Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201632824 nr. 147

32 824 Integratiebeleid

Nr. 147 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 juli 2016

In het VAO inburgering (Handelingen II 2015/16, nr. 91, item 4) heeft het lid Pieter Heerma (CDA) een motie1 ingediend die de regering verzoekt, in kaart te brengen voor welke groepen inburgeraars nationale en internationale wet- en regelgeving het verlies van verblijfsrecht in de weg staat, en de Kamer hierover voor de zomer te informeren. Met deze brief kom ik tegemoet aan deze motie.

In de brief van 2 juni jl.2 heb ik de Kamer geïnformeerd dat met de gewijzigde Wet inburgering per 1 januari 2013 de eigen verantwoordelijkheid van nieuwkomers3 voor de inburgering is versterkt. De inspanningen die zij hiervoor moeten plegen zijn niet vrijblijvend. Dit is als verplichting, de inburgeringsplicht, neergelegd in de Wet inburgering. Het niet verwijtbaar behalen van het inburgeringsexamen wordt gesanctioneerd.

De motie van het lid Pieter Heerma die de regering verzoekt om aan te geven bij welke groepen inburgeraars nationale en internationale wet- en regelgeving het verlies van het verblijfsrecht in de weg staat kom ik als volgt tegemoet. De verblijfsvergunning wordt ingetrokken bij verwijtbare termijnoverschrijding, tenzij internationale en nationale wet- en regelgeving daaraan in de weg staat. In de wet- en regelgeving zijn asielgerechtigden uitgezonderd van de maatregel om de verblijfsvergunning in te trekken bij het niet behalen van het inburgeringsexamen. Bij de groep gezinsmigranten en geestelijk bedienaren kan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (het EVRM) en de Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG) zich tegen de intrekking van het verblijfsrecht verzetten. Bij de beoordeling van de vraag of de verblijfsvergunning kan worden ingetrokken gaat het altijd om een individuele beoordeling waarbij rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van het geval mede in het licht van het evenredigheidsbeginsel.

Kortom, er moet altijd een individuele beoordeling plaatsvinden wanneer de inburgeringsplichtige niet heeft voldaan aan zijn plicht om te kunnen bepalen welke sanctiemogelijkheden er in een individuele geval aan de orde zijn. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft tijdens het Algemeen Overleg Vreemdelingen- en asielbeleid van 26 mei jl. aangegeven dat hij de komende periode beziet welke gevallen er te identificeren zijn waarbij intrekken van het verblijfsrecht mogelijk is.

Indien intrekking van de verblijfsvergunning niet mogelijk is, kan de Dienst Uitvoering Onderwijs overgaan tot het (herhaaldelijk) opleggen van een boete en is het gevolg dat sterkere verblijfsstatussen, zoals vergunning voortgezet verblijf en de vergunning voor onbepaalde tijd niet worden verleend en dat verzoeken tot het Nederlanderschap worden afgewezen. Voor een uitgebreidere toelichting op het sanctiestelsel bij het niet voldoen aan de inburgeringsplicht verwijs ik u naar de brief van 2 juni 2016 die ik u aan de Kamer heb doen toekomen (Kamerstuk 32 824, nr. 130).

Deze brief bied ik uw Kamer aan mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Kamerstuk 32 824, nr. 139.

X Noot
2

Kamerstuk 32 824, nr. 130.

X Noot
3

Inburgeringsplichtig op grond van de Wet inburgering zijn asielstatushouders, gezinsmigranten en geestelijk bedienaren.