Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232852 nr. 2

32 852 Grondstoffenvoorzieningszekerheid

Nr. 2 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 12 januari 2012

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de ministers van Buitenlandse Zaken en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en aan de staatssecretarissen van Infrastructuur en Milieu en van Buitenlandse Zaken over de brief van 15 juli 2011 de grondstoffennotitie (Kamerstuk 32 852, nr. 1).

De ministers en de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu hebben deze vragen beantwoord bij brief van 10 januari 2012. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Albayrak

De griffier van de commissie, Van Toor

1

Welke grondstoffen worden door Nederland het meest geïmporteerd en geëxporteerd? Welke landen zijn hierbij de grootste afnemers en leveranciers?

Abiotische grondstoffen komen voornamelijk als onderdeel van halffabricaten en eindproducten onze grenzen binnen. Het is niet altijd goed mogelijk om het land van herkomst te bepalen, omdat de internationale goederenstromen de afgelopen decennia steeds complexer zijn geworden en handelsstatistieken vervuild zijn met doorvoer. Officiële handelsstatistieken geven een betrouwbaar beeld van waar de directe importstromen vandaan komen, maar niet van welke landen daarachter liggen. De komende jaren zal het CBS op structurele wijze de materiaalstromen in de Nederlandse economie monitoren om de economische afhankelijkheid maar ook recyclingkansen in kaart te brengen. Hierbij zal ook zo goed mogelijk worden bekeken uit welke regio’s van de wereld de materiaalstromen vooral komen.

Zoals in de grondstoffennotitie uiteengezet is een aantal productgroepen in de Nederlandse industrie afhankelijk van de invoer – meestal via halffabricaten – van abiotische grondstoffen, waaronder elektronische machines en elektronica en medisch, precisie- en optisch gereedschap. Voor de eerste groep komen de halffabricaten vooral uit China, Duitsland, VS, Japan en een aantal andere Europese landen. Voor de tweede groep zijn de VS, Duitsland, Japan, Frankrijk en Ierland de belangrijkste leveranciers. Een belangrijk deel van deze productgroepen valt onder de door de regering aangewezen topsectoren. Het zijn veelal kennisintensieve bedrijven die producten maken die goed internationaal verhandelbaar zijn en daarom belangrijk zijn voor de Nederlandse concurrentiekracht.

Nederland heeft zelf geen grote mijnbouwsector. Alleen op het gebied van aluminium speelt Nederland een rol van enige betekenis als 5e exporteur van de EU, en neemt daarmee 1% van de wereldproductie voor haar rekening. Voor het belang van grondstoffen voor Nederland moet echter niet alleen gekeken worden naar productie. Nederland is tevens een belangrijke investeerder en heeft een groot aandeel in de doorvoer van grondstoffen vanwege de havens. Ook die doorvoer is van belang voor de Nederlandse concurrentiepositie omdat hij gemiddeld 10% waarde toevoegt.

Nederland is een belangrijke exporteur van landbouwgoederen (de tweede na de Verenigde Staten). Om dit mogelijk te maken speelt handel in biotische grondstoffen een belangrijke rol. Dit wordt hier nader toegelicht aan de hand van 4 belangrijke grondstoffen: cacao, sojabonen, palmolie en hout.

In het cacaojaar 2009/2010 verwerkte Nederland 470 000 ton cacaobonen, op een Europees totaal van 1 499 000 ton verwerktmondiaal totaal van 3 659 000 ton. Nederland heeft op wereldschaal een aandeel van 13% in de verwerking van cacaobonen. De daadwerkelijke invoer voor Nederland ligt echter hoger doordat er ook doorvoer plaatsvindt. De door Nederland geïmporteerde cacaobonen komen voornamelijk uit West-Afrikaanse landen. De Nederlandse industrie exporteerde ter waarde van ruim 2,1 miljard euro; hoofdzakelijk chocolade en andere cacaoproducten.2

In 2010 bedroeg de wereldproductie van sojabonen 262 miljoen ton, met als grootste producenten de Verenigde Staten (90,6 miljoen ton) en Brazilië met 68,7 miljoen ton. Deze sojabonen kunnen in ruwe vorm worden verhandeld, maar ook in het land van herkomst verwerkt worden («crush») tot hoofdzakelijk sojaschroot en sojaolie. De belangrijkste invoerlanden zijn China voor sojabonen en sojaschroot (resp. 54,7 miljoen ton en 39,7 miljoen ton) en India voor sojaolie (1,6 miljoen ton). Nederland importeerde in 2010 resp. 3,4 miljoen ton sojabonen, 5,8 miljoen ton sojaschroot en 0.08 miljoen ton sojaolie met grosso modo Brazilië als belangrijkste handelspartner. WUR-onderzoek in 2010 naar het sojaverbruik in Nederland heeft opgeleverd dat in Nederland zelf bijna 2 miljoen ton «sojaproduct» wordt verwerkt, waarvan ca. 1,8 miljoen ton in de veevoeding en ca. 0,13 miljoen ton voor humaan en technisch gebruik. Van de totale productie aan melk, vlees en eieren in Nederland wordt ca. 2/3 deel weer uitgevoerd, zodat netto voor het binnenlands verbruik ca. 550 000 ton sojaproduct nodig is.

De wereldproductie van palmolie bedroeg 45,9 miljoen ton in 2010 met Indonesië (22,2 miljoen ton)en Maleisië (17,0 miljoen) als belangrijkste producentlanden. Palmolie, maar ook palmpitolie wordt in ruwe vorm, of na bewerking verhandeld. Nederland importeerde in 2010 1,7 miljoen ton ruwe palmolie, waarvan 0,9 miljoen ton uit Maleisië en 0,7 miljoen ton uit Indonesië en 0,2 miljoen bewerkt. De uitvoer van ruwe palmolie was 0,1 miljoen ton en bewerkt (of na bewerking in Nederland) 1.1 miljoen ton.

Voor binnenlandse humane consumptie staat palmolie – met afstand – op de eerste plaats, gevolgd door raap- of koolzaadolie. De totale waarde van invoer van alle Margarine, Vetten en Oliën-producten bedroeg in 2010 € 4,7 miljard en van de uitvoer € 3,8 miljard. De uitvoer van MVO-producten gaat hoofdzakelijk naar de EU (92,3%) met Duitsland als verreweg de belangrijkste afzetmarkt.3

Nederland voerde over de periode 2007–2009 gemiddeld ca. 1.1 miljoen kubieke meter hout (rond hout equivalenten) en houtproducten in. Dit vertegenwoordigt een waarde van ca. 0.7 miljard US Dollar. Daarvan komt ca. 63% uit andere EU landen. Van de overige 37% komt het merendeel uit Maleisië, Indonesië, Brazilië, China, Rusland en Canada. Nederland is een belangrijk doorvoerland voor met name tropisch hout. Bijvoorbeeld 30% van het Maleisische hout en 22% van het Indonesische hout bestemd voor de EU komt binnen via Nederland.4

2

Met de voorziening van welke belangrijke grondstoffen verwacht u de komende jaren (beginnende) problemen?

Schaarste betekent dat de vraag fundamenteel (of over een langere termijn) groter is dan het aanbod. Hieronder wordt ingegaan op zowel metalen en mineralen (abiotisch) als groene grondstoffen (biotisch).

Ten aanzien van de abiotische grondstoffen is de problematiek complexer dan bij biotische grondstoffen, omdat deze grondstoffen door de Nederlandse en EU economie veelal niet direct worden betrokken, maar in de vorm van halffabricaten. Voor metalen en mineralen geldt dat er op korte termijn geen sprake zal zijn van fysieke schaarste of wel feitelijke geologische uitputting. Doordat ten aanzien van sommige metalen en mineralen (bijvoorbeeld zeldzame aardmetalen) er echter geen sprake is van vrijhandel kan er wel sprake zijn van economische schaarste, die kan leiden tot problemen in bijvoorbeeld de high tech industrie. Deze markten kenmerken zich door non-transparantie en monopolievorming. Dit wordt versterkt door de steeds verder oprukkende verticale ketenintegratie door (staats)bedrijven uit de opkomende economieën. Daarbij kan staatsinterventie ook leiden tot marktverstoringen, bijvoorbeeld door exportrestricties of onteigening van mijnen. Ook zijn voor sommige metalen en mineralen maar enkele bronnen voorhanden (bijvoorbeeld Lithium – Bolivia).

Grondstoffenvoorzieningszekerheid wordt in toenemende mate als geopolitiek probleem ervaren. Grondstof importerende landen proberen hun voorzieningszekerheid te vergroten door grondstofverbruik te verminderen of efficiënter te maken (Japan), eigen productie te stimuleren, proactief grondstoffen te verwerven in het buitenland o.a. via partnerschappen (Duitsland, China, Japan, Brazilië), voorraadvorming (Z-Korea), multilaterale samenwerking (o.a. via WTO geschillenbeslechting). Het is bekend dat China bij zijn grondstoffenstrategie een horizon van decennia aanhoudt.

Gezien de toenemende vraag door de bevolkingsgroei en additionele consumptie in opkomende markten, en gezien de staatsbemoeienis zal toenemende economische schaarste op middellange termijn van een aantal abiotische grondstoffen mogelijk zijn. Dit kan prijsopdrijvende effecten hebben, ook voor de halffabricaten die voor de Nederlandse industrie belangrijk zijn.

De Europese Unie heeft in juni 2010 vastgesteld dat 14 mineralen en metalen voor de Europese economie kritiek zijn, binnen een grotere groep van 41 metalen en mineralen die voor de EU belangrijk zijn. De Nederlandse regering houdt dezelfde lijst met kritieke metalen en mineralen aan, waaronder zeldzame aardmetalen, platina en indium en heeft deze aangevuld met fosfaat, goud en tin. Fosfaat, omdat er zonder geen biologisch leven mogelijk is, en Nederland de benodigde recyclingkennis in huis heeft en kan exporteren. Goud vanwege haar belangrijke toepassing in ICT en tin vanwege de belangrijke rol in de staalproductie.

In samenwerking met de Topsectoren zal de komende jaren nauwgezet worden bekeken of de risico’s rond de grondstoffenvoorziening van voor het Nederlandse bedrijfsleven belangrijke grondstoffen veranderen en wat hierbij prioritaire metalen en mineralen zijn. Hiervoor ligt de eerste verantwoordelijkheid bij de bedrijven zelf om hun eigen grondstoffenvoorziening zeker te stellen. Specifiek voor metalen en mineralen zal het kabinet het bedrijfsleven ondersteunen onder andere via het stimuleren van recycling en economische diplomatie (zie voor meer informatie over economische diplomatie vraag 178). Hierbij zal ook zo goed mogelijk bekeken worden uit welke regio’s van de wereld de grondstoffenstromen met name komen en of dit traditionele bondgenoten zijn van Nederland.

Ten aanzien van biotische grondstoffen verwacht ik met name problemen als gevolg van een gebrek aan duurzaamheid. Deze spitsen zich toe op grondstoffen als hout, palmolie, soja en cacao. Voor de topsector Tuinbouw en uitgangsmateriaal is daarnaast de beschikbaarheid van veen een potentieel probleem. Door de toenemende bevolkingsdruk door de verwachte verdere groei van de wereldbevolking, in combinatie met de toenemende welvaart in met name landen als India en China neemt op langere termijn de vraag naar groene grondstoffen toe, niet alleen voor humane voeding maar bijvoorbeeld ook voor diverse technische toepassingen, zoals vezels voor kleding en diervoeders. Daarnaast wordt een groeiende afzet verwacht in de westerse landen van groene grondstoffen als biomassa voor energie of andere producten uit de opkomende «biobased economy». De druk op de bestaande landbouwgronden neemt hierdoor navenant toe.

3

Welke concrete acties gaat dit kabinet ondernemen op het gebied van (financiële) transparantie en transparantie omtrent milieu- en mensenrechten bij grondstoffenwinning?

De grondstoffennotitie biedt een kader voor reeds lopende activiteiten, concrete nieuwe stappen en verder uit te werken en te concretiseren plannen voor toekomstige ondersteuning. De uitwerking van deze notitie vindt momenteel plaats; dit onder meer in de vorm van consultaties met het maatschappelijk middenveld, het bedrijfsleven en kennisinstellingen, zoals deze ook in de aanloop naar de notitie zijn betrokken. Een uitputtende lijst van activiteiten en initiatieven is op dit moment nog niet te geven; wel een overzicht van de huidige stand van zaken.

Nederland ondersteunt diverse initiatieven gericht op grondstoffen en zal, in combinatie met de nog uit te werken interventies, beschikken over een krachtig en breed pakket aan maatregelen, dat niet uitsluitend is bedoeld om een stabiel investeringsklimaat te bevorderen, maar bijvoorbeeld ook om zelfredzaamheid te stimuleren en negatieve gevolgen van grondstoffenwinning tegen te gaan.

Transparantie speelt hierbij een belangrijke rol. Inspanningen die specifiek zijn gericht op het aanpakken van de grondstoffenproblematiek betreft de jarenlange Nederlandse steun aan het Extractive Industries Transparency Initiative (EITI). Dit initiatief beoogt transparantie te vergroten over betalingen van bedrijven aan overheden en overheidsorganisaties, evenals de winsten. De regering heeft recent een nieuwe meerjarige bijdrage toegezegd voor het secretariaat van het EITI ter hoogte van 1,250,000 USD voor de periode 2011–2014; ook heeft Nederland een bedrag van 1,500,000 USD gestort in het EITI Multi-Donor Trust Fund (MDTF) dat door de Wereldbank wordt beheerd. Binnen dit Trust Fund is in totaal 1,000,000 USD geoormerkt voor capaciteitsopbouw van NGO’s, via het Revenue Watch Institute; daarnaast zal de Wereldbank met financiering uit het MDTF binnenkort starten met soortgelijke op NGO’s gerichte trainingen. Verder heeft in mei jl. in Amsterdam op Nederlandse uitnodiging een bijeenkomst plaatsgevonden van de bestuursraad van het EITI, gezamenlijk georganiseerd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Cordaid en Shell. Ook is Nederland momenteel lid van de bestuursraad van het EITI en van de strategische werkgroep die moet adviseren over de toekomst van het EITI. In deze werkgroep wordt onder meer gekeken naar mogelijkheden om de reikwijdte van het EITI te vergroten en koppelingen met overige initiatieven te versterken om de hele grondstoffenketen te bestrijken. Nederland is hiervan sterk voorstander en zal bezien op welke wijze en in hoeverre hieraan invulling te kunnen geven. Hierbij kan worden gedacht aan het opzetten van een faciliteit voor onafhankelijke juridische ondersteuning bij contractonderhandelingen, bijvoorbeeld via de International Development Law Organisation (IDLO) of de African Development Bank (ADB).

Verdere initiatieven waaraan Nederland momenteel bijdraagt zijn het Topical Trust Fund on Managing Natural Resource Wealth van het IMF (1,36 miljoen euro voor technische assistentie aan lage-inkomenslanden die veel natuurlijke grondstoffen bezitten), het AFRITACs-initiatief (African Regional Technical Assistance Centers voor ondersteuning bij verbetering van de openbare financiën, EUR 4 miljoen tussen 2009 en 2013) en het regionale initiatief tot grondstoffencertificering i.k.v. het International Conference of the Great Lake Region (€ 1,5 mln. voor 2011 en 2012). Ook is Nederland actief betrokken bij de Voluntary Principles (VP) on Security and Human Rights (VP’s), waarbij een actieve Nederlandse lobby recent heeft geleid tot de beslissing de VP’s in Den Haag onder te brengen. Een soortgelijke lobby geldt voor de vestigingsplaats van het secretariaat van het Kimberley Proces (Keten certificeringsinitiatief voor diamanten), waarover in november zal worden besloten. Met Paul Collier van het Natural Resource Charter wordt ten slotte, samen met een aantal gelijkgezinde donoren, overlegd over het verder concretiseren van een financieringsvoorstel voor de periode 2012 – 2015. Wanneer dit voorstel klaar is zal de daadwerkelijke Nederlandse bijdrage worden vastgesteld.

Van bilaterale OS-activiteiten is ook sprake. Een aansprekend en innovatief voorbeeld is het Cocoon-programma. Dit programma stimuleert samenwerking tussen kennisinstellingen in Nederland en ontwikkelingslanden, gericht op onderzoek naar conflicten als gevolgen van het gebruik van natuurlijke w.o. minerale rijkdommen. Het gezamenlijke onderzoek resulteert in lokale kennis en verdieping van inzicht over de relatie milieu en conflict, ten behoeve van conflictpreventie en -beheersing (€ 4,8 mln.). Daarnaast worden binnen het MFS-II subsidiekader programma’s uitgevoerd die zijn gericht op het versterken van het maatschappelijk middenveld in het zuiden, al dan niet specifiek gericht op grondstoffen. Een voorbeeld is het programma van de Fair Green & Global Alliance met als penvoerder Both Ends.

Ten slotte moet het Nederlandse MVO-beleid worden genoemd. Nederland zet duidelijk en actief in op Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen als vereiste voor aanbestedingen en subsidies van de Nederlandse overheid. Aan bedrijven die een subsidie ontvangen wordt een verklaring gevraagd om de OESO-richtlijnen na te leven. Nederland wil stimuleren dat dergelijke conditionaliteiten ook onderdeel worden van internationale aanbestedingsprocedures door multilaterale instellingen, waar dit nog niet het geval is.

4

Wat wordt er concreet bedoeld met het woord duurzaam in relatie tot de Nederlandse grondstoffenstrategie?

Onder duurzaam wordt verstaan dat wordt uitgegaan van het direct economisch belang, maar ook van het lange termijnbelang: duurzaamheid bevordert vaak ook de lange termijn voorzieningszekerheid van grondstoffen. Dat betekent dat ook milieu- en sociale aspecten van de winning en gebruik of productie van grondstoffen worden meegewogen.

5

In de notitie gaat de regering alleen in op het beleid ten aanzien grondstoffen. Kijkt de regering ook naar hulpbronnen? Zo ja, welke bronnen?

Aangrijpingspunt voor de acties in de grondstoffennotitie zijn biotische en abiotische grondstoffen Men dient natuurlijke hulpbronnen (watervoorraad, grond) goed te beheren om er tot in lengte van jaren grondstoffen (bijv. mineralen en metalen, hout e.d.) aan te kunnen onttrekken. De notitie voedselzekerheid (in ontwikkelingslanden) gaat o.a. in op de relatie met agrarische producten. Deze notitie is u reeds toegegaan.

6

Kunt u bevestigen dan wel ontkennen dat mijnbouwbedrijven Nederland op grote schaal gebruiken als fiscale sluiproute? Kunt u aangeven hoeveel mijnbouwbedrijven dochterondernemingen hebben gevestigd in Nederland? Hoeveel geld gaat er vanuit grondstoffen producerende (ontwikkelings)landen via die dochterondernemingen door Nederland op jaarbasis? Kunt u aangeven waar deze geldstromen naar toe gaan wanneer ze Nederland verlaten? Kunt u tevens aangeven wat de reële bijdrage aan de Nederlandse economie van deze sector is?

De gegevens waarnaar in vraag 6 wordt gevraagd worden door de Belastingdienst niet specifiek bijgehouden, omdat deze gegevens fiscaal niet relevant zijn. Deze vraag kan dan ook niet worden beantwoord.

Belastingontduiking en kapitaalvlucht worden al geruime tijd in internationale fora erkend als problemen voor de duurzame ontwikkeling van de armste ontwikkelingslanden. Ontwikkelingslanden die hun natuurlijke rijkdommen (doen) exploiteren hebben een bijzonder belang om de opbrengsten daarvan in eigen land te gebruiken voor duurzame ontwikkeling. Effectieve belastingheffing over deze opbrengsten kan hieraan een bijdrage leveren. Nederland steunt dan ook de internationale pogingen om de belastingsystemen en belastingadministraties van ontwikkelingslanden te versterken en streeft ernaar de armste ontwikkelingslanden meer te betrekken bij internationale overlegstructuren, zoals in de OESO.

Nederland loopt verder voorop bij het bevorderen van internationale transparantie en uitwisseling van informatie en is bereid bij het sluiten van belastingverdragen met lage inkomenslanden, bronheffingen te accepteren en, waar nodig, gerichte anti-misbruikbepalingen op te nemen.

Over internationale belastingontwijking zijn geen eenduidige, wetenschappelijk verantwoorde gegevens bekend.

De meer algemene vraag over de «doorstroompraktijk» is al diverse malen beantwoord door de Staatssecretaris van Financiën en in welke bedrijfssector zulke «doorstroom» optreedt maakt voor de beantwoording hiervan geen verschil.

7

Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn van belastingontwijking en -ontduiking voor duurzame ontwikkeling in grondstof producerende (ontwikkelings)landen? Kunt u bevestigen dat u van mening bent dat de doorstroompraktijk een ongewenst neveneffect is van het Nederlandse fiscale stelsel? Kunt u dit toelichten aan de hand van de grondstoffensector? Kunt u aangeven hoe u deze «neveneffecten» wilt terugdringen, in het algemeen en specifiek voor de grondstoffensector?

Zie antwoord op vraag 6

8

Kunt u – in het licht van uw grondstoffennotitie – een reactie geven op het rapport «Piping profits: the secret world of oil, gas and mining giants» en in het bijzonder op wat er over de Nederlandse situatie wordt beschreven? Wat gaat u doen met de aanbevelingen? (http://www.publishwhatyoupay.org/resources/piping-profits-secret-world-oil-gas-and-mining-giants)

Het rapport bevat in de zes punten op bladzijde 23 een onjuiste beschrijving van de Nederlandse situatie en een aantal niet onderbouwde stellingen over de vermeende rol van Nederland. De aanbevelingen sluiten daardoor niet aan op de werkelijke situatie. Met betrekking tot de eerste van de vier aanbevelingen in het rapport op bladzijde 34 zal Nederland een positieve grondhouding aannemen ten aanzien van voorstellen van de Europese Commissie met betrekking tot country by country reporting die op 25 oktober zijn verschenen en nog worden bestudeerd (zie ook antwoord op vraag 152). De Staatssecretaris van Financiën zal nader ingaan op het rapport in de beantwoording van de aan hem gestelde vragen van de leden Smeets, Dikkers en Groot (allen PvdA).

9

Kunt u aangeven wat de ketenverantwoordelijkheid is van de grote Nederlandse (eind)gebruikers en transporteurs van grondstoffen in relatie tot eventuele mensenrechtenschendingen, conflict en geweld en verwoesting van het milieu ten gevolge van grondstoffenwinning en -handel?

In de OESO Richtlijnen is nu due diligence opgenomen als methode om risico’s op negatieve effecten op bijvoorbeeld mensenrechten, milieu- en corruptiegebied te beheersen. Deze verwachting is sterk context gebonden voor wat betreft de praktische betekenis. Omdat de OESO Richtlijnen aanbevelingen zijn aan het hele bedrijfsleven, is niet specifiek geduid wat verwacht kan worden van bedrijven uit sector A of B opererend in omstandigheid X dan wel Y. Wel is verwoord welke onderdelen due diligence omvat, in lijn met hoe Professor Ruggie dit heeft omschreven. Zie voor de Ruggie-richtlijnen vraag 76.

De verantwoordelijkheid van Nederlandse eindgebruikers en transporteurs van grondstoffen in relatie tot eventuele schendingen van onderwerpen die in de OESO Richtlijnen aan bod komen, staat verwoord in hoofdstuk II, paragraaf A.12; hoewel zij niet voor dergelijke schendingen verantwoordelijk gehouden kunnen worden, verwacht de overheid toch dat deze bedrijven proberen de ongunstige effecten van die schendingen te voorkomen of te verminderen. Dit kan bijvoorbeeld door samenwerking in de keten, zoals in het Initiatief Duurzame Handel gebeurt.

Het actief uitdragen van de OESO Due Diligence Guidance zal voornamelijk via MVO Nederland en in de algemene dialoog met het bedrijfsleven geschieden. Bedrijven zijn actief in internationale MVO-initiatieven, zoals het Electronic Industry Citizenship Coalition (EICC). Het EICC was ook betrokken in het opstellen van de OESO Due Diligence Guidance. Voor het MKB is zo’n betrokkenheid en kennis minder vanzelfsprekend en dat is precies waar MVO Nederland een rol van grote toegevoegde waarde heeft voor wat betreft voorlichting en promotie.

10

Deelt u de mening dat vrijhandel voor grondstof producerende (ontwikkelings)landen hen in grote mate de mogelijkheid ontneemt om hun inkomsten te genereren voor hun eigen ontwikkeling en industrialisering? Zo neen, kunt u dit toelichten?

