Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132820 nr. 34

32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid

Nr. 34 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 juli 2011

In het notaoverleg over de visie op het nieuwe cultuurbeleid op 27 juni jl. zijn door uw Kamer een aantal moties ingediend. Deze zijn op donderdag 30 juni in stemming gebracht. Het kabinet reageert met deze brief op de aangenomen moties en een aangehouden motie.

De gewijzigde motie Klijnsma c.s. over de 150 mln. om frictiekosten op te vangen (32 820, nr. 12, gewijzigd): het kabinet voert de motie uit en zal, zoals gevraagd, vóór 1 november 2011 een brief naar de Kamer sturen waarin de procedure met betrekking tot het compensatiebeleid wordt beschreven, zodat de kunst- en cultuursector zich hierop kan instellen.

De motie Bosma/De Liefde over opera in de regio Zuid (32 820, nr. 13): het kabinet voert de motie uit en zal, zoals gevraagd, voor de subsidieperiode 2013–2016 voor de productie van opera in de regio Zuid een budget van 1 mln. euro per jaar reserveren uit het budget voor het Fonds voor de Podiumkunsten. Bovendien zal het kabinet het concept van de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2013–2016 aanpassen en er zorg voor dragen dat met een budget met een plafond ter hoogte van 1 mln. euro de operafunctie in genoemde regio ondersteund kan worden, onder voorwaarde dat samenwerking wordt gezocht met andere operavoorzieningen en voorzien wordt in een beperkte reisfunctie en talentontwikkeling.

De gewijzigde motie Van der Werf/De Liefde over aanpassing van de indemniteitsregeling (32 820, nr. 14, gewijzigd): de motie vraagt de regering om in samenspraak met de musea, commerciële verzekeraars en rijk een voorstel te ontwikkelen voor een zodanige aanpassing van de indemniteitsregeling, dat musea minder kosten hoeven te maken voor aanvullende commerciële verzekeringen en dit voorstel zo snel als mogelijk na de evaluatie naar de Kamer te zenden. Het kabinet zal de motie betrekken bij de uitvoering van de evaluatie die in de brief hierover van 29 juni jl. is aangekondigd.

De motie Van der Werf/Bosma over symfonische orkesten (32 820, nr. 16): het kabinet voert de motie uit en zal, zoals gevraagd, initiatieven in de verzorgingsgebieden Oost, Zuid en het verzorgingsgebied Rotterdam–Den Haag, die het reële uitzicht bieden op structurele samenwerking aldaar van twee volwaardige symfonische orkesten, onder voorwaarden mogelijk maken.

Bovendien zal het kabinet voor een gezamenlijk plan per verzorgingsgebied, tijdelijk gedurende een periode van maximaal vier jaar, een bedrag van 500 000 euro per jaar per individueel geco-financierd orkest extra beschikbaar stellen en dit mogelijk maken door maximaal 12 mln. euro te reserveren in het budget dat beschikbaar is voor frictie- en transitiekosten. Het concept van de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2013–2016 en de beleidsregel betreffende het compensatiebeleid zullen hierop worden aangepast.

De gewijzigde motie Van der Ham c.s. over post-doc opleidingen (32 820, nr. 17, gewijzigd): het kabinet voert de motie uit en zal, zoals gevraagd, bij de beleidsreactie op het sectorplan van de HBO-raad over het kunstvakonderwijs de functie van de post-doc opleidingen meenemen.

De motie Van der Ham c.s. over het Tuschinski Fonds (32 820, nr. 21): het kabinet voert de motie uit en zal, zoals gevraagd, in overleg treden met de verschillende partijen die betrokken zijn bij de exploitatie van film om hen te bewegen een groter deel van de opbrengst van film te laten vloeien naar het Tuschinski Fonds en andere filmondersteuning, ten behoeve van de ontwikkeling van binnenlandse filmproductie.

De motie De Liefde/Van der Werf over een Friestalig theatergezelschap (32 820, nr. 24): het kabinet voert de motie uit en zal zoals gevraagd uit het budget voor het Fonds voor de Podiumkunsten een budget met een plafond ter hoogte van 1,5 mln. euro per jaar beschikbaar stellen voor Friestalig theater. Bovendien zal het kabinet het concept van de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2013–2016 hierop aanpassen, zodat een Friestalige theatervoorziening in de nieuwe basisinfrastructuur kan worden opgenomen.

De aangehouden motie Van Dijk c.s. (32 820, nr. 23) vraagt de regering om Muziek Centrum Nederland in stand te laten voor een derde van het huidige budget met de taak het bevorderen van Nederlandse muziek in het buitenland, zonder tussenkomst van het Fonds Podiumkunsten. Ik heb hierover in het notaoverleg toegezegd dat zal worden gekeken of het onderbrengen van de taak betreffende de internationale promotie van Nederlandse muziek bij het fonds tot extra bureaucratie leidt. Dit is niet het geval: het leidt niet tot een verhoging van administratieve lasten bij de instelling. Een aanvraag moet sowieso worden ingediend, ongeacht bij welk bestuursorgaan. Daarom houdt het kabinet vast aan het voornemen om deze taak niet in de culturele basisinfrastructuur op te nemen, maar deze bij het Fonds Podiumkunsten te beleggen dat voor de internationale promotie van Nederlandse muziek met het oog op marktverruiming een subsidieregeling zal ontwikkelen.

Ten slotte reageer ik met deze brief op de door mij gedane toezegging aan kamerlid De Liefde om bij de functie in de nieuwe basisinfrastructuur betreffende de ontwikkeling van bewezen talent – 50 plekken voor 2,5 mln. euro – te kijken naar de mogelijkheid om meer studenten te bedienen voor hetzelfde budget. Ik heb deze mogelijkheid onderzocht en ben bereid om af te wijken van het maximum aantal plekken, zoals genoemd in het concept van de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2013–2016. Dit mogen er meer zijn.

Tegelijkertijd hecht ik eraan dat de kwaliteit van de begeleiding van toptalent gegarandeerd wordt en het budget van 2,5 mln. euro niet al te zeer wordt versnipperd over instellingen. Het concept van de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2013–2016 zal hierop worden aangepast.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

H. Zijlstra