32 842 Wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt

D NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 27 november 2013

Mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bericht ik u dat wij met belangstelling kennis hebben genomen van de nadere vragen van de leden van de fractie van de SP en de fractie van Groen Links in de nadere nota naar aanleiding van het verslag en dat ik deze als volgt al beantwoord.

1. Algemeen

Het bredere softdrugbeleid

In dit onderdeel van het nader voorlopig verslag stellen de leden van de fractie van de SP en van de fractie van Groen Links een groot aantal vragen met betrekking tot het coffeeshopbeleid. Daarbij lijken deze leden een verband te leggen tussen de voorgestelde strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen en het feit dat binnen Nederland de discussie over wat in de wandelgangen wordt genoemd de bevoorrading van de achterdeur van de coffeeshop is herleefd. De leden van deze fracties wijzen daarbij onder meer op ontwikkelingen die zich in andere landen voordoen met betrekking tot de strafbaarstelling van het gebruik van cannabis en regulering van de distributie van cannabis voor recreatieve doeleinden. Ik heb de indruk dat deze leden daarbij twee zaken met elkaar verbinden die naar mijn oordeel geheel los van elkaar staan. De kwestie van de bevoorrading van coffeeshops is een materie waarover een discussie wordt gevoerd in den lande en in het parlement. Ik heb daarover in december 2012 aan de Tweede Kamer toezeggingen op dit terrein gedaan, die ik nog eens bij gelegenheid van het op 3 juli 2013 met de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie uit de Tweede Kamer gevoerd overleg heb herhaald: er komt een brief met een inventarisatie van initiatieven en experimenten zoals voorgesteld door gemeenten. Ik heb ook de resultaten van een onderzoek naar kleinschalige wietteelt in Europa en in de VS toegezegd. Er komt een reactie op een artikel van Schilder en Brouwer in het Nederlands Juristenblad van december 2012. Zoals afgesproken ontvangt de Tweede Kamer een en ander voor 1 januari 2014.

De strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen met betrekking tot grootschalige en beroepsmatige hennepteelt staat geheel los van die discussie. Illegale hennepteelt, zo heb ik tijdens de schriftelijke en mondelinge behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer maar ook in de memorie van antwoord aangegeven, komt in Nederland helaas op grote schaal voor. Bestrijding van illegale hennepteelt is al sinds jaar en dag kabinetsbeleid. In 1999 werd met het oog daarop het telen als separate strafbaarstelling in de Opiumwet opgenomen. Die strafbaarstelling bestaat dus naast het coffeeshopbeleid. In de loop van de schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel heb ik bij herhaling en wetenschappelijk gedocumenteerd aangegeven dat het doel van het voorliggende wetsvoorstel is om een bestaande lacune in het strafrechtelijk instrumentarium voor de bestrijding van illegale hennepteelt op te heffen. Dat betreft het faciliteren van de grootschalige en beroepsmatige illegale hennepteelt. Dat fenomeen doet zich in vele vormen voor: het financieren van kwekerijen, het verhuren van ruimten voor kwekerijen en drogerijen, het leveren van materialen voor de inrichting van kwekerijen en voor het kweken en oogsten en verwerken van hennepplanten en het inrichten van kwekerijen door zogenaamde hokkenbouwers, elektriciens, etc. Het faciliteren gebeurt nog maar zelden door de direct betrokkenen bij de teelt. Er is een branche van faciliteerders van illegale hennepteelt ontstaan.

Verder heb ik aangegeven dat de illegale hennepproductie in Nederland, waarin jaarlijks duizenden illegale hennepkwekerijen worden opgespoord en ontmanteld, een zodanige omvang heeft dat illegale hennepteelt desondanks doorgaat. Uit onderzoek daarnaar, waarvoor ik verwijs naar de memorie van antwoord, werd duidelijk dat niet kan worden volstaan met het oprollen van kwekerijen, maar dat strafrechtelijk optreden ook nodig is in de voorfase van het telen. Dit betreft het faciliteren zoals hiervoor omschreven, dat ingevolge dit wetsvoorstel wordt strafbaar gesteld als voorbereidingshandelingen.

