Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201332840 nr. 14

32 840 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht BES met het oog op de verruiming van de mogelijkheden tot strafrechtelijke aanpak van huwelijksdwang, polygamie en vrouwelijke genitale verminking

Nr. 14 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2013

Tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer van wetsvoorstel 32 840 (Handelingen II 2012/13 nr. 11, item 8) heeft mevrouw Kooiman een motie ingediend (Kamerstuk 32 840, nr. 13). Het wetsvoorstel betreffende de wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht BES met het oog op de verruiming van de mogelijkheden tot strafrechtelijke aanpak van huwelijksdwang, polygamie en vrouwelijke genitale verminking is op 5 maart 2013 door de Eerste Kamer aanvaard op 1 juli 2013 in werking getreden (Staatsblad 2013, 95).

In de motie vraagt mevrouw Kooiman de regering om te onderzoeken op welke wijze de rechtspositie van vrouwen in huwelijkse gevangenschap verbeterd kan worden, te bezien welke rol een eventuele uitbreiding van de Nederlandse echtscheidingsbeschikking hierin kan spelen, en de Kamer hierover te berichten.

In het debat met Uw Kamer heb ik toegezegd de problematiek van huwelijkse gevangenschap nog een keer te zullen bezien en uw Kamer over de uitkomst daarvan te berichten. Mevrouw Kooiman heeft de motie hierop aangehouden.

De toezegging doe ik thans gestand en deel u het volgende mee.

Huwelijkse gevangenschap ontstaat, voor met name vrouwen, als de man in Nederland een burgerlijke echtscheiding heeft verkregen, maar hij vervolgens nalaat om het huwelijk naar het recht van het land van herkomst van de echtgenoten te doen ontbinden. In de landen waarin dit probleem speelt, wordt de Nederlandse burgerlijke echtscheiding doorgaans niet erkend. Om als vrouw naar het recht van het land van herkomst gescheiden te zijn, kan in sommige landen alleen de man de huwelijksontbinding bewerkstelligen of dient daar ten minste medewerking aan te verlenen.

In het debat gaf mevrouw Kooiman aan graag te zien dat een mogelijkheid in het Nederlandse recht zou worden geïntroduceerd om in de echtscheidingsbeschikking op te nemen dat een echtscheiding wordt uitgesproken onder de voorwaarde dat de huwelijksontbinding ook moet plaatsvinden in het land van herkomst.

Een dergelijke mogelijkheid bestaat in het Verenigd Koninkrijk. In art. 10A van de Divorce (religious Marriages) Act 2002 is bepaald dat de rechter het definitief worden van de echtscheiding afhankelijk kan stellen van medewerking door beide partijen aan de echtscheiding naar religieus recht op verzoek van een van de partijen. De rechter heeft ter zake een discretionaire bevoegdheid de regel al dan niet toe te passen na belangenafweging in individuele gevallen. In genoemde bepaling is geëxpliciteerd dat de mogelijkheid van het voorwaardelijk uitspreken van de echtscheiding geldt in gevallen waarin de echtgenoten gehuwd zijn in overeenstemming met hun religieuze recht en hun medewerking nodig is bij het ontbinden van dat religieuze huwelijk. In dit kader is het ook wel voorgekomen dat partijen aangaven hun geschil te willen voorleggen aan hun religieuze autoriteiten om een convenant dat daaruit voorkomt vervolgens te laten bekrachtigen door de Engelse rechter.

In de staat New York is in par. 236 en 253 van de Domestic Relations Law bepaald, dat het bestaan van obstakels die in de weg staan aan de mogelijkheid voor een der echtgenoten om te hertrouwen, door de rechter kan worden meegewogen bij het verdelen van het huwelijksvermogen en het vaststellen van de alimentatie. Deze wetgeving is tot stand gekomen met het oog op gevangenschap in joodse huwelijken (The New York Get Laws).

Over de effecten van de wetgeving in het Verenigd Koninkrijk en New York is weinig bekend. In sommige gevallen blijkt de interventie van de rechter evenwel niet te leiden tot het gewenste resultaat, omdat de religieuze autoriteiten de door de rechter afgedwongen medewerking aan de religieuze huwelijksontbinding niet altijd accepteren. Verder is de rol van de rechter in common law rechtssystemen, zoals het Verenigd Koninkrijk en de Amerikaanse staat New York, van een geheel andere aard dan de rol van de rechter in Nederland. Een veel gehoord nadeel van het common law systeem is dat het, gelet op de grote mate van vrijheid die de rechter heeft bij het nemen van zijn beslissing, niet bijdraagt aan de rechtszekerheid.

