedoeling geweest van de wet en is daar nog zicht op vanuit het ministerie?

Ik heb nog een vraag over het toezicht. De decentralisatieopgave is natuurlijk ook een bezuinigingsronde geweest. Bij mij in de provincie Utrecht – ik zit in provinciale staten – heeft men nogal zorgen over het toezicht, de groene boa's. Misschien kan de Staatssecretaris daar nog wat over zeggen. Daar was al een tekort aan, dat alleen maar groter is geworden met deze Wet natuurbescherming.

De heer Schaap (VVD): Voorzitter. Ik heb een vraag van wat meer generieke aard. Natuurbeleid is gedecentraliseerd naar de provincies en verder doorgedecentraliseerd naar de lagere overheden. Natuurlijke eenheden, of hoe je het verder noemen wilt, lopen niet helemaal parallel met staatkundige grenzen, dus ook niet met provinciegrenzen. Dat vraagt dus grensoverschrijdende samenwerking. In de brief van oktober wordt gesproken over het ontwikkelen van samenwerking en netwerkvorming met provincies, gemeenten en wat niet meer. Ik wil niet suggereren dat het bij de provincies op voorhand niet goed komt met de samenwerking, maar er wil nog wel eens een naar binnen gericht gevoel domineren bij provincies. Loopt het een klein beetje in het verkeer tussen de provincies om gezamenlijk beleid te ontwikkelen voor grensoverschrijdende natuurlijke eenheden?

De heer Verheijen (PvdA): Voorzitter. Ik was ook geïnteresseerd in de afstemming tussen het Rijk en de provincies dan wel het IPO met betrekking tot de uitvoering van de motie en de bevordering van de samenstelling van de faunabeheereenheden. Het is een decentralisatiebeweging. Provincies hebben hun eigen beleidsruimte. Afhankelijk van de politieke samenstelling van de Staten van de provincies wordt er ook verschillend geconcludeerd. Maar we hadden wel wat meer harmonie verwacht van de provincies, als het gaat om het gezamenlijk uitvoeren van de opdracht van het Rijk. Misschien kan er wat meer helderheid over worden gegeven waarom die, volgens de verschillende signalen die we krijgen van de Staten, lijkt te ontbreken.

Mevrouw Meijer (SP): Voorzitter. Een en ander heeft op de SP-fractie een tamelijk rommelige indruk gemaakt, vergeleken met de stelligheid waarmee de Staatssecretaris beweerde dat alles wel in orde zou komen. Ik vraag mij af in hoeverre de handhaving en het toezicht nu op orde zijn en in hoeverre de provincies en de lagere overheden in staat zijn gebleken om de aan hen gedelegeerde taken uit te oefenen. Wat de jacht betreft, zou een en ander geregistreerd worden: wat is er geschoten en wat moet er geschoten worden? Ik vraag mij af hoe het daarmee staat. Is dat nu op orde? Kunt u al wat meer vertellen over de cijfers?

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Staatssecretaris Van Dam: Voorzitter. Dank voor alle vragen. Ik begin bij de vragen van de heer Koffeman en de heer Dercksen: hoe zit het nou met de vijf vrij bejaagbare soorten; u had toch gezegd dat daarvoor een soortgelijk regime geldt, maar is dat wel zo? In het debat hebben we het daar inderdaad uitvoerig over gehad. Daarvoor verwijs ik naar artikel 3.12, eerste lid, van de wet, waarin staat dat er faunabeheereenheden zijn die een faunabeheerplan vaststellen voor hun werkgebied. Vervolgens staat er: duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht overeenkomstig het faunabeheerplan. Dat is simpelweg wat de wet daarvan zegt. Dat betekent dat ze alle drie moeten geschieden op basis van het vastgestelde faunabeheerplan.

Betekent dat dan dat je niet mag jagen als er geen vastgesteld faunabeheerplan is? Dat geldt voor populatiebeheer en schadebestrijding, maar niet voor de jacht, omdat de jacht is vrijgesteld. Dat betekent wel dat als er een vastgesteld faunabeheerplan is, de jacht conform het faunabeheerplan moet worden uitgeoefend. Is dat niet het geval, dan kan de provincie daartegen optreden en kan zij bestuursrechtelijk daarop handhaven. Dat geldt dus ook voor de eigen grond. Is er geen faunabeheerplan vastgesteld, dan is er ook geen grond om handhavend op te treden. Dan is eigenlijk het enige instrument in de wet het al of niet openstellen van de jacht. Ik ga ervan uit dat die maatregel nooit genomen hoeft te worden, omdat alle provincies voortvarend aan de slag zijn gegaan.

Mevrouw Vos vroeg hoe het zit met de maatschappelijke organisaties. De heer Verheijen vroeg daar ook naar. Hij zei dat hij wat meer harmonie had verwacht. Ik neem aan dat hij daarmee bedoelde dat provincies het op dezelfde manier zouden invullen.

De heer Verheijen (PvdA): En of u dat bevorderd hebt.

Staatssecretaris Van Dam: De essentie van de decentralisatie is dat provincies hun eigen invulling daaraan kunnen geven en daarin ook eigen keuzes kunnen maken. De ene provincie kiest voor een veel breder samengesteld bestuur van de faunabeheereenheid en de andere heeft gekozen voor een iets beperktere samenstelling. Alle provincies op één na – dat was niet Zuid-Holland in dit geval – hebben in eerste aanleg meteen al voldaan aan de verplichting die uit de wet voortvloeit om twee of meer maatschappelijke organisaties op te nemen in het bestuur van de faunabeheereenheid. De ene provincie die dat niet goed had geregeld, past haar regelgeving daarop aan na een interventie van mijn kant. Gelukkig is aanspreken daarop voldoende en hoeft er niet op een andere manier te worden opgetreden. Dit is ook in het belang van de provincie. Als het bestuur niet is samengesteld conform de wet, is het voor de faunabeheereenheid niet mogelijk om een rechtsgeldig faunabeheerplan vast te stellen. Dus kan de provincie op basis daarvan geen ontheffingen verlenen en kan er niet op een rechtsgeldige manier aan schadebestrijding of populatiebeheer worden gedaan. Het is dus ook in het belang van die ene provincie om er zo snel mogelijk voor te zorgen dat het bestuur van de faunabeheereenheid is samengesteld conform de wet. De andere elf provincies hadden het al goed geregeld en die ene doet dat zo snel mogelijk.

Mevrouw Vos vroeg naar de handhaving. Haar aangenomen motie vraagt om zorg te dragen voor voldoende capaciteit en financiële middelen. De bevoegdheden, ook op het gebied van handhaving, zijn gedecentraliseerd naar de provincies. Ik heb daarover met de provincies gesproken en zij zijn nu verantwoordelijk voor de handhaving. Dat wisten zij, want dat was onderdeel van de afspraak om fors budget toe te voegen door dit kabinet. Dit kabinet heeft het natuurbudget weer uitgebreid met 200 miljoen, nadat het vorige kabinet nog meer van het natuurbudget had wegbezuinigd. In de decentralisatieafspraken is vastgelegd dat er 200 miljoen zal worden toegevoegd en dat daarmee de volledige verantwoordelijkheid zal overgaan naar de provincies. Daarmee hebben de provincies de verantwoordelijkheid voor de handhaving en moeten zij de financiering daarvoor zelf moeten regelen, mede op basis van het extra budget dat is uitgetrokken.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor de handhaving van de taken die niet gedecentraliseerd zijn, bijvoorbeeld op het gebied van de handel in uitheemse soorten en de natuurregelgeving in de grote wateren en op de Waddenzee. Voor zover het Rijk die verantwoordelijkheid heeft, wordt de handhaving uitgevoerd door de NVWA, door RVO.nl en door de douane. Dat wordt meegenomen in de jaarplannen van deze organisaties.