Ten slotte merk ik nog op dat zelfs als de bevoorrading van coffeeshops op een door deze leden nagestreefde wijze zou worden gerealiseerd, dit onverlet zou laten dat ook daarna nog steeds tegen illegale vormen van hennepteelt en de faciliteerders daarvan zal moeten worden opgetreden. Dat daar aanleiding toe zal blijven bestaan, blijkt uit het feit dat de illegale productie van hennep in Nederland een omvang heeft die de behoeften van coffeeshops ruimschoots overtreft.

De leden van de SP-fractie vroegen naar een beoordeling van de regering van de uitkomst van de WODC-evaluatie dat door invoering van de zogenaamde wietpas de overlast is toegenomen. Gelet op de verwijzing wordt ervan uitgegaan dat deze leden doelen op de tussenrapportage van het WODC: «Het Besloten club- en ingezetenencriterium voor coffeeshops. Evaluatie van de implementatie en de uitkomsten in de periode mei-november 2012», die bij brief van 27 juni 2013 aan de Tweede Kamer is toegezonden (Kamerstukken II, 2012/2013, 24 077, nr. 310 bijl) In genoemde brief ben ik ook inhoudelijk op het rapport ingegaan en daarin als oordeel gegeven dat de uitkomsten van de tussenrapportage de beleidswijziging zoals die per 2013 (en feitelijk per 19 november 2012) is ingezet, te weten het loslaten van het besloten clubcriterium en het doorzetten van het ingezetenencriterium, ondersteunen. Verder heb ik aangegeven dat de harde aanpak van drugrunners en illegale straathandel zal worden voortgezet. Voor de goede orde vermeld ik nog dat de eindrapportage, waarin de verdere ontwikkelingen aan de orde komen, in 2014 zal worden uitgebracht.

De leden van de SP fractie vroegen naar het oordeel van de regering over de uitspraak van de Maastrichtse politierechter van 4 september 2013, waarin de rechter oordeelde dat het Nederlandse coffeeshopbeleid niet uit te leggen is. Deze uitspraak is via de media en een persbericht van de rechtbank bekend geworden. Zoals bekend worden uitspraken van politierechters niet in een uitgewerkt schriftelijk vonnis vastgelegd, tenzij tegen de uitspraak hoger beroep wordt ingesteld. Het openbaar ministerie heeft in deze zaak hoger beroep ingesteld. Onder deze omstandigheden onthoud ik mij van een oordeel over de uitspraak van de politierechter.

De leden van de SP-fractie wezen er op dat tal van landen die met harde hand het gebruik, de productie en de verkoop van softdrugs bestreden, tot de conclusie zijn gekomen dat dit beleid averechts werkte en dat deze landen in verschillende varianten afzien van de vervolging van het gebruik, de verkoop en de productie van softdrugs of een andere vorm van legalisatie van softdrugs nastreven en vroegen of deze ontwikkelingen voor de regering aanleiding geven om het beleid ten aanzien van softdrugs te heroverwegen. De berichtgeving over ontwikkelingen in andere landen is bekend. Ik heb de Tweede Kamer bovenvermeld onderzoek toegezegd, dat deze ontwikkelingen in kaart brengt. Ter voorkoming van misverstanden, merk ik tegelijkertijd op, zoals ik dat in december 2012 en daarna in de Tweede Kamer steeds heb gedaan, dat ik van oordeel ben dat het juridische kader op het terrein van verdovende middelen waaraan Nederland gebonden is geen ruimte biedt voor de bevoorrading van coffeeshops, ook niet in de vorm van experimenten.

