Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201532824 nr. 94

32 824 Integratiebeleid

Nr. 94 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 juni 2015

In deze brief geef ik invulling aan de toezegging betreffende de zogeheten Turkse Religieuze Stromingen en Organisaties (TRSO’s) die ik uw Kamer heb gedaan in het Algemeen Overleg Integratieonderwerpen van 12 november 2014 (Kamerstuk 32 824, nr. 86). Hieronder zal ik ingaan op de gesprekken die ik sindsdien met deze organisaties heb gevoerd, op de manier waarop ik het contact met deze organisaties de komende jaren wil vormgeven en op de uitwisseling van kennis en ervaring over de TRSO’s met Duitse collega’s.

De cognitieve test van het FORUM onderzoek «Nederlandse moslimjongeren en de Arabische Herfst» die ik u in de brief van 27 januari jl.1 heb toegezegd, bevindt zich in het stadium van afronding: momenteel loopt de fase van «hoor en wederhoor». Het onderzoeksrapport zal uw Kamer voor het zomerreces worden aangeboden.

Tevens reageer ik met deze brief, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, op het verzoek van het lidDe Roon (PVV) van 2 december jl. om een brief over de Turkse kritiek op het Nederlandse integratiebeleid, en informeer ik u over mijn gesprek met de Turkse ambassadeur in Nederland zoals toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling SZW 2015.

Gevoerde gesprekken TRSO’s

Het onderzoek naar de TRSO’s dat in september 2014 aan uw Kamer is gestuurd2 is aanleiding geweest om het gesprek met de onderzochte Turks-Nederlandse stromingen en organisaties te intensiveren: Diyanet, de Gülenbeweging, Milli Görüş en de Suleymanci. Hierbij is onder meer gesproken over de positie van Turks-Nederlandse jongeren in Nederland, over transparantie van de organisaties en hun activiteiten en over de invloed van de Turkse overheid.

In de gesprekken heb ik de organisaties opgeroepen meer naar buiten te treden. De organisaties erkenden dat zij gesloten kunnen overkomen en dat met meer openheid angst en wantrouwen wellicht weggenomen kunnen worden. Zij gaven ook aan dat zij openheid niet altijd eenvoudig vinden, door het ervaren maatschappelijke klimaat ten aanzien van de islam in Nederland.

De mogelijke invloed van de Turkse overheid richting de diaspora is tijdens de gesprekken eveneens aan de orde gesteld. We dienen kritisch te staan tegenover een Turkse overheid die invloed zou willen uitoefenen in Nederland; zeker wanneer dit zou leiden tot het remmen of beknotten van de mogelijkheden van Nederlanders van Turkse afkomst om optimaal te integreren en participeren in de Nederlandse samenleving. Dit is een speerpunt in de gesprekken die ik voer met de Turkse ambassadeur en de gesprekken die mijn collega van Buitenlandse Zaken heeft met de Turkse overheid.

Vervolg

De problematiek van groepen jongeren in de samenleving die hier geboren en getogen zijn, maar het gevoel hebben er geen deel van uit te kunnen of willen maken is urgent. Verdere stappen zijn hier noodzakelijk. Het is onacceptabel wanneer mensen, en zeker een jonge generatie Nederlanders, het gevoel hebben er niet bij te horen en met de rug naar de Nederlandse samenleving komen te staan. De vier organisaties kunnen hierbij een belangrijke rol spelen en hebben aangegeven dat ook te willen doen. De organisaties worden daarmee bondgenoten in wat er de komende tijd moet gebeuren. Per organisatie bekijk ik waarin we samen kunnen optrekken. Zo is er met vertegenwoordigers van de Suleymancibeweging in Nederland al geruime tijd een goede en intensieve samenwerking rondom het toezicht op de jeugdverblijven, en zal ik met Diyanet de mogelijkheden bekijken om cursussen Nederlands aan te bieden aan imams die vanuit Turkije worden uitgezonden naar Nederland.

