33 118 Omgevingsrecht

34 986 Aanvulling en wijziging van de Omgevingswet, intrekking van enkele wetten over de fysieke leefomgeving, wijziging van andere wetten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringswet Omgevingswet)

GZ1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 29 januari 2026

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening2 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over de stand van zaken Omgevingswet derde kwartaal 2025. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 16 december 2025.

  • Een uitstelbericht van 22 december 2025.

  • De antwoordbrief van 27 januari 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Dragstra

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT / VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING

Aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Den Haag, 16 december 2025

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 31 oktober 2025 over de stand van zaken Omgevingswet derde kwartaal 2025.3 Naar aanleiding van deze brief hebben de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, mede namens de leden van de fractie van de SP, en de BBB nog enkele vragen en opmerkingen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA sluiten zich aan bij de vragen van de leden van de BBB-fractie.

Inleiding

Allereerst danken de leden van GroenLinks-PvdA en SP u voor de inzichtelijke tabellen met informatie over de inzet van instrumenten van de Omgevingswet. Het is fijn te lezen dat, bijna twee jaar na de beloofde invoering, het parallel wijzigen eindelijk in beeld is gekomen voor de werkpraktijk van decentrale overheden.

De leden van de fractie van de BBB zijn ondanks uw geruststellende woorden over de invoering van de Omgevingswet nog niet geheel overtuigd van de probleemloze invoering ervan. Ook hebben deze leden nog twijfels over de realisatie van de oorspronkelijk beoogde doelstellingen. Naar aanleiding van de evaluaties hebben zij de volgende vragen aan u, die vooral inhaken op de gebruikersproblemen rondom de Omgevingswet, regeldruk, en de lokale uitvoeringspraktijk in vooral de plattelandsgemeenten.

Vragen van de leden van de fracties GroenLinks-PvdA en SP

  • Kunt u inzicht geven in het totaal aantal vastgestelde omgevingsplannen en bestemmingsplannen in 2023 en 2024, zodat het effect van de Omgevingswet op het tempo van de realisatie van initiatieven in plannen duidelijk wordt?

  • U schrijft: «het afgelopen kwartaal is wederom geconstateerd dat de bevoegde gezagen [...] in toenemende mate het hoofdspoor (STOP/TPOD) toepassen (zie bijlage 1)».4 Dat blijkt echter niet uit de bijlage. Tussen het eerste en derde kwartaal van 2025 neemt het gebruik van de TAM/IMRO zelfs sneller toe dan het gebruik van STOP-TPOD, ondanks de focus op het uitfaseren op TAM/IMRO. Kunt u de zin in de brief toelichten en aangeven welke verklaring u heeft voor het toenemende percentage omgevingsplannen van het totaal dat middels TAM/IMRO wordt gemaakt?

  • Op 1 januari 2026 stopt de inzet van TAM-IMRO. Verwacht u een terugval in het aantal vastgestelde omgevingsplannen. Zo ja, hoe groot verwacht u dat de terugval is?

  • Kunt u voor 2023, 2024 en 2025 het totale aantal aanvragen van vergunningen, meldingen en informatieverzoeken aangeven, zodat een beeld gevormd kan worden van de kwantitatieve ontwikkeling voor en na de invoering van de Omgevingswet? De aantallen zijn van belang ondanks dat ze door de sterk gewijzigde systematiek lastig te vergelijken zijn.

  • Sinds december 2024 is het aantal vergunningen bijna verdubbeld. Hetzelfde geldt voor de meldingen en informatieverzoeken. Hoe verklaart u dit? Kan hieruit de geconcludeerd worden dat de invoering van de Omgevingswet tot een stevige dip in het aantal vergunningaanvragen heeft geleid? Zo niet, waarom niet?

  • Kunt u aangeven hoe lang de gemiddelde doorlooptijd van een vergunningsprocedure nu is en hoe lang die voor invoering van de Omgevingswet was?

  • Uit de cijfers blijkt dat er ongeveer 140 omgevingsplannen en omgevingsplanwijzigingen per kwartaal worden ingediend, terwijl en zo’n 2.000 Buitenplanse Omgevingsplan Activiteiten (BOPA’s) per kwartaal worden ingediend. Kunt u reflecteren op deze verhouding? Was deze verhouding de intentie toen de Omgevingswet werd ingevoerd?

  • Welke rol spelen de BOPA en het omgevingsplan in de nieuwe ruimtelijke praktijk? Hoe wordt overzicht gehouden tussen de wijzigingen (en met name claims) die via een BOPA op het omgevingsplan worden gelegd?

  • Kunt u aangeven welke juridische risico’s er voor initiatiefnemers verbonden zitten aan een BOPA-procedure ten opzichte van een omgevingsplanprocedure? Worden initiatiefnemers geïnformeerd over deze onzekerheden en, zo ja, hoe?

  • Hoe kan een derde-belanghebbende met deze aantallen BOPA’s zijn belangen nastreven onder de Omgevingswet? Met andere woorden: hoe kan een omwonende of andere derde-belanghebbende zicht houden op alle wijzingen die nog in het definitieve omgevingsplan een plek moeten krijgen?

  • Op welke termijn moet een BOPA in een omgevingsplan verwerkt worden? En welke stappen onderneemt u om met decentrale overheden hieraan te werken?

  • U schrijft dat uit «openbare data» blijkt dat «veel bevoegde gezagen» ondertussen participatiebeleid hebben opgesteld en verwijst daarbij naar de website www.overheid.nl.5 Als deze data zo eenvoudig te vinden zijn, zou u deze zelf voor de Kamerleden kunnen specificeren in kwantitatieve data, zodat beoordeeld kan worden of de motie-Nooren (PvdA) c.s., zoals u stelt, daadwerkelijk is uitgevoerd?6

Vragen van de leden van de fractie van BBB

  • Het kennisniveau over de volle breedte neemt toe. Dit vinden de leden van de fractie van de BBB positief. Toch constateert u dat de mogelijkheden en kansen die de (kern)instrumenten bieden nog niet overal ten volste worden benut. Wat is de impact van deze onderbenutting op de snelheid en betaalbaarheid van gebiedsontwikkelingen? Wat is de termijn waarop de Rijkspartijen, gemeenten, provincies en waterschappen de instrumenten wel ten volste benutten?

  • U schrijft dat het Omgevingsloket in technische zin goed werkt en het aantal vergunningaanvragen licht toeneemt.7 Echter, uit de cijfers blijkt dat het grootste aantal aanvragen voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) bij circa een kwart van de gemeenten terechtkomt, terwijl 94 bevoegde gezagen nog helemaal niet te maken hebben gehad met een BOPA.8 Wat betekent deze ongelijke verdeling van de complexere aanvragen voor de personele capaciteit en expertise in de uitvoering bij de gemeenten die de hoogste werkdruk ervaren?