De leden van de SP fractie vroegen hoe de regering aan kijkt tegen het recente plan in Utrecht om te komen tot een gereguleerde en gecontroleerde gemeentelijke wietshop. Zij wijzen voorts op plannen van gemeenteraden van een aantal steden en gemeenten in Limburg en vragen of de overheid voornemens is maatregelen te nemen, mochten gemeentelijke plannen worden uitgevoerd. Ik stel mij in dezen op het standpunt dat er geen aanleiding is in te gaan op reacties van overheidswege op niet bestaande situaties. De gemeente Utrecht heeft weliswaar bij de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een verzoek om ontheffing gedaan met het oog op een wetenschappelijk experiment met het telen van wiet, maar daarop is nog geen beslissing genomen. Ik verwijs in dit verband naar de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 oktober 2013, waarbij onder meer de Kamervragen van het Tweede Kamerlid Rebel (2013Z17354) over dit verzoek zijn beantwoord. Verder herinner ik voor de goede orde aan de hierboven vermelde toezegging aan de Tweede Kamer betreffende een brief met een inventarisatie van initiatieven en experimenten zoals voorgesteld door gemeenten.

De leden van de SP-fractie vroegen, onder verwijzing naar uitspraken van prof. J. Brouwer, of de regering bereid is de mogelijkheden te onderzoeken of het kweken van cannabis onder overheidstoezicht al dan niet in strijd is met internationale verdragen. Ik kan hierop antwoorden, dat dit onderdeel van de hierboven vermelde toezegging aan de Tweede Kamer vormt dat de onderzochte ontwikkelingen in het buitenland, alsmede de plannen van de gemeenten ook worden bezien in het licht van het voor Nederland geldende juridisch kader op het terrein van verdovende middelen.

De leden van de fractie van Groen Links vroegen of het niet voor de hand zou liggen dat, als niet geheel afstand wordt gedaan van het gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops, een verdere strafbaarstelling van illegale hennepteelt gepaard gaat met regulering in de vorm van een vergunningenstelsel voor de bevoorrading. Onder verwijzing naar mijn opmerkingen aan het begin van deze nota, waarin ik een verband tussen het voorliggende wetsvoorstel en het te voeren coffeeshopbeleid afwijs, merk ik op dat een vergunningenstelsel voor bevoorrading van coffeeshops niet verenigbaar is met het geldende juridische kader. Ik herhaal dit hier nogmaals, omdat het juridisch kader naar mijn oordeel bepalend is. In dit verband wordt gewezen op de afwijzende reactie van de International Narcotic Control Board van de VN, als toezichthouder op de naleving van de verdragen, in november 2012, op de ontwikkelingen in de staten Colorado en Washington State van de Verenigde Staten van Amerika. De INCB heeft verder in zijn jaarverslag over 20121 zelfs een aanbeveling opgenomen, waarin onder expliciete verwijzing naar de ontwikkelingen in deze staten het belang en de noodzaak van volledige naleving van de verdragsverplichtingen is verwoord. Lopende het onderzoek naar de ontwikkelingen in de VS en andere landen, als hierboven aangegeven, worden thans geen uitspraken over de juridische houdbaarheid van een en ander gedaan.

Het antwoord op de vraag van deze leden of de regering bereid is om nationale ruimte voor vormen van decriminalisering en regulering te bepleiten in het kader van de VN-verdragen en de Europese Unie, luidt ontkennend.

De leden van de fractie van Groen Links vroegen de regering in het licht van internationale ontwikkelingen tot regulering en decriminalisering van cannabis de eigen voorkeur te benoemen en daarbij ook in te gaan op de beleidsontwikkelingen en de gemeentelijke initiatieven van de afgelopen jaren, de samenhang tussen deze ontwikkelingen en de effecten op de volksgezondheid en de openbare orde. Uit het voorgaande zal duidelijk zijn dat noch regulering noch decriminalisering verenigbaar wordt geacht met het geldende juridische kader. Het is verder niet geheel duidelijk wat vragenstellers bedoelen met beleidsontwikkelingen en gemeentelijke initiatieven. Indien daarbij wordt gedoeld op de gemeentelijke plannen tot bevoorrading van de achterdeur van de coffeeshop, dan wordt verwezen naar hetgeen daarover hierboven al is opgemerkt over de inventarisatie daarvan. Bij deze stand van zaken valt er voorts weinig te zeggen over de mogelijke effecten van deze plannen op de volksgezondheid en de openbare orde.

