33 127 Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning in verband met de uitbreiding van gemeentelijke taken op het terrein van de begeleiding en een gewijzigde verdeling van de bestuurlijke verantwoordelijkheid

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet maatschappelijke ondersteuning te wijzigen in verband met de uitbreiding van de gemeentelijke taken op het terrein van begeleiding en een verdeling van de bestuurlijke verantwoordelijkheid die recht doet aan het uitgangspunt dat oplossingen voor problemen zoveel mogelijk moeten worden gevonden op het bestuurlijke niveau dat het dichtst bij de burger staat en daarbij ruimte moet bestaan voor oplossingen die het best aansluiten bij de ondervonden problemen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet maatschappelijke ondersteuning wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de onderdelen c en d wordt het woord «begeleiding» telkens vervangen door ondersteuning en in onderdeel e wordt het woord «begeleiden» vervangen door ondersteunen.

2. In onderdeel f wordt het woord «verslavingsbeleid» vervangen door: verslavingszorg

3. Onderdeel h komt te luiden:

h. huishoudelijke hulp:

het ondersteunen of overnemen van activiteiten in het huishouden dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort;

4. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

j. begeleiding:

het geheel aan activiteiten waarmee een persoon wordt ondersteund bij het uitvoeren van dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven;

k. cliënt:

de natuurlijke persoon die maatschappelijke ondersteuning vraagt of aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend;

l. beroepskracht:

de natuurlijke persoon die in persoon beroepsmatig maatschappelijke ondersteuning verleent;

m. aanbieder:
  • 1°. de natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig maatschappelijke ondersteuning doet verlenen;

  • 2°. de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning verleent, anders dan in opdracht van een aanbieder of een opdrachtnemer van een aanbieder;

n. calamiteit:

een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning en die tot de dood van een cliënt of een ernstig schadelijk gevolg voor een cliënt heeft geleid;

o. geweld bij de verlening van maatschappelijke ondersteuning:

seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt, alsmede geweld jegens een cliënt, door iemand die voor de aanbieder werkzaam is, door iemand die werkzaam is voor een opdrachtnemer van de aanbieder, dan wel door een andere cliënt met wie de cliënt gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van de aanbieder verblijft.

B

Artikel 3, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel d komt te luiden:

  • d. welke kwaliteitseisen aan maatschappelijke ondersteuning en de beroepskrachten worden gesteld en hoe toezicht en handhaving terzake worden geregeld;

2. De onderdelen e en f worden geletterd h en i.

3. Na onderdeel d worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

  • e. op welke wijze wordt gewaarborgd dat aanbieders van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, openbare geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg, huishoudelijke hulp of begeleiding en de gemeente zorg dragen voor een effectieve en laagdrempelige afhandeling van klachten inzake aanbieders;

  • f. welke eisen gelden voor de medezeggenschap van cliënten van aanbieders van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, huishoudelijke hulp of begeleiding en die een onderneming in stand houden in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de ondernemingsraden, waarin in de regel meer dan tien personen werkzaam zijn;

  • g. welke eisen gelden inzake het melden van calamiteiten en geweld bij de verlening van maatschappelijke ondersteuning bij een daartoe door de gemeente aangewezen instantie;

C

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef van het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders, mede ter ondersteuning van mantelzorgers als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder g, onderdeel 4°, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die de cliënt in staat stellen:

2. Aan het eerste lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daarover regie te voeren.

3. Onder vernummering van het tweede lid tot vierde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder e, omvatten, voor zover noodzakelijk in verband met de beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer naar en van de locatie waar begeleiding wordt aangeboden.

  • 3. Indien een cliënt is aangewezen op permanent toezicht, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen die de mantelzorger, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, in staat stellen de mantelzorg voort te zetten.

D

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De gemeenteraad regelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening in welke gevallen en onder welke voorwaarden aanspraak bestaat op:

    • a. een individuele voorziening in natura,

    • b. een financiële tegemoetkoming of

    • c. een met de individuele voorziening in natura vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

2. Er wordt een derde en een vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet regels die noodzakelijk zijn om het beleid, bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel d tot en met g, uit te voeren, daarop toe te zien en te handhaven.

