32 824 Integratiebeleid

Nr. 130 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juni 2016

Tijdens de Regeling van Werkzaamheden op 26 mei jl. (Handelingen II 2015/16, nr. 88, Regeling van werkzaamheden) heeft het lid Pieter Heerma (CDA) gevraagd om een brief voorafgaand aan het VAO1 Inburgering (Handelingen II 2015/16, nr. 91, VAO Inburgering) naar aanleiding van het artikel in het Algemeen Dagblad «Wie niet inburgert mag blijven»2. Met deze brief voldoe ik aan uw verzoek. Daarnaast ga ik in op de mogelijkheid de Inspectie voor het Onderwijs te betrekken bij de inburgering en op de moties die zijn ingediend over de voorinburgering en het trainen van taalvrijwilligers.

Wet inburgering

Met de gewijzigde Wet inburgering per 1 januari 2013 is de eigen verantwoordelijkheid van nieuwkomers voor de inburgering versterkt. Met deze wetswijziging is beoogd dat nieuwkomers in Nederland zo snel mogelijk de Nederlandse taal leren, kennis van de Nederlandse samenleving inclusief de geldende normen en waarden opdoen en aan het werk gaan. Op deze manier kunnen zij zo snel mogelijk participeren in de samenleving en zelfredzaam zijn. De inspanningen die zij hiervoor moeten plegen zijn niet vrijblijvend. Dit is als verplichting, de inburgeringsplicht, neergelegd in de Wet inburgering. De termijn die nieuwkomers krijgen om in te burgeren is drie jaar. Het niet voldoen aan deze plicht heeft consequenties. Met de inburgeringsplicht is daarom een systeem van sancties geïntroduceerd.

Stand van zaken inburgering

Voor de nieuwkomers die in het eerste kwartaal van 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden en die nog niet voldaan hebben aan de inburgeringsplicht, is de initiële inburgeringstermijn van drie jaar onlangs verstreken. Ik heb uw Kamer met mijn brief van 20 april 2016 «voortgang Inburgering»3 geïnformeerd over de voorlopige resultaten en over maatregelen om de tegenvallende resultaten te verbeteren. De maatregelen zijn gericht op het verbeteren van de instroom in het inburgerings-traject, de doorstroom richting examens en het halen van het examen, oftewel de uitstroom.

Sancties Wet inburgering

Inburgering is niet vrijblijvend en om dit te bekrachtigen wordt het verwijtbaar niet behalen van het inburgeringsexamen gesanctioneerd. Tijdens het AO inburgering van 21 april jl. heb ik dit toegelicht.

Het kabinet is van opvatting dat het belangrijk is dat die mensen die verwijtbaar niet inburgeren, daarvan de gevolgen ondervinden. Met het oog daarop is in de Wet inburgering 2013 een nieuw sanctieregime geïntroduceerd. Dat betekent dat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken bij verwijtbare termijnoverschrijding, tenzij internationale en nationale wet- en regelgeving daaraan in de weg staat. In dat geval kunnen boetes worden opgelegd en is het gevolg dat sterkere verblijfsstatussen, zoals vergunning voortgezet verblijf en de vergunning voor onbepaalde tijd niet worden verleend en dat verzoeken tot het Nederlanderschap worden afgewezen.

Alle vreemdelingen moeten het inburgeringexamen (dat ook is aangewezen als de naturalisatietoets) hebben gehaald voor het kunnen verkrijgen van een sterker verblijfsrecht, zoals de vergunning voor voortgezet verblijf, de vergunning voor onbepaalde tijd of voor naturalisatie. In principe betekent het niet halen van het inburgeringsexamen dus dat geen sterker verblijfrecht kan worden verkregen.

In algemene zin geldt voor dit sanctiestelsel dat er altijd een individuele beoordeling moet plaatsvinden wanneer de inburgeringsplichtige niet heeft voldaan aan zijn plicht. De Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) is de instantie waar het inburgeringsexamen wordt afgelegd en verantwoordelijk voor de handhaving van de inburgeringsplicht. DUO bepaalt of iemand (nog) inburgeringsplichtig is op grond van de Wet inburgering en verstrekt het inburgeringsdiploma. Daarnaast is DUO gemandateerd boetes op te leggen, de mate van verwijtbaarheid van de inburgeringsplichtige te bepalen en te bezien welke sanctiemogelijkheden er bij individuele gevallen aan de orde zijn. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) betrekt deze informatie van DUO bij de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor het sterker verblijfsrecht of naturalisatie en is bevoegd verblijfsvergunningen in te trekken.