Gevraagd door deze leden naar de effecten op de volksgezondheid en openbare orde van voorliggend wetsvoorstel, wordt opgemerkt dat van de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen wordt verwacht dat daardoor de illegale hennepteelt effectiever kan worden bestreden, hetgeen een positief effect op de volksgezondheid zal hebben. Illegale hennepteelt gaat in het algemeen niet gepaard met verstoring van de openbare orde. Integendeel, het doel van betrokkenen is juist dat het productieproces zo onopvallend verloopt. Dat laat onverlet dat in dat criminele milieu terdege sprake is van onderlinge afrekeningen waarbij geweld tegen personen en goederen niet wordt geschuwd. Het terugdringen van illegale hennepteelt kan in die zin dan ook positieve effecten op de al dan niet georganiseerde criminaliteit.

Op de opmerking van de leden van de fractie van Groen Links dat zij niet overtuigd zijn geraakt van de effectiviteit van het wetsvoorstel, en dat zij vooral de indruk hebben dat aanneming daarvan het softdrugsbeleid alleen nog maar complexer gaat maken, is ingegaan aan het begin van deze nota.

De leden van de fractie van Groen Links gaven aan dat het hen stoort dat de regering in haar beantwoording weigert het voorliggende wetsvoorstel in het bredere perspectief van het Nederlandse (soft)drugsbeleid te plaatsen. Terwijl de memorie van toelichting dit voorstel juist cruciaal noemt in het kader van het drugsbeleid, aldus deze leden, suggereert de regering nu dat er geen enkel verband zou bestaan tussen de voorgestelde strafbaarstelling en het coffeeshopbeleid. De door deze leden geconstateerde tegenspraak in standpunten van de regering lijkt op een misverstand berusten. Naar wordt aangenomen doelen deze leden op de passage in de inleiding van de memorie van toelichting, waarin wordt ingegaan op de maatregelen die zijn getroffen om de bestrijding van de illegale hennepteelt te intensiveren en te optimaliseren. Daarna volgt de zin: «Het onderhavige wetsvoorstel dat een belangrijk onderdeel van de maatregelen vormt, werd in de brief van 27 mei 2011 over het drugbeleid al aangekondigd.» Met andere woorden, in genoemde passage wordt niets meer gezegd dan dat het wetsvoorstel van groot belang is voor de bestrijding van de illegale hennepteelt. Voor een toelichting op de stelling dat er geen verband is tussen de voorgestelde strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen met betrekking tot beroeps- en bedrijfsmatige illegale hennepteelt en het gevoerde coffeeshopbeleid wordt verwezen naar hetgeen daarover hierboven is uiteengezet. Daaruit volgt tevens, dat er geen aanleiding wordt gezien om het voorliggende wetsvoorstel in het bredere kader van het softdrugsbeleid te plaatsen.

De vraag van de leden van de fractie van Groen Links om de Kamer te informeren over haar integrale visie op het Nederlandse softdrugsbeleid vertoont grote overeenkomst met een soortgelijke vraag in het voorlopig verslag. In de memorie van antwoord is geantwoord dat er voldoende inzicht bestaat in de werking van de huidige regelgeving en is ter onderbouwing van die stelling ingegaan op de verschillende onderdelen van die regelgeving. De thans gestelde vraag geeft geen aanleiding om op dat antwoord terug te komen.

