Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232820 nr. 47

32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid

Nr. 47 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 20 oktober 2011

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 19 september inzake het antwoord op de brief van de Rijksakademie van beeldende kunsten met betrekking tot de dreigende beëindiging van de financiering (kamerstuk 32 820, 44).

Bij brief van 19 oktober 2011 heeft de staatssecretaris deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van Bochove

De adjunct-griffier van de commissie,

Boeve

I. Vragen en opmerkingen uit de fracties

De leden van de PvdA-fractie hebben met irritatie kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris aan de Rijksakademie van beeldende kunsten met betrekking tot de dreigende beëindiging van de financiering. De leden hebben hierover enkele vragen. Is het waar dat de aangeschreven instellingen volgens dit schrijven tot vier weken na dagtekening van de brief de tijd hebben om een verzoek in te dienen tot wijziging van de aanwending van subsidie voor 2012? Bent u het met deze leden eens dat niet zomaar andere bestedingsdoelen voor de subsidies 2009–2012 kunnen worden bedacht, zonder dat de Kamer daarover heeft gesproken? Zo nee, waarom niet? Heeft u over dit voornemen contact gehad met de medeoverheden? Daarnaast verwijzen de leden in hun reactie naar de eerder gestelde schriftelijke vragen van het lid Klijnsma over de brief van de directeur-generaal Cultuur en Media gericht aan culturele instellingen van 16 september jl. (ingezonden 30 september 2011). Het betreft de volgende vier vragen: Heeft u kennisgenomen van de brief betreffende het «voornemen beëindiging subsidie per 1 januari 2013, welke op 16 september jl. is verstuurd door uw directeur-generaal Cultuur en Media aan diverse culturele instellingen in de basisinfrastructuur (BIS)? Klopt het dat de aangeschreven instellingen volgens dit schrijven tot vier weken na dagtekening van de brief de tijd hebben om een verzoek in te dienen tot wijziging van de aanwending van subsidie voor 2012? Deelt u de mening dat niet zomaar andere bestedingsdoelen voor de subsidies 2009–2012 kunnen worden bedacht, zonder dat de Kamer daarover heeft gesproken? Zo nee, waarom niet? Heeft u over dit voornemen contact gehad met de medeoverheden? Bent u bereid om geen onomkeerbare stappen te nemen tot beantwoording van deze schriftelijke vragen?

