Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333325 nr. 5

33 325 Voorstel van wet van het lid Bosman houdende regulering van de vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland (Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland)

Nr. 5 VOORSTEL VAN WET ZOALS GEWIJZIGD NAAR AANLEIDING VAN HET ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen betreffende de vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§ 1. Definities

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister:

Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

b. gezinsleden:
  • i. de echtgenoot van de Nederlander op wie de paragrafen 3 en 6 van deze wet van toepassing is;

  • ii. de geregistreerde partner met wie de Nederlander op wie de paragrafen 3 en 6 van deze wet van toepassing is een naar het internationaal privaatrecht van een van de landen geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan;

  • iii. de rechtstreekse bloedverwanten in de neergaande lijn van de Nederlander op wie de paragrafen 3 en 6 van deze wet van toepassing is of van de echtgenoot of de geregistreerde partner, beneden de leeftijd van 21 jaar;

  • iv. de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn van de Nederlander op wie de paragrafen 3 en 6 van deze wet van toepassing is of van de echtgenoot of geregistreerde partner, die te hunnen laste zijn;

  • v. andere gezinsleden die in het land, waar de Nederlander op wie de paragrafen 3 en 6 van deze wet van toepassing is voor verblijf in Nederland ingezetene was, ten laste zijn van of inwonen bij die Nederlander, of die vanwege ernstige gezondheidsproblemen verzorging door die Nederlander strikt behoeven, en

  • vi. de partner met wie de Nederlander op wie de paragrafen 3 en 6 van deze wet van toepassing is een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft en de Nederlandse minderjarige kinderen van die partner.

c. uitgezondene:

een ieder die door de overheid van het land Aruba, Curaçao dan wel Sint Maarten naar Nederland is uitgezonden.

d. teruggeleiding:

teruggeleiding naar het land Aruba, Curaçao dan wel Sint Maarten.

e. toelating tot verblijf:

toelating tot verblijf in Nederland voor de duur van maximaal zes maanden.

f. toelating tot vestiging:

toelating tot vestiging in Nederland, langer dan de toelating tot verblijf.

§ 2. Toepassingsbereik

Artikel 2

  • 1. De paragrafen 3 en 6 van deze wet zijn van toepassing op Nederlanders die in het land Aruba, Curaçao dan wel Sint Maarten door afstamming of optie het Nederlanderschap aldaar hebben verkregen of aan wie aldaar het Nederlanderschap is verleend.

  • 2. De paragrafen 3 en 6 van deze wet zijn eveneens van toepassing op Nederlanders, geboren buiten het Koninkrijk, van wie de moeder ten tijde van de geboorte van die Nederlander hoofdverblijf had in een van de landen, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid zijn de paragrafen 3 en 6 van deze wet niet van toepassing op Nederlanders van wie de vader of moeder in het Europese deel van Nederland door afstamming of optie het Nederlanderschap heeft verkregen of aan wie het Nederlanderschap is verleend.

  • 4. In afwijking van het eerste en tweede lid zijn de paragrafen 3 en 6 van deze wet niet van toepassing op Nederlanders, die als zodanig gedurende een ononderbroken periode van vijf jaren of langer tot vestiging toegelaten zijn geweest op grond van deze wet.

§ 3. Toelating tot verblijf en vestiging

Artikel 3

  • 1. Iedere Nederlander op wie de paragrafen 3 en 6 van deze wet van toepassing is heeft het recht op toelating tot verblijf voor maximaal zes maanden zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op uitgezondenen en hun gezinsleden, voor de duur van hun uitzending.

  • 3. Onverminderd het eerste lid wordt toegang geweigerd gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode aan de Nederlander die op grond van artikel 16 teruggeleid is, tenzij Onze Minister de toegang noodzakelijk acht op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, in het belang van Nederland, de onderlinge landsbetrekkingen of de internationale betrekkingen.

  • 4. Onverminderd het eerste lid heeft de Nederlander die op grond van artikel 16 teruggeleid is, geen recht op toelating tot verblijf.

Artikel 4

  • 1. Degene aan wie toegang is geweigerd, dient Nederland onmiddellijk te verlaten, met inachtneming van de aanwijzingen welke hem daartoe door een ambtenaar belast met grensbewaking, zijn gegeven.