De rol van de systeemverantwoordelijkheid is er, zeker gelet op de internationale verplichtingen. Ik ben degene die internationaal moet rapporteren, ook aan de Europese Unie. De afspraak die ik daarover met de provincies heb gemaakt, is dat wanneer we constateren dat we de doelen onvoldoende zouden halen, we in beginsel daarover met elkaar in gesprek gaan. Ondanks die systeemverantwoordelijkheid hecht ik aan de afspraak die onder de decentralisatie ligt, namelijk dat de provincies daadwerkelijk een verantwoordelijkheid hebben en op zich nemen en daarbij niet op voorhand moeten vrezen dat, als dat het Rijk even niet bevalt, het die verantwoordelijkheid meteen weer overneemt. In beginsel gaat het in goed overleg. Op basis van de contacten tot nu toe en de wijze waarop de provincies uitvoering geven aan hun verantwoordelijkheid heb ik er het volle vertrouwen in dat zij die verantwoordelijkheid op zich zullen nemen. We zijn bijvoorbeeld in gesprek geweest over de wijze waarop wordt gerapporteerd over de hoeveelheid natuur die wordt gerealiseerd. Daarvoor waren er allerlei verschillende definities in omloop, waardoor het moeilijk was om centraal, over heel Nederland, goed vast te stellen hoe het gaat met de aanleg van het natuurnetwerk. Inmiddels zijn er goede afspraken gemaakt met de provincies over hoe zij dat in kaart brengen, zodat we de voortgang daarvan goed kunnen zien en de stand op dat moment kunnen vergelijken met hoe het natuurnetwerk er eerder voor stond. De provincies rapporteren ook gezamenlijk over de voortgang en hebben net hun eerste rapportage uitgebracht. Dat biedt mij meer mogelijkheden om de systeemverantwoordelijkheid in te vullen. Nogmaals, de essentie van de decentralisatie is dat je het samen doet, dus dat het Rijk niet met een soort stok achter de deur staat te zwaaien als de provincies het net niet doen zoals de Tweede Kamer of in dit geval de Eerste Kamer dat graag wil.

Ik kom bij de vraag van de heer Dercksen over de groene boa's. Wij financieren de opleiding van groene boa's. Wij leveren dus ook een bijdrage om ervoor te zorgen dat er voldoende groene boa's beschikbaar kunnen zijn. V en J financiert ook een deel, omdat handhaving in feite primair de verantwoordelijkheid van V en J is. Eigenlijk komt de financiering voor de boa's van V en J, maar wij doen dat gezamenlijk vanwege de natuurverantwoordelijkheid, die ook bij EZ ligt. Wij willen de bijdrage die wij nu leveren voor de komende vijf jaar jaarlijks beschikbaar stellen. Dat moet kunnen worden gecontinueerd om ervoor te zorgen dat er voldoende boa's beschikbaar zijn.

De vraag van de heer Schaap ging over het provinciegrensoverschrijdende karakter van de natuurregelgeving. De kern van de decentralisatie is dat de provincies met elkaar om tafel gaan en dat gezamenlijk oplossen. Ik heb op dit moment geen signalen dat dat niet goed zou werken. Ik ben natuurlijk altijd bereid om zo nodig daarbij een rol te spelen, maar tot nu toe lossen de provincies dat onderling goed op. Er is goed onderling overleg en er is ook goed overleg tussen de provincies en mij. We zien elkaar met grote regelmaat, waarbij we de voortgang van het dossier bespreken. Tot nu toe ben ik zeer te spreken over de wijze waarop de provincies die verantwoordelijkheid op zich nemen en implementeren.

Tot slot kom ik bij de vraag van mevrouw Meijer over de afschotgegevens. De verplichting om te registreren is per 1 januari jl. ingegaan. De faunabeheereenheden moeten die gegevens verzamelen en jaarlijks een overzicht bieden. Er zijn nu nog geen gegevens, want het is nog maar net begonnen. We hebben net de eerste maand achter de rug. Volgend jaar zijn er gegevens beschikbaar.

De heer Koffeman (PvdD): Ik vind het jammer dat de begripsverwarring die is ontstaan tijdens het debat blijft rondzingen. Daarom vind ik het belangrijk om te citeren wat de Staatssecretaris heeft gezegd over de jacht op de vijf soorten en over de faunabeheerplannen. In de wet staat dat de jacht moet plaatsvinden op basis van het faunabeheerplan. Dat plan moet onderbouwen waarom de jacht, ook op de vijf soorten, verantwoord is in het kader van populatiebeheer. Louter voor het plezier doden kan dus niet meer met deze wet. In de brief van 22 december zegt de Staatssecretaris: «Overigens is de aanwezigheid van een goedgekeurd faunabeheerplan geen voorwaarde voor de uitoefening van de jacht door de jachthouder in zijn eigen jachtterrein. De jachthouder kan dus ook zonder een faunabeheerplan de jacht op de vijf wildsoorten in zijn eigen jachtveld uitoefenen.» Dat is lijnrecht met elkaar in tegenspraak. Ik zou toch graag willen dat de Staatssecretaris gewoon een helder antwoord daarop geeft in plaats van in cirkels te blijven draaien: wat we gezegd hebben, klopt wel en daar hoef je geen twijfels over te hebben.

De voorzitter: Wie heeft een aanvullende vraag over dit thema?

Mevrouw Vos (GroenLinks): De Staatssecretaris heeft in de schriftelijke beantwoording hierover gezegd dat het faunabeheerplan de jachthouder de ruimte moet geven om invulling te geven aan zijn verplichting om een redelijke wildstand op zijn jachtterrein te handhaven of te realiseren. Bij die redelijke wildstand gaat het om het voorkomen van schade en om instandhouding van de soort. Mijn probleem is dat het hierbij lijkt alsof het helemaal aan de jachthouder is om te bepalen wat een redelijke wildstand is. Op welke manier is daar controle op? Wordt er door onafhankelijke partijen meegekeken? Wat is die redelijke wildstand en wat zijn juiste tellingen op dit vlak? Wat zijn de juiste gegevens waarop dit gebaseerd moet worden? Ook heeft de Staatssecretaris in het debat gezegd dat maatschappelijke organisaties in de faunabeheereenheden meebeslissen over de jacht op de vijf vrij bejaagbare soorten. Net als de heer Koffeman vind ik dat dat op gespannen voet staat met wat hij net citeerde.

De heer Dercksen (PVV): In aanvulling daarop ben ik benieuwd hoe de provincies dat interpreteren. Gaan zij op het eerste verhaal door of op het tweede verhaal? Welke berichten daarover uit de provincies zijn de Staatssecretaris bekend?

Staatssecretaris Van Dam: Het begint en eindigt allemaal met de verplichting die de wet oplegt. Ik heb artikel 3.12, eerste lid, net geciteerd. Daarin staat dat niet alleen populatiebeheer en schadebestrijding moeten worden uitgevoerd conform het faunabeheerplan, maar ook de jacht op de vijf vrij bejaagbare soorten. Het enige verschil is dat populatiebeheer en schadebestrijding niet zonder een vastgesteld faunabeheerplan mogen worden uitgevoerd. Daarvoor heb je een ontheffing van de provincie nodig. De provincie kan die alleen maar verlenen op basis van een vastgesteld faunabeheerplan. Voor de jacht op de vijf vrij bejaagbare soorten heb je geen ontheffing nodig en hoeft er strikt genomen geen goedgekeurd faunabeheerplan te zijn. Alle provincies hebben voortvarend de faunabeheereenheden samengesteld, die allemaal aan de slag zijn om faunabeheerplannen vast te stellen. Zodra die faunabeheerplannen zijn vastgesteld, moet ook de jacht worden uitgevoerd conform het geldende faunabeheerplan. Het is aan de faunabeheereenheid en dus ook aan de provincie om erop toe te zien dat het zo gebeurt. Ik begrijp dat het feit dat er in de spreektaal drie vormen van jacht zijn in het wetsvoorstel – populatiebeheer, schadebestrijding en de jacht op de vijf vrij bejaagbare soorten – enigszins verwarrend kan zijn. Maar iedereen die zich even verdiept in de wet, ziet dat de wet daarin glashelder is. Ik heb geen signalen van provincies dat zij dit ingewikkeld zouden vinden. Volgens mij is het voor hen volstrekt helder hoe dit is geregeld.