  • 4. Een cliënt die aanspraak heeft op een individuele voorziening, heeft, zo nodig in afwijking van de in het eerste lid bedoelde verordening aanspraak op een met de individuele voorziening in natura vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, indien een voorziening in natura redelijkerwijs niet toereikend kan worden geacht.

E

De artikelen 6 en 6a komen te luiden:

Artikel 6

  • 1. Indien een persoon op grond van de verordening, bedoeld in artikel 5, aanspraak heeft op een individuele voorziening in natura, wordt deze voorziening hem door of namens het college van burgemeester en wethouders verstrekt. Het college van burgemeester en wethouders laat de voorziening in natura zoveel mogelijk door derden leveren. Indien een derde de voorziening in natura levert, mogen op de cliënt, die deze voorziening ontvangt, geen werkgevers- of opdrachtgeversverplichtingen komen te rusten.

  • 2. Indien een persoon op grond van de verordening, bedoeld in artikel 5, aanspraak heeft op een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget wordt het bedrag waarop hij aanspraak heeft, hem door of namens het college van burgemeester en wethouders verstrekt.

Artikel 6a

  • 1. Indien een persoon op grond van de verordening, bedoeld in artikel 5, de keuze heeft tussen een individuele voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget, licht het college van burgemeester en wethouders hem vooraf in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen in over de gevolgen van zijn keuze.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de inhoud van de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze worden gegeven.

F

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het college van burgemeesters en wethouders onderzoekt hoe de burgers de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning ervaren en publiceert jaarlijks voor 1 juli de uitkomsten hiervan.

2. Er wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de inrichting van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

G

In artikel 10a, eerste lid, wordt de zinsnede «huishoudelijke verzorging» telkens vervangen door: huishoudelijke hulp of begeleiding.

H

In §12 vervallen de artikelen 27 tot en met 37 en in §13 vervallen de artikelen 38 tot en met 41.

I

In paragraaf 11 wordt na artikel 26 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 27

  • 1. De ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid zijn belast met het toezicht op de wijze waarop in de gemeenten toezicht wordt uitgeoefend op de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de gegevens aangewezen die aan de ambtenaren van het Staatstoezicht worden verstrekt voor het uitvoeren van deze taak.

  • 2. Het Staatstoezicht op de volksgezondheid rapporteert op basis van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, aan Onze Minister over de wijze waarop in de gemeenten toezicht wordt uitgeoefend op de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning.

  • 3. Onze Minister zendt de rapportage, bedoeld in het tweede lid, aan beide kamers der Staten-Generaal.

ARTIKEL II

Artikel 1 van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder b, onderdeel 2°, aanhef, vervalt de zinsnede: maatschappelijke zorg of.

2. In het eerste lid, onder b, onderdeel 2°, onder b, vervalt de zinsnede: of een gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

ARTIKEL III

Artikel 1 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, komt te luiden:

  • 1°. elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin zorg wordt verleend als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;.

2. In het eerste lid, onder d, en het tweede lid en derde lid vervalt telkens de zinsnede: maatschappelijke ondersteuning of,

ARTIKEL IV

Aan artikel 1, tweede lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, een zinsdeel toegevoegd, luidende: , met uitzondering van voorzieningen waarop de Wet maatschappelijke ondersteuning van toepassing is.

ARTIKEL V

  • 1. Het Staatstoezicht op de volksgezondheid brengt de rapportage, bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, zoals dat artikel is komen te luiden na de inwerkingtreding van deze wet, uit voor 1 juli 2016.

  • 2. Artikel 27 van de Wet maatschappelijke ondersteuning, zoals dat artikel is komen te luiden na de inwerkingtreding van deze wet, vervalt met ingang van 1 juli 2016.

  • 3. Indien uit de rapportage van het Staatstoezicht op de volksgezondheid blijkt dat er redenen zijn om het toezicht te verlengen, kan bij koninklijk besluit het tijdstip waarop artikel 27 van de Wet maatschappelijke ondersteuning vervalt, worden bepaald op 1 juli 2019.