  • 2. Degene aan wie de toegang is geweigerd kan worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats. Deze ruimte of plaats kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het voor de beveiligde ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, geldende regime, waaronder begrepen de nodige beheersmaatregelen. Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 5

  • 1. Iedere Nederlander op wie de paragrafen 3 en 6 van deze wet van toepassing zijn behoeft voor verblijf langer dan zes maanden toelating tot vestiging.

  • 2. De toelating tot vestiging kan op aanvraag worden verleend voor de duur van vijf jaar.

Artikel 6

  • 1. Onze Minister is bevoegd de aanvraag voor de toelating tot vestiging in te willigen dan wel af te wijzen.

  • 2. Onze Minister is bevoegd de toelating tot vestiging in te trekken.

  • 3. Op een daartoe strekkende aanvraag wordt door Onze Minister aan een Nederlander op wie deze wet niet van toepassing is, een verklaring verstrekt waaruit dit blijkt.

Artikel 7

  • 1. De toelating tot vestiging wordt verleend indien de aanvrager:

    • a. in Nederland werknemer of zelfstandige is;

    • b. voor zichzelf en voor zijn gezinsleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van de bijstand, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten volledig dekt;

    • c. aantoont dat hij door een in Nederland gevestigde onderwijsinstelling is toegelaten voor het volgen van voltijd onderwijs aan die instelling en over voldoende middelen van bestaan beschikt; of

    • d. een gezinslid is van een Nederlander, bedoeld in artikel 2, die voldoet aan de voorwaarden onder a, b of c, een andere Nederlander, die voldoet aan de voorwaarden onder a, b of c, of van een legaal verblijvende vreemdeling, die voldoet aan de voorwaarden onder a, b of c, en hij deze burger begeleidt of zich bij hem voegt.

  • 2. Onverminderd het eerste en tweede lid wordt de aanvraag voor de toelating tot vestiging afgewezen indien de aanvrager:

    • a. op grond van artikel 16 teruggeleid is, tenzij Onze Minister de toegang noodzakelijk acht op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, in het belang van Nederland, de onderlinge landsbetrekkingen of de internationale betrekkingen;

    • b. een ernstige en actuele bedreiging van de Nederlandse openbare orde vormt;

    • c. onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag; of

    • d. zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.

  • 3. De toelating tot vestiging wordt niet geweigerd indien weigering, gelet op alle betrokken belangen, onevenredig zou zijn.

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.

Artikel 8

  • 1. De toelating tot vestiging kan worden ingetrokken:

    • a. indien betrokkene niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 7, eerste lid; of

    • b. indien ten minste een van de gronden, bedoeld in artikel 7, tweede lid zich voordoet.

  • 2. De toelating tot vestiging wordt niet ingetrokken met toepassing van het eerste lid, onderdeel a, indien de aanvrager:

    • a. als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt is;

    • b. start met een relevante beroepsopleiding.

    • c. na ten minste één jaar te hebben gewerkt onvrijwillige werkloos is geraakt en heeft zich als werkzoekende heeft ingeschreven;

    • d. in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos is geraakt en zich als werkzoekende heeft ingeschreven. In dit geval blijft de status van werknemer ten minste zes maanden behouden;

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.

  • 4. De toelating tot vestiging wordt niet ingetrokken indien intrekking, gelet op alle betrokken belangen, onevenredig zou zijn.

Artikel 9

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent:

  • a. de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag;

  • b. de gegevens die de aanvrager in persoon moet verstrekken;

  • c. de wijze waarop beschikkingen bij of krachtens deze wet ten aanzien van de toelatingsplichtige, alsmede de bij of krachtens deze wet voorgeschreven kennisgevingen, mededelingen of berichten aan de toelatingsplichtige of aan andere belanghebbenden worden bekendgemaakt. Daarbij kan worden bepaald dat de bekendmaking van de beschikkingen ook kan geschieden door middel van het toezenden of uitreiken van een document en het stellen van aantekeningen in een daarbij aan te wijzen document.