Ik ben voorts nagegaan of de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand mogelijk kan worden uitgesteld totdat een eventueel naar het recht van het land van oorsprong en/of religieus huwelijk door de daartoe bevoegde autoriteiten is ontbonden. Het nadeel van een dergelijke oplossing zou echter zijn dat dit een echtgenoot de mogelijkheid biedt om de hem of haar mogelijk niet welgevallige echtscheiding tegen te houden of op zijn minst te vertragen. Als de echtscheidingsbeschikking niet binnen zes maanden nadat zij kracht van gewijsde heeft verkregen is ingeschreven, verliest zij haar kracht en dient de echtscheidingsprocedure opnieuw gevoerd te worden. Het ophouden van de inschrijving kan er dus toe leiden dat de burgerlijke echtscheiding opnieuw moet met alle burgerrechtelijke gevolgen van dien. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de aansprakelijkheid van beide echtgenoten voor schulden die in de eventuele gemeenschap van goederen vallen en het moment waarop de eventuele termijn van het recht op maximaal twaalf jaar alimentatie begint te lopen.

Het probleem van de huwelijkse gevangenschap bestaat in die situaties dat de Nederlandse echtscheidingsbeschikking in een bepaald land niet wordt erkend. Binnen de Europese Unie wordt dat probleem ondervangen door de Brussel II-bis Verordening, die de erkenning van onder meer de echtscheiding regelt in de aangesloten landen. Voor landen buiten de Europese Unie gelden de regels van internationaal privaatrecht van de desbetreffende landen. Als de rechter op grond van de regels van internationaal privaatrecht vaststelt dat buitenlands recht toegepast dient te worden, kan het helpen als hij voorts zorgvuldig in de beschikking aangeeft dat de voldaan is aan de vereisten die in het desbetreffende recht aan de echtscheiding zijn gesteld. Een voorbeeld daarvan vormt de verzoeningspoging die dwingend is voorgeschreven in de Marokkaanse familiewetgeving. In de jurisprudentie zijn wel voorbeelden te vinden van uitspraken waarin de Nederlandse rechter, als hij Marokkaans recht toepast op de echtscheiding, de uitspraak aanhoudt om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te spreken over een mogelijke verzoening. Komt de verzoening niet tot stand en is het huwelijk duurzaam ontwricht, dan kan de echtscheiding vervolgens alsnog worden uitgesproken (Rb. Utrecht 24 november 2010, LJN BQ0939). Op die wijze kan een bijdrage geleverd worden aan het vergemakkelijken van de erkenning van een in Nederland uitgesproken echtscheiding in het buitenland. Waar een land evenwel de Nederlandse echtscheiding in het geheel niet wenst te erkennen, ongeacht de vraag welk recht is toegepast, omdat de echtscheiding niet is uitgesproken door een naar het recht van dat land bevoegde (religieuze) autoriteit, dan heeft de Nederlandse rechter daar geen invloed op.

Een ieder dient zich uiteraard te onthouden van onrechtmatige gedragingen. In mijn brief van 31 mei 2012 aan uw Kamer (32 175, nr. 31), heb ik uiteen gezet dat het huidige Nederlandse recht een mogelijkheid biedt om een man die medewerking weigert aan de huwelijksontbinding naar het recht van het land van oorsprong aan te sporen zulks te doen met behulp van een kort geding. Uit de in genoemde brief aangegeven rechtspraak blijkt dat als de rechter vaststelt dat een echtgenoot onrechtmatig handelt jegens de andere echtgenoot of ex-echtgenoot door geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de ontbinding van een religieus huwelijk, de Nederlandse rechter betrokkene kan bevelen de noodzakelijke stappen te zetten of handelingen te verrichten. Aan het niet naleven van het bevel kan de rechter een dwangsom verbinden. In de in de brief genoemde jurisprudentie oordeelde de rechter dat daadwerkelijk sprake was van onrechtmatig handelen van de betrokken echtgenoot, doch in zijn algemeenheid kan niet gesteld worden dat het niet meewerken aan de totstandkoming van de ontbinding van een religieus huwelijk altijd als onrechtmatig kan worden bestempeld.

Alles overziend ben ik van oordeel dat ik in het uitbreiden van de Nederlandse echtscheidingsbeschikking geen mogelijkheden zie om het probleem van de huwelijkse gevangenschap op te lossen. In de eerste plaats past dat niet bij de uitgangspunten die wij in het echtscheidingsrecht hanteren, te weten dat een huwelijk op verzoek kan worden ontbonden als het duurzaam is ontwricht. In de tweede plaats draagt het verbinden van voorwaarden aan het uitspreken van de echtscheiding, dan wel het ophouden van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, het risico in zich dat een echtgenoot om hem of haar moverende andere redenen dan de huwelijkse gevangenschap de totstandkoming van de echtscheiding zal kunnen vertragen. Ik acht dat om de hiervoor uiteen gezette redenen onwenselijk. Tot slot ben ik van oordeel dat het Nederlandse recht voldoende mogelijkheden biedt om de rechtmatigheid van de weigering van een echtgenoot om mee te werken aan de ontbinding van een huwelijk in het land van herkomst, of van de weigering mee te werken aan een vorm van ontbinding die in het land van herkomst wordt erkend, ter toetsing aan de rechter voor te leggen. Ik acht de rechtspositie van vrouwen in huwelijkse gevangenschap daarmee op dit moment voldoende gewaarborgd.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven