Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202033033 nr. 25

33 033 Wapen- en munitiebezit

Nr. 25 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 december 2019

In het begrotingsdebat van 21 november jl. (Handelingen II 2019/20, nr. 27, Begroting Justitie en Veiligheid 2020) heb ik uw Kamer toegezegd vóór het geplande Algemeen Overleg Politie van 19 december a.s. een brief te sturen over enkele kwesties betreffende de e-screener (onderdeel van het proces tot verlening, weigering of intrekking van het wapenverlof). Deze toezegging doe ik met deze brief gestand. Tevens doe ik verslag van het eveneens door mij aan uw Kamer toegezegde overleg1 dat ik op 11 december jl. met de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) en de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie heb gevoerd.

De vraag of ik achter de werking van het instrument van de e-screener sta kan ik bevestigend beantwoorden. Zoals ik reeds in mijn brief van 29 oktober jl.2, en eerder nog in mijn brief van 7 oktober jl.3 aan uw Kamer geschreven heb, wordt de werking van de e-screener tussentijds gemonitord en geëvalueerd. Uit de eerste door TNO uitgevoerde analyse van ongeveer 1200 afgelegde tests is gebleken dat het instrument doet wat het zou moeten doen, wat niet weg neemt dat het instrument nog op punten kan worden aangepast en daarmee de toepassing kan worden herzien. Ik hecht eraan andermaal te benadrukken dat de e-screenertest slechts één van de vereisten van het verlofverleningsproces betreft en in samenhang met andere feiten en omstandigheden, zoals een antecedentenonderzoek en een referentencontrole en tussentijdse huiscontroles, moet worden bezien.

Gevraagd is voorts of bij een negatieve e-screeneruitslag voor de aanvrager van een wapenverlof contra-expertise aangevoerd kan worden. Dat is uiteraard het geval. Deze mogelijkheid past binnen de zorgvuldigheidsvereisten van de Algemene wet bestuursrecht, waaraan elk bestuursorgaan, dus ook de korpschef bij dit vergunningverleningsproces gebonden is.

De vraag of de vuurwapenrichtlijn ook geacht wordt volledig geïmplementeerd te zijn door het WM-32 formulier als (tijdelijk) alternatief voor de e-screener aan te wijzen, is eveneens positief te beantwoorden. Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PbEU 2017, L 137/22) verplicht de lidstaten tot een screening van aanvragers van een wapenverlof. Besloten is deze verplichting vorm te geven middels de invoering van de Wet tot versterking van het stelsel ter beheersing van het legaal wapenbezit (Stb. 2017, nr. 242), welke tot stand is gekomen naar aanleiding van het schietincident in Alphen aan den Rijn.

Het nieuwe artikel 6a van de Wet wapens en munitie bepaalt dat een vergunning voor het bezit van een wapen slechts mag worden verleend als de aanvrager heeft meegewerkt aan een door mij aangewezen onderzoek op grond waarvan kan worden beoordeeld of er een verhoogde kans is dat moet worden gevreesd dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd. De e-screener is een van de manieren waarop aan deze informatie gekomen kan worden. Er zijn ook andere mogelijkheden om de betreffende informatie te verkrijgen, zoals het WM-32 formulier. De vragen op deze lijst zijn echter minder in aantal en ook minder gedetailleerd dan de e-screener. Daardoor is de weging van riscofactoren grofmaziger, maar ook inzichtelijker voor de aanvrager. Ik onderzoek de mogelijkheid om het aantal vragen op het formulier uit te breiden, zodat een gedetailleerder beeld verkregen kan worden. De EU-richtlijn stelt geen kwalitatieve eisen aan het onderzoek. Uitgangspunt van de Europese regelgeving is dat de lidstaten een inhoudelijke controle verrichten op grond waarvan kan worden beoordeeld of de aanvrager geen gevaar voor zichzelf of anderen, de openbare orde of de openbare veiligheid zal vormen.

Op 11 december heb ik overleg gevoerd met de KNJV en KNSA. Tijdens dit overleg hebben wij onder meer gesproken over een door de KNJV en KNSA aangekondigd kort geding waarin onder andere de opschorting van de toepassing van de e-screener, ook voor nieuwe aanvragers, als ook enkele andere zaken gevorderd worden. Tevens is gesproken over de afhandeling van reeds lopende verlofaanvragen, de bejegening door de politie en de wetenschappelijke onderbouwing van de e-screenertest. Afgesproken is dat aanvragers die reeds over een verlof of jachtakte beschikten, maar wier aanvraag is geweigerd op grond van de e-screeneruitslag, in lijn met de door mij aan de politie gegeven instructie, versneld afgehandeld worden. Dit kan resulteren in teruggave van wapens of alsnog een beschikking tot weigering van de aanvraag. Een deel van het ongenoegen bij verlof- en jachtaktehouders is terug te voeren op tekortkomingen in de communicatie. Ik trek mij dat aan. Afgesproken is dat alle betrokken partijen zich inspannen om daar verbetering in te brengen.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Kamerstuk 33 033, nr. 24

X Noot
2

Zie voetnoot 1

X Noot
3

Kamerstuk 33 033, nr. 23