Motivering en effectiviteit

De leden van de fractie van de SP vroegen een expliciet antwoord op hun vraag op welk wetenschappelijk onderbouwd onderzoek de verwachting van de regering gebaseerd is dat de beoogde nieuwe strafbepaling ertoe zal leiden dat het aantal personen dat zich bezighoudt met voorbereidingshandelingen «al vanzelf zal teruglopen.» Graag zal ik alsnog ingaan op de vraag van deze leden. Ik merk allereerst op dat ten aanzien van de effecten van de strafbaarstelling een verwachting wordt uitgesproken. Deze is gebaseerd op wat wordt aangeduid met het generaal preventieve effect van de strafwet. Anders gezegd: het strafbaar stellen van gedrag heeft gewoonlijk het effect dat mensen de strafbaarheid en het daarmee verbonden risico van bestraffing mee laten wegen bij hun beslissing om al dan niet de strafbaar gestelde handeling te verrichten. Meer toegespitst op deze materie, zal een elektricien nu op een zolder zonder meer een uitgebreide elektrische installatie kunnen aanleggen ook al is een dergelijke installaties in normale huishoudens niet gebruikelijk. Ik verwacht dat hij zich in na de strafbaarstelling van de voorbereidingshandelingen in een soortgelijk geval zal afvragen wat het effect van zijn handelen zal zijn en, als hij bij voorbeeld aanwijzingen heeft dat de installatie is bestemd voor een illegale hennepkwekerij, ervan af zal zien. De uitgesproken verwachting is dus niet gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijke effecten van deze wetswijziging. Daar is geen onderzoek naar gedaan. Gewoonlijk worden dergelijke onderzoeken ook pas gedaan nadat een wet al enige tijd in werking is.

De leden van de SP-fractie herinneren er aan dat de regering heeft betoogd dat de beoogde wetswijziging de opsporing van strafbare feiten zal vergemakkelijken. Zij wijzen vervolgens op een artikel2 uit de Ars Aequi van 13 maart 2012 waarin prof. mr. M.J. Borgers, hoogleraar strafprocesrecht, en mr. drs. E. van Poecke, docent strafrecht, beiden verbonden aan de VU te Amsterdam, over de effectiviteit van het wetsvoorstel opmerken: «Het gevolg is dus een verplaatsing en versplintering van de activiteit en van growshops, waardoor de grens tussen de legale en illegale activiteiten lastiger te trekken zal zijn en de opsporing zal worden bemoeilijkt. Dit is één van de bekendste verschijnselen in de criminaliteitsbestrijding: als je op een bepaald punt de criminaliteit de kop indrukt, komt dit op een ander punt weer om de hoek kijken. Niet voor niets spreekt men hier wel van een «waterbedeffect».» Deze leden vragen of de regering de opvatting van deze deskundigen deelt. Het antwoord daarop luidt ontkennend, om de volgende reden. Het artikel uit Ars Aequi dateert van kort na de indiening van het wetsvoorstel. De aangehaalde passage slaat op een in het artikel opgenomen citaat uit een rapport van weer andere deskundigen waarin een scenario voor verplaatsing wordt geschetst. Wat daar verder ook van zij, het thema van het risico van verplaatsing is uitvoerig aan de orde geweest tijdens de behandeling van het wetsvoorstel. Zo ben ik in mijn brief van 7 december 2012 (Kamerstukken II, 2012/2013, 32 842, 13), waarin een schriftelijke reactie is gegeven op vragen die in de eerste termijn van de plenaire behandeling waren gesteld, ook daarop ingegaan. Ik heb daarbij onder meer aangegeven dat ik mij tot een aantal brancheorganisaties heb gewend en hen heb geïnformeerd over het wetsvoorstel. De reacties daarop waren als volgt. De Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (hierna: LTO Nederland) gaf aan dat zij alle illegale praktijken afwijst, staat voor goed werkgeverschap en duurzaam ondernemen en ditzelfde ook van haar leden verwacht. LTO Nederland gaf daarbij tevens aan achter de voorgestane aanpak van de illegale hennepteelt en de aanpak van faciliteerders te staan. De Raad Nederlandse Detailhandel (hierna: RND) berichtte dat zij het risico van verplaatsing van de growshops naar reguliere bedrijven zoals tuincentra en bouwmarkten gering acht. De RND stelde expliciet dat de leden van de brancheorganisaties van de RND hun assortiment niet zullen aanpassen om illegale hennepteelt te faciliteren. Ten slotte heeft Tuinbranche Nederland laten weten dat zij het risico dat illegale henneptelers via tuincentra materialen zullen aanschaffen als minimaal schat. Deze materialen vormen immers niet het reguliere aanbod van tuincentra. Daarnaast wordt verwezen naar het feit dat ongeveer 90% van de tuincentrumondernemers zijn producten inkoopt via inkooporganisaties en formules. Deze organisaties zullen op geen enkele betrokken willen zijn of geassocieerd willen worden met de verkoop van materialen voor illegale hennepteelt, aldus Tuinbranche Nederland.