De leden van deze fractie vernemen graag of de staatssecretaris bereid is om, zolang er geen antwoorden op bovengenoemde vragen van de zijde van de Kamer zijn gegeven, alle besluitvorming in deze zaak stop te zetten en alle betrokken instellingen daarvan op de hoogte te stellen. Indien de staatssecretaris daar niet toe bereid is, dan vernemen de leden van deze fractie graag waarom niet.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris aan de Rijksakademie van beeldende kunsten met betrekking tot de dreigende beëindiging van de financiering. De leden begrijpen dat deze brief eveneens is gezonden aan andere postacademische instellingen en organisaties binnen de Podiumkunsten. De leden zouden graag van de staatssecretaris een plan van aanpak ontvangen met betrekking tot het afbouwen van de subsidierelatie met culturele instellingen die momenteel deel uitmaken van de culturele basisinfrastructuur (BIS), tussen nu en 31 december 2011. Daarbij aansluitend vragen de leden wanneer de Kamer het volledige plan van aanpak ontvangt voor toedeling van de frictie- en transitiekosten. Voorts vragen de leden waarom nu reeds een brief aan de organisaties is gezonden, die vraagt om inzicht in de aangegane verplichtingen, terwijl dezelfde organisaties mogelijk nog een bijdrage uit een van de Fondsen kunnen ontvangen, dan wel gehonoreerd worden door de Raad voor Cultuur. Daarbij, zijn de organisaties, zoals de brief suggereert, inderdaad volledig vrij in de aanwending van subsidiegeld voor voorbereiding op de subsidie? Als zij besluiten de subsidiebestemming niet te wijzigen, kan dat in een later stadium tot sancties leiden, of tot verschil in behandeling ten opzichte van organisaties die al wel hun subsidie 2009–2012 voor dit doel aanwenden? Op 31 maart 2011 heeft de Kamer de motie-Van der Werf (Kamerstuk 32 500 VIII, nr. 155) aangenomen die vraagt om alle gelden die door het vervroegd ingaan van de bezuinigingen niet als subsidie worden uitgekeerd te behouden voor transitie- en frictiekosten. De leden menen dat het op deze wijze laten aanwenden van de subsidie 2009–2011 strijdig is met deze motie. Deelt de staatssecretaris de mening van deze leden, dat – in lijn met de eerdergenoemde motie-Van der Werf – kosten ten behoeve van frictie en transitie voldaan dienen te worden uit de hiervoor gereserveerde Rijksgelden? Deelt de staatssecretaris de mening van voornoemde leden dat bij het bieden van de mogelijkheid om bestaand subsidiegeld aan te wenden voor transitiekosten, dit op zijn minst in overleg met de Kamer had moeten plaatsvinden, zo vragen de leden van voornoemde fractie.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris aan de Rijksacademie. In de brief stelt de staatssecretaris dat de maatregelen noodzakelijk zijn vanwege de bezuinigingen. Al eerder is gesteld dat de bezuinigingen niet noodzakelijk op de voorgestelde datum hoeven in te gaan. De opvatting dat snelle invoering nodig is om snel duidelijkheid te bieden, wordt door veel instellingen bestreden. Waarom is geen gehoor gegeven aan de oproep van diverse instellingen om meer tijd te nemen, bijvoorbeeld het tijdpad zoals opgenomen in het regeerakkoord? Wordt op deze wijze niet meer kapot gemaakt dan nodig is? De leden plaatsen vraagtekens bij het besluit postacademische instellingen niet te financieren. Is het voor het behoud van een internationale toppositie niet noodzakelijk de basis op orde te houden, zo vragen zij. De leden vragen voorts of de vraaggestuurde en marktgerichte vorm die de staatssecretaris voor ogen staat, kan voorzien in de talentvorming in brede zin. Er is immers niet altijd een direct economische opbrengst in beeld. De leden vragen de staatssecretaris of de noodzaak om met beleidsregels te komen om de frictiekosten op te vangen, aantoont dat de bezuinigingen te snel en te fors zijn. De leden van deze fractie staan kritisch tegenover het verzoek van de staatssecretaris om instellingen vier weken de tijd te geven om met een plan te komen om de subsidie te gebruiken om de bezuinigingen mee op te vangen. Is dit wel mogelijk zonder parlementaire instemming? In hoeverre is dit juridisch toegestaan? Worden hiermee bezuinigingen vervroegd opgelegd aan de instellingen? Deze leden zijn van mening dat de subsidie hier niet voor is bedoeld. Zij vragen ook hoe dit verzoek zich verhoudt tot het budget voor het opvangen van frictiekosten.

II. Reactie van de staatssecretaris

De PvdA-fractie heeft een aantal kritische vragen over het afschrift van mijn antwoordbrief aan de Rijksakademie van 19 september en over de brief van 16 september over subsidiebeëindiging of -verlaging van bepaalde categorieën instellingen. Ook stelt de fractie vragen over het overleg met uw Kamer en de andere overheden.

De brief van 16 september biedt instellingen de mogelijkheid tot afspraken te komen om de subsidie voor het restant van de periode 2009–2012 aan te wenden voor een geleidelijke afbouw van hun gesubsidieerde activiteiten. Op die manier houden instellingen het initiatief en kunnen zij zich op de overgang voorbereiden. Frictiekosten na 2012 kunnen worden voorkomen, of zoveel mogelijk worden beperkt. De Kamer is hier over geïnformeerd in de brief Meer dan kwaliteit (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 820, nr. 1), die op 27 juni met uw Kamer is besproken: «Overigens kan met deze instellingen desgewenst ook worden gekomen tot afspraken om de subsidie voor het restant van de periode 2009–2012 aan te wenden voor een geleidelijke afbouw van hun gesubsidieerde activiteiten. Op die manier kunnen frictiekosten na 2012 worden voorkomen, of zo veel mogelijk worden beperkt.»