Nee, een vrijere wereldhandel ontneemt grondstof producerende ontwikkelingslanden niet de mogelijkheid inkomsten te genereren voor eigen ontwikkeling en industrialisering. Daarnaast is het voor (ontwikkelings)landen mogelijk een eigen verwerkende industrie op te bouwen en daarvoor, indien zij dit noodzakelijk achten, exportheffingen op grondstoffen in te stellen, binnen de kaders die daarvoor door de WTO worden gesteld.

Onbelemmerde aansluiting op internationale markten biedt ontwikkelingslanden juist de kans om grondstoffen te exporteren en de inkomsten daaruit, zoals belastinginkomsten, te benutten voor economische ontwikkeling. Vrijhandel is gericht op het bevorderen van vrije- en grensoverschrijdende handel en staat in principe niet in de weg van nationale belastingheffing. Vanzelfsprekend dienen bedrijven daarbij de belastingwetgeving in alle betrokken landen na te leven en verdragen niet te misbruiken. Een voorbeeld waaruit blijkt dat belastinginkomsten kunnen worden gegenereerd is Australië. Dit land verhoogde de belasting op Raw Materials voor mijnbouwbedrijven substantieel.

11

Bent u van mening dat de voorziening van grondstoffen aan Nederland en Europa nooit ten koste mag gaan van Afrikaanse grondstofexporterende ontwikkelingslanden? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u dit gaan bewerkstelligen en controleren?

Zoals onder meer voorgeschreven in Artikel 208 van het Lissabon verdrag, streeft de Nederlandse regering naar ontwikkelingscoherent beleid. Het Nederlandse beleid met betrekking tot de voorziening van grondstoffen moet dan ook zoveel mogelijk rekening houden met de belangen van Afrikaanse en andere arme ontwikkelingslanden die grondstoffen exporteren. Nederland streeft dit vooral na via het behoud, de naleving en versterking van de regels van het multilaterale handelsstelsel en inspanningen gericht op grotere transparantie in grondstoffenwinning- en handel. Tegelijkertijd is het van belang dat ontwikkelingslanden, in het bijzonder de minst ontwikkelde landen, zelf voor hun eigen belangen kunnen opkomen. Nederland ondersteunt ze daar ook in door ontwikkeling van capaciteit en kennis op handelsvlak via het WTO Global Trust Fund, en door steun aan de WTO rechtswinkel (ACWL), waarmee ontwikkelingslanden beter voor zichzelf kunnen opkomen.

12

Kunt u in het licht van de grondstoffennotitie een reactie geven op de (on)wenselijkheid van het fenomeen landgrabbing? Welke gevaren en problemen ziet u bij dit fenomeen?

De Nederlandse regering heeft op zich geen bezwaar tegen het verwerven van landbouwgronden door buitenlandse investeerders. Echter, het pachten en/of kopen van grote stukken landbouwareaal, waarbij zeggenschap over en meeprofiteren door oorspronkelijke gebruikers wordt genegeerd (landgrabbing) wordt door de Nederlandse regering als onwenselijk gezien (zie ook het antwoord van begin oktober naar aanleiding van de vragen van Kamerlid Dikkers over het feit dat steeds meer landbouwgrond in Derde Wereldlanden in handen komt van internationale investeerders (referentienummer: 2011Z18428).

Dit geldt ook voor het kader geschetst in de grondstoffennotitie waarin voorzieningszekerheid met betrekking tot a-biotische en biotische grondstoffen voor de Nederlandse economie het primaire uitgangspunt is. Potentieel negatieve gevolgen van landgrabbing zijn onder meer instabiliteit binnen ontwikkelingslanden en -regio’s, niet-duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, slecht bestuur, mensenrechtenschendingen, en hogere prijsvolatiliteit. Zeker waar grootschalig, meerjarig opkopen van landbouwareaal plaatsvindt door opkomende economieën (met name China, Arabische landen) voor eigen gebruik bestaat dit risico. Ten eerste omdat vruchtbaar land wordt onttrokken aan de productie voor lokale en regionale markten ten gunste van (inter)nationaal te verhandelen biotische grondstoffen. Ten tweede is er een risico dat grondstoffen buiten de reguliere internationale markten worden gehouden, hetgeen marktinstabiliteit kan verscherpen.

Om landgrabbing zoveel mogelijk tegen te gaan wil Nederland middels een geïntegreerde, evenwichtige en genuanceerde inzet in de eerste plaats zo goed mogelijk bijdragen aan met name betere kennis, capaciteit, inzicht en hervormingen van regeringen, bevolking, maatschappelijke organisaties en bedrijven opdat in ontwikkelingslanden transparante en verstandige beslissingen worden genomen m.b.t. de aanwending en het beheer van land en andere natuurlijke hulpbronnen. In de tweede plaats is het van belang dat het internationale bedrijfsleven eveneens verstandig en duurzaam om gaat bij het aankopen, pachten en/of gebruik van land in ontwikkelingslanden.

Concreet heeft de Nederlandse Regering daartoe in het afgelopen decennium met circa 100 miljoen Euro mede ingezet op het verbeteren van rechtszekerheid en toegang tot land voor bedrijven en boer(inn)en in ontwikkelingslanden. Hiertoe zijn o.m. de volgende activiteiten ondernomen:

  • Onder Nederlands EU voorzitterschap zijn zogenaamde «EU Guidelines to support land policy design and reform processes in developing countries» opgesteld en aangenomen; dit heeft geleid tot een sterke toename van het aantal Nederlandse ambassades dat zich strategisch inzet op het bevorderen van betere rechtszekerheid en toegang tot land. Anno 2011 zijn er een flink aantal centrale programma’s en zo’n 15 Nederlandse ambassades actief op het vergroten en handhaven van duidelijker land(gebruiks)rechten, bijna allemaal in de huidige partnerlanden voor ontwikkelingssamenwerking.

  • Al meer dan 7 jaar is het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) een van de grootste financiële supporters van de International Land Coalition (ILC) – een netwerk van meer dan 100 organisaties dat zich inzet voor betere landrechten voor arme mannen en vrouwen. Sinds 2010 is BZ met de Europese Unie (EU) en Zwitserland strategisch partner van de ILC Council waar ook WB, FAO, IFAD, vakbonden, NGO’s en kennisinstellingen lid van zijn.

  • Sinds 2009 is BZ zeer actief in de EU Working Group on Land Issues alwaar met name de gecoördineerde inzet van lidstaten t.a.v. landgrabbing wordt afgestemd; dit leidt onder meer tot een gecoördineerde en goed voorbereide inzet van de EU en Zwitserland t.a.v. de onderhandelingen rond de Voluntary Guidelines on the Responsible Governance of Tenure of Land, Fisheries and Forests in the Context of National Food Security en de Responsible Agricultural Investment Principles die beide onder auspiciën van het Committee on World Food Security (CFS) plaatsvinden.

  • In 2010 is BZ een partnerschap aangegaan met een groep Nederlandse instellingen die alle willen bijdragen aan betere land governance in OS landen. Dit zijn IDS/Universiteit Utrecht, Afrika Studie Centrum, Koninklijk Instituut voor de Tropen, Rampenstudies/WageningenUR, HIVOS, Agriterra en Triodos/FACET. Hieruit is LANDac ontstaan, één van de IS Academies die BZ de afgelopen jaren mee heeft opgericht. LANDac ondersteunt initiatieven in ontwikkelingslanden, maakt promotie onderzoek naar landgrabbing mogelijk (o.m. in Mozambique, Ethiopië, Brazilië, Bolivia, Ghana, Tanzania) en houdt gesprekken met de Nederlandse private sector betrokken bij land deals. Ook organiseert LANDac publieke debatten (o.m. met Olivier de Schutter, UN rapporteur on the right to food; Klaus Deininger, auteur van WB publicaties over grote landaankopen; en Camilla Toulmin, auteur van het HLPE rapport «land tenure and international investments in agriculture») en conferenties (met onder andere ILC en Oxfam).

13

Welke concrete maatregelen wilt u- al dan niet via de EU-nemen tegen het speculeren met grondstoffen?

In de handel in grondstoffen zijn vele spelers actief. De verschillende partijen in het systeem vervullen een eigen specifieke rol. De markten voor grondstof- en voedselderivaten bieden de mogelijkheid om risico van de ene partij op de andere partij over te dragen. De partijen die risico's willen afdekken zijn vaak partijen die agrarische producten kopen of verkopen. De partij die het risico overneemt is vaak een financiële partij. Deze financiële partijen spelen in de markt dus een belangrijke rol: zij zorgen ervoor dat de producent of verwerker die zijn risico wil afdekken een partij heeft om het op over te dragen en zorgen daarmee voor de benodigde liquiditeit in de markt. Om een goede prijsvorming mogelijk te maken is een goed geïnformeerde markt nodig. Internationaal is er momenteel aandacht voor de transparantie van onder andere de grondstofderivatenmarkt. Zo is het bekend dat de Europese Commissie voorstellen voor de aanpassing van de MiFID (Markets in Financial Instruments Directive) en Marktmisbruikrichtlijn in voorbereiding heeft. Een deel van de voorgestelde maatregelen is naar verwachting op transparantie van grondstofderivatenmarkten gericht. Na ontvangst van de voorstellen zal beoordeeld worden wat de Nederlandse inzet wordt.

Vraag14

Welke rol en bijdrages voorziet de regering voor Nederlandse maatschappelijke organisaties in relatie tot de actiepunten van de grondstoffennotitie?

Het uitgangspunt is dat niet alleen de overheid en het bedrijfsleven, maar ook maatschappelijke organisaties een belangrijke adviserende, aanjagende en implementerende rol spelen bij het uitwerken van de actiepunten. Maatschappelijke organisaties kunnen met name op de sociale en milieuaspecten een bijdrage leveren.

15

Deelt het kabinet de visie dat Nederland, Europa en de wereld van een lineaire economie naar een cyclische economie toe moet? Dit om ervoor te zorgen dat we materialen en grondstoffen veel langer in de cyclus behouden.

Het kabinet is van mening dat economische groei duurzaam moet zijn, een «groene groei». Het veel langer in de kringloop behouden van grondstoffen kan daar een belangrijke bijdrage aan leveren. Nederland is daarin met 80% recycling een koploper in Europa. Wanneer in Europa en mondiaal naar een meer cyclische economie wordt gestreefd, geeft dit tevens kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven.

16

In de brief staat aangegeven dat «internationale afspraken vaker worden genegeerd». Gaat Nederland streven naar snellere en stevigere sancties om dit gedrag onaantrekkelijker te maken, bijvoorbeeld in WTO verband?

De WTO ziet toe op de naleving van de internationale handelsregels voor alle goederen, inclusief grondstoffen. Als een Lid van de WTO van mening is dat een ander Lid deze internationale handelsregels schaadt, dan is het mogelijk dit onder de aandacht te brengen van het WTO geschillenbeslechtingmechanisme.  Lidstaten kunnen zo afdwingen dat onterechte handelsbelemmeringen ongegrond worden verklaard. Wanneer de veroordeelde partij de paneluitspraak of de uitspraak van het WTO Beroepsorgaan weigert uit te voeren, dan kunnen er handelssancties door de benadeelde partij worden ingesteld tot de hoogte van de geleden schade (retaliatie). Nederland heeft de Europese Commissie bijvoorbeeld gesteund in de zaak die is aangespannen tegen China onder het WTO geschillenbeslechtingmechanisme ten aanzien van de Chinese exportbeperkingen op een aantal grondstoffen (zie Kamerbrief 25 074, nr. 173, d.d. 22 september 2011). Als het Beroepsorgaan de bevindingen van het Panel bevestigt, is China verplicht de betwiste maatregelen binnen redelijke termijn in lijn te brengen met de WTO-regels. Nederland is er ook voorstander van te onderzoeken of een volgend WTO-panel door de EU tegen China een zinvolle optie is ten aanzien van mogelijke ongerechtvaardigde exportbeperkingen op zeldzame aardmetalen.

17

Welke van de genoemde ministeries heeft het voortouw bij de regie over het grondstoffenbeleid?

Binnen het grondstoffendossier werken de diverse departementen goed samen, elk volgens hun eigen mandaat. Ruwweg is er een verdeling waarbij BZ verantwoordelijkheid heeft over geopolitiek, ontwikkelingssamenwerking en internationale veiligheid; EL&I over innovatie, handel, handelsketens en biodiversiteitsaspecten; I&M over milieu en recycling. Duurzaamheid is een gedeelde competentie met een eigen verantwoordelijkheid per departement. Het nationale duurzaamheidsbeleid wordt gecoördineerd door IenM.  De coördinatie van het internationale milieu-, duurzaamheids- en biodiversiteitsbeleid is onderdeel van het buitenlands beleid en valt de Minister van Buitenlandse Zaken toe.

18

Welk van de genoemde ministeries hakt de knoop door bij verschillen in inzicht aangaande het grondstoffenbeleid?

Bij diepgaande verschillen van inzicht tussen de ministeries worden deze in de Ministerraad beslecht.

19

Heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken de regie over het beleid aangaande grondstoffenschaarste?

Zie antwoord op vraag 17.

20

Wat zijn de gevolgen van de prijsstijgingen voor de Nederlandse economie en concurrentiepositie?

Zie antwoord op vraag 39.

Vraag21

Wat wordt bedoeld met de conclusie dat grondstoffenvoorzieningszekerheid «in zekere mate» een economisch eigenbelang is geworden?

Zie antwoord op vraag 2.

22

Bent u van mening dat de minst ontwikkelde grondstofrijke landen (in met name Afrika) zelf over hun economisch- en handelsbeleid mogen en moeten gaan? Deelt u de mening dat het belang van vrijhandel voor Nederland als doorvoerland niet per definitie overeenkomt met het belang van vrijhandel voor grondstof producerende (ontwikkelings)landen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan?

De regering is inderdaad van mening dat minst ontwikkelde grondstofrijke landen zelf verantwoordelijk zijn voor hun economisch- en handelsbeleid. Het is dan ook aan deze landen te beoordelen of en op welke wijze zij baat kunnen hebben van vrijhandel en welke verplichtingen zij aan willen gaan.

Zowel Nederland als grondstofproducerende ontwikkelingslanden hebben belang bij vrijhandel. Op elke euro aan doorvoer houdt Nederland anderhalve cent over (1,5%). Hoewel deze goederen niet officieel worden geïmporteerd verdienen logistieke dienstverleners er toch aan. Voor grondstofproducerende (ontwikkelings)landen biedt onbelemmerde aansluiting op internationale markten de kans om grondstoffen te exporteren en te bewerken en de inkomsten te benutten voor economische ontwikkeling. Zowel Nederland als grondstofproducerende ontwikkelingslanden gedijen dientengevolge bij een open, transparant en voorspelbaar systeem waarbij de handel in grondstoffen zonder restricties en binnen de bestaande regels verloopt. Het Nederlandse beleid is er op gericht dat de minst ontwikkelde landen betere aansluiting krijgen op internationale markten. Nederland ondersteunt minst ontwikkelde landen op verschillende wijzen, zie antwoord op vraag 11.

Dit geldt ook voor de Doha Ontwikkelingsronde waar het de vaste inzet van Nederland is dat deze landen zoveel mogelijk moeten worden ontzien van nieuwe verplichtingen, en dat hen tarief- en quotavrije markttoegang naar ontwikkelde landen en die opkomende economieën die daartoe in staan zijn wordt aangeboden. Ook streeft Nederland er naar dat de relevante multilaterale fora voldoende beleidsvrijheid voor ontwikkelingslanden laten en zij binnen deze fora beter voor hun belangen kunnen opkomen.

23

Valt het regulerend vermogen van de markt voor een bepaalde grondstof te kwantificeren c.q. meten?

Het is mogelijk om met behulp van economische theorie en modellen te voorspellen wat de uitkomst zou zijn als een markt naar behoren functioneert. Als de praktijk daarvan afwijkt, kan sprake zijn van een suboptimale werking van de markt en is er aanleiding voor nader onderzoek naar oorzaken.

24

De regering schrijft: «Verder is de voorzieningszekerheid voor de Nederlandse economie het primaire uitgangspunt,» Hoe verhoudt de nationale voorzieningszekerheid zich tot de mondiale? Wordt in het Nederlandse grondstoffenbeleid en in de Nederlandse inzet in Europa ook gekeken naar de effecten van onze maatregelen voor ontwikkelingslanden?

De regering voert ontwikkelingscoherent beleid. De voorzieningszekerheid voor de Nederlandse economie voor zover betrekking hebbend op ontwikkelingslanden is gediend met het evolueren van die landen, tot volwaardig en op gelijker niveau opererende partners. Daartoe behoren kennis, ervaring en inzicht in (internationale) onderhandelingsprocessen, goed bestuur, transparante regelgeving e.d. Juist door samen te werken op terrein van opbouw van de eigen economie, diversificatie en werkgelegenheid zullen mogelijkheden ontstaan die op lange termijn beter inzicht en perspectief bieden voor betrokken partijen.

25

De regering schrijft: «Bij het formuleren van de oplossingsrichtingen is het Kabinet ervan uitgegaan dat het bedrijfsleven primair aan zet is en dat de overheid vooral kan faciliteren, stimuleren, kaders stellen en coördineren. Is de regering het ermee eens dat het aan de politiek is om kaders te stellen en te zorgen voor een level playing field, zodat het voor bedrijven economisch aantrekkelijk wordt om de noodzakelijke maatregelen te nemen?

Ja, de politiek stelt de door haar noodzakelijk geachte kaders, waar nodig via wetgeving. Voor een gelijk speelveld is internationale afstemming en besluitvorming daarbij belangrijk. Maar ook het bedrijfsleven kan via vrijwillige afspraken zorgen voor een gelijk speelveld voor belangrijk gevonden onderwerpen, bijvoorbeeld in ketens. De overheid kan hierbij faciliterend optreden en doet dat waar mogelijk.

26

Zijn de risico’s ten aanzien van de grondstoffenvoorziening reeds vastgesteld? Zo ja, welke zijn deze? Zo nee, wanneer zal dit gebeuren?

Zie antwoord op vraag 2.

27

Welke criteria worden gehanteerd om een oplossing op Europees niveau te vinden?

De EU heeft een gecoördineerd beleid opgesteld om de grondstoffenproblematiek voor de Europese markt aan te kaarten. Voor de uitvoering van dit beleid moet gekeken worden waar de competenties liggen van de Europese Commissie en van de lidstaten. Daarnaast zal Nederland, waar het profijtelijk is, oplossingen op nationaal, bilateraal en multilateraal niveau zoeken. Het laat zich in deze fase nog niet duiden waar die scheidslijnen precies zullen liggen.

28

Welke concrete maatregelen worden er getroffen om innovatie, hergebruik en substitutie te stimuleren?

Het streven om efficiënter te gaan werken is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven en kennisinstellingen zelf. Middels de grondstoffenbrief vergroot het kabinet de bewustwording rond het grondstoffenvraagstuk bij het bedrijfsleven en wijst het op de kansen die een efficiënter grondstoffengebruik biedt. Deze kansen komen voort uit verstandiger gebruik, eco-innovatie, recycling en substitutie. Het Nederlandse bedrijfsleven en kennisinstellingen pakken deze kansen ook op. Zo wordt er in het Materials Innovation Institute (M2i) door het bedrijfsleven en de kennisinstellingen gezamenlijk gewerkt aan nieuwe materialen, vind er o.a. bij TNO onderzoek plaats naar niet-schaarse materialen die zeldzame metalen en mineralen kunnen vervangen (zogeheten «elements of hope»), heeft de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) het thema «materialen» in haar Strategienota 2011–2014 opgenomen, en organiseert het bedrijfsleven zich in het Platform Materiaalschaarste. Ook in de Green Deals van afgelopen 3 oktober komt het pakken van kansen op het gebied van grondstoffenschaarste en recycling terug. Zo is er een Green Deal afgesloten met Desso en Van Ganzewinkel om tapijtafval op de meest duurzame manier te verwerken. Kortom, er gebeurt al veel en de regering zet er samen met het bedrijfsleven op in om de komende jaren meer Green Deals op het terrein van grondstoffen af te sluiten.

Doelstellingen voor grondstofefficiëntie wil Nederland alleen in Europees verband introduceren. In de Roadmap to a Resource Efficient Europe noemt de Commissie een basisindicator voor grondstoffenefficiëntie die wordt uitgedrukt als grondstoffengebruik (in kilogrammen) in relatie tot het BNP. Het kabinet ziet eventuele doelstellingen graag zo direct mogelijk gerelateerd aan het beoogde doel, namelijk een duurzaam grondstoffengebruik.

29

Wie is verantwoordelijk voor het in kaart brengen van potentiële risico's ten aan aanzien van de Nederlandse grondstoffenvoorziening?

Zie antwoord op vraag 2.

30

Op welke wijze werkt u de beleidscoherentie voor ontwikkeling concreet uit ten aanzien van het Nederlandse grondstoffenbeleid?

Zie antwoorden op vragen 11 en 145.

31

Is onze economie in grotere mate afhankelijk van grondstoffen dan bij omringende landen het geval is?

Zie antwoord op vraag 2.

32

De regering schrijft: «Daarom is het credo: Europees waar mogelijk, nationaal waar nodig en waar het kansen biedt». Is de regering ook voornemens om dit onderwerp internationaal te agenderen, binnen de VN en WTO? En zo ja, op welke wijze en op welke termijn?

De regering is voornemens ook in VN verband dit onderwerp te agenderen. De Speciale Vertegenwoordiger Natuurlijke Hulpbronnen voert hierover gesprekken met diverse VN organisaties. Om over een exact tijdspad te spreken is het echter nog te vroeg. Voor het gedeelte over de WTO verwijs ik u naar het antwoord op vraag 16.

33

Hoe gaat de regering om met problemen die ontstaan als landen de toegang tot hun markten sluiten en zo de grondstofvoorziening voor het eigen land veilig stellen?

Nederland en Europa vinden het van belang de beperkingen in grondstoffenhandel tegen te gaan. In dit kader steunt de regering de inzet van de Europese Commissie op het gebied van grondstoffen zoals neergezet in de grondstoffenmededeling van de Commissie (het Raw Materials Initiative) uit februari van 2011 (zie hiervoor het BNC fiche). De handelspolitieke inzet berust op drie pijlers: 1) het definiëren van de spelregels, door de handelsdisciplines die het meest relevant zijn voor grondstoffenhandel op te nemen in de lopende handelsonderhandelingen; 2) het afdwingen van de spelregels, door handelsbarrières in strijd met internationale handelsregels en die de Europese economie het meest schaden aan te pakken en 3) het aangaan van de dialoog met derde landen om tot een gecoördineerde benadering tussen alle actoren te komen.

In het recent afgesloten vrijhandelsakkoord met Korea is een verbod op alle soorten exportrestricties opgenomen. Met Rusland wordt er gesproken over het uitfaseren van exportheffingen op een reeks grondstoffen in het kader van hun toetreding tot de WTO en in de dit jaar afgesloten Kaderovereenkomst met Mongolië is afgesproken dat de partijen geen restrictief handelsregime invoeren voor de export van grondstoffen. Verder inventariseert de OESO op dit moment wereldwijde exportbelemmeringen voor grondstoffen en verricht het een specifieke sectorale studie naar de impact van handelsbelemmeringen op de staalproductie. Nederland ondersteunt dit.

Niet WTO-conforme exportbeperkingen toegepast door meer staatskapitalistische economieën, bedoeld om de eigen industrie te beschermen, dienen hard te worden aangepakt. Nederland heeft de Europese Commissie gesteund in de zaak die is aangespannen tegen China onder het WTO geschillenbeslechtingmechanisme ten aanzien van de Chinese exportbeperkingen op een aantal grondstoffen. De regering is zeer te spreken over de recente uitspraak van het WTO Panel waarin de EU op vrijwel alle punten in het gelijk is gesteld (zie Kamerbrief 25 074, nr. 173, d.d. 22 september 2011). Het bevestigt de disciplinerende rol van de WTO in het wereldhandelssysteem en is een duidelijk signaal aan alle WTO-leden dat oneerlijke handelspraktijken niet worden geaccepteerd. Nederland er voorstander van te onderzoeken of een volgend WTO-panel door de EU tegen China een zinvolle optie is ten aanzien van mogelijke ongerechtvaardigde exportbeperkingen op zeldzame aardmetalen.

Nederland ziet ook mogelijkheden voor samenwerking om de interdependentie tussen grondstofproducerende en grondstofconsumerende landen te vergroten. Hierbij kan gedacht worden aan het uitwisselen van technische kennis ten aanzien van normen en standaarden, bijvoorbeeld op het gebied van arbeidsomstandigheden en milieu. Dit biedt kansen voor samenwerking met ons bedrijfsleven, maar ook met ons maatschappelijk middenveld.

34

Bent u bekend met de analyse in het ontwerpadvies van de SER, genaamd «Ontwikkelen door Ondernemen», waarin wordt gesteld dat de grondstoffenwinning gepaard kan gaan met extra milieu- en gezondheidsrisico’s, en dat dit extra aandacht voor goed IMVO-beleid en de daarbij behorende risicoanalyse vereist? Bent u voornemens een dergelijk MVO beleid, inclusief de risicoanalyse, te bevorderen? Zo ja, hoe?

De grondstoffensector opereert dikwijls in moeilijke omstandigheden, waarbij verhoogde risico’s op milieu-, gezondheids- en mensenrechtengebied zich kunnen voordoen. Die omstandigheden worden bijvoorbeeld bepaald door de maatschappelijke en/of technische context van de bedrijfsactiviteiten. Bekende voorbeelden hiervan zijn conflictgebieden en diepzeeboringen. Het advies van de SER «Ontwikkelen door Ondernemen» wijst op deze extra risico’s.

Bedrijven in de grondstoffensector zijn zich over het algemeen goed bewust van deze risico’s, onder meer vanwege informatie-uitwisseling met direct betrokken lokale stakeholders, de ruime aandacht hiervoor in de media en de activiteiten van maatschappelijke organisaties. De overheid heeft zijn concrete doelstellingen en verwachtingen van het hele bedrijfsleven – en dus ook de grondstoffensector – op (I)MVO-gebied duidelijk verwoord in de onlangs herziene OESO Richtlijnen. Implementatie hiervan door de overheid bestaat uit promotie van de Richtlijnen en bemiddeling door het Nationaal Contactpunt voor de OESO Richtlijnen (NCP) bij vermeende schendingen door individuele bedrijven in specifieke gevallen. Monitoring door het NCP geschiedt alleen in zover als partijen bij een bemiddeling overeenkomen het NCP een monitoring rol toe te kennen, hetgeen uit de toelichting op de OESO Richtlijnen op te maken valt.

Voor wat betreft de implementatie door bedrijven zijn bedrijven in de grondstoffensector al langere tijd actief in velerlei initiatieven om het nemen van hun verantwoordelijkheid, dikwijls in samenwerking met (lokale) stakeholders, praktisch in te vullen. Zie voor meer informatie over deze initiatieven vraag 3. Andere voorbeelden zijn de rol van dergelijke bedrijven en hun brancheverenigingen in de totstandkoming van (i) de OESO Due Diligence Guidance for Responsible Supply Chains of Materials from Conflict-Affected and High-Risk Areas, (ii) de OESO Good Practice Guidance in Further Combating Bribery en (iii) van het werk van Professor Ruggie. Mochten belanghebbende partijen van mening zijn dat Nederlandse bedrijven uit de grondstoffensector zich niet houden aan de OESO-Richtlijnen, dan kunnen zij zich wenden tot het NCP.

35

Worden in het Energierapport 2011 dezelfde voorwaarden gehanteerd voor IMVO als in deze grondstoffennotitie? Zo nee, op basis van welke afwegingen is dan besloten om dit verschil te hanteren en waar zit dit verschil precies in?

In de grondstoffennotitie is er voor gekozen om energie en water buiten beschouwing te laten, gezien het al ontwikkelde beleid zoals ook in het Energierapport 2011 is uiteengezet. Belangrijke elementen daarin die raken aan IMVO betreffen de biobased economy. Hiervoor moet er veel biomassa worden gebruikt. In het Energierapport 2011 wordt aangegeven dat bij het gebruik van biomassa voor de productie van bio-energie voorop staat dat het om duurzame biomassa gaat die noch de biodiversiteit noch de primaire voedselproductie aantast. Daarnaast moet er over de gehele keten genomen daadwerkelijk vermindering van broeikasgasemissies plaatsvinden. De overheid houdt hier toezicht op door alleen gecertificeerde biomassastromen te accepteren, die daarmee voldoen aan de noodzakelijke duurzaamheideisen.

Dit is volledig in lijn met de wijze waarop in de grondstoffennotitie gekeken wordt naar de people, planet en profit kant van grondstoffenstromen. Niet-duurzaam geproduceerde grondstoffen veroorzaken milieu- en sociale lasten en dan vaker buiten dan binnen Nederland. Het is dan ook van belang om waardecreatie op de people, planet en profit dimensies te genereren, omdat dit wederzijds belang oplevert voor Nederland en onze handelspartners.

Alleen dan kan een duurzame grondstoffenvoorziening worden gerealiseerd. Voorbeelden waar dit gebeurt zijn de ketens die binnen het Initiatief Duurzame Handel worden verduurzaamd. Voor mineralen geldt dat de mate van duurzaamheid afhangt van de mate waarin een mijnbouwbedrijf goede milieu- en sociale standaarden hanteert bij het mijnen.

36

In hoeverre krijgt het credo Europees waar mogelijk invulling in de praktijk door samenwerking met Europese landen op het gebied van grondstoffenvoorziening? Hoe kan deze samenwerking verbeterd worden?

De Europese Commissie heeft in november 2008 een eigen Europese grondstoffenstrategie («Raw Materials Initiative») gelanceerd, vanuit de argumentatie dat ook andere werelddelen steeds meer strategisch omgaan met grondstoffen en de EU hierin niet kan achterblijven. De grondstoffenstrategie heeft als doel de Europese consumptie van primaire grondstoffen terug te dringen, de beschikbaarheid te vergroten van grondstoffen die binnen de EU gevonden worden en het duurzame aanbod van grondstoffen uit derde landen veilig te stellen. Het Europese vlaggenschipinitiatief Resource Efficiency draagt daarnaast bij aan de beoogde slimme, duurzame en inclusieve groei uit de EU-strategie.

In februari 2011 heeft de Commissie met de Medeling Tackling the challenges in commodity markets and on raw materials deze Europese grondstoffenstrategie geactualiseerd. Nederland onderschrijft de aanpak van de Commissie, die zich met name richt op de analyse van de situatie en om van daaruit een gezamenlijke toekomststrategie te ontwikkelen. De EU kan, vanuit een gemeenschappelijke Europese aanpak, meer bereiken in deze mondiale discussie dan de individuele lidstaten.

Naast samenwerking in Unieverband zal worden gestreefd naar bilaterale samenwerking met een aantal Europese landen, waaronder Duitsland. De ambassades en de Speciaal Vertegenwoordiger Natuurlijke Hulpbronnen zullen daarbij een belangrijke rol spelen.

37

Met welke kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties is het kabinet voornemens om te spreken over haar grondstoffenbeleid?

Het kabinet erkent de toegevoegde waarde van het Platform Materiaalschaarste alsook het Kennisplatform Duurzaam Grondstoffenbeheer, waar bedrijven, de overheid en kennisinstellingen bijeenkomen. Per thema wordt daarnaast met relevante organisaties gesproken. Dit is een open en voortgaande dialoog. Zie ook het antwoord op vraag 185.

38

Kan een toelichting gegeven worden op de wijze waarop het kabinet haar beleid gaat inzetten op het verzoek genoemd in punt 2 van de motie Nicolaï/Ormel (32500V81) waarin de regering expliciet wordt verzocht om in kaart te brengen hoe een stabiel investeringsklimaat in de producerende landen zal worden bevorderd, met aandacht voor anticorruptie, duurzame extractie, versterking van het lokaal bestuur en transparantie van financiële stromen? Kan de regering toelichten op welke wijze zij de vier laatstgenoemde punten tot uitvoering gaat brengen?

Zie antwoord op vraag 3.

39

Denkt de regering dat de stijging van prijzen van grondstoffen van de afgelopen jaren permanent is of dat de prijzen binnen afzienbare termijn weer zullen dalen? Indien de prijzen permanent hoog (hoger) zullen zijn, welke structurele gevolgen heeft dit voor de Nederlandse (Europese) economie?

In het algemeen neemt door een aantal structurele factoren, met name de stijgende welvaart en toenemende wereldbevolking, de vraag naar grondstoffen toe. Niet alle productiesystemen kunnen die stijgende vraag bijbenen waardoor de prijzen van deze grondstoffen stijgen. Dit is zichtbaar over een breed scala aan grondstoffen. Prijsbewegingen zijn afhankelijk van vraag en aanbod. Hoe dit zich op termijn zal ontwikkelen is niet eenvoudig te voorspellen en zal per grondstof verschillen. Nieuwe voorraden of technologische ontwikkelingen zullen dit evenwicht beïnvloeden. Hogere prijzen zetten producenten aan meer aan te bieden en nieuwe productie te ontwikkelen waardoor het aanbod toe kan nemen. Bijvoorbeeld door het in gebruik nemen van gebieden met minder hoge concentraties grondstof die grotere inputs zoals energie en water vragen. De OECD/FAO heeft in haar Agricultural outlook de verwachting uitgesproken dat voor de meeste biotische grondstoffen de prijzen de komende jaren hoog zullen blijven (boven prijsniveau van voor 2008). De ontwikkeling van de prijzen van abiotische grondstoffen zijn minder voorspelbaar. Maar er is een structurele stijging van de vraag, anderzijds worden door de hoge prijzen nieuwe initiatieven voor winning genomen.

Op de korte termijn kunnen hogere grondstofprijzen tot uiting komen in duurdere (import van) halffabricaten en eindproducten, afhankelijk van de vraag of producenten de prijsstijgingen doorberekenen aan hun afnemers. De (geïmporteerde) inflatie die daardoor mogelijk toeneemt, kan een negatieve invloed hebben op de koopkracht van burgers. Op de concurrentiekracht van Nederlandse bedrijven hebben hogere grondstofprijzen op korte termijn weinig effect. Prijzen van veel grondstoffen worden veelal op de internationale/globale markt bepaald. Buitenlandse concurrenten ondervinden ook last van stijgende inputprijzen. Het is van belang dat bij een stijging van de prijzen de prijsverhoudingen niet verslechteren. Zie ook het antwoord op vraag 42.

Indien de prijzen permanent hoger zullen blijven zal de economie zich daarop moeten aanpassen. Efficiënt gebruik zal meer lonen en substitutie naar/met goedkopere grondstoffen zal aantrekkelijker worden. Een voorbeeld hiervan is het duurder worden van energie de laatste jaren. Hierdoor is er gezocht naar meer en alternatieve bronnen van energie. Het aanpassingsvermogen zal de concurrentiekracht en de economische groei van een land of regio beïnvloeden.

Nederland heeft met een hoge stand van de technologie en een goede logistieke positie kansen om een goed antwoord te vinden op een periode met hoge prijzen voor grondstoffen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de cijfers van export van landbouwproducten, waar Nederland ook gedurende de hoge prijspieken van de laatste jaren een tweede plaats op wereldschaal blijft innemen. Bovendien werkt het kabinet structureel aan de concurrentiekracht van Nederland via onder meer het topsectorenbeleid.

40

Wat is de visie van de regering op het behoud van ecosystemen en het niet verder uitputten van de aarde?

Nederland zet in op economisch groei nationaal, in de EU en internationaal maar is van mening dat deze groei niet ten koste mag gaan van cruciale ecosystemen. Ecosystemen vervullen fundamentele sociale, ecologische en economische functies, wat naar voren komt in de door de regering gevolgde people, planet en profit benadering. De regering is van mening dat een wereldwijde transitie noodzakelijk is om bestaande productie en consumptie patronen te verduurzamen en een verdere uitputting van natuurlijke hulpbronnen en verlies aan biodiversiteit tegen te gaan.

Nederland ondersteunt daarom de vorige jaar in Nagoya – Japan – in het kader van het biodiversiteitsverdrag- opgestelde Aichi-targets en de uitwerking daarvan in de EU biodiversiteitstrategie. Ook verwelkomt de Regering het EU Flagship Initiative for a Resource Efficient Europe. Binnen Nederland worden nieuwe impulsen gegeven aan de verduurzaming van onze samenleving zoals aangegeven in de Grondstoffennotitie, de Duurzaamheidsagenda, de inzet om te komen tot een Biobased Economy, de Bedrijfslevenbrief op het gebied van duurzaamheid en de uit deze trajecten voortkomende Green Deals. De inzet op het gebied van ontwikkelingssamenwerking is verwoord in de Basisbrief en Focusbrief ontwikkelingssamenwerking Kamerstukken 32 500 V, nr. 15 en 32 605, nr. 2.

41

Kunt u door middel van cijfermatige onderbouwing onze positie als doorvoerland en verwerker van grondstoffen kwantificeren?

Zie antwoord op vraag 1.

42

Wat zijn de gevolgen voor Nederland van de genoemde belemmeringen voor de vrijhandel?

Belemmeringen voor de vrijhandel kunnen leiden tot een suboptimale allocatie van grondstoffen, verminderde productie en hogere kostprijzen voor consumenten. Zo hebben de Russische beperkingen op de uitvoer van graan als reactie op hoge voedselprijzen, geleid tot hogere graanprijzen in de rest van de wereld. De Chinese exportrestricties voor zeldzame aardelementen maken deze grondstoffen duurder voor de Europese importeurs. De genoemde maatregelen hebben niet altijd direct invloed op de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven, omdat concurrenten ook met soortgelijke prijsstijgingen te maken hebben.

43

Wat gebeurt er op mondiaal niveau om de genoemde belemmeringen voor de vrijhandel tegen te gaan? Wat kan hier in de toekomst aan gedaan worden? Wat is de (potentiële) rol van Nederland hierin?

Zie antwoord op vraag 33.

44

De regering constateert terecht een aantal redenen waarom grondstoffenmarkten niet altijd goed functioneren, zoals monopolievorming, het ontbreken van openbare handelsplatformen, overheidsinterventies uit opkomende economieën en machtsconcentratie bij leveranciers. Hoe wil zij tegen deze zaken internationaal optreden?

De invloed van Nederland kent zijn grenzen, daarom is ook het samen optrekken in de EU van belang op dit dossier. Verder is het belangrijk gebruik te maken van internationale gremia zoals de VN, de OECD, Wereldbank en de WTO. Die laatste organisatie biedt ook handvatten om actie te ondernemen tegen landen die handelsbeperkingen opwerpen die de grondstoffenzekerheid beperken of verminderen.

In de bilaterale relaties bepleit Nederland bij belangrijke grondstoffen consumerende en -producerende landen het in stand houden van de internationale vrijhandel. Zo heeft vicepremier Verhagen in mei van dit jaar China bezocht, heeft de Minister van Buitenlandse Zaken onlangs een bezoek afgelegd aan Japan en bezoekt staatssecretaris Bleker van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie begin november India. Tevens heeft de Speciale Gezant Natuurlijke Hulpbronnen o.a. Zuid Afrika, Indonesië, Mongolië, China en de VS bezocht. Eveneens biedt dit een ingang om economische diplomatie te bedrijven richting grondstoffen consumerende en producerende landen die zich (mogelijkerwijs) onttrekken aan het vrijhandelsysteem door de formulering van een mercantilistisch of protectionistisch grondstoffenbeleid.

Het kabinet onderkent tekortkomingen in de global economic governance en draagt er aan bij dat er een constructief debat gevoerd wordt over het signaleren en oplossen van tekortkomingen in global economic governance.

De regering is niet blind voor de soms moeilijke besluitvorming op internationaal niveau. De governance is op wereldschaal niet meegegroeid met de dimensies die markten hebben aangenomen. Dit vereist een inzet op de lange termijn.

45

De regering constateert in het geval van biotische grondstoffen dat schaarste voortvloeit uit kleiner wordende oogsten en verminderde landbouwproductiviteit. Leidt het grootschalig, meerjarig opkopen van landbouwareaal ofwel «landgrabbing» door opkomende economieën (met name China, Arabische landen) voor eigen gebruik ook tot toenemende schaarste op de wereldmarkt?

Zie antwoord op vraag 12.

46

«Landgrabbing» wordt vergemakkelijkt door onduidelijke eigendomsrechten in de desbetreffende ontwikkelingslanden. Welke instrumenten zijn er om de handhaving van de eigendomsrechten te versterken?

Zie antwoord op vraag 12.

47

Wat wordt verstaan onder de afzienbare toekomst?

Zie antwoord op vraag 2.

48

Welke materialen en grondstoffen zijn en blijven voor de ontwikkeling van de Nederlandse economie belangrijk? Welke maatregelen treft de regering om de beschikbaarheid en verkrijgbaarheid van deze materialen en grondstoffen zeker te stellen? Welke rol speelt urban mining?

Zie antwoord op vraag 2.

49

Welk deel van het grondstoffenvoorzieningszekerheid wordt gefinancierd uit het Nederlands OS-budget?

Zie antwoord op vraag 136 en vraag 3.

50

Hoe definieert de regering «directe fysieke schaarste van a-biotische en biotische grondstoffen»?

Zie antwoord op vraag 2.

51

Hoe definieert de regering «voldoende» in deze context? Bijvoorbeeld bij welke R/P ratio aan reserves?

Zie antwoord op vraag 2.

52

De notitie meldt dat er bij biotische grondstoffen sprake is van kleiner wordende oogsten en afname van beschikbaarheid door klimaatverandering en overexploitatie. Om aan de vraag van de toekomst te kunnen voldoen, zal het dubbele moeten worden geproduceerd op de helft van het landbouwareaal (Rabobank, «Impact of Agricultural Price Volatility on Sourcing Strategies»). Welke stappen zet de regering om op een duurzame manier, zonder gebruik te maken van GGO’s, aan die vraag te voldoen?

Het is een van de grote mondiale uitdagingen om aan de toekomstige voedselbehoefte te kunnen voldoen. Daarom ook is voedselzekerheid een van de prioriteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking zoals ook aangekondigd in de focusbrief. De uitwerking van deze prioriteit vindt momenteel plaats, Uw kamer zal hierover binnenkort worden geïnformeerd.

53

Hoe ver bent u met de implementatie van de aangenomen motie El Fassed c.s. (nr. 39 / 32 500 -V) betreffende onderzoek naar de obstakels die Nederland of de EU in het leven kunnen roepen tegen de invoer van grondstoffen die illegaal gewonnen zijn of waarvan de winning gepaard is gegaan met ernstig geweld, mensenrechtenschendingen of milieuschade? Wanneer verwacht u dat het onderzoek zal zijn afgerond en bent u voornemens om de uitkomsten en aanbevelingen van het onderzoek te integreren in het grondstoffen- en energiebeleid? Zo ja, hoe?

T.a.v. de toezegging van Staatssecretaris Knapen in het kader van de overigens verworpen motie El Fassed (TK 32 500, nr. 39) heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken een consortium van TNO, CE-Delft en HCSS opdracht gegeven een quick scan analyse te maken van het krachtenveld rond grondstoffen. Het onderzoeksresultaat werd ruim voor het u toezenden van de Grondstoffennotitie opgeleverd. Dit rapport, getiteld: «Op weg naar een Grondstoffenstrategie» (The Hague Centre for Strategic Studies Nr. 08/06/11), besteedt expliciet aandacht aan de negatieve aspecten van de winning of productie van grondstoffen. De uitkomsten van dit onderzoek zijn bovendien opgenomen in de Grondstoffennotitie. In het bijzonder de actiepunten op bladzijde 14 en 15, refererende aan het Extractive Industries Transparency Initiative, the Natural Resource Charter, het Industrial Technology Research Institute (ITRI) en met name de daaronder geschaarde koepel voor de tinbranche, de Ruggie en Due Diligence Guidelines, geven hier invulling aan. Daarnaast zoekt de regering samenwerking met de Conference of the Great Lakes Region, de Afrikaanse Unie en Duitsland om te komen tot certificering van bepaalde conflict gerelateerde mineralenketens, zoals coltan en tin.

54

Op welke wijze denkt de Nederlandse overheid het fenomeen «landgrabbing» in ontwikkelingslanden te kunnen tegen gaan?

Zie antwoord op vraag 12.

55

Terecht stelt de regering dat «grondstoffen gepolitiseerd» worden «voor het bereiken van buitenlandse economische en politieke doelstellingen, bijvoorbeeld door uitsluiting van levering bij conflicten, als politiek wisselgeld in internationale fora of voor het verkrijgen van investeringen, leningen en handelspreferenties.» Kan de regering ook in kaart brengen voor welke grondstoffen Nederland in hoge mate afhankelijk is van één of enkele landen, die geen lid zijn van de EU, NAVO of OECD – dus geen traditionele bondgenoot van Nederland zijn?

Zie antwoord op vraag 2.

56

Hoe bevordert de regering kader- en randvoorwaarden stellend beleid in opkomende economieën, opdat mondiaal opererende bedrijven uit deze landen ook duurzaam produceren – wat ten goede komt aan de duurzame transitie en de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven?

Het kader voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, de OESO Richtlijnen, geldt ook voor mondiaal opererende bedrijven uit opkomende economieën voor wat betreft hun activiteiten in de 42 landen die de OESO Richtlijnen onderschrijven en hun activiteiten in eigen land met bedrijven uit die 42 landen in bijvoorbeeld de keten. In het kader van zijn proactieve agenda op de OESO Richtlijnen betrekt de werkgroep van het OESO Investeringscomité dan ook actief de overheden van opkomende economieën ter bevordering van het level playing field. Nederland doet dit voorts ook zelf in zijn bilaterale contacten met opkomende economieën tijdens (handels)missies en regulier contact via bijvoorbeeld ambassades.

57

Nederland kan, mits innovatie wordt gestimuleerd, op het gebied van hergebruik en substitutie een leidinggevende rol in Europa spelen. Op het gebied van hergebruik van welke grondstoffen geldt dit?

Met 80% recycling heeft Nederland in algemene zin reeds een leidinggevende rol in Europa. Specifiek heeft Nederland al een voorbeeldrol in het hergebruik van onder meer bouw- en sloopafval. Kansen om een leidinggevende rol in Europa te spelen worden ook gezien op de terreinen van fosfaat, kunststoffen, textiel en apparatuur, grondstoffen die onderwerp zijn in de grondstoffenrotondes.

58

Welke Nederlandse bedrijven zijn «smaakmakend» als het gaat om het toepassen van duurzaamheid en op welke wijze voeren zij dit uit? Welke sector is volgens het kabinet het meest actief als het gaat om het bevorderen van duurzaamheid?

Bedrijven die smaakmakend zijn als het gaat om duurzaamheid zijn bijvoorbeeld de bedrijven die hoog genoteerd staan in de Dow Jones Sustainability Index. Het gaat om bedrijven die duurzaamheid in hun visie, missie en strategie verankerd hebben. Deze bedrijven zijn transparant over hun ambities en nemen hun verantwoordelijkheid en initiatief om ketens te verduurzamen. Het zijn ook bedrijven die bijvoorbeeld partner zijn van MVO Nederland en/of het Initiatief Duurzame Handel (IDH). Het is niet zonder meer mogelijk een vergelijking tussen sectoren te maken. Duurzaamheid is een zeer breed begrip dat door de sectoren verschillend wordt ingevuld.

59

Kan cijfermatig worden onderbouwd waar Nederland staat in de ranglijst van Europese landen als het gaat om het actief bevorderen van hergebruik en substitutie van grondstoffen? Hoe wordt hergebruik en substitutie van grondstoffen gestimuleerd?

Het Europees Milieuagentschap houdt de cijfers van Europese lidstaten nauwkeurig bij. In hun rapportage uit 2010 (The European Environment – State and Outlook 2010, EEA, 2011) laten zij zien dat Nederland zeer goed scoort in vergelijking met andere landen als het gaat om recycling en om het gebruik van grondstoffen per capita.

Het gebruik van secundaire grondstoffen wordt vooral gestimuleerd door recycling financieel aantrekkelijk te maken. Dit gebeurt bijvoorbeeld door het ontmoedigen van alternatieven (bv. stortverboden), door het voorschrijven van minimumstandaarden voor afvalverwerking, door het wegnemen van belemmeringen in regelgeving, door het stellen van ambitieuze doelstellingen voor recycling en door verwijderingsbijdragen algemeen verbindend te verklaren. Verder worden waar mogelijk eisen voor toepassing van grondstoffen zodanig geformuleerd dat inzet van secundaire grondstoffen mogelijk is en vraagt de rijksoverheid bij haar eigen inkoop van bepaalde producten om minimale percentages secundair materiaal.

Voor het onderdeel substitutie in deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 28.

60

Kan de stelling dat Nederland een toonaangevende positie inneemt binnen de offshore grondstoffenwinning cijfermatig worden onderbouwd? Waar is deze stelling op gebaseerd? Op welke plek staat Nederland in de Europese ranglijst voor duurzame energie?

Zie antwoord op vraag 81.

61

Op welke wijze zet Nederland in op een transformatie naar een biobased economy?

De biobased economy kan met de juiste keuzes goed zijn voor de Nederlandse economie, werkgelegenheid, klimaat en milieu. De overgang naar de biobased economy levert grote winst op voor de chemische, agro-, logistieke en energiesector. De marktwaarde voor de EU wordt op € 350–€ 450 miljard per jaar geschat. Ambitie is dat Nederland in de top 3 van de wereld komt op het gebied van biobased economy en dat Nederland de toegangspoort tot Europa wordt voor groene grondstoffen, waarbij duurzaamheid een randvoorwaarde is. Nederland heeft hiervoor een uitstekende uitgangspositie met een excellente kennisinfrastructuur en logistiek en bedrijfsleven dat sector breed aangesloten is.

De topsectoren zullen in samenwerking met kennisinstellingen en overheid in het Innovatiecontract Biobased Economy verder richting geven aan de investeringen in technologieën als vervolg op het Businessplan Biobased Economy.

Eind dit jaar ontvangt u de Strategische Agenda Biobased Economy. Deze agenda bouwt tevens voort op de Kennis- en Innovatieagenda van het WTC, het advies van de Commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biomassa en het advies van de SER en zal eind 2011 naar de Kamer worden toegezonden.

62

Kunnen de analyses die de regering maakt over de EU geïdentificeerde grondstoffen naar de Kamer gezonden worden? Indien nee, waarom niet?

De keuze voor de geïdentificeerde grondstoffen voor Nederland is gebaseerd op de analyse van de Europese Commissie. Voor de overige grondstoffen, zoals goud, tin en fosfaat verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.

63

Wanneer zal de lijst van nationale prioriteiten t.a.v. a-biotische grondstoffen definitief beschikbaar zijn? Welke bedrijven dragen bij aan deze analyse?

Zie antwoord op vraag 2.

64

Waar en hoe komt maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) in beeld en de gevolgen voor people, planet en profit? Wat zijn de concrete doelstellingen op het gebied van MVO?

Zie antwoord op vraag 34.

65

Hoe worden de nieuwe OESO-richtlijnen geïmplementeerd dan wel gekoppeld aan het grondstoffenbeleid? Hoe ziet het tijdpad eruit?

Zie antwoord op vraag 34.

66

In welke mate en hoe worden innovatiemiddelen ingezet om (onderzoek naar) hergebruik van grondstoffen en materialen te stimuleren?

De dreiging van materiaalschaarste enerzijds en de kansen die dit biedt anderzijds worden steeds breder onderkend. De inzet van innovatiemiddelen maakt onderdeel uit van innovatiecontracten die voor het eind van het jaar in samenspraak tussen bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid worden afgesloten. Met het toenemend belang dat vanuit de industrie aan grondstoffen wordt toegekend, verwacht het kabinet dat daar dus ruimschoots aandacht voor zal zijn. Daarnaast kunnen bedrijven natuurlijk gebruik maken van de mogelijkheden die generieke instrumenten bieden, zoals de WBSO en (vanaf 2012) de RDA. In Europa is in het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7) in 2011 en 2012 55 miljoen euro beschikbaar voor hergebruik van grondstoffen en materialen. Daarnaast is in Europa in het Concurrentiekracht en innovatieprogramma (CIP) tot en met 2012 jaarlijks 30 miljoen euro beschikbaar voor eco-innovatie in het MKB. De innovatiecontracten worden zo opgesteld dat optimaal ingespeeld wordt op de (middelen) uit de Europese programma’s.

67

Hoe en waar is recycling opgenomen in het topsectorenbeleid?

De topsectoren Chemie, Agro & Food, Tuinbouw & Uitgangsmaterialen, Energie, Water en Logistiek beschouwen de biobased economy als een belangrijk dwarsdoorsnijdend thema voor het stimuleren van innovatie en economische groei in Nederland. Binnen dit thema stimuleert het kabinet het sluiten van kringlopen, via o.a. pilots en onderzoeken. Vanuit de industrie is er steeds meer aandacht voor recycling.

68

Kunt u toelichten wat u verstaat onder «due diligence»? Kunt u – op concrete wijze – aangeven op welke wijze u de OESO «Due Diligence Guidance for Responsible Supply Chain of Materials from Conflict-Affected and High Risk Areas» en de VN-richtlijnen van Ruggie actief gaat uitdragen, zoals gemeld in de actiepunten van de notitie?

Zie antwoord op vraag 9.

69

Bent u van plan om concrete implementatie van de OESO richtlijnen door voorlichting voor bedrijven en monitoring onder meer door Nationaal Contact Punt te versterken? Zo nee, waarom niet?

Zie antwoord op vraag 34.

70

Op basis van welke afwegingen heeft u besloten om de door Nederland ondertekende – Voluntary Principles on Security and Human Rights (VPs)- niet op te nemen in de genoemde internationale standaarden en richtlijnen? Ziet u obstakels om VPs alsnog toe te voegen aan de genoemde standaarden en richtlijnen?

In de Buitengewone Plenaire Vergadering van de VP´s, die afgelopen 15 en 16 september werd gehouden in Ottawa, is besloten de VP´s rechtspersoonlijkheid onder Nederlands recht te geven. Hiermee wordt de organisatie van dit initiatief in sterke mate geprofessionaliseerd, hetgeen zal helpen de drie thema´s van de VP’s Vision Statement uit 2010 te verwezenlijken: meer leden, meer rekenschap en actieve bevordering van respect voor de mensenrechten. Tegelijkertijd laat het nog meer zien dat Nederland serieus werk maakt van het bijdragen aan de discussie over mensenrechten en het bedrijfsleven. De VP’s passen dan ook in het rijtje aan internationale standaarden en richtlijnen die al in de Grondstoffennotitie waren opgenomen.

De VP’s betreffen een specifiek onderwerp binnen de bedrijfsverantwoordelijkheid met betrekking tot mensenrechten, op zichzelf al een deelonderwerp binnen MVO. Het gaat om het respect voor de mensenrechten bij de – private of publieke – beveiliging van bedrijfsterreinen en faciliteiten, dat bemoeilijkt wordt in conflictgebieden. Daarom is het bij het aantrekken van meer leden het belangrijkst dat landen die geteisterd worden door conflict als nieuwe leden aan worden getrokken. Nederland zal in het kader van de Commissiemededeling over Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen bepleiten dat de EU en Lidstaten lid worden van de VP’s.

In het kader van het streven naar meer rekenschap – «accountability» – heeft Nederland zijn steun uitgesproken voor een pilot project ter ontwikkeling van indicatoren voor de praktische naleving van de Voluntary Principles. Dit project, waaraan VP-leden uit zowel bedrijven, overheden als NGO’s meedoen, zal volgend jaar van start gaan.

71

Is Nederland op internationaal niveau actief om naleving van de Voluntary Principles te bevorderen en het aantal ondertekenaars te vergroten? Ziet u mogelijkheden om te bevorderen dat de EU de VPs zou ondertekenen?

Zie antwoord op vraag 70.

72

Welke acties onderneemt de regering op het gebied van preventie van onnodig gebruik/ verbruik van grondstoffen door bedrijfsleven en consumenten?

In de bijlage bij de brief «Meer waarde uit afval» van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 25 augustus 2011 (30 872, nr. 79) zijn diverse acties opgenomen op het gebied van preventie. Het gaat daarbij om acties die de consument moeten wijzen op nut en noodzaak van preventie en afvalscheiding, zo nodig met gebruikmaking van nieuwe media. Onder meer zal worden gekeken naar mogelijkheden tot beperking van in het oog springende verspilling zoals reclamemateriaal, gratis tasjes, kunststofwikkels en het weggooien van voedsel. Tenslotte zal een nationaal afvalpreventieplan worden opgesteld dat een meer programmatische aanpak van preventie zal nastreven.

73

Welke initiatieven onderneemt de Nederlandse regering om gestorte grondstoffen te herwinnen? Welke initiatieven onderneemt de Nederlandse regering om te voorkomen dat veel waardevolle grondstoffen, bijvoorbeeld aanwezig in kleine elektrische en elektronische apparaten worden verbrand?

Het herwinnen van gestorte grondstoffen is op dit moment economisch gezien nog niet interessant. Dat kan in de toekomst veranderen door nieuwe technologieën, stijgende prijzen voor bepaalde grondstoffen en het vervallen van de stortbelasting (zodat het op een andere stortplaats storten van afgegraven, niet herbruikbaar afval goedkoper wordt). Het is aan de markt en andere overheden (provincies zijn verantwoordelijk voor gesloten stortplaatsen) om tot herwinnen van eerder gestorte afvalstoffen over te gaan, waarbij de marktprijzen van bepaalde materialen een belangrijke rol zullen spelen.

In antwoord op het tweede deel van de vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 97 en naar de brief «Meer waarde uit afval» die de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu op 25 augustus 2011 aan uw Kamer heeft gestuurd (30 873, nr. 79). In deze brief zijn onder meer initiatieven opgenomen om meer (kleine) apparaten in te zamelen.

Daarnaast is het bedrijfsleven binnen de bestaande rotonde voor elektrische apparaten aan het verkennen of zeldzame aarden uit tl-verlichting en spaarlampen als grondstof teruggebracht kunnen worden op de rotonde. Voor fosfaat gaat er een nieuwe rotonde starten. Op 4 oktober 2011 sloten marktpartijen, kennisinstellingen en overheid een ketenakkoord af dat tot doel heeft binnen twee jaar een duurzame markt voor secundaire fosfaatgrondstoffen te ontwikkelen, waardoor de fosfaatkringloop in Nederland wordt gesloten. Als nuttige nutriënten uit voedselafval, mest, rioolwater en slib op die manier worden hergebruikt, hoeft schaarse, te delven fosfaat niet meer te worden geïmporteerd voor het maken van kunstmest.

Overigens worden metalen, bijvoorbeeld die afkomstig zijn uit apparatuur, ook uit de bodemassen van afvalverbrandingsinstallaties teruggewonnen.

74

Hoe verhoudt de overcapaciteit die Nederland heeft in de verbrandingsovens zich tot recyclingindustrie die Nederland nastreeft?

In het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) is vastgelegd welke afvalstoffen moeten worden gerecycled en welke mogen worden verbrand. Daarmee wordt de verhouding tussen recycling en verbranden geregeld. Overigens wordt al zo’n 80% van ons afval gerecycled en 16% verbrand. De overcapaciteit bij de AVI’s ligt volgens de betreffende sector tussen de 750 000 en 1 000 000 ton, wat overeenkomt met ongeveer 1,5% van het totaal afvalaanbod. Een deel van die overcapaciteit wordt inmiddels gevuld met afval uit het buitenland. Dat betekent dat de overcapaciteit zo’n 1%-punt invloed kan hebben op het recyclingpercentage van 80%.

75

Welke concrete stappen zetten Nederland en Europa en welke stappen zijn reeds gezet om te voorkomen dat meer staatskapitalistische economieën maatregelen nemen om hun grondstoffenvoorziening zeker te stellen, waarbij vrijhandel wordt beperkt?

Zie antwoord op vraag 33.

76

Kunt u ingaan op de groeiende steun voor het stellen van minimumeisen aan het tegengaan van negatieve consequenties bij productie van grondstoffen en de wijze waarop wordt bevorderd dat deze door een zo groot mogelijk aantal landen worden gerespecteerd?

Die steun is er inderdaad, zoals bleek uit de unanieme bekrachtiging door de VN Mensenrechtenraad van de Guiding Principles van Professor Ruggie. De discussie over mensenrechten en het bedrijfsleven vindt zijn oorsprong voor een groot deel in de negatieve consequenties van de grondstoffenproductie op milieu en lokale volkeren. Bedrijven uit de grondstoffensector hebben dan ook bijgedragen aan het werk van Professor Ruggie.

In diverse andere gremia – algemene en grondstoffenspecifieke – waar Nederland in participeert of waaraan Nederland steun verleent, wordt eveneens gestreefd naar het terugdringen of voorkomen van deze negatieve consequenties. Hierbij kunt u denken aan het OESO Investeringscomité, de OESO Richtlijnen, OESO Due Diligence guidance for minerals trade, het Kimberley Proces, de Voluntary Principles for Security and Human Rights en het regionale initiatief tot grondstoffencertificering van de International Conference on the Great Lakes Region. Bovendien is Milieu Effect Rapportage wereldwijd het meest gebruikte, bij wet vastgelegde instrument om de milieugevolgen van economische activiteiten adequaat te adresseren. In vrijwel alle landen is MER voor investeringen met een grote milieu en sociale impact verplicht. Nederland steunt de Commissie MER met € 7,5 miljoen voor de periode 2006–2011.

77

Kunt u aangeven hoe groot de mogelijke meerwaarde is («kansen», «leidinggevende rol in Europa») waarmee de beleidsinzet onderbouwd wordt voor het Nederlandse bedrijfsleven? Zijn hier schattingen van?

Zie antwoord op vraag 94.

78

Op pagina 7 geeft de regering aan dat internationale afspraken en regels vaker genegeerd worden en dat het Nederlandse beleid nog sterker gericht dient te zijn op het bevorderen van internationaal gerespecteerde spelregels en effectieve multilaterale kaders. Op welke manier gaat de regering de naleving verbeteren?

Zie antwoord op vraag 16.

79

Op welke manier staat de regering ervoor in dat duurzaam gebruik kan worden voortgezet, zonder afwenteling van negatieve aspecten op milieu en biodiversiteit, op andere regio’s in de wereld of toekomstige generaties?

De regering alleen kan hier niet voor instaan; dit is een verantwoordelijkheid van alle maatschappelijke partners samen. Bovendien betreft het een mondiale uitdaging. Het kabinet neemt de facilitering van de verduurzaming van het eigen Nederlandse grondstoffengebruik op zich, zonder afwenteling naar andere regio’s en generaties. Alle in de grondstoffennotitie genoemde elementen van beleid (gericht op vraag, aanbod en gebruik), evenals overigens ander beleid zoals bijvoorbeeld genoemd in de Agenda duurzaamheid, zijn nodig om dit te bewerkstelligen.

80

Welke rol speelt de mogelijke meerwaarde voor het milieu in het bepalen van de nationale prioriteiten ten aanzien van grondstoffenschaarste?

Het nationale grondstoffenbeleid is gebaseerd op de drie P’s van People, Planet and Profit en neemt in haar prioriteitsstelling milieuafwegingen integraal mee. Nederland kijkt daarbij voorbij de eigen landsgrenzen naar de effecten in de landen van winning en productie (zie bijvoorbeeld de CE-studie «Nederland importland – landgebruik en emissies van grondstofstromen»5). Voor een gelijk speelveld is het wenselijk dat andere Europese landen dit ook doen (zie vraag 84). Nederland zal dit punt inbrengen in het EU-traject van de Roadmap to a Resource Efficient Europe.

81

Er zijn kansen ten aanzien van de primaire productie van grondstoffen omdat Nederland een toonaangevende positie inneemt binnen de offshore grondstoffenwinning. Welke grondstoffen worden door Nederland offshore gewonnen? Hoe kan Nederland haar grondstoffenzekerheid ten aanzien van deze grondstoffen verbeteren?

Met een omzet van 26 miljard euro, 12 000 bedrijven, 185 300 werknemers en een exportquote van 60% kent Nederland een van de sterkste maritieme clusters in de wereld. Binnen de maritieme sector vormt de offshore een belangrijke deelsector. In de periode tussen 2006 en 2010 kende de offshore binnen een omzet van gemiddeld 358 miljoen euro per jaar en verwacht zij een sterke omzetstijging van 5% voor het komende jaar. Gewonnen grondstoffen zijn onder andere aardolie, aardgas, zand maar metalen en mineralen uit de diepzee komen ook in beeld. De topsector Water heeft winning op zee als een van haar de zeven speerpunten benoemd met als show case «deep mining». De komende jaren zullen de bedrijven, kennisinstellingen en de overheid zich hiervoor gaan inzetten. Zo zal het kabinet in 2012 samen met de maritieme sector de belemmeringen in internationale regelgeving op het vlak van innovatie en export in kaart brengen (o.a. internationale regelgeving inzake grondstoffenwinning op zee).

82

De regering gaat in haar analyses vooralsnog uit van de 41 door de EU geïdentificeerde grondstoffen, aangevuld met fosfaat, goud en tin. Waarom is ervoor gekozen de 41 door de EU geïdentificeerde grondstoffen aan te vullen met fosfaat, goud en tin?

Zie antwoord op vraag 2.

83

Op het vlak van a-biotische grondstoffen voor de eigen industrie is Nederland vooral een grote importeur van halffabricaten. Zijn de voornaamste toeleveranciers aan Nederland op het gebied van halffabricaten in kaart gebracht?

Voor abiotische grondstoffen geldt dat ze voornamelijk als onderdeel van halffabricaten en eindproducten onze grenzen binnenkomen. De verdeling van de geïmporteerde waarde in Euro’s van de binnenlandse import is respectievelijk 9,3% voor grondstoffen, 61,7% voor halffabricaten en 29,0% voor eindproducten. De belangrijkste toeleveranciers aan Nederland op het gebied van halffabricaten zijn Duitsland, de Verenigde Staten, China, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

84

Waarom bestaat voor biotische grondstoffen nog geen Europese prioriteitsstelling? Kunt u dit nader verklaren? Welke gevolgen (positief en negatief) heeft het ontbreken van een dergelijke prioriteitsstelling voor biotische grondstoffen?

Er bestaat geen EU prioriteitsstelling voor biotische grondstoffen, omdat per EU lidstaat verschillende grondstoffen belangrijk zijn. Bijvoorbeeld jute is voor Duitsland interessant vanwege de auto-industrie (autobanden), olijfolie is juist weer van belang voor bijvoorbeeld Italië, Griekenland en Spanje. Wel vindt er regelmatig overleg plaats in Brussel, om indien gewenst een EU standpunt met betrekking tot een bepaalde grondstof in te nemen ten behoeve van internationale grondstof gremia: de International Commodity Bodies. Zie ook vraag 80.

85

Ziet u goedkopere tarieven voor duurzame grondstoffen als innovatief middel om de doorvoer van duurzame grondstoffen te stimuleren? Zo nee, waarom niet?

Het is niet mogelijk om deze vraag met een simpel ja of nee te beantwoorden. Dit heeft onder meer te maken met de verschillende invullingen van het begrip «duurzaamheid». Er is geen mondiale norm die duurzaamheid in al zijn veelzijdigheid definieert. «Duurzaam» is daarmee geen objectief, noch een statisch begrip.

Het maken van onderscheid tussen soortgelijke producten op basis van productiemethode ligt internationaal uitermate gevoelig.

Ook zijn er samenwerkingsverbanden van bedrijven met maatschappelijke organisaties, bijvoorbeeld round tables, die duurzaamheidstandaarden ontwikkelen.

Daarnaast kunnen overheden binnen de randvoorwaarden van multilaterale handelskaders duurzaamheids-eisen aan producten stellen, bijvoorbeeld om invulling te geven aan internationale milieuverdragen.

Veel (ontwikkelings-)landen zijn van oordeel dat met name westerse landen de in multilateraal kader gerealiseerde afbouw van tarieven vervangen door zgn. «non tarifaire belemmeringen» in de vorm van bijvoorbeeld duurzaamheidscriteria. Zeker in het geval zij niet kunnen voldoen aan deze criteria zullen zij dit als een vorm van ongerechtvaardigd protectionisme beschouwen. De Regering is van oordeel dat het zinvoller en effectiever is om in te blijven zetten op het ontwikkelen van internationale standaarden, die door marktpartijen gebruikt kunnen worden bij het formuleren van hun aankoopbeleid.

Daarom is de Regering bereid een Europees initiatief te ondersteunen dat duurzaamheidscriteria en de daarbij behorende tarieven onderdeel maakt van de onderhandelingen over vrijhandelsakkoorden tussen de EU en derde landen.

86

Welke visie heeft de regering op het verminderen van consumptie in plaats van het zoeken naar alternatieven om aan de toenemende vraag te kunnen voldoen?

De regering streeft niet in de eerste plaats naar het verminderen van consumptie, maar naar het verduurzamen van de vraag. Het zoeken naar duurzame alternatieven is daarvoor een belangrijke oplossingsrichting. Verminderen van de consumptie is met name nodig voor niet-duurzaam geproduceerde of gewonnen grondstoffen.

87

Kunt u ingaan op de kansen die grondstoffenschaarste voor Nederland biedt en hoe deze kunnen worden omgezet in een comparatief voordeel?

Zie antwoord op vraag 94.

88

Is het mogelijk de relatieve afhankelijkheid van ingevoerde biotische en a-biotische grondstoffen te kwantificeren?

Zie antwoord op vraag 2.

89

De regering schrijft: «Waar toegang tot schaarsere grondstoffen moeizamer wordt, neemt het belang van hergebruik en substitutie immers toe. Hoe verhoudt dat zich tot het afschaffen van de verpakkingenbelasting? Is de regering het ermee eens dat statiegeld een belangrijke rol speelt in het hergebruik van PET-flessen en daarmee in het hergebruik van grondstoffen?

De verpakkingenbelasting is afgeschaft onder de voorwaarde dat er een werkbaar alternatief systeem komt. Hergebruik en substitutie zijn belangrijk en maken derhalve onderdeel uit van het nieuw te ontwikkelen alternatief. Als het nieuwe systeem niet voldoet dan zal het kabinet de afschaffing heroverwegen. Vandaar dat deze aanvulling op de afschaffing in het belastingplan 2012 is opgenomen.

Daarnaast heeft CE Delft in 2010 in opdracht van het ministerie van Financiën een evaluatie van de milieueffecten van de (naar broeikasgasemissies gedifferentieerde) verpakkingenbelasting uitgevoerd. De conclusie was dat er geen preventieve werking uitging van de huidige vorm van de verpakkingenbelasting.

Statiegeld speelt inderdaad een belangrijke rol in het hergebruik van PET-flessen. Het aandeel hergebruik van PET-flessen in het totale hergebruik van kunststofverpakkingen is 12%.

90

Hoeveel ruimte is er in Nederland en Europa om aan de vraag naar de grondstoffen, zoals genoemd in de tabel op pagina 8, vanuit de Nederlandse topsectoren te voldoen? Kunnen Nederland en Europa bij grondstoffen als hout, biomassa, veen en soja/eiwitrijke gewassen (meer) in de eigen behoefte voorzien? Is dat het streven? Zo ja, hoe wordt dat ondersteund?

Wat betreft soja/eiwitrijke gewassen, in augustus 2010 is door de WUR een rapport uitgebracht over een onderzoek: Verkenning naar de mogelijkheden van eiwithoudende teelten in Europa. Het rapport is gemaakt naar aanleiding van een eerdere Kamermotie Waalkens/Cramer, waarin de regering verzocht is een verkenning uit te voeren naar de mogelijkheid eiwithoudende gewassen te telen binnen Europa als alternatief voor soja-importen uit Zuid Amerika en de VS. Wat betreft de gewaskeuze gaat het dan grosso modo om erwten, veldbonen en lupinen die daarvoor in aanmerking komen. Het beeld dat naar voren komt is dat, hoewel theoretisch er voldoende areaal beschikbaar is om aan de Nederlandse vraag naar eiwitgrondstoffen te voldoen, dit zeker op korte tot middellange termijn niet realistisch is vanwege de (veel) hogere saldi voor granen en het feit dat de meest concurrerende productiegebieden voor de eiwithoudende gewassen ten opzichte van granen in Oost-Europa liggen, waarbij met name de transportkosten zo hoog zijn, dat deze in dezelfde orde van grootte liggen als bulkvervoer uit Zuid-Amerika. Daarbij komt tevens dat de onderzochte alternatieve gewassen gezien hun aminozuursamenstelling geen volwaardige vervanging in bijvoorbeeld diervoeders opleveren, maar eerder gezien moeten worden als energiegewas en daarmee in feite concurreren met granen, die op dat punt echter veel efficiëntere gewassen bieden.