  • U schrijft in uw brief dat u de motie-Moonen (D66) c.s. over het zichtbaar maken van concepten als uitgevoerd beschouwt, met als argument dat het ontsluiten van conceptregelingen zonder formele status tot te veel «vervuiling» zou leiden in het DSO-LV.9 Vindt u dat dit argument opweegt tegen het bevorderen van vroegtijdige en laagdrempelige participatie door burgers en initiatiefnemers, die nu zelf verantwoordelijk blijven voor de ontsluiting van deze plannen in de conceptfase?

  • U meldt dat er gewerkt wordt aan specifieke landingspagina’s voor bedrijven, die begin 2026 in gebruik genomen moeten worden.10 Hierbij is aandacht voor brandveiligheid en bodemactiviteiten. Wordt binnen de door u genoemde werkgroepen specifiek aandacht besteed aan de uitdagingen van de agrarische sector en het MKB, zodat zij niet langer met generieke informatie maar met op maat gesneden regelgeving in het Omgevingsloket te maken krijgen?

  • Hoewel het aantal vragen dat het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) ontvangt is gedaald, wordt een toename van vragen verwacht rond de implementatie van de nieuwe STOP 1.4 en 1.5-standaarden. Zijn de toepasbareregel-experts van de groeiende DSO-community en de professionals uit het DSO-leertraject voldoende toegerust om deze verwachte piek in complexe technische en juridische vragen op te vangen, zonder dat de kwaliteit van de ondersteuning voor de lokale overheden daaronder lijdt?

  • De invoeringstoets Omgevingswet, waarvan de resultaten in het eerste kwartaal van 2026 worden verwacht, is bedoeld om knelpunten vroegtijdig te signaleren. Wat is het plan van aanpak om deze vroegtijdige signalen onmiddellijk op te pakken en om te zetten in noodzakelijke correcties of aanpassingen in de regelgeving, zodat de wet in de praktijk uitpakt zoals beoogd, zonder te hoeven wachten op de wettelijke evaluatie na vijf jaar?

De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, R. Lievense

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 december 2025

Op 16 december jl. hebben de leden van de fracties GroenLinks-PvdA, mede namens de leden van de fractie van de SP, en de BBB vragen gesteld over de uitvoering van de Omgevingswet over het derde kwartaal 2025. Tot mijn spijt kunnen deze vragen niet binnen de gebruikelijke termijn van vier weken beantwoord worden. Via deze brief vraag ik om uitstel.

De reden voor het uitstel ligt in het feit dat, om goed antwoord te kunnen geven op een aantal van de gestelde vragen, de cijfers over geheel 2025 wenselijk zijn. Deze cijfers verwacht ik begin januari 2026 te ontvangen, waarna ik deze cijfers pas van een duiding kan voorzien. Hierna zal ik de beantwoording van de schriftelijke vragen zo snel mogelijk aan u doen toekomen.

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, M.C.G. Keijzer

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 januari 2026

De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur & Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van de Eerste Kamer hebben mij per brief van 16 december 2025 vragen gesteld over de Omgevingswet. Hierbij stuur ik u de beantwoording van de gestelde vragen.

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, M.C.G. Keijzer

Schriftelijke vragen van de leden van de vaste commissie voor Infrastructuur & Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van de Eerste Kamer

Schriftelijke vragen over de stand van zaken Omgevingswet derde kwartaal 2025

Ingezonden: 16 december 2025

Kenmerk: 179245

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 31 oktober 2025 over de stand van zaken Omgevingswet derde kwartaal 2025.11 Naar aanleiding van deze brief hebben de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, mede namens de leden van de fractie van de SP, en de BBB nog enkele vragen en opmerkingen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA sluiten zich aan bij de vragen van de leden van de BBB-fractie.

Inleiding

Allereerst danken de leden van GroenLinks-PvdA en SP u voor de inzichtelijke tabellen met informatie over de inzet van instrumenten van de Omgevingswet. Het is fijn te lezen dat, bijna twee jaar na de beloofde invoering, het parallel wijzigen eindelijk in beeld is gekomen voor de werkpraktijk van decentrale overheden.

De leden van de fractie van de BBB zijn ondanks uw geruststellende woorden over de invoering van de Omgevingswet nog niet geheel overtuigd van de probleemloze invoering ervan. Ook hebben deze leden nog twijfels over de realisatie van de oorspronkelijk beoogde doelstellingen. Naar aanleiding van de evaluaties hebben zij de volgende vragen aan u, die vooral inhaken op de gebruikersproblemen rondom de Omgevingswet, regeldruk, en de lokale uitvoeringspraktijk in vooral de plattelandsgemeenten.

Vragen van de leden van de fracties GroenLinks-PvdA en SP

  • Kunt u inzicht geven in het totaal aantal vastgestelde omgevingsplannen en bestemmingsplannen in 2023 en 2024, zodat het effect van de Omgevingswet op het tempo van de realisatie van initiatieven in plannen duidelijk wordt?

Antwoord:

Helaas heb ik geen exacte cijfers ten aanzien van het totaal aantal bestemmingsplannen dat is vastgesteld in de periode 2023 en – op grond van het overgangsrecht – in 2024 en verder. Wel kan ik u, zoals eerder al gemeld, in algemene zin aangeven dat het aantal bestemmingsplannen in deze periode (eind 2023), richting de inwerkingtreding van de Omgevingswet, een duidelijke piek kende. In het laatste kwartaal van 2023 zijn ongeveer 3,5 keer zoveel ontwerp bestemmingsplannen in procedure gebracht (3.619) ten opzichte van het laatste kwartaal van 2022 (1.076).12 Dit zijn bestemmingsplannen die vervolgens op grond van het overgangsrecht in 2024 en 2025 zijn vastgesteld of in sommige gevallen nog vastgesteld moeten worden.

Over het aantal omgevingsplanwijzigingen waarvan het ontwerp in procedure is gebracht of zijn vastgesteld heb ik uw Kamer, sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet, ieder kwartaal via mijn voortgangsbrieven geïnformeerd. Daarnaast informeer ik uw Kamer jaarlijks via de Monitor Werking Omgevingswet over het aantal vastgestelde omgevingsplanwijzigingen. In 2024 zijn in totaal (hoofdspoor en TAM) 199 ontwerp omgevingsplanwijzigingen gepubliceerd en 321 omgevingsplanwijzigingen vastgesteld.13 In 2025 zijn in totaal (hoofdspoor en TAM) 1.853 ontwerp omgevingsplanwijzigingen gepubliceerd en 638 omgevingsplanwijzigingen vastgesteld. Een deel van de vastgestelde omgevingsplanwijzigingen betreft overigens zogenaamde besluiten met betrekking tot het technisch in beheer nemen van de Bruidsschat.14

  • U schrijft: «het afgelopen kwartaal is wederom geconstateerd dat de bevoegde gezagen [...] in toenemende mate het hoofdspoor (STOP/TPOD) toepassen (zie bijlage 1)».15 Dat blijkt echter niet uit de bijlage. Tussen het eerste en derde kwartaal van 2025 neemt het gebruik van de TAM/IMRO zelfs sneller toe dan het gebruik van STOP-TPOD, ondanks de focus op het uitfaseren op TAM/IMRO. Kunt u de zin in de brief toelichten en aangeven welke verklaring u heeft voor het toenemende percentage omgevingsplannen van het totaal dat middels TAM/IMRO wordt gemaakt?