De heer Verheijen (PvdA): Op een iets hoger abstractieniveau heb ik gemerkt dat heel veel provincies worstelden met de juridische uitleg van wat hier precies werd voorgeschreven, wat zij zelf moesten doen en wat zij moesten overlaten aan de faunabeheereenheid. De faunabeheereenheid doet eigenlijk een voorstel voor het faunabeheerplan, dat de provincie dan goedkeurt. Ik heb gemerkt dat daar dubbelingen in zaten: moet je zelf sturen op het faunabeheerplan of moet je het overlaten en het alleen maar goedkeuren en vervolgens hanteren in het kader van de ontheffingsplicht? Ik meen dat er zelfs door provincies dikke juridische rapporten zijn geschreven – ik noem Limburg en het rapport van hoogleraar Bastmeijer – over wat precies de ruimte was om eisen te stellen aan het faunabeheerplan in het kader van de jacht in zijn drie vormen. Ik vroeg mij af of het ministerie niet wat meer inkadering daaraan had kunnen geven voordat twaalf provincies hun eigen juridische uitleg hebben bepaald en soms tot in statendiscussies via moties hebben laten leiden tot hun eigen opvatting over de ruimte die zij wel of niet zien.

Staatssecretaris Van Dam: Op zich is het bij nieuwe wetgeving, zeker wetgeving in deze omvang, niet heel vreemd dat iedereen zoekt, zeker provincies die hierbij nieuwe bevoegdheden krijgen: hoe ziet die wetgeving er precies uit en wat betekent dat voor ons? Men zoekt daarin zijn weg, want de wetgeving geeft ook bepaalde beleidsvrijheid. Dat is juist het idee van deze decentralisatieoperatie. Wij hebben vanuit het ministerie vanzelfsprekend steeds onze uitleg daaraan gegeven en geprobeerd de provincies daarin zo goed mogelijk te ondersteunen door helder te zijn over onze uitleg van deze wetgeving. Ik begrijp heel goed dat men dat zelf in kaart wil brengen. Ik vind het ook heel logisch dat provincies zoeken: waar liggen precies mijn mogelijkheden om beleid te maken, waar kan ik precies in sturen? Dat is juist het idee geweest achter de decentralisatie. Laat provincies daarin zelf keuzes maken. Ik zei net al dat sommige provincies de faunabeheereenheden verschillend samenstellen. Sommige kiezen voor een veel bredere samenstelling en andere kiezen voor een iets beperktere samenstelling. Dat zijn de vrijheidsgraden die provincies hebben, wat ook nadrukkelijk het uitgangspunt van deze wet was.

Mevrouw Meijer (SP): Ik wil graag aanhaken op de laatste woorden van de Staatssecretaris. Hij zegt dat de faunabeheereenheid de ene keer wat smaller en de andere keer wat breder is. Ik kan mij herinneren dat wij in het debat heel intensief hebben gesproken over de samenstelling. Verschillende partijen hebben toen erop aangedrongen dat daarin niet alleen degenen moeten zitten die welwillend tegenover de jacht staan, maar ook degenen die daar heel terughoudend tegenover staan. Nu hoor ik de Staatssecretaris eigenlijk iets heel anders zeggen. Klopt dat?

Staatssecretaris Van Dam: Nee, dat klopt niet. Ook hier is de tekst van de wet bepalend. De wet zegt dat maatschappelijke organisaties lid moeten zijn van het bestuur van de faunabeheereenheden: maatschappelijke organisaties die het duurzaam beheer van de populatie en bescherming van de natuur tot doel hebben. Dat betekent dat er in elke provincies ten minste twee van dergelijke organisaties in het bestuur van een faunabeheereenheid moeten zitten. Er zijn provincies die ervoor hebben gekozen om er nog meer in te zetten. Dat is het verschil.

De heer Dercksen (PVV): Ik heb de brief van 20 januari voor mij. In de allerlaatste zin staat: provincies zijn niet bevoegd om de jacht op bejaagbare soorten in de provincie te verbieden of anderszins verdergaand te beperken of te ontzeggen. Is dat dan behalve als dat in een faunabeheerplan is vastgelegd? En strekt dat faunabeheerplan dan ook over het eigen terrein? Ik moet dadelijk aan mijn fractie uitleggen wat hier verteld is, maar ik kan het nog steeds niet.