Ik heb u toegezegd in deze brief aan te geven hoe ik de eerder genoemde monitoring van de vier TRSO’s de komende vijf jaar wil vormgeven. Bij betrokken partijen is naar aanleiding hiervan het beeld ontstaan dat ik deze organisaties, hun activiteiten en uitingen wil controleren. Mijn doel hierbij is echter volstrekt anders, namelijk om in samenspraak met deze organisaties en vanuit een gedeelde betrokkenheid bij de integratie van de Turks-Nederlandse achterban de ontwikkelingen nauwlettend te volgen en de integratie te bevorderen. Dit zal ik doen door te investeren in het opbouwen en bestendigen van een relatie met de TRSO’s die zowel samenwerking als een kritische dialoog mogelijk maakt. Ik zie het als mijn taak om organisaties aan te spreken op hun rol bij integratie en de TRSO’s hebben hiervoor hun begrip uitgesproken.

Voor de zomer start een nieuwe gespreksronde waarbij samen met de TRSO’s een agenda nader wordt geconcretiseerd. Van de voortgang zal ik uw Kamer op de hoogte houden.

Uitwisseling Duitsland

Zoals ik heb aangegeven tijdens het AO op 12 november 2014 wil ik gebruik maken van de kennis en ervaring die Duitsland reeds heeft opgedaan in de omgang met Turkse organisaties en de invloed van Turkije op de Turkse groeperingen binnen onze samenleving. Eind april heeft een ambtelijk werkbezoek aan Duitsland plaatsgevonden waarbij met verschillende ministeries op federaal niveau, met wetenschappers en met religieuze en niet-religieuze Turkse organisaties en bewegingen is gesproken.

Nederland en Duitsland hebben veel met elkaar gemeen, maar verschillen ook op belangrijke punten. Naast een verschil in bestuurlijke inrichting, waarbij de deelstaten uitgebreide bevoegdheden hebben, kent Duitsland een systeem van officieel erkende religies met aan deze erkenning verbonden rechten, waaronder het recht op overheidsfinanciering van religieus onderwijs. Op dit moment is het proces gaande om ook de islam de status van officieel erkende religie te verlenen. Eén van de werkwijzen die hiervoor wordt ingezet is de organisatie van de jaarlijkse Deutsche Islam Konferenz, georganiseerd door het Bundesministerium des Innern. Naast erkenning heeft deze Konferenz met name tot doel een structurele dialoog tussen overheid en islamitische organisaties tot stand te brengen. De situatie van officiële erkenning is niet vergelijkbaar met de Nederlandse context, waar niet met door de overheid officieel erkende religies wordt gewerkt en geen overheidsfinanciering beschikbaar is voor religieuze instituten en activiteiten. De jaarlijkse Deutsche Islam Konferenz vind ik echter als vorm een interessant voorbeeld van hoe tussen overheid en islamitische organisaties op concrete maatschappelijke vraagstukken samenwerking wordt gezocht.

Interessant is daarnaast de Duitse benadering van de door de Turkse overheid uitgezonden imams die in Duitse moskeeën komen werken. De Duitse federale overheid biedt de uit Turkije afkomstige imams voor hun komst naar Duitsland taal- en maatschappijcursussen aan waarmee de basis voor een succesvolle integratie wordt gelegd. De kosten hiervoor worden voor een deel door de Duitse overheid en voor een aanzienlijk groter deel door de Turkse overheid gedragen. Ook DITIB, de Duitse aan Diyanet gelieerde islamitische organisatie, ziet het belang van goed geïntegreerde imams, maar beschouwt de relatief jonge Duitse islamopleidingen aan de verschillende theologische universiteiten op dit moment nog niet als van voldoende niveau om mensen tot kwalitatief hoogwaardige imams op te leiden. DITIB verwacht daarom dat nog zeker een aantal jaar uit Turkije afkomstige imams aangesteld zullen worden in Duitse moskeeën, maar ook dat deze praktijk zich zal blijven ontwikkelen. De komende tijd zal ik een verkenning uitvoeren naar de wenselijkheid en mogelijkheden van de voorbereiding van Turkse imams op hun komst naar Nederland.

Turkse kritiek op Nederlands integratiebeleid

De opmerkingen van een woordvoerder van het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken van 26 november jl. over Nederland hebben begrijpelijkerwijs voor veel ophef gezorgd.