De leden van de fractie van de SP vroegen verder of de regering de visie deelt van de heer H. van Aalderen (Trouw, 27 augustus 2013), directeur van de stichting Mainline gezondheidspreventie voor drugsgebruikers, dat het inzicht dat criminalisering tot hoge maatschappelijke kosten leidt – overvolle gevangenissen, onbeheersbare illegale handel, gezondheidsrisico’s – snel terrein wint. Het is bekend dat er in de maatschappelijke discussie over drugsbeleid en de strafbaarstelling van gedragingen met verdovende middelen en psychotrope stoffen ook argumenten als die van de heer Van Aalderen, worden aangevoerd. De heer Van Aalderen geeft daarmee uiting aan zijn kritiek op het gevoerde beleid en het zal dan ook niet verbazen dat zijn zienswijze niet wordt gedeeld.

De leden van de fractie van Groen Links vinden het vanuit een oogpunt van beoogde effectiviteit van de wetswijziging merkwaardig dat eerder is geantwoord dat de bevoorrading van coffeeshops niet in gevaar komt. Er zal, aldus deze leden, voorafgaand aan de indiening van een wetsvoorstel toch rekening moeten worden gehouden met het mogelijke effect dat de handhaving zo effectief is, dat er geen illegale hennepteelt meer kan en zal plaatsvinden. Uiteraard is effectiviteit van het wetsvoorstel het uitgangspunt. Het antwoord waar deze leden aan refereren was ook genuanceerder dan wordt aangegeven. Illegale hennepteelt vindt, ondanks het bestaande verbod, helaas op grote schaal plaats. Daartegen wordt opgetreden door middel van het opsporen en ontmantelen van kwekerijen en het vervolgen van telers en waar mogelijk het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ook vindt doorrechercheren plaats, waarbij niet wordt volstaan met het oprollen van kwekerijen maar wordt overgegaan tot onderzoeken die zijn gericht op het achterhalen van achterliggende criminele activiteiten en verbanden. Aan de effectiviteit van al deze inspanningen wordt afbreuk gedaan door de aanwas van nieuwe kwekerijen. Die aanwas is mogelijk doordat faciliteerders nagenoeg ongestoord hun gang kunnen gaan, wegens het ontbreken van de strafbaarheid van het voorbereiden van illegale hennepteelt. Door de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen kan de aanwas van kwekerijen worden terug gedrongen, hetgeen de effectiviteit van de bestrijding van de illegale hennepteelt zal verhogen. Bij uitspraken over de effectiviteit hoort echter realisme. In het antwoord op de vraag over de gevolgen voor coffeeshops is dan ook gewezen op de bestaande situatie rond de omvang en intensiteit van de illegale teelt en de branche van faciliteerders waaruit blijkt, dat er nog een forse inspanning nodig zal zijn om de illegale teelt terug te dringen. Tegen die achtergrond is geantwoord dat het niet realistisch is te verwachten dat op korte termijn zodanige effecten zullen optreden dat coffeeshophouders bevoorradingsproblemen zullen krijgen.