Ik heb de aangeschreven instellingen inderdaad een termijn van vier weken geboden. Ook in mijn brief van 25 augustus (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 820, nr. 42) heb ik uw Kamer meegedeeld dat deze instellingen in september bericht ontvangen. Ik ben dan ook van mening dat ik uw Kamer goed geïnformeerd heb. Om die reden zie ik geen aanleiding om alle besluitvorming in deze zaak stop te zetten.

Over de brief Meer dan kwaliteit heb ik ook meerdere keren overleg gevoerd met de andere overheden.

De beleidsregel over de frictiekosten ontvangt uw Kamer voor 1 november. Het aanvraagformulier voor de nieuwe periode van de basisinfrastructuur is vanaf 1 november voor instellingen beschikbaar. Instellingen kunnen hun aanvraag van 1 december 2011 tot 1 februari daadwerkelijk indienen. Medio mei komt de Raad voor Cultuur met zijn advies. Op Prinsjesdag 2012 maakt het kabinet de individuele subsidiebesluiten bekend. De nieuwe subsidieperiode start op 1 januari 2013.

In antwoord op de vraag van de CDA-fractie naar het «plan van aanpak met betrekking tot het afbouwen van de subsidierelatie» kan ik u melden dat uw Kamer voor 1 november de beleidsregel frictiekosten ontvangt. De uiteindelijke toedeling van de frictie- en transitiekosten wordt duidelijk na Prinsjesdag 2012, wanneer alle afzonderlijke subsidiebesluiten bekend zijn. De brief is verzonden aan:

  • Categorieën instellingen waarvoor op grond van de brief Meer dan kwaliteit en de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2013–2016 duidelijk is dat er geen plek meer voor hen is in de nieuwe basisinfrastructuur;

  • Instellingen waarvan op grond van de brief Meer dan kwaliteit en de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2013–2016 duidelijk is dat hun budget in de nieuwe basisinfrastructuur aanmerkelijk zal dalen.

Ik heb deze instellingen al eerder geadviseerd daar rekening mee te houden in hun bedrijfsvoering en geen nieuwe verplichtingen aan te gaan die zij zonder subsidie van OCW niet kunnen nakomen. De brief biedt instellingen de mogelijkheid te komen tot afspraken om de subsidie voor het restant van de periode 2009–2012 aan te wenden voor een geleidelijke afbouw van hun gesubsidieerde activiteiten. Het is dus geen verplichting. De brief is verzonden omdat het verstandig is als instellingen zich nu al voorbereiden op een nieuwe situatie zonder subsidie van OCW, of met een substantieel verminderd deel.

Eventuele middelen die niet als subsidie worden uitgekeerd, blijven behouden voor de cultuursector voor frictie- en transitiekosten, zoals verzocht in de motie-Van der Werf (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 500 VII, nr. 155). De brief aan instellingen van 16 september is daar niet strijdig mee.

De SP-fractie stelt vragen over het tijdpad van de bezuinigingen. Met de Tweede Kamer is afgesproken dat de nieuwe basisinfrastructuur op 1 januari 2013 ingaat, om eerder duidelijkheid te bieden aan instellingen en aansluiting te houden bij de financiering van gemeenten en provincies.

Ook zijn zo de middelen beschikbaar om dit proces goed te begeleiden. Anders zullen de frictiekosten in de lopende jaren op alle instellingen verhaald moeten worden.

De SP-fractie plaatst vraagtekens bij het besluit postacademische instellingen niet te financieren. Dit kabinet is van mening dat de basisinfrastructuur duidelijk kleiner van omvang moet zijn. Daarnaast vindt het nascholing of praktijkverdieping later in de loopbaan – dus na het kunstvakonderwijs – een verantwoordelijkheid van de sector zelf. Dit is al zo bij andere sectoren. Voor de begeleiding van toptalent onder beeldend kunstenaars heeft het kabinet voor de periode 2013–2016 een bedrag van 2,5 miljoen euro gereserveerd.