Ander WUR-onderzoek in 2010 naar het sojaverbruik in Nederland heeft opgeleverd dat in Nederland bijna 2 miljoen ton sojaproduct wordt verwerkt, waarvan ca. 1.8 miljoen ton in de veevoeding en ca. 0,13 miljoen ton voor humaan en technisch gebruik. Hiervoor is in totaal (mondiaal) een teeltoppervlakte van ca. 700 000 ha sojabonen nodig. Van de totale productie aan melk, vlees en eieren in Nederland wordt ca. 2/3 deel weer uitgevoerd, zodat netto voor het binnenlands verbruik ca. 550 000 ton sojaproduct nodig is (omgerekend ca. 230 000 ha). Deze ruimte is in Nederland niet beschikbaar, naast het feit dat alle alternatieven aanzienlijk minder efficiënt zijn, dus een groter ruimtebeslag vragen in NL of elders in Europa.

Wat betreft de productie van hout moet worden vastgesteld dat de volumes hout die Nederland gebruikt en doorvoert en de soorten hout die gebruikt wordt niet op elkaar aansluiten. Nederland kent geen grootschalige bosplantages. Het meeste geproduceerde hout komt uit het onderhoud van natuurgebieden en is slechts beperkt inzetbaar als grondstof voor de papierindustrie of voor toepassingen in constructie of de weg- en waterbouw. Veel van het hout dat in de papiersector wordt gebruikt komt uit Scandinavië en Rusland, houtsoorten die in constructie of de weg en waterbouw worden toegepast zijn veelal tropisch van origine, vanwege de hardheid, duurzaamheid en paalworm resistentie van deze soorten.

De mogelijkheden om Nederlands hout in te zetten als biomassa zijn groter, al dient daarbij wel te worden aan getekend de hoeveelheid houtige biomassa die gebruikt kan worden voor bijvoorbeeld de bijstook in energiecentrales veel groter is dan wat het huidige Nederlandse bosareaal kan leveren. Nederland streeft er daarom naar om meer hout en biomassa te oogsten binnen de noodzakelijk randvoorwaarden voor het behoud van biodiversiteit. Daarbij wordt ernaar gestreefd deze grondstoffen zo hoogwaardig mogelijk te benutten en zo mogelijk alleen restproducten aan te wenden voor energieopwekking. De Regering ondersteunt dit streven door belemmeringen in wet- en regelgeving weg te nemen en nieuwe ketens in de regio tot stand te brengen via pilot projecten. Ook wordt ingezet op het vormen van nieuwe product-markt combinaties in het kader van de ontwikkeling van de biobased economy.

Wat betreft veen kan Europa op dit moment in haar eigen behoefte voorzien waar het gaat om bestemming voor de substraatindustrie. Veen invoer van buiten de EU vindt niet of nauwelijks plaats. Veen zal ook de komende jaren beschikbaar blijven maar de beschikbaarheid zal op de middellange termijn afnemen omdat de voorraad beperkt is en te deels een beschermde status kent in de vorm van Natura2000. De behoefte naar alternatieven voor veen zal daarom de komende jaren toenemen waarbij tal van reststromen als alternatief in beeld komen zoals palmvezels, schors en compost. Deze zullen ook van buiten de EU komen. Duurzame beschikbaarheid is daarbij doorslaggevend, zelfvoorziening is geen op zich zelf staande ambitie.

91

Waar de markt niet goed werkt, zal de Nederlandse overheid via gepaste kanalen interveniëren om de grondstofaanvoer zeker te stellen. Kunt u enkele van deze imperfecties van de markt benoemen?

Zie antwoord op vraag 92.

92

Op welke wijze wordt bepaald of «de markt niet goed werkt»? Wiens analyse ligt hieraan ten grondslag?

Indicaties voor een suboptimale werking van de markt kunnen uit meerdere bronnen komen. Bedrijven, overheden, internationale organisaties en onderzoekers volgen allen de ontwikkelingen op de verschillende markten voor grondstoffen. Belangrijk is om bij signalen van suboptimale werking van markten te onderzoeken wat de oorzaken zijn en hoe deze kunnen worden weggenomen. Oorzaken van suboptimale allocatie van grondstoffen via de markt kunnen zeer divers zijn, bijvoorbeeld doordat een aanzienlijk deel van het aanbod buiten de markt gehouden wordt. Voorts kan het zijn dat marktprijzen milieukosten en sociale kosten niet of niet volledig internaliseren.

93

Wat wordt verstaan onder «specifieke kansen»?

Zie antwoord op vraag 94.

94

Op welke wijze gaat dit kabinet de bewustwording van de mogelijke bedreigingen en kansen die het grondstofvraagstuk oproept uitdragen? Is zij ook van plan om deze bewustwording bij consumenten te stimuleren? Zo ja, hoe gaat dit vormgegeven worden?

Met de grondstoffennotitie is een aftrap gegeven om lopende initiatieven in kaart te brengen en verder te verbinden, als ook de bewustwording rond grondstoffenschaarste te vergroten binnen en buiten het bedrijfsleven. Nederland heeft een sterke reputatie op het gebied van recycling, zowel beleid- als bedrijfsmatig. In Europa lopen wij qua recyclinginfrastructuur voorop en van dit comparatieve voordeel moeten we gebruik maken. Verder hebben Nederlandse bedrijven op verschillende terreinen expertise in huis waar bij hogere grondstofprijzen meer vraag naar zal zijn. Daarbij kan worden gedacht aan kennis over fosfaatterugwinning uit onder andere afvalwater en kennis over recycling van allerlei soorten afval zoals bouw- en sloopafval, autowrakken en batterijen. Verder heeft onze agrofood-sector met bijbehorende kennisinstellingen een internationale voorsprong in hoogproductieve landbouw. Schaarsten op de grondstoffenmarkt bieden kansen voor Nederland om genoemde kennis verder uit te bouwen en te exporteren.

De Nederlandse overheid trekt samen op met het bedrijfsleven. Zo wordt er op 7 december 2011 met het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en andere overheden een grondstoffenconferentie georganiseerd. Het doel is het grondstoffenvraagstuk gezamenlijk te agenderen en te zoeken naar duurzame oplossingen binnen een veranderende wereldorde. Bedreigingen en kansen komen daarbij expliciet aan de orde. Maar ook wordt er intensief samengewerkt met het georganiseerde bedrijfsleven als ook individuele bedrijven, worden maatschappelijke organisaties regelmatig betrokken bij de vormgeving en voortgang van de acties en neemt de overheid deel aan het Platform Materiaalschaarste. Consumenten worden niet specifiek als doelgroep betrokken, aangezien gebleken is dat informatie over zeer complexe vraagstukken weinig weinig tot geen effect heeft op het koopgedrag. Wel worden er acties gericht op consumenten om hen te wijzen op nut en noodzaak van preventie en afvalscheiding, zo nodig met gebruikmaking van nieuwe media. Ondermeer zal worden gekeken naar mogelijkheden tot beperking van in het oog springende verspilling zoals reclamemateriaal, gratis tasjes, kunststofwikkels en het weggooien van voedsel. In de Afvalbrief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 25 augustus 2011 aan de Tweede Kamer (TK 30 872, nr. 79) zijn diverse acties opgenomen die zicht richten op de consument.

95

Hoe gaat de regering de behoeften van de markt aanpassen aan de beschikbaarheid van grondstoffen? Welke doelgroepen kiest de regering en waarom? Wordt daarbij extra aandacht besteed aan niet-duurzame consumptie en het onder controle brengen van behoeften aan producten die relatief veel zeldzame grondstoffen bevatten zoals bijvoorbeeld «smart phones» ?

In de grondstoffennotitie is het kabinet er vanuit gegaan dat het bedrijfsleven primair aan zet is en dat de overheid vooral kan faciliteren, stimuleren, kaders stellen en coördineren. Daarbij zet het Kabinet primair in op het in stand houden van het open handelssysteem. Vrijhandel is immers cruciaal voor Nederland als belangrijk doorvoerland. Ook wordt de grondstoffenschaarste als expliciete kans gezien. Het Kabinet wil innovatie, hergebruik en substitutie stimuleren opdat Nederland in Europa hierop een leidende rol kan spelen. Het gaat hierbij niet om het beperken of controleren maar om het creëren van mogelijkheden op het gebied van duurzame innovatie, hergebruik en substitutie. Een manier om dit te doen is het wegnemen van belemmerende regelgeving op het gebied van bijvoorbeeld afvalbeleid maar ook via het innovatief en duurzaam inkopen door overheden. Hierbij gaat het om maatwerk, waarbij het bedrijfsleven concrete knelpunten benoemt en het kabinet die voortvarend aanpakt zoals ook in de Bedrijfslevenbrief te lezen is.

96

Welke kansen en bedreigingen ziet de regering m.b.t. het grondstoffenvraagstuk, zowel voor de korte als de lange termijn?

Zie antwoord op vraag 94 en vraag 2.

97

Op welke manieren stimuleert de regering het gebruik van secundaire grondstoffen?

Zie antwoord op vraag 59.

98

Op welke wijze zet de Nederlandse regering zich ook binnen de EU en andere internationale fora in voor het vergroten van transparantie over contracten en financiële stromen (bijv. country by country reporting)?

Nederland is voorstander van transparantie en streeft naar internationale afspraken die gelden voor alle internationaal opererende bedrijven. Voor landen met een relatief internationaal georiënteerd bedrijfsleven, zoals Nederland, is een gelijk speelveld immers van groot belang. Landen die eenzijdig country-by-country reporting voorschriften opleggen aan hun bedrijfsleven zouden immers hun bedrijfsleven confronteren met een ongelijk speelveld ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten die een vergelijkbare verplichting niet opgelegd krijgen.

Daarom is Nederland actief betrokken bij multilaterale initiatieven op dit gebied. Zo is in de OECD Informal Task Force on Tax and Development het onderwerp country-by-country reporting één van vier speerpunten in het kader van het bevorderen van belastingheffing in ontwikkelingslanden («domestic resource mobilization»). Onder meer wordt in een werkgroep waarin naast overheden ook NGO’s en het bedrijfsleven participeren, gekeken naar cost-benefit-inschattingen rond grotere fiscale transparantie.

Daarnaast zal de Europese Commissie dit najaar met voorstellen komen om de EU Transparantie en Accounting Richtlijnen betreffende de transparantievereisten op het onderdeel van de financiële rapportageverplichtingen door multinationale ondernemingen aan te vullen. Een Europese aanpak zou het speelveld in de EU gelijk helpen te houden. Hoewel Nederland de voorstellen wil afwachten alvorens met een standpunt te komen, wil het kabinet benadrukken de voorstellen met een positieve en constructieve grondhouding tegemoet te zien. Daarbij geldt dat Nederland waarde hecht aan een coherent beleid dat rekening houdt met de belangen van ontwikkelingslanden bij het bevorderen van transparantie in kapitaalstromen, zoals mede geagendeerd door de G20 en de OESO.

99

Is het kabinet voornemens een deel van de voorziene financiële steun aan internationale initiatieven ten goede te laten komen aan maatschappelijke organisaties in grondstoffenproducerende arme landen die direct en/of indirect deel uitmaken van deze initiatieven? Zo ja, voor welke initiatieven? Welke typen organisaties? Voor welke activiteiten? Zo nee, waarom niet?

Zie antwoord op vraag 3.

100

Hoe ziet de regering de rol van intelligent design als het gaat om grondstoffenschaarste, zowel op Nederlands als op Europees niveau?

In de levenscyclus van producten is de ontwerpfase van belang voor vrijwel alle effecten, van economisch tot ecologisch, die een product heeft. Zoals bij productie, distributie, in de gebruiksfase, het afvalstadium, bij recycling en bij de keuze voor het gebruik van grondstoffen. Idealiter kunnen in het ontwerpstadium de meest optimale keuzes worden gemaakt voor het zo beperkt mogelijk houden van al deze effecten. Het is dus evident dat intelligent design een rol heeft in verduurzaming van producten, het terugdringen van primair grondstoffengebruik en het zo lang mogelijk in de economie houden van materialen via optimale recyclingeigenschappen van de producten zelf.

Het toepassen van intelligent ontwerpen, ook wel ecologisch ontwerpen genoemd, wordt via enkele nationale projecten gestimuleerd in Nederland. Zo stimuleert de Vereniging FME-CWM haar leden tot het benutten van eco-design als uitgangspunt voor verduurzaming van zowel producten als bedrijfsvoering. De aanpak verloopt via branchespecifieke bijeenkomsten waarin met concrete voorbeelden bewustwording wordt gecreëerd en bedrijven worden aangezet tot het structureel toepassen van eco-design als concept. Een ander project speelt in de ontwerpsector en wordt uitgevoerd door de Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers. In dit project is de zogeheten Groene Offerte ontwikkeld om het voor zowel ontwerpers als opdrachtgevers mogelijk te maken om in het ontwerpproces rekening te houden met de milieu- en duurzaamheidsdimensie. Op Europees niveau is in het kader van de herziening van de EU Richtlijn Eco-design discussie gaande over uitbreiding van de reikwijdte van de richtlijn en de integratie van aspecten rond materiaal- en grondstoffengebruik in de eco-design methodiek. Het kabinet ondersteunt een verbreding van de werkingssfeer van de richtlijn en de verankering van duurzaam grondstoffengebruik in de methodiek.

101

Welke maatregelen neemt de overheid om het bedrijfsleven te stimuleren om efficiënter te gaan werken? Overweegt de regering om efficiëntiedoelstellingen te introduceren? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet?

Zie antwoord op vraag 28.

102

Kunt u toelichten of op halffabricaten door de EU importheffingen worden geheven? Is het bijvoorbeeld juist dat onder GSP er nog steeds importheffingen plaatsvinden voor aluminium? Zo ja, vindt u dit wenselijk?

Er zijn halffabricaten waar de EU een importheffing op heft. Dit verschilt echter van product tot product. De gemiddelde EU importheffing op industriële producten ligt relatief laag met 2.4%.

Wat betreft aluminium verschilt het tarief ook per soort product. Zo zijn er aluminiumproducten – zoals slijpsel – welke altijd tegen een nul-tarief de EU binnenkomen. Primaire aluminiumlegeringen kennen daarentegen een importtarief van 6%. Een deel van de aluminiumproducten (bijvoorbeeld poeders en staven) valt onder het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS) waarmee een tariefkorting van 3,5 procentpunt wordt toegepast op deze producten wanneer zij worden geimporteerd uit de landen die onder het APS vallen. Het tarief op deze producten wordt daarmee verlaagd van 7,5% naar 4%. Binnen het APS kent de EU de Everything But Arms regeling, waaronder minst ontwikkelde landen alle producten behalve wapens tariefvrij en quotavrij naar de EU kunnen exporteren. Deze regeling is ook van toepassing op aluminium producten en halffabricaten.

De Nederlandse regering is voorstander van het handhaven van de huidige aluminiumheffingen.

103

Op welke wijze zal de Speciale Vertegenwoordiger Natuurlijke Hulpbronnen bijdragen aan het ondersteunen van het Nederlandse bedrijfsleven ter bevordering van grondstoffenvoorzieningszekerheid?

De Speciale Vertegenwoordiger is in dialoog met het Nederlands bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties. Daarnaast zorgt hij op Europees niveau, in Brussel en bilateraal met lidstaten als Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk voor beleidsafstemming. Tenslotte zal hij relaties met grondstof producerende landen verbreden en verdiepen.

104

Welke samenwerking bestaat er al op het gebied van schaarse grondstoffen tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven?

Zie antwoord op vraag 28.

105

Wanneer begint Speciale Vertegenwoordiger van Natuurlijke Hulpbronnen met zijn werkzaamheden?

De Speciale Vertegenwoordiger Natuurlijke Hulpbronnen (SVNH) is begin van de zomer 2011 met zijn werkzaamheden begonnen.

106

Op welke wijze gaat Nederland aansluiting zoeken bij het wetsvoorstel van de Europese Commissie om tot een Europese Transparantierichtlijn te komen?

Zie antwoord op vraag 98.

107

In hoeverre is er op dit moment sprake van een level playing field op Europees niveau op het gebied van milieu- energie en materiaal doelstellingen?

In EU-kader zijn op het terrein van energie en klimaat doelstellingen met de daarbij behorende regelgeving vastgesteld voor CO2-uitstoot, energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen. Ook is er EU-wetgeving op het gebied van milieu en afval. Dat betekent dat alle betrokkenen hebben te voldoen aan dezelfde vereisten. Voor materialen is er nog geen sprake van uniform beleid. De eerste stappen richting harmonisatie van beleid zijn door de Europese Commissie gezet in de Roadmap to a Resource Efficient Europe. Daarin staat onder meer dat de Europese Commissie met de lidstaten indicatoren voor een duurzaam grondstoffengebruik wil ontwikkelen als eerste stap richting EU-doelstellingen.

108

Op welke manier wordt de expertise van Nederland op het gebied van recycling elders in Europa ingezet? Hoe wordt dat gestimuleerd?

Sims Recycling Solutions, een van oorsprong Nederlands bedrijf dat apparatuur recyclet, heeft de afgelopen jaren diverse vestigingen in het buitenland geopend, waar men de in Nederland opgedane kennis uitgebreid heeft benut. Nederlandse sorteertechnieken op het terrein van afgedankte batterijen zijn geëxporteerd naar een aantal EU-landen. Ook Nederlandse kennis op het terrein van autorecycling wordt geëxporteerd. Deze voorbeelden zijn initiatieven van de markt. De overheid bevordert een internationaal gelijk speelveld waardoor andere landen behoefte krijgen aan de Nederlandse expertise. Bijvoorbeeld door hoge (door Nederland reeds gehaalde) recyclingdoelen af te spreken op EU-niveau. Ook zal de regering in EU-verband pleiten voor het gebruik van minimumstandaarden voor afvalverwijdering zoals in Nederland.

109

Wat is de stand van zaken m.b.t. tot de «einde afval criteria» in de discussie op Europees niveau?

Op basis van de Kaderrichtlijn afvalstoffen heeft de Europese Commissie de bevoegdheid om voor specifieke afvalstromen «einde-afval criteria» vast te stellen waardoor een afvalstroom het predicaat afval verliest. Inmiddels zijn criteria vastgesteld en gepubliceerd voor metaalschroot (staal en aluminium) en zijn criteria voor oud papier, koperschroot en glasafval in een vergevorderd stadium van voorbereiding. Naar verwachting zullen deze criteria in de eerste helft van 2012 in werking treden. Voorts zijn de voorbereidingen gestart met betrekking tot einde-afval criteria voor bio-afval en kunststofafval. Ten slotte is nader onderzoek gaande naar de wijze waarop normen moeten worden gesteld voor uitloging van verontreinigingen bij puingranulaat ten behoeve van de desbetreffende einde-afval criteria. Kortom, er is de nodige inzet bij de Commissie om tot Europese afvalcriteria te komen voor diverse afvalstromen.

Echter, enkele Nederlandse sectoren vinden het tempo van de Commissie te laag en ontplooien eigen initiatieven voor einde-afval criteria op nationaal niveau en zo mogelijk als voorbereiding voor Europese criteria. Er is overleg gaande over de afvalstromen puingranulaat, hout en autobanden met de desbetreffende Nederlandse sectoren.

110

Op welke manier zal de Nederlandse overheid zich inzetten voor bewustwording van bedreigingen en kansen die het grondstoffenvraagstuk oproept?

Zie antwoord op vraag 94.

111

Ziet de regering een discrepantie tussen het Europese vlaggenschipinitiatief Resource Efficiency en het Nederlands beleid, waarbij wordt ingezet op hergebruik van grondstoffen? Zo nee, waarom niet?

Van een discrepantie is geen sprake. Het Europese vlaggenschipinitiatief Resource Efficiency beoogt bij te dragen aan de beoogde slimme, duurzame en inclusieve groei uit de EU-2020 strategie. Het Nederlands beleid streeft hetzelfde doel na en hergebruik van grondstoffen is daar een onderdeel van.

112

Kunt u aangeven bij welke mate van toegenomen hergebruik, verminderde afhankelijkheid van import of dergelijke er sprake zal zijn van de nodige forse omschakeling?

Dat kan niet worden aangegeven. Het kabinet is van mening dat een forse omschakeling nodig is om een grondstoffenefficiënt Europa te bereiken.

Toename van hergebruik en recycling speelt daarbij een rol, maar ook bijvoorbeeld minder grondstofgebruik per eenheid product, andere consumptiepatronen en andere eigendomsverhoudingen van producten. Bijvoorbeeld het betrekken van diensten in plaats van producten zoals bij het afnemen van een bepaalde hoeveelheid licht per tijdseenheid voor kantoren in plaats van het kopen van lampen en armaturen. Het gaat om vergroening van de economie als geheel, een omschakeling in de onze manier van produceren en consumeren, met als onderdeel een toename in het hergebruik.

113

Hoe snel moeten de Commissie en lidstaten maatregelen kunnen nemen?

Zie antwoord op vraag 115.

114

Zijn er voor Nederland belangrijke grondstofproducerende landen waar geen sprake (meer) is van een ambassade? Kan de EDEO een rol spelen in het behartigen van Europese belangen in dergelijke landen?

De keuze voor het sluiten van posten kwam in nauwe samenspraak met het ministerie van EL&I en het bedrijfsleven tot stand. Steeds is gekeken naar de dienstverleningsvraag en de meerwaarde van diplomatieke presentie. Mocht na sluiting van ambassades in landen als Zambia en Bolivia blijken dat de behoefte aan diplomatieke ondersteuning groot is, dan kan het ministerie van Buitenlandse Zaken daar snel en flexibel op inspelen door bijvoorbeeld een «policy squad» op te richten. De wijze waarop Nederland relaties met Mongolië onderhoudt kan daarbij als voorbeeld dienen: vanuit post Peking is nauw contact met de honorair consul, en waar nodig reist men af naar Ulaanbaatar; daar blijft de diplomatieke presentie onverminderd kwalitatief groot. EDEO speelt een aanvullende rol in het uitdragen van gemeenschappelijk Europees beleid op het gebied van grondstoffen.

115

Kunt u ingaan op de manier waarop inzet op een passende Europese instrumentenmix met onder meer innovatie- en marktconforme instrumenten aansluit bij de Nederlandse mogelijkheden?

In het algemeen geldt dat Europese maatregelen zich dienen te richten op die zaken waar ingrijpen vanuit de EU toegevoegde waarde heeft boven ingrijpen vanuit de lidstaten, zodat EU-beleid en nationaal beleid goed op elkaar aansluiten. De Grondstoffennotitie vermeldt dat het Kabinet de ontwikkeling van een passende instrumentenmix in het kader van de Roadmap to a Resource Efficient Europe steunt. Omdat het gaat om een transformatie van de economie, zijn beleidsinstrumenten op vele terreinen nodig. Hierbij kan worden gedacht aan onder andere instrumenten op het gebied van productenbeleid, afval- en recyclingbeleid, innovatiebeleid en financiële instrumenten. Een dergelijke mix sluit aan bij wat Nederland al doet. Als dit in EU-verband wordt uitgebouwd is dat gunstig voor Nederland.

Een transformatie van de economie gaat niet snel, ook als per direct maatregelen worden genomen. In het kader van de roadmap worden nu diverse maatregelen voorgesteld. Sommige van deze maatregelen kan de Commissie direct nemen, voor anderen is eerst akkoord van de Raad en vaak ook het Europees Parlement nodig.

116

Om een grondstoffenefficiënt Europa te bereiken, steunt de regering de ontwikkeling van een passende instrumentenmix met onder meer innovatie- en marktconforme instrumenten. Waaruit bestaat deze instrumentenmix?

Zie antwoord op vraag 115.

117

Wat wordt er in de praktijk gedaan aan het samenbrengen van de verschillende belangen van Europese lidstaten? Is er al sprake van gemeenschappelijk beleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe is dit vormgegeven?

De Europese Commissie heeft in november 2008, na consultatie met Europese lidstaten, een Europese grondstoffenstrategie («Raw Materials Initiative») gelanceerd, vanuit de argumentatie dat ook andere werelddelen steeds meer strategisch omgaan met grondstoffen en de EU hierin niet kan achterblijven. De grondstoffenstrategie heeft als doel de Europese consumptie van primaire grondstoffen terug te dringen, de beschikbaarheid te vergroten van grondstoffen die binnen de EU gevonden worden en het duurzame aanbod van grondstoffen uit derde landen veilig te stellen. In februari 2011 heeft de Commissie met de medeling «Tackling the challenges in commodity markets and on raw materials» deze Europese grondstoffenstrategie geactualiseerd. Ook hier is een uitgebreide consultatie met de Europese lidstaten aan vooraf aangegaan.

Nederland onderschrijft de aanpak van de Commissie, die zich met name richt op de analyse van de situatie en om van daaruit een gezamenlijke toekomststrategie te ontwikkelen. De EU kan, vanuit een gemeenschappelijke Europese aanpak, meer bereiken in deze mondiale discussie dan de individuele lidstaten.