Antwoord:

De constatering dat in het derde kwartaal door bevoegde gezagen in toenemende mate het hoofdspoor is toegepast, is gebaseerd op de cijfers over de toepassing van het hoofdspoor (STOP/TPOD) over de volle breedte van alle (kern)instrumenten in de planketen. Bijna in alle gevallen (zowel bij de vrijgave van ontwerpen als van vaststellingen) zijn namelijk, tussen Q2 2025 en Q3 2025, toenames te zien in het gebruik van het hoofdspoor.16 Deze constatering staat dan ook los van de verhouding waarin gemeenten al dan niet via de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) of het hoofdspoor specifiek werken aan het omgevingsplan.

De cijfers laten inderdaad zien dat gemeenten bij het werken met het omgevingsplan op dit moment vaker gebruik maken van de TAM ten opzichte van het hoofdspoor. Een eenduidige verklaring is hiervoor niet te geven. Dit komt doordat gemeenten, zoals ik al eerder aan uw Kamer heb aangegeven, om verschillende redenen kozen voor toepassing van de TAM.17 Dat er richting 1 januari 2026 en het definitieve moment van uitfaseren van de TAM een piek te zien is in het toepassen van de TAM is niet onverwacht en sluit aan bij eerdere ervaringen in het implementatietraject van de Omgevingswet. Ik zie daar gelijkenissen met de piek van bestemmingsplannen richting de inwerkingtreding van de Omgevingswet (zie mede het antwoord op vraag 1).

  • Op 1 januari 2026 stopt de inzet van TAM-IMRO. Verwacht u een terugval in het aantal vastgestelde omgevingsplannen. Zo ja, hoe groot verwacht u dat de terugval is?

Antwoord:

Ik neem aan dat u doelt op het aantal wijzigingen van omgevingsplannen dat wordt vastgesteld. Onder de Omgevingswet beschikt immers elke gemeente over één gebiedsdekkend omgevingsplan. In algemene zin verwacht ik geen terugval in het aantal vastgestelde omgevingsplanwijzigingen. De piek aan ontwerp omgevingsplanwijzigingen die richting 1 januari 2026 met toepassing van de TAM zijn vrijgegeven moeten immers nog vastgesteld worden. Omdat er nu veel omgevingsplanwijzigingen met toepassing van de TAM in procedure zijn bij gemeenten zal het vaststellen hiervan naar verwachting wel meer tijd vragen van de ambtelijke organisatie de komende periode. Dit zorgt er mogelijk voor dat er een bepaalde tijd minder capaciteit is om nieuwe (wijziging)procedures op te starten. Dit kan, vanwege de gemiddelde doorlooptijd van dergelijke (wijziging)procedures leiden tot een tijdelijke afname van het aantal vastgestelde omgevingsplanwijzigingen op termijn. Deze mogelijke (golf)beweging komt grotendeels overeen met wat we eerder gezien hebben bij de bestemmingsplannen rondom het moment van inwerkingtreding.18

  • Kunt u voor 2023, 2024 en 2025 het totale aantal aanvragen van vergunningen, meldingen en informatieverzoeken aangeven, zodat een beeld gevormd kan worden van de kwantitatieve ontwikkeling voor en na de invoering van de Omgevingswet? De aantallen zijn van belang ondanks dat ze door de sterk gewijzigde systematiek lastig te vergelijken zijn.

Antwoord:

Helaas heb ik geen exacte cijfers ten aanzien van het totaal aantal aanvragen om vergunningen, meldingen en informatieplichten dat is gedaan in 2023 onder de voormalige wet- en regelgeving. Richting inwerkingtreding is in het kader van vergunningen en meldingen wel een nulmeting uitgevoerd, waarin onder andere gekeken is naar het aantal aanvragen van vergunningen en meldingen. Deze nulmeting is eerder met uw Kamer gedeeld.19

Hoewel in deze nulmeting uit 2020 geen eenduidige inschatting is gemaakt van het gemiddeld aantal aanvragen om vergunningen en meldingen is op basis van de informatie uit deze nulmeting wel een redelijk goede inschatting te maken. Op basis van de cijfers over de periode 2015–2019 vanuit het Omgevingsloket Online (OLO), de Activiteitenbesluit Internet Module (AIM), het Meldpunt Bodemkwaliteit, de Waterschapsspiegel en inschattingen over de verhouding tussen digitaal en traditioneel ingediende aanvragen komt het aantal aanvragen om vergunningen in de periode 2016–2019 uit op 188.247 en het aantal meldingen op 140.395. Omdat in de nulmeting ook nog bepaalde informatie ontbreekt, bijvoorbeeld het aantal meldingen via de AIM vallen deze aantallen waarschijnlijk nog hoger uit.

Over het aantal aanvragen om een omgevingsvergunning, meldingen en informatieplichten die vanaf de inwerkingtreding per 1 januari 2024 zijn gedaan heb ik uw Kamer via mijn voortgangsbrieven geïnformeerd. Ook via de jaarlijkse Monitor Werking Omgevingswet informeer ik uw Kamer hierover. In 2024 zijn in totaal 193.689 aanvragen om een omgevingsvergunning ingediend, 147.726 meldingen gedaan en 73.000 keer voldaan aan informatieplichten.20 In 2025 liggen deze aantallen op respectievelijk 236.109 (aanvragen om omgevingsvergunningen), 166.676 (meldingen) en 107.754 (informatieplichten).

  • Sinds december 2024 is het aantal vergunningen bijna verdubbeld. Hetzelfde geldt voor de meldingen en informatieverzoeken. Hoe verklaart u dit? Kan hieruit de geconcludeerd worden dat de invoering van de Omgevingswet tot een stevige dip in het aantal vergunningaanvragen heeft geleid? Zo niet, waarom niet?