2. Reikwijdte van het bestaande strafrechtelijke instrumentarium

Naar aanleiding van de stelling van de regering dat met het voorliggende wetsvoorstel lacunes in het huidige strafrechtelijke instrumentarium worden gevuld, vroegen de leden van de fractie van Groen Links zich af of het niet zo is dat de handel in hennepstekken en hennepoogsten en witwassen van opbrengsten door growshops met bestaande strafbepalingen kunnen worden vervolgd. Zo zijn, aldus deze leden, het handelen in stekjes en oogsten (artikel 3 Opiumwet), het voorfinancieren van teelt (artikel 47 Sr jo artikel 3 Opiumwet), het deelnemen aan een criminele organisatie (strafbaar gesteld in artikel 11a Opiumwet en 140 Sr) en het witwassen van opbrengsten (artikel 420bis e.v. Sr) strafbaar gesteld en wordt er ook in de praktijk voor vervolgd. Zij vroegen verder of de bewijsproblemen waarnaar in de memorie van toelichting is verwezen niet inherent zijn aan de uitgangspunten van het strafrechtssysteem en oplosbaar met een degelijk onderzoek en onderbouwing van de tenlastelegging. Ik deel de opvatting van deze leden dat de door hen genoemde gedragingen veelal vallen onder de geciteerde strafbaarstellingen. Niet alleen in de memorie van toelichting, maar ook in de nota naar aanleiding van het verslag, in mijn brief van 7 december 2013 en in de memorie van antwoord ben ik uitvoerig ingegaan op de reikwijdte van het bestaande strafrechtelijke instrumentarium en de (on)mogelijkheden om de bestaande strafbaarstellingen toe te passen op handelingen die in de voorfase van het telen worden verricht. Kort samengevat, kan het bestaande strafrechtelijk instrumentarium pas worden ingezet wanneer er sprake is van teelt oftewel van het voltooide delict van teelt (medeplegen of medeplichtigheid) of van een begin van uitvoering van het voltooide delict (poging). Bij medeplegen en medeplichtigheid moet de illegale hennepteelt dus al zijn begonnen, voordat een faciliteerder strafrechtelijk kan worden aangepakt, terwijl bij poging er minimaal een begin moet zijn gemaakt met de uitvoering van illegale hennepteelt. Verder heb ik bij herhaling uitgelegd wat onder voorbereidingshandelingen met betrekking tot hennepteelt wordt verstaan. Ik verwijs ook naar de inleiding van deze nota. Mijn antwoord op de vraag van deze leden dat de onmogelijkheid om thans tegen faciliteerders op te treden, te wijten is aan bewijsproblemen ten gevolge van gebrekkig onderzoek, luidt ontkennend. Het openbaar ministerie heeft in de afgelopen jaren getracht om via poging, medeplegen en medeplichtigheid op te treden tegen faciliteerders van illegale hennepteelt. Daarbij zijn de grenzen van deze strafbaarstellingen scherper komen vast te staan. Zo is bij poging duidelijk geworden dat voor een veroordeling ter zake van het door deze leden aangehaalde voorbeeld van voorfinancieren van hennepteelt er altijd sprake zal moeten zijn van een begin van uitvoering van hennepteelt. Uit een analyse van de jurisprudentie door Professor A.R. Hartmann inzake medeplichtigheid en medeplegen is gebleken dat mogelijk vaker medeplichtigheid dan medeplegen kan op succes biedt, waarvoor wordt verwezen naar de brief van 7 december 2013. Echter, ook die conclusie laat onverlet dat er ook bij medeplichtigheid altijd sprake moet zijn van het voltooide delict van telen. Uit het voorgaande moge blijken dat de oplossing niet is gelegen in beter opsporingsonderzoek, maar in een aanvulling van het wettelijke instrumentarium.

3. Strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding en vergemakkelijking van de illegale hennepteelt

Naar aanleiding van de opmerking van de leden van de fractie van GroenLinks dat de reikwijdte van de begrippen «ernstige reden tot vermoeden» en «criminele intentie» niet is opgehelderd in de antwoorden, merk ik op dat ik dat betreur. Deze leden verwijzen naar de memorie van toelichting. Echter, tijdens de verdere behandeling van het wetsvoorstel is uitvoerig met de Tweede Kamer over deze aspecten van de strafbaarstelling van gedachten gewisseld. Tegen deze achtergrond luidt het antwoord op de vragen van deze leden of de regering van mening is, dat het aan de wetgever of aan de rechter is om deze reikwijdte te bepalen en of de rechter voldoende houvast heeft met de wetsbepaling en de toelichting om ze toe te passen, dat de wetgever zijn bedoelingen met de strafbaarstelling en de daarin gehanteerde begrippen genoegzaam helder heeft gemaakt en dat de rechter daaraan voldoende houvast zal hebben.

4. Uitvoerbaarheid, administratieve lasten en financiële gevolgen

De leden van de fractie van de SP vroegen om opheldering met betrekking tot de handhavingscapaciteit en financiële gevolgen. Zij wilden graag vernemen hoeveel «mankracht» bij politie en OM, uitgedrukt in fte’s, naar verwachting nodig zal zijn voor de opsporing en vervolging van illegale leveranciers en hoeveel extra financiële middelen er nodig zijn voor deze extra fte’s bij politie en OM. Zij vroegen verder of de regering over die noodzakelijke financiële middelen voor de opsporing en vervolging bij de politie en het OM beschikt, gelet op (1) de gecompliceerde bewijsproblematiek («ernstige reden tot vermoeden») die het gevolg is van de beoogde wetswijziging, en (2) de bezuinigingstaakstellingen waarvoor het ministerie van Veiligheid en Justitie zich gesteld ziet. Alvorens op de vragen over de capaciteitsinzet in te gaan, hecht ik er aan om hier te herhalen, hetgeen ik in de Tweede Kamer bij de voortzetting van de plenaire behandeling heb gezegd. Dit wetsvoorstel is geen Haags bedenksel. Politie en justitie vragen al geruime tijd om deze aanvulling van de Opiumwet. Tegen deze achtergrond plaats ik ook uitdrukkelijk een kanttekening bij de gesuggereerde gecompliceerde bewijsproblematiek. Wat betreft de handhavingscapaciteit wordt opgemerkt, dat de ingezette capaciteit bij politie en OM niet specifiek wordt geoormerkt voor bepaalde vormen van criminaliteit. Criminaliteit wordt bestreden en capaciteit wordt daar ingezet waar dit nodig is, ook in tijden van bezuinigingen. Voor de handhaving van deze maatregel is het daarnaast ook niet noodzakelijk om aanvullende capaciteit in te zetten, omdat het onderdeel zal vormen van de reeds met prioriteit doorgevoerde bestrijding van de illegale hennepteelt. Tot slot herhaal ik dat dit wetsvoorstel er naar mijn oordeel toe zal leiden dat de bestrijding van illegale hennepteelt effectiever wordt. Dit wetsvoorstel maakt het faciliteren van de illegale hennepteelt als zodanig strafbaar, waardoor al in de voorfase kan worden opgetreden. Daarnaast zal de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen naar verwachting een speciaal preventieve werking hebben, doordat personen die nu betrokken zijn bij de voorbereiding van illegale hennepteelt zich bewust zullen worden van de strafwaardigheid van hun gedrag met alle risico’s van dien. Zoals hierboven reeds beschreven levert dit voldoende grond op voor de veronderstelling dat de aanwas van kwekerijen zal afnemen, waardoor de illegale hennepteelt in volume en verspreiding zal afnemen. Daarvoor zal een forse inspanning moeten worden geleverd, maar het zal op den duur een positieve uitwerking hebben op de capaciteitsbehoefte voor de bestrijding van deze vorm van criminaliteit. Hiermee hoop ik alle gestelde vragen voldoende te hebben beantwoord.

De Minister van Veiligheid en Justitie,


X Noot
2

M.J. Borgers & E. Van Poeke, «Op weg naar het einde: de strafbaarstelling van voorbereiding en vergemakkelijking van professionele hennepteelt», AA 2012, afl. 3, p. 171–181.

Naar boven