33 062 Wijziging van diverse wetten in verband met de invoering van de verplichting voor bepaalde instanties waar professionals werken en voor bepaalde zelfstandige professionals om te beschikken over een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling en de kennis en het gebruik daarvan te bevorderen, onderscheidenlijk die meldcode te hanteren (verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Nr. 8 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 9 oktober 2012

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Er wordt een hoofdstuk toegevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 1A. IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL

ARTIKEL IA

In de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers wordt na artikel 9 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a

1. Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

2. Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

3. Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

4. Het bestuur bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

B

In hoofdstuk 1. Veiligheid en Justitie, artikel I, artikel II, artikel III, hoofdstuk 2. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, artikel IV, artikel V, onderdeel B, artikel VI, artikel VII, artikel VIII, artikel IX, hoofdstuk 3. Sociale Zaken en Werkgelegenheid, artikel X, onderdeel A en onderdeel B, hoofdstuk 4. Volksgezondheid, Welzijn en Sport, artikel XI, onderdeel A, artikel XIII, onderdeel A, artikel XIV, onderdeel A, en artikel XV wordt telkens «onderdeel j» vervangen door: onderdeel k.

C

Hoofdstuk 2. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt als volgt gewijzigd:

Artikel V, onderdeel D, komt te luiden:

D

Aan artikel 1.4a.1 wordt een tiende lid toegevoegd, luidende:

10. Artikel 1.3.9 is van overeenkomstige toepassing op instellingen als bedoeld in het eerste lid.

D

Hoofdstuk 4. Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt als volgt gewijzigd:

a. Artikel XII wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel A, onder 1, worden de onderdelen j tot en met n verletterd tot k tot en met o.

2. In onderdeel C wordt «§ 8a. Steunpunt huiselijk geweld» vervangen door: § 8b. Steunpunt huiselijk geweld en worden de artikelen 21a tot en met 21i vernummerd tot de artikelen 21c tot en met 21k.

b. Artikel XIV wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel B en onderdeel C wordt telkens «onder l» vervangen door: onder m.

2. Onderdeel D komt als volgt te luiden:

D

Na artikel 13 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 13a

1. De stichting vergewist zich ervan dat de wijze waarop de medewerkers van de stichting in het verleden hebben gefunctioneerd, niet in de weg staat aan het inzetten van de medewerkers bij de uitvoering van de taken van de stichting.

2. De stichting is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor de medewerkers van de stichting die in opdracht van hem beroepsmatig in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders, welke verklaring niet eerder dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de stichting ging werken, is afgegeven.

3. Indien de stichting of inspectie redelijkerwijs mag vermoeden dat een medewerker niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring als bedoeld in het tweede lid, verlangt de stichting of inspectie dat die medewerker opnieuw een verklaring als bedoeld in het tweede lid overlegt, die niet ouder is dan drie maanden. De desbetreffende medewerker legt de verklaring over binnen een door de stichting of inspectie vast te stellen termijn.

Artikel 13b

1. De stichting stelt voor de medewerkers van de stichting een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

2. De stichting bevordert de kennis en het gebruik van die meldcode.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

3. Onder verlettering van onderdeel E tot F wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

E

In artikel 25 worden, onder vernummering van het tweede en derde lid tot vijfde en zesde lid, drie leden ingevoegd, luidende:

2. De zorgaanbieder vergewist zich ervan dat de wijze waarop zorgverleners die zorg verlenen aan zijn cliënten in het verleden hebben gefunctioneerd, niet in de weg staat aan het inzetten van de zorgverleners bij het verlenen van zorg.

3. De zorgaanbieder is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor de personen die hij jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat doet verlenen en voor andere personen die in opdracht van de zorgaanbieder beroepsmatig in contact kunnen komen met zijn cliënten, welke verklaring niet eerder dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de zorgaanbieder ging werken, is afgegeven.

4. Indien de zorgaanbieder of de inspectie redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring als bedoeld in het derde lid, verlangt de zorgaanbieder of de inspectie dat die persoon opnieuw een verklaring als bedoeld in het derde lid overlegt, die niet ouder is dan drie maanden. De desbetreffende persoon legt de verklaring over binnen een door de zorgaanbieder of de inspectie vast te stellen termijn.

E

Hoofdstuk 5. Samenloop met andere wetten wordt als volgt gewijzigd:

In artikel XVII, onderdeel B, wordt in artikel 9a, eerste lid, «wordt aangegeven hoe degenen die werkzaam zijn» vervangen door: wordt aangegeven hoe door degenen die werkzaam zijn.

Toelichting

Onderdeel A

De leden van de PvdA-, SP- en Christen Unie-fractie hebben in het verslag over onderhavig wetsvoorstel gevraagd om de meldcode ook te verplichten voor medewerkers van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Deze medewerkers zijn immers professionals die jonge vluchtelingenkinderen en de ouders regelmatig zien en zo eventueel huiselijk geweld en kindermishandeling vroegtijdig kunnen signaleren. Een meldcode kan de medewerkers ondersteunen om adequaat te reageren op deze signalen. Het COA is verantwoordelijk voor de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. Voorgesteld wordt om de verplichtingen inzake een meldcode op te leggen aan het bestuur van het COA. Deze wijziging is afgestemd met Onze Minister van Immigratie, Integratie en Asiel.