Antwoord:

De cijfers uit mijn laatste voortgangsbrief21 en de inmiddels bekende cijfers over heel 2025 laten op alle drie de onderdelen (aanvragen om omgevingsvergunningen, meldingen en informatieplichten) in meer of mindere mate een toename zien in 2025 ten opzichte van 2024, maar er is zeker geen sprake van een verdubbeling van het aantal aanvragen om omgevingsvergunningen in 2025 ten opzichte van 2024, zoals u veronderstelt (zie tabel hieronder). Mogelijk dat de gerapporteerde totaalcijfers sinds inwerkingtreding hierin voor enige verwarring hebben gezorgd, want het klopt wel dat het totaal aanvragen om omgevingsvergunningen dat is ingediend sinds de inwerkingtreding is verdubbeld.22 Ik herken mij dan ook niet in uw conclusie dat de invoering van de Omgevingswet zou hebben geleid tot een stevige dip in het aantal aanvragen om omgevingsvergunningen.

 

2024

2025

Toename

Totaal aantal aanvragen om omgevingsvergunningen per jaar

193.689

236.109

21,9%

Totaal aantal meldingen per jaar

147.726

166.676

12,8%

Totaal aantal informatieplichten per jaar

73.000

107.754

47,6%

Dat er direct na de inwerkingtreding een dip kon optreden in de dienstverlening en het aantal aanvragen om omgevingsvergunningen was voorzien.23 Allereerst zijn onder de Omgevingswet een aantal activiteiten niet of minder snel vergunningplichtig, ten opzichte van de voormalige wet- en regelgeving. Daarnaast doet zo’n dip zich vaker voor bij grote wetswijzigingen en komt mede voort uit de piek van aanvragen om omgevingsvergunningen die voor inwerkingtreding onder het oude recht zijn ingediend.24 Hier is een parallel te zien met de situatie rondom de bestemmingsplannen (zie mede het antwoord op vraag 1). Zoals echter na de inwerkingtreding al aangegeven is, is de stroom van omgevingsvergunningaanvragen, meldingen en informatieplichten na inwerkingtreding eigenlijk direct goed op gang gekomen.25 Van de voorziene «dip» is dus niet tot slechts beperkt sprake geweest.

  • Kunt u aangeven hoe lang de gemiddelde doorlooptijd van een vergunningsprocedure nu is en hoe lang die voor invoering van de Omgevingswet was?

Antwoord:

Richting inwerkingtreding is in het kader van omgevingsvergunningen en meldingen een nulmeting uitgevoerd en met uw Kamer gedeeld.26 In deze nulmeting is onder andere gekeken naar de doorlooptijden van verschillende vergunningenprocedures. In 2013 bedroeg de gemiddelde doorlooptijd van een reguliere omgevingsvergunning 52 dagen (7,4 weken) en in 2018 was de gemiddelde doorlooptijd van een reguliere omgevingsvergunning 47 dagen (6,7 weken).27

De doorlooptijden van vergunningenprocedures is geen indicator in de Monitor Werking Omgevingswet. Daarom beschik ik op dit moment helaas niet over cijfers rondom de gemiddelde doorlooptijd van vergunningenprocedures. In het kader van de invoeringstoets Omgevingswet, waaraan op dit moment gewerkt wordt, zal ik kijken of dit aspect meegenomen kan worden.

  • Uit de cijfers blijkt dat er ongeveer 140 omgevingsplannen en omgevingsplanwijzigingen per kwartaal worden ingediend, terwijl en zo’n 2.000 Buitenplanse Omgevingsplan Activiteiten (BOPA’s) per kwartaal worden ingediend. Kunt u reflecteren op deze verhouding? Was deze verhouding de intentie toen de Omgevingswet werd ingevoerd?

Antwoord:

Uit de cijfers blijkt dat er tot en met het derde kwartaal van 2025 gemiddeld 104 ontwerp omgevingsplanwijzigingen per kwartaal in procedure zijn gebracht en gemiddeld 1270 omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) werden aangevraagd per kwartaal.28 Dat is een verhouding van ongeveer 1:13. Dat er per saldo meer aanvragen om een BOPA worden gedaan ten opzichte van omgevingsplanprocedures/-wijzigingen is niet vreemd.

Voor de inwerkingtreding zijn verder geen specifieke verwachtingen uitgesproken ten aanzien van deze verhouding, maar de verhouding komt redelijk overeen met de verhouding voor inwerkingtreding. Hoewel een goede vergelijking lastig is en ook niet volledig opgaat, door verschillende wijzigingen die met de Omgevingswet zijn doorgevoerd was onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) sprake van een verhouding van ongeveer 1:15 per kwartaal. Op basis van data over de periode 2015–2018 is op te maken dat per vastgesteld bestemmingsplan sprake was van 15 aanvragen om omgevingsvergunning waarbij ofwel de zogenaamde kruimelregeling29, dan wel de uitgebreide procedure werd toegepast met een goede ruimtelijke onderbouwing.30

De BOPA is één van de instrumenten waarover de gemeente beschikt, net zoals onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor gemeenten het mogelijk was een afwijkvergunning te verlenen.31 Er zijn er verschillende redenen waarom gemeenten kiezen voor de inzet van een BOPA en waarom dit instrument verhoudingsgewijs dus vaker wordt ingezet.32 Een eerste oorzaak is dat gemeenten bij «kleinschalige» ontwikkelingen, die onder de oude wetgeving onder de zogenaamde kruimellijst vielen, nu nog gebruikmaken van de BOPA. Een tweede oorzaak is dat gemeenten in veel gevallen bewust voor een BOPA kiezen. Dit instrument stelt hun namelijk relatief snel en eenvoudig – in vergelijking met een wijziging van het omgevingsplan – in staat om een activiteit, welke in strijd is met het omgevingsplan, mogelijk te maken. Dit blijkt ook uit de Monitor Werking Omgevingswet33 Ook zie ik dat gemeenten gebruik maken van de BOPA, omdat zij helaas nog niet altijd in staat zijn om hun eigen omgevingsplan (technisch) te wijzigen. Tot slot zie ik dat gemeenten in de overgangsfase waarin zij nu zitten om voor 1 januari 2032 te komen tot één omgevingsplan, bewust – en zeker in deze beginfase – kiezen voor het gebruik van de BOPA. Gemeenten kiezen dus vaker strategisch voor de inzet van de BOPA tijdens hun overgangsfase waarin zij toewerken naar één omgevingsplan.

  • Welke rol spelen de BOPA en het omgevingsplan in de nieuwe ruimtelijke praktijk? Hoe wordt overzicht gehouden tussen de wijzigingen (en met name claims) die via een BOPA op het omgevingsplan worden gelegd?