Namens het kabinet zijn door mijn collega van Buitenlandse Zaken diezelfde dag onze ernstige zorgen overgebracht in een telefoongesprek met de Turkse Minister van Buitenlandse Zaken Cavusoğlu. Er is op gewezen dat Nederland een eigen integratiebeleid voert. Minister Cavusoğlu nam hierbij afstand van enige kritiek op de Nederlandse overheid of politiek, en heeft laten weten dat er geen sprake is van een Turkse beschuldiging tegen de Nederlandse regering, het Nederlandse volk of Nederland als land. Hij heeft tevens duidelijk gemaakt dat Nederland geen racistisch land is, maar dat Turkije zich wel zorgen maakt over racistische tendensen waar Nederlanders van Turkse afkomst onder zouden lijden.

Het onderwerp integratie is daarnaast herhaaldelijk aangesneden bij het bezoek dat de Minister van Buitenlandse Zaken heeft afgelegd aan Turkije van 5 tot 7 januari jl. In een gesprek met premier Davutoğlu is onderstreept dat, hoewel veel Nederlanders van Turkse afkomst met succes zijn geïntegreerd, de groep als geheel achterblijft, onder meer op de arbeidsmarkt en qua taalbeheersing. Aangegeven is dat de regering dit zorgelijk acht en daarom een uitgebreid integratiebeleid voert dat er op gericht is ook deze groep volledig in de Nederlandse samenleving te laten participeren. Duidelijk gemaakt is dat het Nederlanders van Turkse afkomst vrij staat om zich te organiseren in eigen organisaties, al dan niet van religieuze snit. De Nederlandse regering verbindt hier wel de voorwaarde aan dat deze organisaties – net als overige organisaties in Nederland – transparant zijn, ook over hun banden met Turkije.

In dit gesprek is onderstreept dat Turkije uiteraard een mening mag hebben over deze zaken, maar dat Nederland een eigen integratiebeleid voert en dit een louter nationale zaak is. Tot slot is benadrukt dat de Nederlandse overheid optreedt tegen elke vorm van discriminatie tegen alle Nederlanders, ongeacht godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook.

Dezelfde boodschap is neergelegd tijdens gesprekken die mijn collega heeft gevoerd met de ministers van Buitenlandse Zaken Çavusoğlu en van Europese Zaken Bozkır, evenals in de toespraak voor de Turkse ambassadeursconferentie op dinsdag 6 januari jl.

Op maandag 19 januari jl. heb ik gesproken met de Turkse ambassadeur in Nederland. Ik heb aangegeven dat het juist in de huidige periode van turbulente internationale ontwikkelingen van groot belang is om het bondgenootschap tussen onze landen te bestendigen. Daarbij is het essentieel om heel duidelijk te zijn over de fundamentele principes, die ten grondslag liggen aan onze samenlevingen. Ik heb aangegeven dat het is essentieel dat de band met het moederland op vrijwilligheid gebaseerd dient te zijn en er geen sprake moet zijn van interferentie van de zijde van de Turkse overheid. De ambassadeur benadrukte de transparante relatie die de ambassade met de Turkse gemeenschap in Nederland onderhoudt, en distantieerde zich van het streven naar of het bestaan van een parallelle Turkse gemeenschap.

Op 17 april jl. heb ik vicepremier Kurtulmuş ontvangen. Bij deze ontmoeting heb ik aangegeven dat een sterke band met Turkije geen belemmering hoeft te zijn voor integratie, zolang deze op basis van vrijwilligheid en binnen de grenzen van de rechtsstaat plaatsvindt. Hij stelde nadrukkelijk geen parallelle samenleving te wensen van Turkse Nederlanders en gaf aan dat voor een goede integratie aanpassing nodig is en dat integratie en het zich houden aan de waarden en normen van het land waarvan zij burgers zijn, het doel is. Hij stelde dat Turkije hen daar zo nodig op zou aanspreken.

Nederland zal in contacten met de Turkse autoriteiten blijven uitdragen dat het integratiebeleid in Nederland primair een Nederlandse zaak is en dat wij vinden dat Nederlanders van Turkse afkomst in vrijheid hun eigen keuzes moeten kunnen maken.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Kamerstuk 32 824, nr. 87

X Noot
2

Kamerstuk 32 824, nr. 75