De SP-fractie heeft ook vragen over de meer vraaggestuurde en marktgerichte vorm die mij voor ogen staat. De SP-fractie heeft gelijk: bij talentontwikkeling hoeft niet altijd een direct economische opbrengst in beeld te zijn. Daarom geeft de brief Meer dan kwaliteit aan dat eisen aan publiek en ondernemerschap niet voor alle rijksgefinancierde cultuuruitingen gelden: «Net als in de wetenschap is het in de cultuur belangrijk ruimte te geven aan vernieuwing en innovatie die niet door de markt tot stand komt, omdat de ondernomen activiteiten nog niet direct winstgevend zijn.» Het kabinet ziet hier vooral een rol voor het kunstvakonderwijs, grote instellingen en de cultuurfondsen.

De beleidsregel voor frictiekosten toont niet aan dat de bezuinigingen te snel en te ingrijpend zijn. Het kabinet beseft dat de gevolgen voor instellingen ingrijpend zijn. Dit vraagt om heldere stappen. Een beleidsregel draagt daaraan bij.

De bezuiniging op cultuur werd bekend in het Regeerakkoord van 30 september 2010. Al in december 2010 heb ik aangekondigd de aanwijzingen op grond van artikel 4b van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in te zullen trekken. Een concept van de ministeriele regeling heb ik op 10 juni naar uw Kamer verzonden; de definitieve regeling na overleg met uw Kamer op 25 augustus. Voor 1 november kom ik met de beleidsregel frictiekosten. Het kabinet probeert instellingen dus in een zorgvuldig proces zo snel en zo goed mogelijk duidelijkheid te bieden.

De brief valt binnen mijn bevoegdheid als staatssecretaris. De bezuinigingen worden niet «vervroegd opgelegd». Wel bied ik instellingen de mogelijkheid te komen «tot afspraken om de subsidie voor het restant van de periode 2009–2012 aan te wenden voor een geleidelijke afbouw van hun gesubsidieerde activiteiten», zoals ik uw Kamer in mijn brief Meer dan kwaliteit heb meegedeeld.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Werf, M.C.I. van der (CDA), Dijkstra, P.A. (D66), Klaveren, J.J. van (PVV), Beertema, H.J. (PVV), Wolbert, A.G. (PvdA), ondervoorzitter, Miltenburg, A. van (VVD), Ham, B. van der (D66), Bochove, B.J. van (CDA), voorzitter, Smits, M. (SP), Çelik, M. (PvdA), Jadnanansing, T.M. (PvdA), Dijkgraaf, E. (SGP), Liefde, B.C. de (VVD), Lucas, A.W. (VVD), Klaver, J.F. (GL), Dekken, T.R. van (PvdA), Elias, T.M.Ch. (VVD), Dijk, J.J. van (SP), Bosma, M. (PVV), Ouwehand, E. (PvdD), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Biskop, J.J.G.M. (CDA) en Dibi, T. (GL).

Plv. leden: Rouwe, S. de (CDA), Pechtold, A. (D66), Gerbrands, K. (PVV), Mos, R. de (PVV), Dam, M.H.P. van (PvdA), Burg, B.I. van der (VVD), Koşer Kaya, F. (D66), Ferrier, K.G. (CDA), Wit, J.M.A.M. de (SP), Hamer, M.I. (PvdA), Dijsselbloem, J.R.V.A. (PvdA), Staaij, C.G. van der (SGP), Lodders, W.J.H. (VVD), Harbers, M.G.J. (VVD), Sap, J.C.M. (GL), Klijnsma, J. (PvdA), Hennis-Plasschaert, J.A. (VVD), Kooiman, C.J.E. (SP), Dille, W.R. (PVV), Thieme, M.L. (PvdD), Schouten, C.J. (CU), Haverkamp, M.C. (CDA) en Peters, M. (GL).