Antwoord:

Beide instrumenten, de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) en het (wijzigen van het) omgevingsplan, zijn beide kerninstrumenten van de Omgevingswet en kunnen gebruikt worden om activiteiten in de fysieke leefomgeving te reguleren. Daarbij hebben beide instrumenten een eigen procedure. Het is aan ieder bevoegd gezag zelf om te bepalen welk instrument in welk geval en wanneer wordt ingezet c.q. toegepast. Ieder bevoegd gezag is zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van de verleende BOPA’s en de relatie met het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht niet anders, ook toen moest de gemeente op grond van de Wet ruimtelijke ordening en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zelf het overzicht bewaren van de verleende afwijkvergunningen, waarmee van het bestemmingsplan kon worden afgeweken.

  • Kunt u aangeven welke juridische risico’s er voor initiatiefnemers verbonden zitten aan een BOPA-procedure ten opzichte van een omgevingsplanprocedure? Worden initiatiefnemers geïnformeerd over deze onzekerheden en, zo ja, hoe?

Antwoord:

Als een initiatiefnemer een omgevingsvergunning aanvraagt voor een vergunningplichtige activiteit wordt eerst bekeken of de activiteit past binnen het omgevingsplan. Als er sprake is van een activiteit die niet past in het omgevingsplan kan het bevoegd gezag, vaak de gemeente, kiezen om het omgevingsplan te wijzigen of een BOPA-procedure te starten. Beide instrumenten hebben een andere voorbereidingsprocedure. De BOPA kan veelal verleend worden met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure.34 Deze korte procedure is het uitgangspunt in de Omgevingswet. De beslistermijn voor de korte procedure is 8 weken en eventueel eenmalig te verlengen met 6 weken.35 Nadat de BOPA is verleend staat bezwaar en beroep in twee instanties open. Een wijziging van het omgevingsplan daarentegen wordt voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.36 In deze uitgebreide procedure beslist het bevoegd gezag binnen 6 maanden na een aanvraag. Eventueel te verlengen met een redelijke termijn als het om een ingewikkelde aanvraag gaat (meestal 6 weken).37 Als de uitgebreide procedure wordt toegepast dan wordt een ontwerp van de voorgenomen wijziging ter inzage gelegd, daarna staat beroep open in één instantie bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Inhoudelijk geldt echter hetzelfde toetsingskader, beide instrumenten moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.38 De initiatiefnemer kan het bevoegd gezag verzoeken om een bepaalde procedure te volgen. Het is aan het bevoegd gezag om te kiezen welke procedure het meest geschikt is en de initiatiefnemer te informeren over de verschillende voornoemde aspecten.

  • Hoe kan een derde-belanghebbende met deze aantallen BOPA’s zijn belangen nastreven onder de Omgevingswet? Met andere woorden: hoe kan een omwonende of andere derde-belanghebbende zicht houden op alle wijzingen die nog in het definitieve omgevingsplan een plek moeten krijgen?

Antwoord:

Van een verleende BOPA wordt kennisgegeven in het voorgeschreven elektronische publicatieblad van het betreffende bevoegd gezag op www.officielebekendmakingen.nl.39 Via de berichtenservice «Berichten over uw Buurt» kunnen belanghebbenden op de hoogte blijven van relevante besluiten (ontwikkelingen) in hun eigen omgeving. Daarnaast geldt dat, in het geval het een verleende omgevingsvergunning voor een voortdurende omgevingsvergunning voor een BOPA betreft, ook in het DSO-LV kennisgegeven wordt van het besluit.40 Deze kennisgevingen zijn daarmee samen met het omgevingsplan raadpleegbaar via «Regels op de Kaart» in het Omgevingsloket. Als er meerdere BOPA’s gelden naast het omgevingsplan, kan het voor derden minder inzichtelijk zijn waar welke activiteiten zijn toegestaan. Daarom bepaalt de Omgevingswet dat een BOPA binnen 5 jaar in het Omgevingsplan moet worden verwerkt (zie ook het antwoord op onderstaande vraag). Als omwonenden of andere belanghebbenden bezwaren hebben tegen de verleende BOPA dan kunnen zij tegen de verleende BOPA in bezwaar en beroep gaan (zie ook het antwoord op eerder gestelde vragen hierboven).

  • Op welke termijn moet een BOPA in een omgevingsplan verwerkt worden? En welke stappen onderneemt u om met decentrale overheden hieraan te werken?

Antwoord:

Een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een voortdurende buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) moet in beginsel binnen vijf jaar in het omgevingsplan verwerkt worden.41 Deze verplichting geldt vanaf 1 januari 2032.42 Dit betekent dat BOPA’s die tot 1 januari 2027 zijn verleend en tevens onherroepelijk zijn, uiterlijk op 1 januari 2032 in het omgevingsplan verwerkt moeten zijn. Voor BOPA’s die vanaf 1 januari 2027 verleend en onherroepelijk worden geldt vervolgens dat zij binnen vijf jaar verwerkt moeten zijn in het omgevingsplan. Een BOPA uit 2028 zal dus in 2033 verwerkt moeten zijn in het omgevingsplan.43 Deze wettelijke verplichting is en wordt regelmatig onder de aandacht gebracht bij bevoegde gezagen. Het is ook onderwerp van gesprek in de verschillende trajecten (webinars, trainingen, werkplaatsen etc.) die vanuit de uitvoeringsondersteuning, in samenspraak met de koepels, georganiseerd wordt.

  • U schrijft dat uit «openbare data» blijkt dat «veel bevoegde gezagen» ondertussen participatiebeleid hebben opgesteld en verwijst daarbij naar de website www.overheid.nl.44 Als deze data zo eenvoudig te vinden zijn, zou u deze zelf voor de Kamerleden kunnen specificeren in kwantitatieve data, zodat beoordeeld kan worden of de motie-Nooren (PvdA) c.s., zoals u stelt, daadwerkelijk is uitgevoerd?45

Antwoord:

Er is uitvoering gegeven aan de motie Nooren c.s.46 via de verplichting tot het opstellen van participatiebeleid. Daarnaast is het opstellen van dergelijk participatiebeleid door bevoegde gezagen door mij en de bestuurlijke partners steevast aangemoedigd. Op basis van openbare data47 blijkt dat op dit moment circa 90% van de gemeenten beschikken over «beleid» op het gebied van participatie, in de vorm van visies, nota’s en verordeningen. Circa 6% van de gemeenten valt nog terug op een (oude) inspraakverordening. Tevens zijn verschillende gemeenten, mede met het oog op de Wet versterking participatie op decentraal niveau, bezig met het opstellen, herzien of verbreden van hun inspraak- en/of participatiebeleid. Van slechts 2% van de gemeenten is op basis van dezelfde openbare data op dit moment niet eenduidig te achterhalen of ze beschikken over participatiebeleid, dan wel hier op dit moment actief mee bezig zijn. Hiermee beschouw ik de motie Nooren c.s. als uitgevoerd.