Afstemming tussen de Europese Lidstaten over het Europese grondstoffenbeleid vindt in verschillende fora plaats, afhankelijk van het deelonderwerp. Zo komen lidstaten, de Europese Commissie, ngo’s en het bedrijfsleven in de Raw Materials Supply Group samen om (problemen met) het aanbod van grondstoffen te bespreken.

118

In hoeverre heeft de lijst met 14 kritieke grondstoffen invloed (gehad) op het vaststellen van de partnerlanden zoals beschreven in de Focusbrief OS?

De lijst van 14 kritische grondstoffen is niet van invloed geweest op het vaststellen van de lijst van partnerlanden. Voor de goede orde zij aangetekend dat ook in niet-partnerlanden Nederlandse belangen met betrekking tot de kritische grondstoffen behartigd worden. (Zie ook antwoord op vraag 114)

119

Er zal nog een prioritering plaatsvinden ten aanzien van a-biotische grondstoffen, waaronder ook enkele essentiële zeldzame aardmetalen vallen. Op welke wijze heeft de uitkomst hiervan consequenties voor het grondstoffenbeleid in het kader van OS-beleid?

Zodra priorisering heeft plaatsgevonden, zal worden bezien of en zo ja op welke wijze hier consequenties voor het OS-beleid aan worden verbonden. In ieder geval zal de prioriteitsstelling ook worden beoordeeld vanuit het oogpunt van beleidscoherentie voor ontwikkeling.

120

«Met betrekking tot biotische grondstoffen wordt met het Initiatief Duurzame Handel (IDH) succes geboekt. Onderschrijven ook niet-EU lidstaten de principes van IDH? Zo nee, welke gevolgen heeft dit voor onze concurrentiepositie en hoe spant de regering zich mondiaal in voor deze principes?

Ja, IDH werkt samen met niet-EU lidstaten. Staatssecretaris Knapen heeft onlangs een overeenkomst gesloten met Indonesië voor een 5-jarig programma gericht op duurzame handel en productie van goederen als cacao, koffie, thee, specerijen, palmolie, hout en vis. IDH gaat dit programma uitvoeren. De IDH-aanpak is ook in lijn met het World Economic Forum initiatief «Vision for Agriculture» in Vietnam. De Vietnamese Minister Phat van Landbouw heeft IDH uitgenodigd deel te nemen aan deze WEF Taskforce.

Dit soort ontwikkelingen juicht het kabinet toe en is precies wat wordt beoogd. De regering realiseert zich dat in veel landen de (handhaving van) sociale en milieustandaarden op een lager niveau is dan in Nederland. Maar Nederland moet het voor haar concurrentiepositie niet hebben van een «race to the bottom» met deze landen. Het feit dat we Nederlandse bedrijven wel aan internationale of private standaarden houden kan leiden tot een ongelijk speelveld. Dit leidt niet per definitie tot een verslechterde concurrentiepositie, want het biedt ook nieuwe marktkansen gezien de vraag naar duurzame producten, en het vergroot de grondstoffenzekerheid voor bedrijven.

121

Bij wie moet de verantwoordelijkheid voor «grondstoffendiplomatie» binnen Europa komen te liggen?

Deze vraag dient door de EU-lidstaten en de Unie gezamenlijk te worden beantwoord, omdat geopolitieke, veiligheids-, ontwikkelingssamenwerkings- en handelsbelangen op coherentie wijze dienen te worden behartigd. Op bepaalde aspecten (milieu, handel) bestaat (al dan niet exclusieve) Uniecompetentie. op andere niet.

122

Uit de tekst op pagina 11 blijkt dat een multilaterale aanpak nodig is. In de laatste alinea wordt verwezen naar nationaal beleid van grote lidstaten, dat afwijkt. Wat kan Nederland doen om de verschillende nationale strategieën via Europa bij elkaar te brengen?

Zie antwoord op vraag 27 en 103.

123

Op welke wijze garandeert het kabinet dat de Nederlandse werkwijze omtrent haar grondstoffenbeleid niet gaat afwijken van haar EU partners?

Zie antwoord op vraag 27 en 103.

124

Met welke EU-lidstaten wenst Nederland partnerschappen te zoeken om nationale strategieën met elkaar af te stemmen? Hoe kunt u het ontwikkelingssamenwerkingsnetwerk inzetten en wat verstaat u onder ontwikkelings coherent beleid?

Zie antwoord op vraag 103.

125

Kan cijfermatig onderbouwd worden waaruit blijkt dat Nederland een voorloper is op het gebied van duurzaamheid?

Hier kan vanuit verschillende invalshoeken naar worden gekeken. Zo schetst de onlangs verschenen Monitor Duurzaam Nederland 2011 van het CBS en de drie planbureaus voor tal van duurzaamheidsthema’s en -indicatoren hoe Nederland er voor staat, ook in vergelijking met andere Europese landen. Uit de Monitor blijkt dat de kwaliteit van leven in Nederland in het algemeen hoog is en dat Nederland daarmee bij de voorlopers behoort binnen de EU. Ook staat Nederland al jaren in de top-10 van de Human Development Index van de VN. Als we kijken naar Nederlandse bedrijven zijn goed vertegenwoordigd in de Dow Jones Sustainability Index, een internationale graadmeter voor duurzame bedrijven. Daarnaast zijn er de ambitieuze doelen die Nederlandse multinationals zichzelf stellen in het kader van het Initiatief Duurzame Handel. Als dit wordt betrokken op de grondstofschaarste als kans voor Nederland – het kader waarbinnen de grondstoffennotitie Nederland als voorloper bestempelt – kan worden gekeken naar de toppositie van Nederland in recycling en grondstoffenefficiëntie (grondstofgebruik in relatie tot BNP) (bron: The European Environment – State and Outlook 2010, EEA, 2011).

126

Op welke wijze moet de innovatie-agenda aangepast worden om Nederland tot de internationale onderzoekstop te laten behoren?

De overheid creëert excellente randvoorwaarden, verbindt partijen en borgt publieke belangen. Het nieuwe bedrijvenbeleid zet ondernemers en onderzoekers nadrukkelijk aan het stuur. Kernbegrippen in de benadering van het kabinet zijn vraag gestuurd, sectoraal en integraal. Vraag gestuurd betekent dat de overheid niet eerst zelf met voorstellen komt, maar bedrijfsleven en wetenschap heeft gevraagd een (innovatie)agenda op te stellen om kansen en knelpunten te identificeren; ondernemers en onderzoekers weten immers zelf het beste waar de kansen en knelpunten in hun sector zitten. De innovatie-agenda komt dus op een nieuwe manier tot stand, waarbij het resultaat kan zijn dat Nederland op specifieke onderzoeksgebieden tot de internationale onderzoekstop blijft horen.

De fiscale instrumenten voor aftrek van investeringen in innovatieve duurzame technologie, MIA en VAMIL, richten zich in de breedte op grondstoffenbesparing en hergebruik. Daartoe behoren ook – naast ondersteuning van specifieke investeringen in grondstofbesparing – stimulering van elektrisch rijden en duurzame mobiliteit, waardoor de inzet van fossiele brandstoffen kan worden beperkt. Ook investeringen gericht op waterkwaliteit en -reiniging en het voorkomen, beperken en hergebruiken van afvalstoffen leveren hier hun bijdrage, door verhoging van het percentage teruggewonnen grondstoffen en vermeden watergebruik en emissies. Ook in de agrarische sector wordt een bijdrage geleverd aan duurzame inzet van grondstoffen, bijvoorbeeld door brandstof- en grondstof besparende precisielandbouw, maar ook door de inzet van landbouw(rest)producten voor andere dan voedings- of energiedoeleinden, en door de productie van biogas. Al met al kan worden geschat dat 60% van het totale budget direct of indirect bijdraagt aan het stimuleren van duurzaam omgaan met grondstoffen.

De vernieuwing in 2010 van de projectcategorieën die voor Groenfinanciering in aanmerking komen heeft geleid tot meer accent op projecten op het gebied van grondstoffenschaarste, -hergebruik en -substitutie. Dit heeft vanwege de versobering van Groen Beleggen nog niet geleid tot het gewenste investeringsvolume, maar heeft op jaarbasis toch geleid tot ongeveer € 50 miljoen grondstof gerelateerde investeringen per jaar.

127

Welke definities hanteert de regering voor «recycling», «upcycling», «downcycling», «recovery», «reuse», «secondary materials», «resource efficiency»?

In de Wet milieubeheer zijn de volgende definities opgenomen:

  • Recycling: nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, met inbegrip van het opnieuw bewerken van organische afvalstoffen, en met uitsluiting van energieterugwinning en het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal.

  • Hergebruik (= vertaling van «reuse»): elke handeling waarbij producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld.

  • Nuttige toepassing (= vertaling van «recovery»): elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie, andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt, tot welke handelingen in ieder geval behoren de handelingen die zijn genoemd in bijlage II bij de Kaderrichtlijn afvalstoffen.

Voor «upcyling» en «downcycling» zijn geen definities opgesteld. In het algemeen kan worden gesteld dat upcycling een vorm van recycling is waarbij de nieuwe toepassing van een materiaal een lagere milieudruk heeft dan de oorspronkelijke. Bij downcycling is ook nog steeds sprake van recycling, maar heeft de nieuwe toepassing een hogere milieudruk dan de oorspronkelijke toepassing van het materiaal. «Secundary materials» zijn grondstoffen die voortkomen uit recyclingactiviteiten. «Resource efficiency» staat voor een slim en efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen waardoor de milieudruk wordt verlaagd én kosten kunnen worden bespaard.

128

Wordt het stimuleren van het gebruik van secundaire grondstoffen in het inkoopbeleid van de rijksoverheid opgenomen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Het stimuleren van het gebruik van secundaire grondstoffen is al opgenomen in de criteria van Duurzaam Inkopen voor sommige productgroepen. In veel andere productgroepen is het geen expliciet criterium maar worden meer algemene (Life Cycle Analysis-)duurzaamheidsprestaties gevraagd, waaraan de inzet van secundaire grondstoffen een bijdrage kan leveren, of wordt herbruikbaarheid of recycling gevraagd, zodat er aanbod van secundaire grondstoffen ontstaat. Daarnaast zijn er initiatieven om de reststromen van het Rijk zelf her te gebruiken, zoals de Rijksmarktplaats voor kantoormeubilair.

De beschikbaarheid van criteria met betrekking tot duurzaam gewonnen grondstoffen is mede afhankelijk van de beschikbaarheid van heldere definities van duurzame winning en van voldoende aanbod op de markt. Voor zover dat criteria zijn in de vorm van eisen, zijn deze verplicht voor bedrijven om voor gunning in aanmerking te komen.

129

Welke MVO-beoordelingscriteria in relatie tot het grondstoffenvraagstuk gelden bij het verkrijgen van overheidssteun?

Er gelden geen specifieke MVO-beoordelingscriteria gerelateerd aan het grondstoffenvraagstuk. Het uitgangspunt voor de bestaande MVO-beoordelingscriteria bij overheidssteun zijn de OESO-Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen. Deze brede richtlijnen omvatten ook kwesties die gerelateerd kunnen zijn aan het grondstoffenvraagstuk. Zo is het concept van zorgplicht (due diligence) een belangrijk element in de recent herziene OESO Richtlijnen. Dit houdt in dat van bedrijven wordt verwacht dat zij zich binnen hun mogelijkheden vergewissen van de mogelijke en daadwerkelijke negatieve impact van hun activiteiten op mensenrechten, ook in hun keten, en indien nodig gepaste stappen ondernemen. Essentieel is dat bedrijven zelf verantwoordelijk zijn voor de praktische invulling van deze zorgplicht, en voor het verkrijgen van maatschappelijke acceptatie voor hun beleid. Dit houdt in dat bedrijven om verantwoording kunnen worden gevraagd over hun handelen, zo niet rechtstreeks dan wel door middel van een melding bij het Nationaal Contactpunt (NCP). Dit is ook van toepassing op grondstof gerelateerde kwesties.

130

Op welke wijze wordt interdepartementaal samengewerkt om het grondstoffenvraagstuk aan te pakken? Welke departementen zijn daarbij betrokken? Wat zijn de uitkomsten tot nu toe?

Interdepartementaal werken EL&I, BZ, I&M, Def en Fin samen op dit dossier. Er is een uitvoerend dossierteam en een overkoepelend directeurenoverleg. Uit deze structuur is de grondstoffennotitie voortgekomen en wordt de uitvoering van de actiepuntenlijst ter hand genomen.

131

Kunt u toelichten waarom en hoe grondstof producerende ontwikkelingslanden zouden verliezen bij een ongebreidelde wereldwijde strijd om grondstoffen?

Zie ook het antwoord op vraag 17.

Grondstof producerende ontwikkelingslanden die grotendeels afhankelijk zijn van de export van een of enkele ruwe grondstoffen, zijn zeer gevoelig voor prijsfluctuaties van de betreffende grondstoffen. Plotselinge prijsveranderingen van grondstoffen, zowel omhoog als omlaag, hebben invloed op andere economische sectoren, monetair beleid en leiden tot onzekerheid over toekomstig overheidsbeleid. Een afname in inkomsten beperkt immers de mogelijkheid beleid te voeren. Tegelijkertijd is het essentieel dat ontwikkelingslanden in hun grondstoffenbeleid voor mineralen, metalen, olie e.d. terdege rekening houden met de lange termijn sociaaleconomische ontwikkeling, zeker in geval van niet herwinbare grondstoffen. Ook bestaat de mogelijkheid dat zij door gebrek aan capaciteit niet de beste deal met buitenlandse mijnbouwers of importeurs kunnen afsluiten of de operaties van deze partijen onvoldoende op legaliteit of duurzaamheid kunnen controleren.

132

Hoeveel van de huidige en toekomstige beleidsinzet ten aanzien van innovatie (topsectorenbeleid, fiscale regelingen ter bevordering van innovatie, onderzoeksubsidies) is direct gericht op grondstoffenschaarste, -hergebruik en -substitutie?

Zie antwoord op vraag 126.

133

De regering schrijft: «Diverse Europese landen – zoals Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk – hebben al een eigen grondstoffenbeleid. Dit beleid loopt vanwege verschillende nationale belangen echter sterk uiteen. Zijn er elementen uit de nationale strategieën van deze Europese landen, die de regering wel over wil nemen? Zo ja, welke? De regering legt in de grondstoffennotitie de nadruk op Europese en internationale maatregelen. Welke maatregelen wil de regering op nationaal niveau nemen om het duurzaam gebruik van grondstoffen op de lange termijn veilig te stellen? Zou de regering een overzicht kunnen geven van alle voorgenomen maatregelen?

Voor Nederland is het van belang om op Europees niveau gezamenlijk het thema grondstoffenschaarste te nemen vanwege de competenties van de Europese Unie op het gebied van afval, milieu en handel. Maar ook voor het pakken van kansen op het gebied van recycling is de Europese markt noodzakelijk om het gewenste schaalniveau te bereiken om dit kosteneffectief te kunnen doen. Daarom heeft de Nederlandse regering een goed contact opgebouwd met Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk om samen te werken aan acties met een gezamenlijk belang. Zo kan Nederland veel leren van de onderzoekstraditie van Frankrijk en Duitsland op het gebied van abiotische grondstoffen. Het Verenigd Koninkrijk kent een sterke traditie van het implementeren en meetbaar maken van duurzame ontwikkeling in het beleid. Anderzijds blijkt Nederland toonaangevend te zijn op gebied van recycling en materialenonderzoek waar Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van kunnen profiteren. Zo is er een lopende samenwerking met het Verenigd Koninkrijk om onze recyclingkennis in te zetten om de traditie van afvalstorten om te buigen richting recycling.

De drie agenda’s in de grondstoffennotitie omvatten alle nationale en internationale acties die de regering neemt om grondstoffenvoorzieningszekerheid op de lange termijn veilig te stellen. Een voorbeeld op nationaal niveau is om in de eigen bedrijfsvoering van het Rijk aandacht te geven aan het terugwinnen van strategische grondstoffen zoals fosfaat. Een voorbeeld op internationaal niveau is het financieel ondersteunen van het regionaal initiatief tot grondstoffencertificering van de International Conference on the Great Lakes Region.

134

Welke internationale initiatieven ondersteunt Nederland op het gebied van duurzame grondstoffenbeheer?

Zie antwoorden op de vragen 34, 35, 64, 65, 69, 70, 71, 152 en 154.

135

In hoeverre maakt de regering bij haar diplomatieke inzet wat betreft het in stand houden van een open handelssysteem onderscheid tussen minst ontwikkelde landen, ontwikkelingslanden en geïndustrialiseerde landen?

In het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) wordt sterk gedifferentieerd naar ontwikkelingsstatus voor wat betreft de verplichtingen die landen aangaan. Kort gezegd: hoe meer ontwikkeld een land is, hoe groter de verplichting tot het openen van de eigen markt. In het kader van de WTO Doha-ronde is het de vaste inzet van Nederland dat de minst ontwikkelde landen zoveel mogelijk worden ontzien van nieuwe verplichtingen terwijl hun zelf wel tarief- en quotumvrije markttoegang naar geïndustrialiseerde landen wordt aangeboden.

In het kader van onderhandelingen over vrijhandelsakkoorden tussen de EU en derde landen wordt eveneens rekening gehouden met de ontwikkelingsstatus. Zo geldt voor de onderhandelingen over Economic Partnership Agreements met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS landen) van asymmetrische markttoegang: de ACS landen krijgen volledig vrije toegang tot de Europese markt terwijl zij zelf een substantieel aantal tarieflijnen kunnen uitsluiten van liberalisering. Daarnaast gelden ruime overgangsperiodes (tot 25 jaar) voor de liberalisering aan ACS zijde. Tot slot geldt dat de EU unilateraal handelspreferenties aanbiedt aan alle ontwikkelingslanden via het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). Binnen het APS geldt vervolgens een speciaal regime voor Minst Ontwikkelde Landen: onder de «Everything But Arms» regeling hebben zij (wapens uitgezonderd) volledig vrije toegang tot de Europese markt. Hier staat geen enkele verplichting tegenover.

136

Welke actiepunten op het gebied van Ontwikkelingssamenwerking beschouwt de regering als onderdeel van haar strategie met betrekking tot haar grondstoffenvoorziening?

Er moet gestreefd worden naar duurzame winning en productie van grondstoffen. Hiervoor kan ontwikkelingssamenwerkingsexpertise op het vlak van duurzaamheid worden ingezet, hetgeen op lange termijn de voorzieningszekerheid ten goede komt. Dit geldt niet alleen op het vlak van milieu, maar ook op het sociale vlak omdat een stabiele maatschappij bijdraagt tot welvaart, ontwikkeling en handel in bronlanden en regio dat ook in ons belang is. De 5 actiepunten genoemd op blz. 14/15 van de notitie onder «de Regering zal» zijn terug te leiden naar het terrein van Ontwikkelingssamenwerking. Gezien het belang van coherentie voor ontwikkeling wordt ook bij het invullen en uitvoeren van andere actiepunten waar relevant rekening gehouden met de belangen van ontwikkelingslanden.

137

In hoeverre beschouwt de regering exporttarieven als belemmering van de vrijhandel?

Vanwege haar positie als doorvoerland, gedijt Nederland bij een open, transparant en voorspelbaar systeem waarbij de handel in grondstoffen zonder restricties en binnen de bestaande regels verloopt. Exporttarieven zijn onder voorwaarden toegestaan onder de Wereldhandelsorganisatie WTO en de regering respecteert de beleidsruimte die landen hebben om WTO-conforme exporttarieven in te stellen. In arme ontwikkelingslanden vormen deze vaak nog een belangrijke bron van overheidsinkomsten.

138

Welke impact meent de regering dat Nederland kan hebben op de terreinen van bevordering van goed bestuur, transparantie en duurzaam gebruik van ruimte van een ontwikkelingsland als ons land puur bilateraal opereert?

Zie antwoord op vraag 3.

139

Welke acties onderneemt de regering om criminele afvalactiviteiten tegen te gaan en te ontmoedigen? Zijn deze maatregelen afdoende? En zo nee, welke maatregelen neemt de regering om hierin verbetering aan te brengen?

Omdat de afvalwereld complex en internationaal is en er bovendien geld is te verdienen met afval, is het overtreden van regels gemakkelijk en verleidelijk. De regering geeft daarom hoge prioriteit aan het tegengaan van criminele activiteiten met afval. De focus bij toezicht en handhaving ligt onder andere op preventie van afval, duurzaam produceren en recycling. Op basis van naleeftekorten en risico’s worden prioritaire afvalstromen geselecteerd. Zo houdt de VROM Inspectie onder meer toezicht op het behalen van de recycling­doelstelling voor kunststof verpakkingsafval en is er veel aandacht voor de illegale uitvoer van elektronica-afval. Om tot een efficiënte en effectieve handhaving te komen, wordt waar mogelijk samen­gewerkt met de handhavingspartners op internationaal niveau. Afvaldumping in bijvoorbeeld Afrika en Azië is een van de zaken die in deze samenwerking actief worden opgepakt. Het kabinet heeft op dit moment geen reden om aan te nemen dat deze aanpak niet afdoende is.

140

Welke concrete stappen zullen worden gezet om de unieke positie van Nederland als voorloper op duurzaamheid te benutten? Welk gevolg zal de regering in dit kader geven aan de oproep van Rabobank om in te zetten op een verdubbeling van landbouwproductie op duurzame wijze?

De constatering van de Rabobank dat het in de toekomst noodzakelijk is meer agrarische producten te produceren met minder inputs kan worden gezien als een ondersteuning van het huidige beleid. In de Nota Landbouw, rurale bedrijvigheid en voedselzekerheid (TK 31 250, nr. 14) en de actualisering daarvan (TK 31 250, nr. 76) wordt beschreven hoe hieraan in een internationale context vorm wordt gegeven. In de kamerbrief (TK 21 501-32, nr. 469) wordt in het kader van de hoge prijzen van agrarische producten het belang van een hogere productie met minder inputs beschreven. Daarbij wordt nader aangegeven via welke lijnen hieraan vorm wordt gegeven.

De top-sectoren Agro & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen zijn duidelijk in hun hoge ambitie m.b.t. duurzaamheid. De gouden driehoek kan en wil op mondiaal niveau een grote bijdrage leveren aan het vergroten en verduurzamen van de wereldvoedselproductie. Deze doelstelling zal een hoge prioriteit krijgen bij o.a. de programmering van onderzoeksgelden door het bedrijfsleven en de internationale positionering en profilering van de Wageningen Universiteit & Research Center. Ook in de brief, die binnenkort naar de Tweede Kamer gestuurd zal worden over de uitwerking van het Voedselzekerheidsbeleid van dit Kabinet wordt aangegeven hoe het Ontwikkelingssamenwerkingsbeleid in combinatie met de Topsectoren Agrofood en Tuinbouw zal bijdragen aan de duurzame verhoging van de voedselproductie.

141

Klopt het dat voor vele grondstoffen de gerecyclede vorm van afval (v.b. secundair fosfaat) niet juridisch gezien gelijkwaardig behandeld wordt aan primaire grondstoffen?

Indien een reststroom onder de definitie van «afval» valt, is de afvalstoffenregelgeving uit de Wet milieubeheer van toepassing op handelingen met die afvalstof. Vaak vervalt het etiket «afvalstof» pas nadat een nuttige toepassing is voltooid. Dat is nodig om het milieu te beschermen, maar mag een nuttige toepassing of hergebruik niet in de weg staan. Oorsprong van deze regelgeving is de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen. Deze richtlijn schrijft dwingend voor wanneer sprake is van afval.

In de nieuwe Kaderrichtlijn afvalstoffen, en via implementatie daarmee ook in de Wet milieubeheer, is met het oog op mogelijk negatieve gevolgen van de aanduiding «afval» op het gebruik van afvalstoffen, een aantal verlichtingen doorgevoerd. Zo is het mogelijk om «einde-afval criteria» op te stellen. Afvalstoffen die daaraan voldoen, vallen niet meer onder de afvalstoffenregels. Zoals ook is aangegeven in de afvalagenda (30 872, nr. 79 van 25 augustus 2011) is dit kabinet een voorstander van de ontwikkeling van dergelijke einde-afval criteria. Als gevolg van die criteria wordt het hergebruik van afvalstoffen eenvoudiger. Een andere verlichting die de regelgeving biedt, is het creëren van duidelijkheid over de categorie «bijproducten», welke ook niet onder het begrip «afvalstof» vallen. Kortom, in de recente wijziging van de Wet milieubeheer is meer oog voor het verlichten van regelgeving bij nuttige toepassingen.