Staatssecretaris Van Dam: Ik probeer het nog een keer zo helder mogelijk uit te leggen. Je mag op je eigen terrein de jacht uitoefenen op de vijf vrij bejaagbare soorten. Het is een wettelijk recht, dus de provincie heeft niet de bevoegdheid om jou dat recht te ontzeggen. Volgens de wet moet de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan. In principe wordt in elke provincie een faunabeheerplan vastgesteld. Dat betekent dat op het moment dat je de jacht uitoefent, ook al heb je het wettelijk recht, je dat wel moet doen conform het faunabeheerplan. Dat moet in feite de onderbouwing geven van de doelstelling die in de wet is opgenomen voor de jacht. Duurzame wildstand betekent voorkomen dat de populatie te klein wordt, maar ook schade voorkomen die ontstaat door een te grote populatie. Dat is de begrenzing die de wet daaraan stelt. Dat kan in het faunabeheerplan verder worden ingevuld. Het is aan elke faunabeheereenheid hoe men dat precies invult, maar het gaat daarbij bijvoorbeeld om de omvang van de jacht zoals die kan plaatsvinden. Zo is het geregeld. Ik hoop dat dit helder is.

De heer Dercksen (PVV): Dus het faunabeheerplan kan onderbouwd ook regels stellen voor de jacht op het eigen terrein?

Staatssecretaris Van Dam: In het faunabeheerplan kan worden opgenomen hoe de jacht moet worden uitgeoefend. Het faunabeheerplan zal veel uitgebreider zijn, wanneer het gaat over schadebestrijding en populatiebeheer, want dat vergt veel nadere onderbouwing. Maar het kan ook aangeven hoe de jacht op de vijf soorten binnen de provincie moet worden uitgeoefend. Het kan bijvoorbeeld op basis van inschattingen van de grootte van de populatie ook bepalen hoeveel ruimte er is om op een zodanige manier te jagen dat de wildstand goed wordt beheerd. De jachthouder zal dus de jacht moeten uitoefenen conform het faunabeheerplan.

De heer Verheijen (PvdA): Voor de duidelijkheid: dus ook op de meest diervriendelijke wijze? Kan dat in het faunabeheerplan worden opgenomen als kaderuitgangspunt dat zich doorvertaalt in de ontheffing aan de jachthouder?

Staatssecretaris Van Dam: Dat is sowieso een algemene wettelijke verplichting.

De voorzitter: Helder! Ik hoop dat de heer Dercksen het nu kan uitleggen aan zijn fractie.

De heer Dercksen (PVV): Dat gaat lukken.

De voorzitter: Ik kijk even rond om te inventariseren of er nog vragen zijn. Ik wil graag het volgende thema aansnijden.

Mevrouw Vos (GroenLinks): Ik heb nog een vraag. Ik zoek een beetje naar de checks and balances in deze wet. Het lijkt wel of de faunabeheereenheid heel veel kan bepalen. De provincie kan wel eisen stellen, maar de Staatssecretaris kan al bijna helemaal niets zoals we soms lezen. Dat is wat gechargeerd, maar ik zoek daar een beetje naar. De faunabeheereenheid heeft de taak om de redelijke wildstand in stand te houden, maar levert de tellingen en de afschotgegevens ook zelf. Waar is het toezicht of die tellingen en afschotgegevens kloppen? Ik hoorde van sommige natuurorganisaties die eigen tellingen doen dat die soms heel anders uitpakken dan wat de jachthouders aanleveren. Kan de Staatssecretaris daar nog iets over zeggen?

De heer Koffeman (PvdD): De Staatssecretaris heeft een heel harde garantie gegeven tijdens het debat. Die maakt ook onderdeel uit van de wetsgeschiedenis. Hij heeft gezegd: het is nu in de wet geborgd en daarmee zijn de maatschappelijke doelen geborgd. Het is onacceptabel om dieren te doden als daarvoor geen maatschappelijk doel is en louter voor het plezier doden kan dus niet met deze wet. Ik heb een vraag aan de Staatssecretaris. Er is geen faunabeheerplan in enige situatie en de jachthouder kan doen wat hij wil op zijn eigen jachtterrein. Hij kan dus louter voor zijn plezier doden. De Staatssecretaris heeft gegarandeerd dat dat niet mogelijk zal zijn, dus ik ben benieuwd waaruit die garantie bestaat.