Vragen van de leden van de fractie van BBB

  • Het kennisniveau over de volle breedte neemt toe. Dit vinden de leden van de fractie van de BBB positief. Toch constateert u dat de mogelijkheden en kansen die de (kern)instrumenten bieden nog niet overal ten volste worden benut. Wat is de impact van deze onderbenutting op de snelheid en betaalbaarheid van gebiedsontwikkelingen? Wat is de termijn waarop de Rijkspartijen, gemeenten, provincies en waterschappen de instrumenten wel ten volste benutten?

Antwoord:

Binnen de wettelijke vereisten is het aan de bevoegde gezagen om zelf te bepalen hoe en in welk tempo zij invulling geven aan hun implementatie opgaven. Los van de overgangsrechtelijke bepalingen is er daarmee geen eenduidige termijn te noemen waarop door alle partijen de mogelijkheden en kansen die de (kern)instrumenten bieden ten volste benut worden. Dit komt doordat alle partijen, zoals ik al eerder aan uw Kamer heb aangegeven, in wisselende tempo’s hun eigen veranderopgave (transitie) doormaken.48 Mogelijk is dit pas in 2032 het geval is, wanneer de laatste overgangsrechtelijke termijnen aflopen.

In lijn met de eerdere oproep van de Evaluatiecommissie Omgevingswet (hierna: EcO) aan alle bevoegde gezagen om met de mogelijkheden en kansen aan de slag te gaan49 breng ik dit continu onder de aandacht bij betrokken partijen en is dit onderdeel van de uitvoeringsondersteuning die ik, samen met de koepels, bied.50 Ik heb tot op dit moment geen signalen ontvangen dat het niet volledig benutten van de mogelijkheden en kansen impact heeft op de snelheid en betaalbaarheid van gebiedsontwikkelingen. In de jaarlijkse rapportages van de Monitor Werking Omgevingswet die u van mij ontvangt houd ik hier verder zicht op.

  • U schrijft dat het Omgevingsloket in technische zin goed werkt en het aantal vergunningaanvragen licht toeneemt.51 Echter, uit de cijfers blijkt dat het grootste aantal aanvragen voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) bij circa een kwart van de gemeenten terechtkomt, terwijl 94 bevoegde gezagen nog helemaal niet te maken hebben gehad met een BOPA.52 Wat betekent deze ongelijke verdeling van de complexere aanvragen voor de personele capaciteit en expertise in de uitvoering bij de gemeenten die de hoogste werkdruk ervaren?

Antwoord:

Dat het aantal aanvragen om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) niet gelijk verdeeld is over de bevoegde gezagen is op zich logisch. Net als onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn er immers gemeenten die groter van aard zijn, dan wel waar meer ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Aanvragen om een BOPA kennen daarnaast een grote reikwijdte. De complexiteit van BOPA’s onderling verschilt dan ook zeer. Het is dus niet gezegd dat een gemeente die relatief veel BOPA’s behandelt ook per definitie te maken heeft met veel complexe aanvragen die relatief veel tijd kosten. Daarnaast is het ook niet gezegd dat gemeenten die relatief weinig tot geen BOPA’s behandelen een minder hoge werkdruk ervaren. Het kan voorkomen dat deze gemeenten op andere vlakken en met andere (kern)instrumenten juist druk in de weer zijn.

  • U schrijft in uw brief dat u de motie-Moonen (D66) c.s. over het zichtbaar maken van concepten als uitgevoerd beschouwt, met als argument dat het ontsluiten van conceptregelingen zonder formele status tot te veel «vervuiling» zou leiden in het DSO-LV.53 Vindt u dat dit argument opweegt tegen het bevorderen van vroegtijdige en laagdrempelige participatie door burgers en initiatiefnemers, die nu zelf verantwoordelijk blijven voor de ontsluiting van deze plannen in de conceptfase?

Antwoord:

Over de wijze waarop ik uitvoering heb gegeven aan de motie Moonen c.s.54 heb ik uw Kamer meermaals geïnformeerd, waarbij ik uw Kamer ook steevast heb meegenomen in mijn beweegredenen. Het argument dat het ontsluiten van conceptregelingen zonder formele status tot te veel «vervuiling» leidt in het DSO-LV is daarbij slechts één van de argumenten. Een ander argument om het ontsluiten van conceptregelingen in het DSO-LV technisch niet te ondersteunen is de inperking van de bewuste keuzevrijheid van bevoegde gezagen bij het uitvoeren van participatie.55 Dit kan ook de gewenste laagdrempeligheid van participatie negatief beïnvloeden. Om conceptregelingen in het DSO-LV namelijk mogelijk te maken dienen deze te voldoen aan de voorgeschreven standaarden. Dit zorgt mogelijk voor te veel inperking en staat haaks op het uitgangspunt in de Omgevingswet dat de invulling van participatie bewust niet voorschrijft, maar vormvrij laat. De vorm, procedure en inhoud worden door de bevoegde gezagen zelf bepaald en zijn afhankelijk van het beleids-, plan- of projectvoornemen. Daarbij speelt ook mee dat er al voldoende alternatieve manieren zijn om in de «conceptfase» op een laagdrempelige manier de participatie vorm te geven. In overleg met de bestuurlijke partners is mede gelet op de voorgaande argumenten daarom geconcludeerd dat het ontsluiten van voornemens van conceptregelingen niet wenselijk c.q. noodzakelijk is.56

  • U meldt dat er gewerkt wordt aan specifieke landingspagina’s voor bedrijven, die begin 2026 in gebruik genomen moeten worden.57 Hierbij is aandacht voor brandveiligheid en bodemactiviteiten. Wordt binnen de door u genoemde werkgroepen specifiek aandacht besteed aan de uitdagingen van de agrarische sector en het MKB, zodat zij niet langer met generieke informatie maar met op maat gesneden regelgeving in het Omgevingsloket te maken krijgen?

Antwoord:

Het is in de doorontwikkeling van de landelijke voorziening DSO steeds zoeken naar een balans tussen het enerzijds generiek bedienen van zoveel mogelijk gebruikers en anderzijds het invullen van de vele specifieke gebruikerswensen voor specifieke doelgroepen. Ieder kwartaal wordt deze afweging opnieuw gemaakt binnen de afstemming tussen Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten. Om die wensen in beeld te brengen is er veelvuldig contact met gebruikers. Zo is binnen de werkgroepen Brandveilig gebruik en Bodemactiviteiten aandacht besteed aan de uitdagingen van de diverse MKB-sectoren die deze specifieke activiteiten uitvoeren.

Daartoe zijn ook specifieke sessies georganiseerd voor agrarisch makelaars en agrarisch adviesbureaus voor kennisuitwisseling en toelichting op/oefenen met het Omgevingsloket, met name het gebruik van de functionaliteit «Regels op de kaart». Hierbij zijn de uitdagingen, waar het de Omgevingswet en het -loket betreft besproken en, waar relevant, in het kader van de doorontwikkeling van het DSO meegenomen. Voor milieubelastende activiteiten (met meldplicht, informatieplicht of zorgplicht) is er ook de functionaliteit «maatregelen op maat», waar ondernemers op maat gesneden maatregelen en voorschriften bij de betreffende milieubelastende activiteiten kunnen vinden. In de ontwikkelaanpak streef ik zo met mijn bestuurlijke partners onverminderd naar het zoeken naar functionaliteiten die gebruikers van het omgevingsloket eenvoudiger laten zoeken en filteren op specifieke regelgeving rondom specifieke activiteiten in de fysieke leefomgeving die voor hem of haar relevant is. Via het Ontwikkelaarsportaal is voor eenieder de ontwikkeling van het DSO te volgen.58 Informatie over onderwerpen, waarover herhaaldelijk vragen en uitdagingen worden aangekaart, wordt op de website van het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) continue actueel gehouden en aangevuld.

  • Hoewel het aantal vragen dat het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) ontvangt is gedaald, wordt een toename van vragen verwacht rond de implementatie van de nieuwe STOP 1.4 en 1.5-standaarden. Zijn de toepasbareregel-experts van de groeiende DSO-community en de professionals uit het DSO-leertraject voldoende toegerust om deze verwachte piek in complexe technische en juridische vragen op te vangen, zonder dat de kwaliteit van de ondersteuning voor de lokale overheden daaronder lijdt?

Antwoord:

Ondanks de afname van het aantal vragen laten de cijfers zien dat betrokken partijen nog veel vragen stellen over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).59 Gezien de start, begin 2026, van de gefaseerde implementatie van de nieuwe STOP-standaarden is het aannemelijk dat het aantal DSO-gerelateerde vragen zal toenemen. Zowel het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) als Geonovum zijn voldoende uitgerust om deze toename in vragen binnen de afgesproken termijnen te kunnen beantwoorden. Daarnaast is er vanuit mijn ministerie en bij de verschillende koepels – waar ik nauw mee samenwerk – ook ondersteuning beschikbaar.

De toepasbareregel-experts en de DSO-professionals waar u in uw vraag naar refereert werken niet voor het IPLO. Ze zijn veelal werkzaam bij de verschillende bevoegde gezagen, zoals gemeenten, provincies en waterschappen of worden door deze organisaties ingehuurd. Via verschillende trajecten vanuit onder andere de uitvoeringsondersteuning worden zij opgeleid om binnen hun eigen organisatie aan de slag te kunnen. Bevoegde gezagen delen daarnaast hun expertise vaak onderling, worden daarin ondersteund door mijn ministerie de VNG en IPLO en expertise die inmiddels in de markt aanwezig is.

  • De invoeringstoets Omgevingswet, waarvan de resultaten in het eerste kwartaal van 2026 worden verwacht, is bedoeld om knelpunten vroegtijdig te signaleren. Wat is het plan van aanpak om deze vroegtijdige signalen onmiddellijk op te pakken en om te zetten in noodzakelijke correcties of aanpassingen in de regelgeving, zodat de wet in de praktijk uitpakt zoals beoogd, zonder te hoeven wachten op de wettelijke evaluatie na vijf jaar?

Antwoord:

De doelstelling van een invoeringstoets is vroegtijdig inzicht bieden in eventuele knelpunten en onbedoelde effecten en niet om te bepalen of de wet uitpakt zoals beoogd. De invoeringstoets biedt niet noodzakelijkerwijs een oplossing of aanbeveling voor eventueel gesignaleerde knelpunten en/of onbedoelde (ongewenste) effecten. Wel worden geconstateerde signalen geagendeerd op die plek waar opvolging gegeven kan worden aan de resultaten van de invoeringstoets. De invoeringstoets heeft daarmee een signalerende en agenderende functie. De wijze waarop eventuele knelpunten en/of onbedoelde effecten vervolgens daadwerkelijk worden opgepakt en opgelost valt buiten de reikwijdte van de invoeringstoets en is daarnaast ook afhankelijk van het specifieke knelpunt en/of onbedoelde effect dat gesignaleerd wordt. Door knelpunten en onbedoelde effecten nu al te signaleren en te agenderen hoeft met het zoeken naar eventuele oplossingen niet gewacht te worden op de wettelijke evaluatie na vijf jaar. Die langer durende evaluatie is wel nodig om duidelijk te krijgen hoe de Omgevingswet in de praktijk uitpakt en in hoeverre de wet zijn doelen bereikt.


X Noot
1

De letters GZ hebben alleen betrekking op 33 118.

X Noot
2

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Aerdts (D66), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kaljouw (VVD), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Van Meenen (D66), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Prins (CDA), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 2.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 6.

X Noot
6

Kamerstukken I 2019/20, 34 986, AA.

X Noot
7

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 4.

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, Bijlage 1: Cijfermatige stand van zaken uitvoering Omgevingswet tot en met Q3, p. 12.

X Noot
9

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, FB.

X Noot
10

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 6.

X Noot
11

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU.

X Noot
12

Kamerstukken I 2023/24, 33 118/34 986, GA, bijlage 1, p. 9.

X Noot
13

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GH, bijlage 1, p. 12 & Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, bijlage 1, p. 7.

X Noot
14

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GE, bijlage 1, p. 8.

X Noot
15

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 2.

X Noot
16

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, bijlage 1, p. 5 en 6.

X Noot
17

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GH, bijlage 1, p. 12 & Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, p. 13.

X Noot
18

Kamerstukken I 2023/24, 33 118/34 986, GD, bijlage 1, p. 6.

X Noot
19

Kamerstukken I 2019/20, 33 118/34 986, AF, bijlage 1.

X Noot
20

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GH, bijlage 1, p. 8.

X Noot
21

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, bijlage 1, p. 11.

X Noot
22

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, bijlage 1, p. 11 (grafiek linksboven).

X Noot
23

Kamerstukken I 2021/22, 33 118/34 986, DJ, Kamerstukken I 2021/22, 33 118/34 986, DN & Kamerstukken I 2021/22, 33 118/34 986, DV.

X Noot
24

Kamerstukken I 2023/24, 33 118/34 986, GA, bijlage 1, p. 9.

X Noot
25

Kamerstukken I 2023/24, 33 118/34 986, bijlage 1, p. 8.

X Noot
26

Kamerstukken I 2019/20, 33 118/34 986, AF, bijlage 1.

X Noot
27

Kamerstukken I 2019/20, 33 118/34 986, AF, bijlage 1, p. 27.

X Noot
28

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, bijlage 1 p. 8 (grafiek linksonder, oranje lijn) en p. 12 (grafiek linksonder, oranje lijn).