142

Is het mogelijk het «succes» van de IDH initiatieven nader te onderbouwen? In welke mate is er sprake van een relatieve of absolute afname in de milieu-impact van de Nederlandse rol in de genoemde ketens (v.b. via een carbon footprint)?

Het IDH is succesvol in het bijeenbrengen van resultaat-gedreven coalities van bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden. De grondstoffenprogramma’s worden aangestuurd op SMART doelstellingen voor duurzame productie. Certificering door bijvoorbeeld UTZ of Rainforest Alliance speelt daarbij een belangrijke rol en in de criteria voor certificering zijn milieudoelstellingen zoals efficiënt watergebruik en reductie van pesticiden opgenomen. Er wordt met certificering indirect gestuurd op milieu-impact. Indicatoren voor duurzame productie zijn het aantal hectares dat gecertificeerd is voor duurzame productie en het aantal ton duurzaam geproduceerd product. In termen van concrete resultaten is het een succes dat voor de producten soja, tropisch hout, katoen thee en cacao in totaal tot nu toe meer dan 1 000 000 hectare en ca. 275 000 ton gecertificeerd is. Deze resultaten zijn op output niveau; impact is pas op langere termijn meetbaar. Impact studies zijn onderdeel van het IDH programma.

Er zijn tientallen maatschappelijk organisaties betrokken in de programma’s van IDH. Naast WWF, Solidaridad, Oxfam Novib, ICCO, SOMO, Both Ends, UTZ Certified, Rain Forest Alliance zijn ook diverse productspecifieke organisaties (o.a. Ethical Tea Partnership, World Cocoa Foundation) betrokken. Veel overheden uit producerende landen zoals Indonesië, Ivoorkust, Vietnam, Kenia zijn ook aangesloten.

In de programma’s wordt concreet aan verduurzaming van grondstoffenvoorziening en voorzieningszekerheid gewerkt door naast de duurzaamheidscertificeringen, te werken aan verhoging van de productiviteit van de boeren en behoud van productiviteit door het voorkomen van degradatie van landbouwgrond.

143

Ziet het kabinet een rol weggelegd voor het maatschappelijk middenveld in grondstoffen producerende landen om een bijdrage te leveren aan duurzame grondstoffenproductie en Nederlandse grondstoffenzekerheid? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

Zie antwoorden op geclusterde vragen 3, (38, 49, 99, 138, 150, 160, 161) en voor zover betrekking hebbend op m.n. biotische grondstoffen het antwoord op de geclusterde vragen 142 (en 144).

144

De notitie meldt dat er successen zijn geboekt met het Initiatief Duurzame Handel (IDH). Welke successen betreft het en in welke productieketens? Welke maatschappelijke organisaties en overheden zijn erbij betrokken? Wat wordt er concreet aan verduurzaming van grondstoffenvoorziening en voorzieningszekerheid gedaan?

Zie antwoord op 142.

145

Hoe wordt «ontwikkelingscoherent beleid» ingezet om «wederzijds profijtelijke economische belangen en grondstoffenzekerheid hand in hand» te laten gaan? Hoe sluit de grondstoffennotitie aan bij het grondstoffenbeleid van grondstoffen producerende landen en regio’s zoals de «African Mining Vision», SADC, en ECOWAS?

Bij het opstellen en verder uitwerken van alle acties die in de grondstoffennotitie zijn opgenomen wordt conform het algehele regeringsbeleid rekening gehouden met de belangen van en gevolgen voor ontwikkelingslanden. Het betreft hier dus niet alleen die acties die direct gericht zijn op ontwikkelingslanden, maar ook de overige acties die een negatieve externe werking zouden kunnen hebben op ontwikkelingslanden.

Het Nederlandse streven naar grondstoffenzekerheid is van groot belang voor de verdere groei van onze economie. Dit hoeft niet ten koste te gaan van de economische ontwikkeling van grondstof producerende ontwikkelingslanden, integendeel. Door bij te dragen aan duurzame winning en verwerking van grondstoffen in een ontwikkelingsland en een goede besteding van een passende vergoeding voor de verkoop ervan, kan de zelfredzaamheid van een ontwikkelingsland sterk verbeteren. Onder meer de in de notitie genoemde internationale initiatieven op het gebied van duurzaam grondstoffenbeheer en ontwikkelingssamenwerking op het gebied van goed bestuur vormen essentieel flankerend beleid om dit te bewerkstelligen.

De beleidsontwikkeling van grondstoffen producerende landen en regio’s in Afrika is vastgelegd in een diepgaande notitie van de Afrikaanse Unie uit 2009, genaamd «African Mining Vision (MV)». Hierin worden de kansen die grondstoffenvoorraden in Afrika bieden voor economische ontwikkeling onderkend, mits potentiële negatieve effecten van de mijnbouwindustrie op mens, milieu, politiek en economie in Afrika worden vermeden. Ook regionale organisaties als SADC en ECOWAS hebben in het recente verleden beleidsdocumenten opgesteld die beogen mijnbouw en grondstoffenwinning te harmoniseren en te reguleren waarbij grote waarde wordt toegekend aan transparantie, sociale aspecten (zoals goede werkomstandigheden, gender) en een gezond milieu. Deze doelstellingen sluiten geheel aan bij het Nederlandse ontwikkelings coherente beleid voor grondstoffenvoorziening.

146

Naast China en Japan zetten ook andere landen hun ontwikkelingssamenwerking in als instrument om grondstoffenvoorziening zeker te stellen. Welke landen zijn dit? Welke elementen van dit beleid neemt Nederland graag over in haar beleid ten aanzien van Ontwikkelingssamenwerking en waarom? Hoe zien wij dit terug in de Focusbrief? Welke elementen van dit beleid Nederland wijst Nederland af en waarom?

Het Nederlands ontwikkelingsbeleid gaat primair uit van de belangen en economische ontwikkeling van de ontwikkelingslanden zelf. Dit is ook het uitgangspunt van de focusbrief. Inkomsten uit grondstoffen kunnen een grote invloed hebben op de economische ontwikkeling van een land. Nederland ondersteunt een breed scala aan initiatieven om transparantie en maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen.

Zoals eerder aangegeven zal Nederland vooral aansluiten bij EU- en internationale afspraken. Indien daarnaast binnen de prioriteiten van het huidige Nederlandse (ontwikkelings-)beleid elementen van samenwerking met andere landen op het terrein van grondstoffen opportuun zijn, zullen die o.a. op toegevoegde waarde voor ontwikkelingssamenwerking worden afgewogen. Ter illustratie: de VS streeft naar meer samenwerking met andere landen op het terrein van transparantie van grondstoffenmarkten. De Wereldbank verkent een (informele) overlegstructuur met China teneinde te komen tot meer kennis en inzicht, om te bezien of mogelijkheden voor samenwerking realistisch zijn.

147

Op korte en middellange termijn zal de regering werken aan de drie gepresenteerde agenda’s. Welke rol speelt de green deal in deze strategie? Waarom staan de green deal en de biobased economy niet expliciet bij de actiepunten vermeld?

De grondstoffennotitie is op 15 juli jl. naar de uw kamer toegestuurd en bedoeld als een «kick-off» voor een integraal Nederlands grondstoffenbeleid. Inmiddels zijn de Green Deals op 3 oktober ondertekend met veelbelovende projecten rond grondstoffen zoals de Green Deal met Desso en Van Ganzewinkel. Deze projecten vormen een verdere invulling van de grondstoffennotitie, waarin aangegeven wordt dat het bedrijfsleven aan zet is om de kansen te pakken. Via de Green Deals faciliteert de overheid hierbij. De biobased economy wordt in de grondstoffennotitie neergezet als een grote kans voor ons Nederlands bedrijfsleven. De strategische agenda van biobased economy zal eind 2011 naar de Kamer worden toegestuurd. Zie ook het antwoord op vraag 61.

148

Hoe zou het Europese nabuurschapsbeleid kunnen worden aangepast? Welke landen heeft Nederland voor ogen om samenwerking op het gebied van grondstoffenzekerheid aan te passen?

Grondstoffen spelen op dit moment geen specifieke rol in het EU nabuurschapsbeleid, omdat dit met name kijkt naar aspecten als energie, handel, democratie en transport.

149

Kan inzichtelijk gemaakt worden wat van ieder actiepunt het tijdpad is?

De grondstoffennotitie is een «kick-off» van een integraal Nederlands grondstoffenbeleid. Voor bepaalde grondstoffen zijn al veel initiatieven ontwikkeld en voor anderen is dit beperkter. In nauwe samenwerking met het Nederlandse bedrijfsleven zal waar nodig nog dit najaar er een plan van aanpak, met tijdspaden voor acties, worden opgesteld. Daarbij wordt ook bezien welke van de al lopende acties in de grondstoffennotitie nauwer met elkaar verbonden kunnen worden. Daarnaast wordt er de komende jaren ruimte gelaten om nieuwe initiatieven in het kader van de grondstoffennotitie op te pakken. De Groene Zaak zal net als andere organisaties betrokken worden bij het uitwerken van acties en nieuwe initiatieven.

150

Hoe groot is de voorgenomen financiële steun aan de volgende initiatieven in totaal en per initiatief die in de grondstoffennotitie worden benoemd: «The Natural Resource Charter», het «Kimberley Proces», het regionale initiatief tot grondstoffencertificering van de «International Conference on the Great Lakes Region» en het «Extractive Industries Transparancy Initiative (EITI)»

Zie antwoord op vraag 3.

151

Kan de regering nader aangeven en uitwerken welke specifieke actiepunten zij formuleert om de toegankelijkheid van primaire grondstoffen (onderscheiden in a-biotische en biotische grondstoffen) te behouden c.q. te vergroten (al dan niet in samenwerking met andere landen)? Welke handelspolitieke initiatieven overweegt het kabinet hierbij in EU-verband te bevorderen?

Zie antwoord op vraag 2.

152

Hoe beoordeelt u de Amerikaanse bekendmaking om EITI te gaan implementeren, en wat acht u een gepast moment om EITI in Nederland in te voeren? Wat is volgens u een vergelijkbaar initiatief? Welke benadering kiest de regering nu precies bij het EITI?

In reactie op de bankencrisis zetten de VS sterk in op vergrote transparantie van de financiële sector; de nadruk op transparantie van de grondstoffensector in het bijzonder is versterkt door de olieramp in de Golf van Mexico in 2010. Het streven naar nationale implementatie van het EITI was dan ook in eerste instantie gekoppeld aan de Dodd-Frank Act, als een parallel traject. Daarbij neemt in de VS de eigen olie- en gaswinning toe uit bijvoorbeeld schaliegas en in diepzeegebieden en Alaska, waarbij de bevolking zich in toenemende mate zorgen maakt over de milieu gerelateerde en financiële effecten op zijn leefomgeving.

De VS zien daarnaast een duidelijke internationale voortrekkersrol voor zich weggelegd op het gebied van transparantie. De Amerikaanse aankondiging werd dan ook gedaan in het kader van de oprichting van het Open Government Partnership op 20 september jl. in Washington. De VS beschouwen Dodd-Frank en het EITI als flankerende initiatieven, om op wereldwijde schaal te komen tot actuele, geverifieerde en bruikbare financiële rapportages door zowel bedrijfsleven als overheden. Nationale implementatie moet in dit kader dan ook worden gezien als een impuls voor het EITI, om de geloofwaardigheid van het initiatief te vergroten en andere OESO-lidstaten, maar ook en in het bijzonder landen als Brazilië en Zuid-Afrika, te stimuleren deel te nemen.

De genoemde binnenlandse politieke overwegingen zijn, ten aanzien van onze gaswinning, op dit moment in Nederland niet of nauwelijks actueel. Dit in tegenstelling tot de buitenlandse politieke overwegingen, die wel relevant zijn: Nederland hecht belang aan bredere implementatie van het EITI, om zo zeggenschap en rekenschap, stabiliteit en daarmee het investeringsklimaat wereldwijd te verbeteren. Dit is goed voor de bevolking van deze landen, maar ook voor het Nederlandse bedrijfsleven.

Hiertoe ondersteunt Nederland het EITI actief: financieel middels een meerjarige bijdrage aan het EITI secretariaat (1,250,000 USD voor de periode 2010–2014) en een bijdrage aan het EITI Multi-Donor Trust Fund van 1,500,000 USD; daarnaast heeft Nederland zitting in de bestuursraad van het EITI, alsmede in de strategische werkgroep die moet adviseren over de toekomst van het EITI. Tenslotte heeft in mei jl. in Amsterdam op Nederlandse uitnodiging een bijeenkomst plaatsgevonden van de bestuursraad van het EITI, gezamenlijk georganiseerd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Cordaid en Shell. Nederland is dan ook een zichtbare en gewaardeerde partner van het EITI.

Met besluitvorming over nationale implementatie wil Nederland wachten totdat er meer duidelijkheid is over de praktische uitwerking van de diverse internationale transparantie-initiatieven die thans actueel zijn, zoals de aanpassingen die de Europese Commissie binnenkort zal voorstellen van de EU Transparency and Accounting Directive (zie antwoord op vraag 98) en de toepassingsregels van de paragrafen 1502 en 1504 van de Dodd-Frank Act waar de SEC momenteel aan werkt. Nederland hecht waarde aan een coherent beleid dat rekening houdt met de belangen van ontwikkelingslanden en ziet de voorstellen van de EU op dit punt met een positieve grondhouding tegemoet.

153

Welke elementen van de Amerikaanse Dodd-Frank Act acht de regering bruikbaar om MVO in de grondstoffenketen te stimuleren en garanderen? Hoe raakt dit aan ontwikkelingen op Europees niveau waar de Europese Commissie dit najaar met wetgevingsvoorstellen komt omtrent het aanscherpen van financiële transparantie en niet-financiële rapportage criteria?

Zie antwoord vragen 9 en 98.

154

Ziet u mogelijkheden om vrijwillige operationele MVO-richtlijnen vast te stellen voor Nederlandse bedrijven die schaarse en/of energetische grondstoffen importeren? Zo nee, waarom niet?

Zie antwoord op vraag 34.

155

Kunt u ingaan op de concrete lessen die Nederland kan leren van China en Japan bij gebruik van ontwikkelingssamenwerking als instrument om grondstoffenvoorziening zeker te stellen en hoe dit zich verhoudt tot gemaakte internationale afspraken?

Zoals eerder aangegeven sluit NL zich aan bij internationale initiatieven, zie hiervoor het antwoord op vraag 156. Binnen de bestaande internationale kaders vormt onderzoek naar samenwerkingsvormen met deze landen een kans om NL expertise op bijvoorbeeld duurzaamheid en milieu, hergebruik etc. in te brengen.

156

Kunt u aangeven in hoeverre er bij het beleid ten aanzien van veen sprake is van een nationale kop? Kunt u aangeven waarom hier wordt ingezet op specifiek Nederlands beleid via handelsketens?

De Nederlandse topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen heeft duurzaamheid als belangrijk onderdeel van haar concurrentie positie bestempeld. Veen wordt als grondstof voor substraat gebruikt en is daarmee een cruciale grondstof waar de tuinbouwsector zo lang mogelijk gebruik van wil maken. Dit betekent dat een duurzame winning van veen van groot belang is voor de sector zelf. Dit is de reden waarom het bedrijfsleven en de overheid in eerste instantie inzetten op dat deel van de keten dat bestemd is voor de Nederlandse markt. Deze inzet vindt echter plaats in nadrukkelijke samenwerking met de Europese en Internationale substraat bedrijven en koepelorganisaties. Nederland neemt het voortouw, maar ontwikkelt een private standaard die voor alle Europese landen en bedrijven bruikbaar is. Er is dus geen sprake van een nationale kop.

157

Vindt u dat alle Wereldbankprojecten het toonbeeld vormen van duurzame winning en verwerking van grondstoffen?

Het is Wereldbankbeleid dat projecten duurzaam worden uitgevoerd, waarbij de standaard die de Bank hanteert hoog is. De Wereldbank sluit echter niet uit dat projecten gevolgen kunnen hebben voor het lokale milieu. WB-personeel dient 1) de waarschijnlijkheid te bepalen van aanmerkelijke gevolgen van projecten op het milieu, bossen en andere natuurlijke hulpbronnen; en 2) zich er van te vergewissen dat het land, waarin het project wordt uitgevoerd, over voldoende capaciteit beschikt om mogelijke gevolgen aan te kunnen. Een en ander moet worden vastgelegd in milieu effect rapportages. De Raad van Bewindvoerders van de Wereldbank keurt projecten goed en houdt toezicht. Indien blijkt dat de gevolgen verkeerd zijn ingeschat of dat de capaciteit van het land tekortschiet, ziet de Raad van Bewindvoerders toe op de te nemen maatregelen. De onafhankelijke evaluatiedienst van de Wereldbank, de Independent Evaluation Group, fungeert als extra controle autoriteit.

158

Wanneer wordt het haalbaarheidsonderzoek voor de samenwerking met Japan afgerond? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren voor het volgende AO afval?

Zie antwoord op vraag 168.

159

Wanneer wordt het Plan van Aanpak Fosfaat naar verwachting afgerond? Wordt dit afgestemd met de programmatische aanpak stikstof?

Met het op 4 oktober afgesloten Ketenakkoord Fosfaatkringloop opgenomen procesafspraken is invulling gegeven aan het plan van aanpak fosfaat.

Het ketenakkoord richt zich vooral op de toepassing van vrijkomend fosfaat, waardoor er geen relatie bestaat met de Programmatische aanpak stikstof.

In het ketenakkoord verklaren Partijen zich gezamenlijk in te zetten om de fosfaatkringloop te sluiten en daartoe binnen twee jaar een duurzame markt te creëren met nuttige toepassing van secundaire fosfaatgrondstoffen.

De overheid heeft zich in het akkoord verplicht om nationale afval- en meststoffenwetgeving en de hieraan gerelateerde EU-regelgeving vanuit de kringloopgedachte door te lichten op mogelijkheden om onnodige belemmeringen weg te nemen. De Kamer zal hierover medio 2012 worden geïnformeerd. Ook beziet de rijksoverheid binnen 3 maanden op welke manier de huidige mogelijkheden voor experimenteerruimte en vergunningverlening beter benut kunnen worden, of regelgeving in dat kader aangepast moet worden en zo ja, hoe.

In kader uitvoeringsagenda duurzame veehouderij (UDV) werd binnen de task force minerale kringlopen al langer gewerkt aan het sluiten van de voermest kringlopen met een nadruk op fosfaat. De komen maanden zal bezien worden in hoeverre beid trajecten elkaar kunnen versterken.

De beleidsbrief «toekomstig mestbeleid» (van 28 september jl.) geeft aan dat de overheid en de sector inzetten op verplichte mestverwerking. Dit zal een belangrijke stimulans zijn voor het beter verwaarden van fosfaat in dierlijke mest. In de reactie op de rapporten van de heer Alders en de Commissie van Doorn zal ik ingaan op de mondiale aspecten van duurzame veehouderij en het sluiten van kringlopen

160

Op welke wijze kan Nederlandse ontwikkelingssamenwerking concreet bijdragen aan duurzame winning en verwerking van grondstoffen, goed bestuur van de grondstoffenindustrie, transparantie, en duurzaam gebruik van ruimte?

Zie antwoord op vraag 3.

161

Het kabinet wil ervoor zorgen dat OS-landen die EITI hebben geïmplementeerd andere Afrikaanse landen gaan bijstaan. Qua ontwikkelingssamenwerking is dit het enige voornemen. Op welke manier zal het OS-beleid worden aangepast om de doelstellingen uit de grondstoffennotitie te bereiken?

Zie antwoord op vraag 3.

162

Hoe gaat het «actief uitdragen» van de OESO «Due Diligence Guidance for Responsible Supply Chain of Materials from Conflict-Affected and High Risk Areas» concreet vorm krijgen?

Zie antwoord op vraag 9.

163

Hoe is, bij het opstellen van de actiepunten van de grondstoffennotitie, sectie 1 504 van de Amerikaanse Dodd-Frank Act, die bedrijven in de grondstoffenketen verplicht om hun betalingen aan overheden te rapporteren, in ogenschouw genomen? Hoe ver is de Europese Commissie bij het ontwikkelingen van vergelijkbare wetgeving? Ondersteunt de regering de eisen van «Publish What You Pay» op dit vlak?

De regering schaart zich achter het streven naar vergrote transparantie dat aan de basis heeft gelegen van sectie 1 504 en vervolgens het initiatief van de Europese Commissie te komen tot een wijziging van de EU Transparantie- en Accountingrichtlijnen (zie ook antwoord op vraag 98). Echter, geen van beide voorstellen zijn op dit moment volledig uitgewerkt: de «Securities en Exchange Commission» is hiermee nog bezig en de Europese Commissie verwacht deze maand haar voorstellen bekend te kunnen maken. Pas op dat moment is het mogelijk van deze voorstellen een waardering te geven, bijvoorbeeld waar het gaat om de mate van detail van de vereiste rapportages. Daarbij zal de regering onder meer letten op de haalbaarheid, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van deze rapportages, inclusief de lastendruk voor het bedrijfsleven.

Buiten kijf staat dat de algemene transparantiegedachte reeds helder en stevig naar voren komt in de actiepunten van de grondstoffennotitie: de diverse initiatieven die de regering financieel zal, dan wel blijft, ondersteunen, richten zich op het vergroten van transparantie en het verder ontwikkelen en verstevigen van certificeringsmechanismen (de Natural Resource Charter, het EITI, het Kimberley Proces en grondstoffencertificering binnen de ICGLR). Ook overweegt Nederland het EITI nationaal te implementeren.

164

Hoe ziet het vervolgtraject er uit omtrent de implementatie van de grondstoffennotitie? Wat zijn de volgende stappen en wanneer vinden die plaats?

Zie antwoord op vraag 149.

165

Is het kabinet van plan om de OESO «Due Diligence Guidance for Responsible Supply Chain of Materials from Conflict-Affected and High Risk areas» en de VN richtlijnen van Ruggie over «business and human rights» een verplichtend karakter te geven?

Zie antwoord op vraag 9.

166

Aan wat voor soort trajecten denkt de regering om de verschuiving van de lastendruk van arbeid naar consumptie en gebruik van hulpbronnen te bewerkstelligen?

Nederland zit in de top 3 van Europese landen wat betreft opbrengst uit milieubelastingen ten opzichte van de totale belastingopbrengst. Er wordt daarom ingezet op Europese trajecten waarmee het aandeel groene belastingen in andere lidstaten wordt opgekrikt naar het Nederlandse niveau. Een voorbeeld is het richtlijnvoorstel tot herziening van de Energiebelastingrichtlijn dat de Europese Commissie recentelijk heeft gepubliceerd.

Een ander traject is dat van de «Roadmap to a Resource Efficient Europe», waarin wordt gesproken over manieren om externe effecten in de prijzen te brengen voor een gelijk speelveld binnen de EU. Uiteraard spelen daarbij overwegingen als de robuust­heid van de belastingopbrengst, de uitvoerbaarheid en de beperking van regeldruk een belangrijke rol.

167

Welke concrete inzet kiest u binnen het Plan van Aanpak fosfaat en hoe zult u concreet bevorderen dat innovatie hier op korte termijn wordt gestimuleerd?

Zie antwoord op vraag 159.

168

Kunt u ingaan op de keuze voor onderzoek naar samenwerking met Japan, China en Australië en bent u bereid de Kamer over de uitkomst van deze onderzoeken te informeren?

De keuze voor het onderzoeken van de mogelijkheden van samenwerking op het gebied van recycling en substitutie van zeldzame aardmetalen met Japan is gebaseerd op de grote budgetten die in Japan zijn vrijgemaakt om de industriële afhankelijkheid van deze grondstoffen te verminderen. Nederland heeft een lange traditie van samenwerking met Japan, op onderzoeksvlak is er al de nodige samenwerking en dit hoogtechnologische land heeft aangegeven op dit terrein graag de samenwerking aan te gaan met andere landen.

De Europese Commissie heeft met Japan in maart 2011 de EU-Japan wetenschapsovereenkomst getekend en overlegt met Japan over bilaterale EU-JP samenwerking en over trilaterale EU-JP-USA samenwerking. Dit kader kan van nut zijn voor de mogelijke samenwerking met Japan.

In verschillende contacten met Chinese en Australische delegaties blijkt steeds opnieuw dat China de grote milieu-impact bij mijnactiviteiten van zeldzame aardmetalen serieus wil terug dringen. Daarbij is hoogwaardige kennis van mijnwerkzaamheden en van waterbeheer en -zuivering noodzakelijk. Deze kennis kunnen Nederland en Australië, waar ook winning van zeldzame aarden plaats heeft, samen inbrengen. De Australiërs hebben eerder aangegeven geïnteresseerd te zijn in een dergelijke samenwerking. Dit kan leiden tot een unieke propositie die voor alle landen voordelen biedt.

