Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 februari 2014
Ik informeer u met deze brief over de stand van zaken rond enkele toezeggingen die
ik vorig jaar gedaan heb aan de vaste commissie voor Economische Zaken over het mestbeleid.
Fosfaatoverschot
Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel invoering mestverwerkingsplicht op 24 september
2013 (Handelingen II 2013/14, nr. 4) heb ik u toegezegd dat ik zal bekijken of in
de jaarlijkse monitoring van de mestmarkt door de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet
(CDM) kan worden aangegeven op welke wijze het fosfaatoverschot verwerkt is, hoe het
terecht is gekomen en welk deel is geëxporteerd.
Met de CDM vindt op dit moment overleg plaats over een herziening van het protocol
monitoring mestmarkt, dat de basis vormt voor de wijze waarop de jaarlijkse monitoring
van de mestmarkt wordt opgesteld. De herziening van het protocol heeft tot doel de
monitoring van de mestmarkt zo vorm te geven dat de CDM op basis van de resultaten
mij kan adviseren over de verplichte mestverwerkingsperentages die nodig zijn om het
nationale mestoverschot te verwerken. Het protocol zal er ook in voorzien dat de gevraagde
gegevens over de wijze waarop het fosfaatoverschot verwerkt is, hoe het terecht is
gekomen en welk deel is geëxporteerd, meegenomen zal worden in de monitoringsrapportage.
Pilot mineralenconcentraat
De vaste commissie heeft mij verzocht de stand van zaken te geven van de motie Snijder-Hazelhoff
en Koopmans (Kamerstuk 33 000 XIII nr. 174) om de Europese Commissie te bewegen een permanente erkenning voor mineralenconcentraat
als kunstmestvervanger af te geven. Tevens heeft de vaste commissie gevraagd om een
stand van zaken van de motie Leegte (Kamerstuk 30 872 nr. 100) over een loket-regisseur.
Over de motie Leegte zult u binnenkort door de staatssecretaris van Infrastructuur
en Milieu in een aparte brief worden geïnformeerd.
Met betrekking tot de motie Snijder-Hazelhoff en Koopmans heb ik uw Kamer gemeld dat
ik streef naar een permanente voorziening door Europese erkenning van het mineralenconcentraat
als kunstmest op grond van de Verordening 2003/2003 (de meststoffenverordening). De
Europese Commissie heeft aangegeven dat een eerste voorstel tot herziening van deze
verordening aan het einde van 2014 te verwachten is, waarna het voorstel het besluitvormingsproces
in kan gaan. Dit traject duurt enkele jaren waarbij de Europese Commissie en een gekwalificeerde
meerderheid van lidstaten moet instemmen.
Het is om die reden dat ik een eerste stap wil maken via een derogatie binnen het
vijfde actieprogramma inzake de Nitraatrichtlijn waarin het beleid is vastgelegd voor
de periode 2014–2017. Over dit proces wordt u op een geëigend moment nader geïnformeerd.
Conform mijn eerdere toezegging heb ik de pilot mineralen-concentraat verlengd tot
31 december 2014
Tenslotte kan ik melden dat gedurende 2013 twee deelnemers aan de pilot mineralenconcentraat
zijn teruggetreden. In plaats hiervan zijn twee nieuwe deelnemers toegetreden tot
de pilot, zodat de onderzoeksontheffing van 10 bedrijven zo ruim mogelijk wordt benut.
Deze nieuwe bedrijven hadden zich bij de openstelling in 2012 reeds gemeld, en voldoen
aan alle criteria om toe te treden.
Aanwendvoorschriften
In een brief van 11 oktober 2012 (Kamerstuk 33 037, nr. 32) heb ik uw Kamer gemeld dat de voorschriften voor aanwenden van drijfmest op gras-
en bouwland in 2014 in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof zullen worden
aangescherpt. Naar aanleiding van die brief is met betrokken organisaties overleg
gevoerd over alternatieven voor de voorstellen voor grasland. Dat overleg is recent
afgerond. Aanpassing van het betreffende besluit wordt thans voorbereid. Gezien de
procedure die daarvoor moet worden doorlopen zal de beoogde aanpassing echter niet
meer binnen de toegelaten aanwendperiode van 2014 van kracht worden.
Evaluatie Agrarisch Waterbeheer
In mijn beantwoording van vragen uit een schriftelijk overleg over het vijfde actieprogramma
Nitraatrichtlijn (Kamerstuk 33 037, nr. 67) heb ik uw Kamer toegezegd, het rendement van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer
in 2015 te zullen evalueren, en voorafgaand daaraan nader te berichten over de evaluatiecriteria.
Deze toezegging kwam voort uit de verwachting die ik toen had, dat het Deltaplan Agrarisch
Waterbeheer een alternatief zou kunnen bieden voor het generiek verlagen van de fosfaatgebruiksnormen.
Zoals ik uw Kamer later gemeld heb (Kamerstuk 33 037, nr. 74), was het Deltaplan nog onvoldoende concreet om op voorhand als alternatief te kunnen
dienen. Een evaluatie in 2015 is daarom niet meer aan de orde. Wel zouden uit het
Deltaplan zogenaamde equivalente maatregelen kunnen voortkomen, die te zijner tijd
in aanmerking kunnen komen voor een vrijstelling van generieke normverlagingen.
Ook kunnen maatregelen uit het Deltaplan onder het POP3 in aanmerking komen voor financiering.
Tenslotte wil ik benadrukken dat het van onverminderd groot belang is dat de landbouwsector
en de waterbeheerders met elkaar in gesprek blijven en tot maatregelen komen die bijdragen
aan doelrealisatie onder de Nitraatichtlijn en de Kaderrichtlijn Water.
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
S.A.M. Dijksma