Indien intrekking van de tijdelijke verblijfsvergunning niet mogelijk is, kan DUO overgaan tot het (herhaaldelijk) opleggen van een boete. Indien DUO van mening is dat de termijnoverschrijding verwijtbaar is, wordt een boete opgelegd. Deze boete is afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid van de termijnoverschrijding en bedraagt maximaal € 1.250,– (maar kan dus ook lager zijn). Er moet een redelijke verhouding zijn tussen het gebruikte middel en het doel dat wordt nagestreefd. Bij het vaststellen van de hoogte van een boete moet daarnaast ook rekening worden gehouden met de ernst van de overtreding. De boete kan bij het overtreden van nieuwe vastgestelde termijnen herhaaldelijk worden opgelegd.

Concreet betekent dit het volgende: op 19 mei 2016 moeten van de instroom van 2105 personen (instroom 1 januari 2013-19 mei 2013) nog 1048 personen voldoen aan hun inburgeringsplicht. Per persoon is nagegaan welke sanctie mogelijk en het meest gepast is. Van deze groep hebben er 492 een verlenging van de termijn gekregen (ondermeer vanwege een alfabetiseringstraject). 419 personen zitten in het proces van overschrijding bij DUO. Momenteel zijn er 137 overschrijdingen behandeld door DUO en aan 55 personen is inmiddels een boetebeschikking verzonden4. DUO bepaalt per geval wat een gepaste sanctie is. Deze groep moet vervolgens alsnog aan de inburgeringsplicht voldoen. Wanneer zij hieraan niet voldoen kan er opnieuw een boete worden opgelegd.

Moties en Toezeggingen

Ten aanzien van de kwaliteit van het inburgeringsonderwijs is tijdens het AO van 21 april jl. door de leden Karabulut, Marcouch en Sjoerdsma gevraagd naar de mogelijkheden de Inspectie voor het Onderwijs een rol te geven in het proces rondom inburgeringscursussen en de examens. Ik kan hierover melden dat er conform mijn toezegging contact is geweest met de Onderwijsinspectie en dat ik hierover in overleg ben met het Ministerie van OCW. Momenteel is er bij de Inspectie geen taak, budget en capaciteit beschikbaar om met toezicht op de inburgeringsexamens aan de slag te gaan. Ik zal komende weken met mijn collega van OCW verder verkennen of een eventuele rol voor de inspectie passend is, en wat hiervoor nodig is. Hierbij wordt ook gekeken naar de wens van de Kamer en de vraag of de Onderwijsinspectie hieraan kan voldoen. Er wordt daarnaast ook met andere partijen gesproken om te kijken welke verbeteringen kunnen worden doorgevoerd en welke instanties daarin een rol kunnen oppakken. Ik zal u over de uitkomsten informeren in de brief die ik reeds heb toegezegd (september).

De Kamer heeft ook in een drietal moties5 de wens geuit dat er zo snel mogelijk gestart wordt met het geven van Nederlandse taalles aan asielzoekers. Het Kabinet heeft in de brief van 27 november jl. aangegeven dat bekeken wordt op welke wijze taalles kan worden aangeboden aan asielzoekers. Op dit moment worden hiertoe door SZW, VenJ en het COA twee lijnen uitgewerkt namelijk:

  • 1. Het aanbieden van een korte training aan 450 vrijwilligers voor het ondersteunen van asielzoekers die de Nederlandse taal willen leren. Er wordt gebruik gemaakt van de gratis digitale taalmethoden die zijn ontwikkeld.

  • 2. De mogelijkheid van het naar voren halen van de (vrijwillige) NT2 taalles uit de voorinburgering voorafgaand aan het moment van vergunningverlening voor kansrijke asielzoekers, wordt op dit moment nader uitgewerkt.

Binnenkort volgt een brief met een nadere toelichting op de uitvoering van bovenstaande maatregelen.

Deze brief bied ik uw Kamer aan mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Donderdag 21 april 2016 vond het AO inburgering plaats in de Tweede Kamer. Kamerlid Sjoerdsma (D66) heeft in het AO een VAO aangevraagd.

X Noot
2

Publicatiedatum van het artikel in het Algemeen Dagblad 26 mei 2016.

X Noot
3

Kamerstuk 32 824, nr. 129.

X Noot
4

Deze boetebeschikkingen zijn nog vatbaar voor bezwaar en beroep gedurende zes weken na verzending.

X Noot
5

Kamerstuk 19 637, nr. 2055; Kamerstuk 19 637, nr. 2057; Kamerstuk 32 824, nr. 109.

Naar boven