ARTIKEL VI

Indien het bij koninklijke boodschap van 7 juni 2010 ingediende voorstel van wet houdende Wet cliëntenrechten zorg (Wet cliëntenrechten zorg, 32 402), tot wet is of wordt verheven en die wet later in werking is getreden of treedt dan deze wet, vervallen de artikelen 80, 94 en 95 van die wet en worden de artikelen 77 en 90 van die wet als volgt gewijzigd:

A

Artikel 77, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Met betrekking tot klachten als bedoeld in het tweede lid, is artikel 29, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

B

Artikel 90 komt te luiden:

Artikel 90

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt in artikel 29, tweede lid, onderdeel c, in plaats van «€ 25 000,–» gelezen: € 10 000,–.

ARTIKEL VII

Indien het bij koninklijke boodschap van 7 juni 2010 ingediende voorstel van wet houdende Wet cliëntenrechten zorg (Wet cliëntenrechten zorg, 32 402), tot wet is of wordt verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, vervallen de artikelen 94 en 95 van die wet en worden de artikelen 77 en 90 van die wet als volgt gewijzigd:

A

Artikel 77, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Met betrekking tot klachten als bedoeld in het tweede lid, is artikel 29, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

B

Artikel 90 komt te luiden:

Artikel 90

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt in artikel 29, tweede lid, onderdeel c, in plaats van «€ 25 000,–» gelezen: € 10 000,–.

ARTIKEL VIII

Indien het bij koninklijke boodschap van 7 juni 2010 ingediende voorstel van wet houdende Wet cliëntenrechten zorg (Wet cliëntenrechten zorg, 32 402), tot wet is verheven en die wet eerder in werking is getreden dan deze wet, vervallen de artikelen II tot en met IV van deze wet en wordt de Wet maatschappelijke ondersteuning als volgt gewijzigd:

A

Hoofdstuk 2a vervalt.

B

Artikel 26a vervalt.

ARTIKEL IX

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    a. begeleiding:

    het ondersteunen bij of oefenen met vaardigheden of handelingen en het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, of het overnemen van toezicht, gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekkende tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van een persoon met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen heeft op het terrein van de sociale redzaamheid, het bewegen en verplaatsen, het psychisch functioneren, het geheugen en de oriëntatie, of die matig of zwaar probleemgedrag vertoont;

    b. kortdurend verblijf:

    verblijf in een instelling gedurende maximaal drie etmalen per week, gepaard gaande met persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding voor een persoon met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, die aangewezen is op permanent toezicht, indien dat noodzakelijk is ter ontlasting van de persoon die hem gebruikelijke zorg of mantelzorg levert.

  • 2. De aanspraken op zorg, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten omvatten niet begeleiding en kortdurend verblijf.

  • 3. Indien op een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvraag een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat een verzekerde in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is aangewezen op begeleiding, gelden de rechten en verplichtingen die daaraan voor die persoon zijn verbonden, dan wel verbonden zouden zijn geweest indien het besluit voor dat tijdstip was genomen, met inbegrip in voorkomend geval van kortdurend verblijf, gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch uiterlijk tot 1 januari 2014.

  • 4. Indien een in het buitenland wonende persoon op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 3.1.2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet aanspraak heeft op een vergoeding dan wel op grond van artikel 1.22 van het Aanpassingsbesluit Zorgverzekeringswet aanspraak heeft op een uitkering ter zake van de kosten van begeleiding of kortdurend verblijf, behoudt die persoon die aanspraak gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch uiterlijk tot 1 januari 2014.

ARTIKEL X

  • 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. De artikelen van deze wet zijn voor het eerst van toepassing op kalenderjaren na 2012.

  • 2. Op klachten, voor inwerkingtreding van artikel 3, vierde lid, onderdeel e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, zoals dat artikel door inwerkingtreding van deze wet is komen te luiden, ingediend bij een klachtencommissie als bedoeld in artikel 2 van de Wet Klachtrecht cliënten zorgsector, blijft die wet van toepassing tot het tijdstip waarop aan artikel 3, vierde lid, onderdeel e, is voldaan.

  • 3. Met betrekking tot procedures inzake de naleving van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen, aangevangen voor inwerkingtreding van artikel 3, vierde lid, onderdeel f van de Wet maatschappelijke ondersteuning, zoals dat artikel door inwerkintreding van deze wet komt te luiden, aangevangen, blijft die wet van toepassing tot het tijdstip waarop aan artikel 3 vierde lid, onderdeel f, is voldaan.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Naar boven