Staatssecretaris Van Dam: Voor de vraag van mevrouw Vos over checks and balances verwijs ik naar het zevende lid van artikel 3.12. Daarin leest u dat het faunabeheerplan goedgekeurd moet worden door gedeputeerde staten van de provincie. Dat betekent dat gedeputeerde staten daaraan eisen kunnen stellen. Er is voor de provincie wel degelijk een beleidsvrijheid. De provincie hoeft niet altijd goed te vinden wat de faunabeheereenheid opstelt. Bovendien gaat de provincie ook al over de samenstelling van het bestuur. Bij de samenstelling hebben de provincies al een zekere mogelijkheid gehad om te sturen. Het idee achter dit onderdeel van de wet is dat de checks and balances al in het bestuur van de faunabeheereenheid zijn opgenomen. Er moeten ten minste twee organisaties in zitten die in de regio het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren. Het bestuur van de faunabeheereenheid moet het faunabeheerplan vaststellen. Zoals ik ook in het debat heb aangegeven, hebben die twee organisaties daarmee een vrij stevige positie in het bestuur op het moment dat zij zich niet kunnen verenigen met het faunabeheerplan. Zij hebben een wettelijke positie die voldoende stevigheid geeft om het faunabeheerplan te kunnen beïnvloeden. Daarnaast moet de provincie er haar goedkeuring aan geven en kan zij ook een aantal eisen stellen. Het is verder aan de provinciale politiek hoe die eisen en randvoorwaarden er uitzien.

Net als de heer Koffeman begrijp ik niet dat mensen voor hun plezier dieren doden. Dat mensen daar plezier aan beleven, kan ik hun niet ontzeggen. Wij hebben met deze wet beoogd om aan elke vorm van het doden van dieren maatschappelijke eisen te stellen. Voor de jacht is die maatschappelijke eis de lichtste vorm. Voor populatiebeheer en schadebestrijding zijn die eisen zwaarder. Maar ook voor de jacht zit al de algemene bepaling in de wet van de redelijke wildstand. De wet zegt al dat de jacht moet worden uitgeoefend om een redelijke wildstand te beheren. Dat betekent dat er niet te veel afschot mag plaatsvinden. Dat geldt ook voor de jacht op de vijf vrij bejaagbare soorten. «Redelijke wildstand» wordt in dit kader ook uitgelegd als schadebestrijding. Los van het faunabeheerplan geeft de wet zelf al een maatschappelijk doel mee. U kunt zeggen dat dat een beperkt maatschappelijk doel is, wat ik met u deel. Dit is de lichtste voorwaarde die de wet kent. Voor de andere twee vormen van het doden van dieren gelden zwaardere eisen, maar ook hiervoor geeft de wet zelf al een maatschappelijk doel. In het faunabeheerplan kan dat verder worden onderbouwd en uitgewerkt.

De voorzitter: We hebben nog iets meer dan tien minuten. Ik kijk even welke andere thema's er nog liggen.

Mevrouw Vos (GroenLinks): Ik wil zeker weten of ik goed had begrepen dat de provincie Zuid-Holland oorspronkelijk maar een maatschappelijke organisatie in haar faunabeheereenheid had gezet en dat de Staatssecretaris daar een aanwijzing heeft gegeven. Had ik dat goed begrepen? Ik wil namelijk niet dat daar misverstanden over ontstaan.

Staatssecretaris Van Dam: Dat was niet de provincie Zuid-Holland.

Mevrouw Vos (GroenLinks): Kunt u zeggen welke provincie dat was? Of vindt u dat het niet aan u is om dat te zeggen?

Staatssecretaris Van Dam: Het was de provincie Noord-Holland. Die is druk bezig met het aanpassen van haar regelgeving.

Mevrouw Vos (GroenLinks): Dank u. Dan ben ik goed op de hoogte. Ik heb nog twee vragen.