Artikel 10

  • 1. Op een aanvraag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt binnen drie maanden een beschikking gegeven.

  • 2. De termijn voor het geven van een beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste eenmaal met drie maanden worden verlengd, indien onderzoek door derden of het openbaar ministerie noodzakelijk is. Onze Minister stelt de aanvrager in kennis van de verlenging.

  • 3. In afwachting van de beslissing op een eerste aanvraag tot het verlenen van de toelating tot vestiging wordt de aanvrager gelijkgesteld met de Nederlander die binnen de termijn, bedoeld in artikel 3, eerste lid, op het grondgebied verblijft.

Artikel 11

De toelating tot vestiging wordt verleend met ingang van de dag waarop de aanvrager heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

§ 4. Toezicht en bevoegdheden van ambtenaren

Artikel 12

  • 1. Met het toezicht op de naleving en de uitvoering van de voorschriften van deze wet zijn belast:

    • a. de ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012, en als bedoeld in artikel 2, onder c, van die wet, voor zover deze zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;

    • b. de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee;

    • c. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

  • 2. De ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid, van de Politiewet 1993 oefenen het toezicht op vreemdelingen uit onder leiding van de korpschef.

  • 3. De ambtenaren van de Koninklijke marechaussee oefenen het toezicht op vreemdelingen uit onder leiding van de Commandant der Koninklijke marechaussee.

Artikel 13

De ambtenaren, bedoeld in artikel 12, zijn bevoegd op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden opleveren dat een persoon zich in strijd met paragraaf 3 in Nederland bevindt, personen staande te houden, ter vaststelling van identiteit, nationaliteit en vestigingspositie.

§ 5. Gegevensuitwisseling

Artikel 14

  • 1. Onze Minister verstrekt andere bestuursorganen de gegevens die zij behoeven ter uitvoering van hun taak in het kader van deze wet.

  • 2. Andere bestuursorganen zijn verplicht Onze Minister de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.

  • 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor onevenredig wordt geschaad.

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop deze gegevens dienen te worden verstrekt.

§ 6. Vertrek, teruggeleiding en bewaring

Artikel 15

  • 1. De Nederlander op wie de paragrafen 3 en 6 van deze wet van toepassing zijn en die langer dan zes maanden in Nederland verblijft en geen toelating tot vestiging heeft dient Nederland binnen vier weken uit eigen beweging te verlaten.

  • 2. Onze minister kan bepalen dat de termijn, bedoeld in het eerste lid, achterwege kan blijven indien het belang van bescherming van de openbare orde dit vordert.

Artikel 16

  • 1. Onze Minister is bevoegd om degene die Nederland niet binnen de gestelde termijn heeft verlaten, terug te geleiden.

  • 2. Teruggeleiding vindt slechts plaats indien het belang van bescherming van de openbare orde dit vordert.

  • 3. Teruggeleiding blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de betrokkene niet verantwoord is om te reizen.

Artikel 17

  • 1. Indien het belang van de openbare orde dit vordert kan betrokkene, bedoeld in artikel 16, eerste lid, met het oog op teruggeleiding door Onze Minister in bewaring worden gesteld in een beveiligde ruimte of plaats.

  • 2. Bewaring krachtens het eerste lid duurt niet langer dan vier weken, tenzij betrokkene zich verzet tegen teruggeleiding.

  • 3. Bewaring krachtens het eerste lid duurt in geen geval langer dan 6 maanden.

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het voor de beveiligde ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, geldende regime, waaronder begrepen de nodige beheersmaatregelen. Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 18

Hoofdstuk 7, afdeling 5 van de Vreemdelingenwet 2000 is van overeenkomstige toepassing.

§ 7. Wijziging van enige andere wetten

Artikel 19

Aan artikel 29a van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid vindt inschrijving van een Nederlander die verblijft in Nederland op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland niet plaats en wordt een Nederlander op wie de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland van toepassing is niet ingeschreven dan nadat hem toelating tot vestiging is verleend als bedoeld in artikel 5, eerste lid van die wet.

Artikel 20

De Huisvestingswet wordt gewijzigd als volgt:

1. Aan artikel 25 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. In afwijking van het eerste lid wordt een huisvestingsvergunning niet verleend aan een Nederlander die verblijft in Nederland op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland en wordt een huisvestingsvergunning niet verleend aan een Nederlander op wie die wet van toepassing is dan nadat hem toelating tot vestiging is verleend als bedoeld in artikel 5, eerste lid van die wet.

2. In artikel 26 wordt «Onverminderd artikel 9, tweede lid» vervangen door: Onverminderd artikel 9, tweede en derde lid».

Artikel 21

Aan artikel 13 van de Wet werk en bijstand wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Een Nederlander die verblijft in Nederland op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland heeft geen recht op bijstand van overheidswege en een Nederlander op wie die wet van toepassing is heeft geen recht op bijstand van overheidswege dan nadat hem toelating tot vestiging is verleend als bedoeld in artikel 5, eerste lid van die wet.

§ 8. Afstemmingsbepalingen

Artikel 22

1. Indien het bij koninklijk besluit van 29 maart 2012 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe regels voor een basisadministratie personen (Wet basisadministratie personen) (Kamerstukken 33 219) tot wet is of wordt verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, komt artikel 19 van deze wet te luiden:

Artikel 19

Aan artikel 2.5 van de Wet basisregistratie personen wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid vindt geen inschrijving plaats van een Nederlander die verblijft in Nederland op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland, en vindt inschrijving van een Nederlander op wie de die wet van toepassing is niet plaats dan nadat hem toelating tot vestiging is verleend als bedoeld in artikel 5, eerste lid van die wet.

2. Indien het bij koninklijk besluit van 29 maart 2012 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe regels voor een basisadministratie personen (Wet basisadministratie personen) (Kamerstukken 33 219) tot wet is of wordt verheven en die wet later in werking treedt dan deze wet, wordt die wet als volgt gewijzigd: Aan artikel 2.5 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid vindt geen inschrijving plaats van een Nederlander die verblijft in Nederland op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland, en vindt inschrijving van een Nederlander op wie de die wet van toepassing is niet plaats dan nadat hem toelating tot vestiging is verleend als bedoeld in artikel 5, eerste lid van die wet.

Artikel 23

1. Indien het bij koninklijk besluit van 23 december 2009 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe regels met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de samenstelling van de woonruimte voorraad (Huisvestingswet 2012) (Kamerstukken 32 271) tot wet is of wordt verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, komt artikel 20 van deze wet te luiden:

Artikel 20

De Huisvestingswet 2012 wordt gewijzigd als volgt:

1. Aan artikel 10 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onder a, wordt een huisvestingsvergunning niet verleend aan een Nederlander die verblijft in Nederland op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland en wordt een huisvestingsvergunning niet verleend aan een Nederlander op wie die wet van toepassing is dan nadat hem toelating tot vestiging is verleend als bedoeld in artikel 5, eerste lid van die wet.

2. In artikel 16, eerste lid, wordt «hij voldoet aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid» vervangen door: hij voldoet aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onverminderd artikel 10, derde lid.

2. Indien het bij koninklijk besluit van 23 december 2009 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe regels met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de samenstelling van de woonruimte voorraad (Huisvestingswet 2012) (Kamerstukken 32 271) tot wet is of wordt verheven en die wet later in werking treedt dan deze wet, wordt die wet als volgt gewijzigd:

1. Aan artikel 10 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onder a, wordt een huisvestingsvergunning niet verleend aan een Nederlander die verblijft in Nederland op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland en wordt een huisvestingsvergunning niet verleend aan een Nederlander op wie die wet van toepassing is dan nadat hem toelating tot vestiging is verleend als bedoeld in artikel 5, eerste lid van die wet.

2. In artikel 16, eerste lid, wordt «hij voldoet aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid» vervangen door: hij voldoet aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onverminderd artikel 10, derde lid.

§ 9. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 24

Deze wet is niet van toepassing op Nederlanders, bedoeld in artikel 2, eerste dan wel tweede lid, die op het tijdstip van inwerkingtreding in Nederland hun hoofdverblijf hebben.

Artikel 25

Deze wet wordt aangehaald als: Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland.

Artikel 26

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad wordt geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,