X Noot
29

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

X Noot
30

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

X Noot
31

Voormalig artikel 2.1, eerste lid, onder c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

X Noot
32

Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 2867, p. 3 (zie het antwoord op vraag 6).

X Noot
33

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GO.

X Noot
34

Artikel 16.62 Omgevingswet.

X Noot
35

Artikel 16.64, eerste lid en tweede lid Omgevingswet.

X Noot
36

Artikel 16.30 Omgevingswet.

X Noot
37

Artikel 3:18, eerste lid en tweede lid Algemene wet bestuursrecht.

X Noot
38

Artikel 4.2 Omgevingswet en artikel 8.0a, tweede lid Besluit kwaliteit leefomgeving.

X Noot
39

Artikel 16.64, derde lid Omgevingswet.

X Noot
40

Artikel 2, vierde lid en bijlage V van de Regeling standaarden Omgevingswet.

X Noot
41

Artikel 4.17 Omgevingswet.

X Noot
42

Artikel 22.5 Omgevingswet en het Besluit van 10 juli 2023 tot vaststelling van een aantal tijdstippen waarvan in de Omgevingswet en daarmee verband houdende wet- en regelgeving s aangegeven dat deze bij koninklijk besluit worden bepaald en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.8, onderdeel B, van de Invoeringswet Omgevingswet.

X Noot
43

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GJ, bijlage 1, p. 3 (voetnoot 4).

X Noot
44

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 6.

X Noot
45

Kamerstukken I 2019/20, 34 986, AA.

X Noot
46

Kamerstukken I 2019/20, 34 986, AA.

X Noot
48

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GJ, p. 2.

X Noot
49

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GJ, bijlage 3b, p. 23–24.

X Noot
50

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GJ, bijlage 2, p. 1.

X Noot
51

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 4.

X Noot
52

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, Bijlage 1: Cijfermatige stand van zaken uitvoering Omgevingswet tot en met Q3, p. 12.

X Noot
53

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, FB.

X Noot
54

Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, FB.

X Noot
55

Kamerstukken I 2023/24, 33 118/34 986, GD, bijlage 2, p. 11–12.

X Noot
56

Kamerstukken I 2023/24, 33 118/34 986, GD, bijlage 2, p. 11–12 & Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 7–8.

X Noot
57

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 6.

X Noot
59

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, bijlage 1, p. 20–21.


X Noot
1

De letters GZ hebben alleen betrekking op 33 118.

X Noot
2

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Aerdts (D66), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kaljouw (VVD), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Van Meenen (D66), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Prins (CDA), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 2.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 6.

X Noot
6

Kamerstukken I 2019/20, 34 986, AA.

X Noot
7

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 4.

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, Bijlage 1: Cijfermatige stand van zaken uitvoering Omgevingswet tot en met Q3, p. 12.

X Noot
9

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, FB.

X Noot
10

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 6.

X Noot
11

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU.

X Noot
12

Kamerstukken I 2023/24, 33 118/34 986, GA, bijlage 1, p. 9.

X Noot
13

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GH, bijlage 1, p. 12 & Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, bijlage 1, p. 7.

X Noot
14

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GE, bijlage 1, p. 8.

X Noot
15

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 2.

X Noot
16

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, bijlage 1, p. 5 en 6.

X Noot
17

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GH, bijlage 1, p. 12 & Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, p. 13.

X Noot
18

Kamerstukken I 2023/24, 33 118/34 986, GD, bijlage 1, p. 6.

X Noot
19

Kamerstukken I 2019/20, 33 118/34 986, AF, bijlage 1.

X Noot
20

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GH, bijlage 1, p. 8.

X Noot
21

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, bijlage 1, p. 11.

X Noot
22

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, bijlage 1, p. 11 (grafiek linksboven).

X Noot
23

Kamerstukken I 2021/22, 33 118/34 986, DJ, Kamerstukken I 2021/22, 33 118/34 986, DN & Kamerstukken I 2021/22, 33 118/34 986, DV.

X Noot
24

Kamerstukken I 2023/24, 33 118/34 986, GA, bijlage 1, p. 9.

X Noot
25

Kamerstukken I 2023/24, 33 118/34 986, bijlage 1, p. 8.

X Noot
26

Kamerstukken I 2019/20, 33 118/34 986, AF, bijlage 1.

X Noot
27

Kamerstukken I 2019/20, 33 118/34 986, AF, bijlage 1, p. 27.

X Noot
28

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, bijlage 1 p. 8 (grafiek linksonder, oranje lijn) en p. 12 (grafiek linksonder, oranje lijn).

X Noot
29

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

X Noot
30

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

X Noot
31

Voormalig artikel 2.1, eerste lid, onder c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

X Noot
32

Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 2867, p. 3 (zie het antwoord op vraag 6).

X Noot
33

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GO.

X Noot
34

Artikel 16.62 Omgevingswet.

X Noot
35

Artikel 16.64, eerste lid en tweede lid Omgevingswet.

X Noot
36

Artikel 16.30 Omgevingswet.

X Noot
37

Artikel 3:18, eerste lid en tweede lid Algemene wet bestuursrecht.

X Noot
38

Artikel 4.2 Omgevingswet en artikel 8.0a, tweede lid Besluit kwaliteit leefomgeving.

X Noot
39

Artikel 16.64, derde lid Omgevingswet.

X Noot
40

Artikel 2, vierde lid en bijlage V van de Regeling standaarden Omgevingswet.

X Noot
41

Artikel 4.17 Omgevingswet.

X Noot
42

Artikel 22.5 Omgevingswet en het Besluit van 10 juli 2023 tot vaststelling van een aantal tijdstippen waarvan in de Omgevingswet en daarmee verband houdende wet- en regelgeving s aangegeven dat deze bij koninklijk besluit worden bepaald en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.8, onderdeel B, van de Invoeringswet Omgevingswet.

X Noot
43

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GJ, bijlage 1, p. 3 (voetnoot 4).

X Noot
44

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 6.

X Noot
45

Kamerstukken I 2019/20, 34 986, AA.

X Noot
46

Kamerstukken I 2019/20, 34 986, AA.

X Noot
48

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GJ, p. 2.

X Noot
49

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GJ, bijlage 3b, p. 23–24.

X Noot
50

Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GJ, bijlage 2, p. 1.

X Noot
51

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 4.

X Noot
52

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, Bijlage 1: Cijfermatige stand van zaken uitvoering Omgevingswet tot en met Q3, p. 12.

X Noot
53

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, FB.

X Noot
54

Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, FB.

X Noot
55

Kamerstukken I 2023/24, 33 118/34 986, GD, bijlage 2, p. 11–12.

X Noot
56

Kamerstukken I 2023/24, 33 118/34 986, GD, bijlage 2, p. 11–12 & Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 7–8.

X Noot
57

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 6.

X Noot
59

Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, bijlage 1, p. 20–21.

Naar boven