Natuurlijk is de Regering bereid de Kamer te informeren over de uitkomst van deze onderzoeken. De haalbaarheidsonderzoeken worden dit najaar gestart, de uitkomsten worden in het voorjaar van 2012 verwacht, na het AO afval dat nu geagendeerd is voor 30 november 2011.

169

Hoe beoordeelt u de loop van het Kimberly Proces op dit moment en welke voorwaarden stelt u aan de financiële steun?

Het KP heeft tot nu toe een redelijk verloop gekend en is van belang gebleken bij de regulering van winning en handel van ruwe diamanten. Er is echter nog een lange weg te gaan om alle afspraken te doen naleven.

Een beslissing tot financiële steun aan het KP heb ik nog niet genomen; dat zal mede afhangen van de daadwerkelijke behoefte aan financiering.

170

Bent u tevreden over het verloop van het Kimberley proces? Kunt u hierbij ingaan op de diamantwinning in Zimbabwe?

Ik ben niet tevreden over het recente verloop, vooral m.b.t. de diamantwinning in Zimbabwe. De kern is dat Zimbabwe niet voldoet aan de winningsvoorwaarden vanwege niet-transparantie, terwijl toch certificaten werden afgegeven. Tijdens de laatste interim-plenaire vergadering te Kinshasa gaf KP voorzitter Democratische Republiek Congo, zonder dat binnen het KP consensus was bereikt, toestemming tot export uit een tweetal diamantmijnen in de Chiadzwa regio in Zimbabwe. De EU heeft aangegeven het communiqué van de voorzitter niet te accepteren. De EU voert namens de Lidstaten de onderhandelingen.  Het streven van de EU is er op gericht om enerzijds aan de genormeerde winning strak de hand te houden en anderzijds in die gevallen waarbij Zimbabwaanse mijnen wel voldoen aan de voorwaarden, certificaten te verstrekken. Bij juiste toepassing van de voorwaarden van het KP, kan het KP instrumenteel zijn om de winning en handel van diamanten in Zimbabwe transparant te maken.

171

Aan welke grondstof wordt gedacht als het gaat om de genoemde pilot plant? Wordt deze gekozen op basis van bereidheid van de desbetreffende sector om actief bij te dragen / deel te nemen?

De uiteindelijke keuze voor de pilots ligt bij de Europese Commissie. Er zijn op dit moment nog geen beperkingen aangebracht voor wat betreft de grondstoffen waarop een pilot plant zich kan richten. De Commissie bereidt momenteel onderzoek voor op grond waarvan zij nader zal bepalen op welke pilots ze zich wil richten. Het onderzoek zal de beschikbare technologische processen en technieken in kaart brengen evenals toonaangevende technische ontwikkelingen. Ook zal het onderzoek mogelijke innovatieve installaties en technische toepassingen moeten identificeren, die zich lenen voor een pilot, hun economische haalbaarheid en toegevoegde waarde.

De Europese Commissie verwacht dat het onderzoek in december start en maximaal 16 maanden duurt. Tijdens de onderzoeksfase wil Nederland suggesties doen voor mogelijke pilots, daarom wordt parallel in Nederland verkend welke Nederlandse initiatieven geïnteresseerd zijn in een dergelijke pilot. Initiatieven zullen in ieder geval een duidelijke Europese schaal moeten hebben om mogelijk in aanmerking te komen als pilot plant en het bedrijfsleven moet zelf met initiatieven komen en deze dragen.

172

Worden de uitkomsten van de reacties van de topsectoren aangaande hun grondstoffenrisico analyses naar de Kamer gecommuniceerd?

Zie antwoord op vraag 2.

173

Welke biotische grondstoffen anders dan hout lenen zich voor een vergelijkbare aanpak?

De wijze waarop de EU omgaat met de handel in hout kenmerkt zich door een stapsgewijze benadering waarin de EU op termijn streeft naar de aankoop van alleen duurzaam geproduceerd hout maar als tussenstap eist dat alle hout minimaal legaal geproduceerd is. Met legaal geproduceerd wordt bedoeld dat het productie en handelsproces de wetten en regels volgt die in van het land van herkomst van kracht zijn. Deze benadering is een uitvloeisel van het FLEGT (ForestLawEnforcement, Governance and Trade) Actie Plan uit 2003. De uitwerking van dit Actie Plan heeft tot op heden geleid tot het afsluiten van vijf zogeheten vrijwillige partnerschaps overeenkomsten tussen de EU en hout producerende landen in Afrika en Indonesië. Onderhandelingen met circa acht andere landen vinden thans plaats onder leiding van de Europese Commissie. Deze overeenkomsten voorzien in het versterken van de controle systemen op de productie van hout, het verbeteren van het bestuur en de transparantie van de houtsector en het versterken van de eigendoms- en gebruiksrechten en de ontwikkelingsmogelijkheden van bosafhankelijke bevolkingsgroepen. Deze verdragen worden ondersteund door een vorige jaar aangenomen EU verordening die de handel in illegaal hout binnen de EU verbiedt en die EU houthandelaren verplicht zich ervan te vergewissen dat zij geen illegaal gewonnen hout verkopen.

Bij de vraag of een dergelijke benadering ook toegepast kan worden op andere biotische grondstoffen is van belang dat de situatie in deze ketens vaak anders is dan in de houtketen. Een groot verschil bijvoorbeeld kan zijn dat de boswetgeving in veel hout producerende landen zeer gedetailleerd is maar simpelweg niet wordt nageleefd. Een tweede verschil is dat in vrijwel alle andere biotische ketens het bedrijfsleven zelf het initiatief neemt en dat «legaal» een minder aansprekend en vermarktbaar begrip is dan «duurzaam» met als gevolg dat illegaliteits aspecten integraal meegenomen worden binnen van het gehanteerde duurzaamheidsbegrip. Conform de toezegging in de grondstoffennotitie zal de Nederlandse overheid in samenwerking met andere lidstaten en de Europese Commissie nagaan of voor andere biotische grondstoffen voor een soortgelijke aanpak opportuun is.

174

Op pagina 14 staat dat de regering inzet op het wegnemen van regels die onnodig belemmerend werken. Welke regels gaat de regering wegnemen, en welke zaken zullen op de korte termijn worden aangepakt? Kan de regering een overzicht geven welke aanpassingen van de regels het meeste resultaat zullen opleveren? Neemt de regering daarbij ook de aanbevelingen uit de PBL-notitie Milieuschadelijke subsidies mee?

Met uitzondering van het door een aantal EU-lidstaten ontwikkelde aanbestedingen beleid is er op dit moment geen overkoepelend beleidsproces in de Europese Unie om bepaalde certificaten voor hout dan wel andere biotische grondstoffen «toe te passen» of te erkennen.

De certificeringinstanties in de houtsector als FSC en PEFC zijn internationale NGO’s die bedrijven op basis van vrijwilligheid de mogelijkheid geven hun productie en handelsketen te laten certificeren. De Europese Unie en lidstaten hebben de keuze om al dan niet over te gaan tot certificering echter altijd aan het bedrijfsleven zelf overgelaten. Dit mede omdat verplichte certificering op basis van een eenzijdig vastgestelde standaard door andere landen en bedrijven als vorm van protectionisme beschouwd zou kunnen worden en kwetsbaar zou zijn voor klachten in het kader van de WTO of de EU Richtlijn inzake Publieke Aanbestedingen (zie antwoord vraag 85).

De enige uitzondering op dit beleid is de erkenning van bepaalde certificaten in het kader van het publiek aanbestedingsbeleid van een aantal Europese Lidstaten. Maar ook daar is het uiteindelijk aan bedrijven zelf om te bepalen of zij gecertificeerd willen worden en of zij al dan niet mee willen dingen naar overheidsopdrachten.

De EU en Lidstaten laten daarom bewust certificeringinitiatieven primair aan het bedrijfsleven, marktpartijen en NGO’s over.

Zonder uitputtend te zijn, zijn de belangrijkste certificaten, behalve de hierboven genoemde: Fairtrade, Utz, Rainforest Alliance, Biologisch, ASC,MSC, RSPO, RTRS en BSCI.

175

De organisaties die in de houtsector de certificering van legaal en duurzaam hout verzorgen (bijv. FSC, PEFC) zijn ngo’s. Op welke manier verkent de regering de mogelijkheden met de Europese Commissie om dergelijke certificering toe te passen op andere biotische grondstoffen? Is deze verantwoordelijkheid primair voor de EU weggelegd, of wordt deze taak aan ngo's overgelaten? Kan de regering een overzicht geven van de certificaten die er al zijn op dit gebied?

Met uitzondering van het door een aantal EU-lidstaten ontwikkelde aanbestedingen beleid is er op dit moment geen overkoepelend beleidsproces in de Europese Unie om bepaalde certificaten voor hout dan wel andere biotische grondstoffen «toe te passen» of te erkennen.

De certificeringinstanties in de houtsector als FSC en PEFC zijn internationale NGO’s die bedrijven op basis van vrijwilligheid de mogelijkheid geven hun productie en handelsketen te laten certificeren. De Europese Unie en lidstaten hebben de keuze om al dan niet over te gaan tot certificering echter altijd aan het bedrijfsleven zelf overgelaten. Dit mede omdat verplichte certificering op basis van een eenzijdig vastgestelde standaard door andere landen en bedrijven als vorm van protectionisme beschouwd zou kunnen worden en kwetsbaar zou zijn voor klachten in het kader van de WTO of the EU Richtlijn inzake Publieke Aanbestedingen (zie antwoord op vraag 85).

De enige uitzondering op dit beleid is de erkenning van bepaalde certificaten in het kader van het publiek aanbestedingsbeleid van een aantal Europese Lidstaten. Maar ook daar is het uiteindelijk aan bedrijven zelf om te bepalen of zij gecertificeerd willen worden en of zij al dan niet mee willen dingen naar overheidsopdrachten.

De EU en Lidstaten laten daarom bewust certificeringinitiatieven primair aan het bedrijfsleven, marktpartijen en NGO’s over.

Zonder uitputtend te zijn, zijn de belangrijkste certificaten, behalve de hierboven genoemde: Fairtrade, Utz, Rainforest Alliance, Skal, ASC,MSC, RSPO, RTRS en BSCI.

176

In de notitie van de Rabobank «Impact of Agricultural Price Volatility on Sourcing Strategies» worden drie redenen genoemd van de toegenomen vraag naar agro-producten: toegenomen inkomen per hoofd van de bevolking, verandering in eetpatroon en biobrandstoffen. Op welke van deze terreinen ziet de regering mogelijkheden om de nationale vraag naar grondstoffen te beperken (Agenda 2)? En hoe?

De vaste Kamercommissie EL&I heeft de staatssecretaris van EL&I gevraagd een reactie te geven op het genoemde rapport van de Rabobank. De beantwoording van vraag 176 zal in deze reactie worden betrokken.

177

Hoe gaat het «actief uitdragen» van de VN-richtlijnen van Ruggie over «business and human rights» concreet vorm krijgen? Welke elementen van de VN-richtlijn zijn in het bijzonder van belang?

In de geactualiseerde mensenrechtenstrategie «Verantwoordelijk voor vrijheid: mensenrechten in het buitenlands beleid» (Kamer toegekomen op 5 april jl.)6 is aangegeven dat Nederland zich actief inzet voor de verdere acceptatie en implementatie van het «Ruggie»-raamwerk, zowel in VN-verband als nationaal. De regering zal een reeks bijeenkomsten organiseren met het Nederlands bedrijfsleven over de toepassing van het «Ruggie»-raamwerk met als doel te verhelderen wat de verantwoordelijkheid van bedrijven om mensenrechten te respecteren precies inhoudt. Voornamelijk de elementen van «due diligence» en «human rights impact assessments» zullen tijdens deze bijeenkomsten onder de aandacht worden gebracht.

178

Omvat het kabinetsbeleid met betrekking tot economische diplomatie, ook het aanwenden van de Nederlandse invloed in de productielanden van grondstoffen om wet- en regelgeving te bevorderen die duurzame productie van hulpbronnen kunnen garanderen? Kunt u geslaagde voorbeelden noemen van dergelijke economische diplomatieke inspanningen?

Economische diplomatie is een activiteit waarbij de Nederlandse overheid haar netwerken actief inzet voor een economisch doel (trouble shooting, markttoegang of marktordening) ten behoeve van het oplossen van belemmeringen voor Nederlandse ondernemers op buitenlandse markten. Hieronder vallen ook uitdagingen gerelateerd aan het grondstoffengebruik. Hoe en of economische diplomatie zal worden aangewend om wetgeving in een ander land te beïnvloeden hangt af van de specifieke belemmering die het bedrijfsleven ervaart.

Een voorbeeld van geslaagde economisch diplomatieke inspanning is de in wording zijn de certificering van de artisanale mijnbouw in Oost Congo. Vanwege een de facto boycot van Congolese mineralen door de invoering van de Amerikaanse Dodd-Frank wetgeving door internationaal opererende (en in de VS beursgenoteerde bedrijven) is het inkomen in de regio drastisch teruggelopen. Ook komen bedrijven – waaronder Nederlandse – in de problemen omdat de DRC de grootste leverancier was van bepaalde voor hen essentiële grondstoffen, die nu zeer schaars zijn geworden. De Speciaal Gezant Natuurlijke hulpbronnen (SVNH) van het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft daarom samenwerking gezocht met Duitsland om de door de voormalige EU-gezant Van der Geer opgezette certificering van de regionale markt voor (conflict)mineralen voor te zetten en uit te breiden. Daartoe is ook al enige tijd een Nederlandse diplomaat in de Oost Congolese stad Goma gestationeerd. Hij werkt terplekke samen met het Duitse grondstoffeninstituut (BGR) en andere actoren om de mogelijkheden voor betrouwbare certificering verder in kaart te brengen. BGR heeft recent een laboratorium in de Burundese hoofdstad Bujumbura opgebouwd, waarin monsters van te certificeren mineralen uiterst nauwkeurig op hun herkomst kunnen worden geverifieerd. Vanuit Nederlandse middelen voor Ontwikkelingssamenwerking en het stabiliteitsfonds zijn bijdragen voorzien aan niet gouvernementele partners in dit proces, zoals ITRI en de ICGL (zie ook het antwoord op vraag 53).

Genoemde actoren werken samen met de autoriteiten van de DRC om de delvings plaatsen in kaart te brengen en te inspecteren op mensenrechten-, arbeidsrechtelijke en conflictdimensies. Het doel is te komen tot een certificeringsketen die dusdanige waarborgen biedt qua afkomst van de mineralen, dat ook enkele grote Nederlandse bedrijven weer op verantwoorde wijze grondstoffen uit de DR Congo kunnen verwerken. De SVNH heeft deze initiatieven in oktober 2011 gepresenteerd aan de Amerikaanse autoriteiten en is met hen in gesprek over de noodzakelijke stroomlijning van de uitvoering van de Dodd-Frank wet – 1502 en mogelijke aansluiting bij ontwikkelingen in de EU. De SVNH zal dit ook dit najaar in Brussel te berde brengen tijdens een bezoek aan de EU.

Doel van deze inspanningen is de economische, sociale en veiligheidssituatie in de Oostelijke Congo te verbeteren en de grondstoffenzekerheid voor bedrijven te handhaven. Als direct nevenresultaat van een dergelijk certificeringsmechanisme ontstaat een gelijk speelveld voor bedrijven.

179

Welke specifieke expertise van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen wordt ingezet in Europese ontwikkelingssamenwerking en -partnerschappen?

Zie antwoord op vraag 187.

180

Middels welke maatregelen gaat de overheid het gebruik van duurzaam gewonnen grondstoffen stimuleren als onderdeel van haar aanbestedingspraktijk? Worden bedrijven op termijn ook verplicht duurzame grondstoffen te gebruiken bij grote aanbestedingen van het Rijk?

Zie antwoord op vraag 128.

181

Om welke hulpbronnen gaat het wanneer gesproken wordt over een verschuiving van de lastendruk vanuit arbeid?

Er wordt bij voorkeur gekeken naar hulpbronnen met een groot negatief milieu­effect. De Nederlandse inzet in internationale trajecten zal samen met het op kop lopende bedrijfsleven worden vormgegeven.

182

Wanneer wordt TEEB Nederland opgeleverd?

TEEB voor Nederland bestaat uit een aantal deelstudies waarvan sommigen vooraf worden gegaan door een methodologische voorstudie. De resultaten van de deelstudies zullen op verschillende momenten tussen eind 2011 en eind 2012 worden opgeleverd. TEEB voor Nederland zal worden afgesloten met een synthese rapport dat is voorzien voor eind 2012. De deelstudies zijn TEEB voor: Bedrijven (eind 2011); Ruimtelijk fysieke investeringen (voorstudie 2011, eindrapport 2012); Internationale Handelsketens (voorstudie en eindrapport 2012); Groen en Gezondheid (begin 2012); BES eilanden (Bonaire eind 2011, St Eustatius en St Maarten 2012); Gemeenten (eind 2011).

183

Is er concreet gesproken met bijvoorbeeld buurlanden als België en Duitsland over het opschalen van de IDH aanpak naar een multilateraal beleid?

In een aantal sectoren worden verkennende gesprekken gevoerd over samenwerking met de volgende landen: Duitsland (cacao, soja, thee, kweekvis, hout), Engeland (soja, thee, kweekvis, natuursteen), België (soja), Frankrijk (hout) en Zwitserland (cacao). Er is hier niet sprake van multilateraal beleid.

184

Wordt het Kennisplatform Duurzaam Grondstoffenbeheer actief betrokken bij de voorbereiding van de Nederlandse inbreng ten aanzien van de herziening van de EU richtlijn Eco-design?

In opdracht van de Europese Commissie wordt een onderzoek uitgevoerd naar de werking van de EU Richtlijn Eco-design. Het onderzoek heeft inmiddels een tussentijdse rapportage opgeleverd. Ik zal het Kennisplatform daarvan op de hoogte stellen en nagaan in hoeverre het een zinvolle inbreng in het verdere review proces van de richtlijn kan leveren.

185

Wordt «de Groene zaak» betrokken bij het opstellen van de genoemde concrete duurzaamheidsagenda voor het bedrijfsleven?

Zie antwoord op vraag 149.

186

De IDH initiatieven lijken vooral gericht op biotische grondstoffen. Voor welke voor Nederland relevante abiotische grondstoffen gelden vergelijkbare initiatieven of bestaat de mogelijkheid om deze te realiseren?

Iedere grondstoffenketen kent zijn eigen dynamiek en stakeholderveld. Voor het mainstream verduurzamen van a-biotische grondstoffen zou een ketenbenadering vergelijkbaar met IDH goed kunnen werken, maar het ligt niet voor de hand om dat bij de bestaande organisatie van IDH onder te brengen, gezien de afwijkende problematiek (conflictmineralen) en daarvoor vereiste expertise. De kracht van het IDH ligt ten dele in het feit dat betrokken bedrijven en NGO’s individueel ook actief zijn op meerdere biotische kennisvelden wat leidt tot kruisbestuiving en efficiëntie. Het verder diversifiëren van de IDH-portfolio richting abiotische grondstoffen doet daar afbreuk aan.

187

Aangegeven is dat grondstoffen producerende landen zullen worden ondersteund om aan duurzaamheids- en kwaliteitseisen te voldoen, onder andere d.m.v. partnerschappen. Welke vorm neemt deze ondersteuning aan? En welke vorm de partnerschappen?

Ondersteuning wordt onder andere gerealiseerd door middel van Het Initiatief Duurzame Handel (IDH), dat zich heeft zich ontwikkeld tot een belangrijke drijvende kracht in de verduurzaming van grondstofketens. Het IDH biedt een bruikbaar kader voor afstemming en uitvoering op het niveau van zowel grondstoffen als doorsnijdende thema’s. Dit betekent, dat zij de komende jaren een belangrijke partner en actor zullen zijn in de ondersteuning via partnerschappen.

In het kader van partnerschappen wordt de betreffende agrariërs door training kennis op het gebied van «good agricultural practice» bijgebracht, daarnaast wordt aandacht besteed aan de ontwikkeling van nieuwe rassen en toegang tot financiering. Certificering van grondstoffen draagt bij aan de markttoegang op de Europese markt (als gevolg van maatschappelijk verantwoord beleid van retail). Een voorbeeld is Vietnam: de Vietnamese en Nederlandse autoriteiten vormen de publieke partijen, Nederlandse afnemers en Vietnamese producenten vormen de private partijen. Een dergelijke aanpak kan ook verder vorm krijgen binnen het beleid van de regering inzake voedselzekerheid, zie ook vraag 52.

Op ambtelijk en technisch niveau onderhoudt het ministerie van EL&I verder met verschillende landen een beleidsdialoog mede via landbouwwerkgroepen. Ook hier vindt uitwisseling plaats over kennis, markttoegang en capacitybuilding.

188

Hoe kan de overheid «marktinstrumenten» inzetten om het gebruik van niet-duurzaam geproduceerde grondstoffen te ontmoedigen?

Met marktinstrumenten kan de overheid negatieve externe effecten van grondstoffengebruik beprijzen, duurzame keuzes belonen en de aantasting van natuurlijk kapitaal beperken. Met het laten uitvoeren van de CE-studie «Nederland importland – landgebruik en emissies van grondstofstromen» heeft het Ministerie van IenM een eerste stap gezet, door zicht te verkrijgen op de grondstofstromen waarop dergelijke instrumenten, over de hele keten bezien, het best zouden kunnen aangrijpen.

Het verkennen van de mogelijkheden zal in samenspraak met het Nederlandse bedrijfsleven gebeuren. De ontwikkeling van eventuele kansrijke instrumenten zal altijd gebeuren met het oog op inbreng in de EU. De regering wil niet vooruitlopen om mogelijke instrumenten.

189

Wat verstaat de regering precies onder «niet-duurzaam geproduceerde grondstoffen»? Welke mineralen worden met name wel duurzaam gewonnen?

Zie antwoord op vraag 35.

190

Op welke wijze gaat de regering «de mogelijkheden verkennen om met marktinstrumenten het gebruik van niet-duurzaam geproduceerde grondstoffen te ontmoedigen»? Welke markinstrumenten bedoelt de regering?

Zie antwoord op vraag 188.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Bommel, H. van (SP), Staaij, C.G. van der (SGP), Çörüz, C. (CDA), Timmermans, F.C.G.M. (PvdA), Albayrak, N. (PvdA), voorzitter, Ormel, H.J. (CDA), Ferrier, K.G. (CDA), Eijsink, A.M.C. (PvdA), Irrgang, E. (SP), Roon, R. de (PVV), Voordewind, J.S. (CU), Pechtold, A. (D66), ondervoorzitter, Broeke, J.H. ten (VVD), Thieme, M.L. (PvdD), Peters, M. (GL), Kortenoeven, W.R.F. (PVV), Bosman, A. (VVD), Dikkers, S.W. (PvdA), El Fassed, A. (GL), Hachchi, W. (D66), Dijkhoff, K.H.D.M. (VVD), Driessen, J.H.A. (PVV) en Caluwé, I.S.H. de (VVD).

Plv. leden: Raak, A.A.G.M. van (SP), Dijkgraaf, E. (SGP), Knops, R.W. (CDA), Samsom, D.M. (PvdA), Recourt, J. (PvdA), Bruins Slot, H.G.J. (CDA), Haverkamp, M.C. (CDA), Arib, K. (PvdA), Dijk, J.J. van (SP), Mos, R. de (PVV), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Schouw, A.G. (D66), Hennis-Plasschaert, J.A. (VVD), Ouwehand, E. (PvdD), Sap, J.C.M. (GL), Wilders, G. (PVV), Leegte, R.W. (VVD), Heijnen, P.M.M. (PvdA), Braakhuis, B.A.M. (GL), Veldhoven, S. van (D66), Taverne, J. (VVD), Bontes, L. (PVV) en Mulder, A. (VVD).

X Noot
2

L Bron: ICCO.

X Noot
3

Bronnen: WUR, MVO en Mielke (Oil World), 2011.

X Noot
4

Bron: Landbouw Economisch Instituut – Dutch Trade and Biodiversity 2010.

X Noot
6

Kamerstuk 32 735, nr. 1 (Brief regering; Aanbieding notitie «verantwoordelijk voor vrijheid: mensenrechten in het buitenlands beleid-Mensrechten in het buitenlands beleid»).