Onderdelen C en D

In deze onderdelen wordt voorzien in een aantal technische aanpassingen in verband met op grond van andere wetgeving doorgevoerde wijzigingen.

In onderdeel C gaat het om de toevoeging van een tiende lid aan artikel 1.4a.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, aangezien bij de wet van 24 november 2011 tot wijziging van de Leerplichtwet 1969, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op het onderwijstoezicht en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met onder meer het toevoegen van niet-bekostigd onderwijs aan de systematiek van het persoonsgebonden nummer en het basisregister onderwijs (Stb. 2011, 621) al een achtste en negende lid aan artikel 1.4a.1 is toegevoegd.

Met onderdeel D wordt artikel XII op twee punten aangepast. De verlettering van de onderdelen j tot en met n in onderdeel A, onder 1, is nodig omdat de wet van 7 november 2011 tot wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enkele andere wetten, in verband met de instelling van het zelfstandig bestuursorgaan CAK (Stb. 2011, 561) een artikel 1, eerste lid, onderdeel j, in de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft geïntroduceerd.

De tweede wijziging hangt samen met het feit dat de Wet kwaliteit en basistarieven huishoudelijke verzorging (Stb. 2012, 226) al een § 8a (Huishoudelijke verzorging) met de artikelen 21a en 21b in de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft ingevoerd.

Onderdeel D kent naast bovenvermelde wetstechnische aanpassingen ook nog een inhoudelijke component. Bureaus jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders worden verplicht om voor personen die in hun opdracht beroepsmatig in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders een verklaring omtrent gedrag (VOG) te hebben. Daarnaast moeten bureaus jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders zich er in bredere zin van vergewissen of personen die in hun opdracht beroepsmatig in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders, geschikt zijn voor hun werk. Dit kan zowel op zorginhoudelijke of communicatieve aspecten betrekking hebben, als op voorvallen in het verleden die iemand bijvoorbeeld minder geschikt maken om goede jeugdzorg te verlenen.

De eis dat de zorgaanbieder een verklaring omtrent het gedrag moet verlangen, zal aldus in combinatie met de bredere vergewisplicht een bijdrage leveren aan het voorkomen van onveilige situaties of slechte jeugdzorg.

De VOG-verplichting geldt voor alle medewerkers, ongeacht of deze in dienstverband dan wel op een andere grondslag hun werkzaamheden voor een bureau jeugdzorg/zorgaanbieder verrichten. De verplichting strekt zich dus ook uit over eventuele derden die door zorgaanbieders worden ingeschakeld.

De bepalingen zien niet op stagemedewerkers en vrijwilligers. Een VOG heeft in het geval van stagemedewerkers geen toegevoegde waarde, want zij staan onder intensieve begeleiding van een professionele zorgverlener, die wel over een VOG moet beschikken. De mate waarin verschillende vrijwilligers (zelfstandig) in contact staan met jeugdigen varieert. De beoordeling of bepaalde vrijwilligers een VOG moeten overhandigen laten wij daarom aan de werkgevers.

De VOG dient vóór aanvang van de werkzaamheden in het bezit te zijn van een bureau jeugdzorg/zorgaanbieder. De VOG mag op het moment dat de betrokkene gaat werken niet ouder zijn dan drie maanden. Bureaus jeugdzorg/zorgaanbieders zullen kandidaat-medewerkers moeten vragen een VOG over te leggen. De VOG wordt vervolgens betrokken bij de keuze tot het aangaan van een relatie met betrokkene. Bureaus jeugdzorg/zorgaanbieders weten dus, voor zij iemand in dienst nemen, of er justitiële antecedenten zijn die aanleiding geven deze persoon niet in dienst te nemen. Bureaus jeugdzorg/zorgaanbieders zullen de verklaring in hun administratie moeten opnemen, teneinde ook toezicht op de naleving mogelijk te maken.

Regeldruk

De verplichting voor het COA om te beschikken over een meldcode levert administratieve lasten op voor het opstellen van een meldcode, ontwikkeling van materialen en trainingen en het volgen van trainingen. Het betreft in 2012 ongeveer € 200 000 en in 2013 ongeveer € 180 000. Indien vanaf 2014 jaarlijks een kwart van de medewerkers wordt (bij)geschoold (inclusief nieuwe medewerkers), zijn de structurele kosten ongeveer € 70 000 per jaar. VWS zal deze kosten in het Kader Nalevingskosten compenseren.

De verplichte VOG in de Jeugdzorg wordt aangevraagd voor zowel nieuw als zittend personeel. Werkgevers in de sector Jeugdzorg hebben met elkaar afgesproken dat al hun medewerkers een VOG over moeten leggen. Jeugdzorg Nederland gaat er daarom vanuit dat voor al het zittend personeel reeds een VOG is aangevraagd. De administratieve lasten beperken zich dus tot jaarlijks circa 3 500 VOG’s voor nieuw personeel à € 30,05. Het Rijk biedt geen compensatie voor de kosten van de VOG. De kosten van een VOG komen voor rekening van de werknemer. Werkgevers kunnen zelf bepalen of ze deze kosten vergoeden.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M. L. L. E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner

Naar boven