In de motie wordt ook gevraagd om de kwaliteit en effectiviteit van de handhaving te monitoren. Zal de Staatssecretaris dat doen en, zo ja, op welke wijze?

Mijn laatste vraag gaat over de rol en systeemverantwoordelijkheid van het Rijk. De Staatssecretaris kan bijvoorbeeld aan de hand van de natuurvisies eventueel constateren dat aan bepaalde onderdelen uit de wet geen enkele invulling wordt gegeven. Stel dat er geen enkele invulling wordt gegeven aan de actieve soortenbescherming. Ziet de Staatssecretaris dan een reden en grond om daarop in te grijpen?

Staatssecretaris Van Dam: De reactie op uw motie krijgt u nog van mij. We hebben nu eerst alles op alles gezet om de wet zo goed mogelijk in te voeren. We zien nu ook hoe de handhaving in de praktijk uitpakt. Laten we afspreken dat u nog een reactie op uw motie krijgt.

Het uitgangspunt van deze wetgeving en van de decentralisatie is dat de provincies de verantwoordelijkheid op zich nemen. Zij hebben zich daaraan gecommitteerd. In beginsel bekijken wij in goed overleg hoe we de verplichtingen die we ook internationaal zijn aangegaan gezamenlijk ten uitvoer brengen en realiseren. Mochten daarin tekortkomingen ontstaan, dan is de geëigende weg dat wij daarover met elkaar het gesprek aangaan. Ik vind het wat lastig om te speculeren. Stel nou dat dat gesprek uiteindelijk onvoldoende zou opleveren, dan kom je inderdaad op het punt van de systeemverantwoordelijkheid en zal ik andere stappen moeten zetten. Ik ga echter ervan uit dat dat niet nodig zal zijn.

De heer Verheijen (PvdA): Ik heb kennisgenomen van het PBL-rapport dat vorige week is aangeboden. Het is een interessant rapport. Wij behandelen het als zodanig in een procedurevergadering, maar misschien mag ik nu van de gelegenheid gebruikmaken om te vragen of het rapport nog leidt tot beleidsintensivering.

Staatssecretaris Van Dam: U bespreekt zo'n rapport nu in uw procedurevergadering en dacht: laat ik eens vragen of u op het departement het rapport al zodanig geanalyseerd hebt dat u nu het hele beleid bijstelt. Wij zijn vrij voortvarend, maar dit is wel iets te enthousiast. Wij gaan het ook bestuderen en bekijken of dat gevolgen moet hebben.

De heer Verheijen (PvdA): Het is geen formele aanbieding geweest met een beleidsbrief als zodanig? Die komt nog?

Staatssecretaris Van Dam: Wij hebben er nog geen beleidsreactie op gegeven.

De heer Verheijen (PvdA): Die komt dus nog?

Staatssecretaris Van Dam: Wij gaan er gewoon naar kijken. Als u in uw procedurevergadering straks vraagt of wij daarop een reactie geven en of u die mag ontvangen, dan krijgt u die. We moeten even bekijken of we daarop een formele reactie moeten geven. Dat weet ik nog niet.

De voorzitter: Wij kunnen zo in de procedurevergadering besluiten of wij het kabinet om een reactie vragen op het rapport.

Er zijn geen vragen meer. Ik dank de Staatssecretaris hartelijk voor zijn tijd en zijn beantwoording. Ik dank ook de ondersteuning.

Sluiting 16.21 uur.


X Noot
1

Samenstelling:

Ten Hoeve (OSF), Huijbregts-Schiedon (VVD), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Schaap (VVD), Flierman (CDA), Ester (CU), Postema (PvdA), Van Strien (PVV), Vos (GL), Kok (PVV) (vice-voorzitter), Gerkens (SP) (voorzitter), Atsma (CDA), Dercksen (PVV), Van Kesteren (CDA), Krikke (VVD), Meijer (SP), Pijlman (D66), Prast (D66), Van Rij (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Schalk (SGP), Schnabel (D66), Verheijen (PvdA), Barth (PvdA), Klip-Martin (VVD), Overbeek (SP).

Naar boven