32 813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid

Nr. 593 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 oktober 2020

Het lid Van der Lee (GroenLinks) heeft in zijn brief van 17 augustus 2020 aan de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat gevraagd om een reactie op onderzoek dat het mkb veel meer betaalt voor klimaat/CO2-uitstoot dan de zware industrie. Tevens heeft hij verzocht de Kamer te informeren over de Nederlandse energieprijzen voor bedrijven (lasten en heffingen) in vergelijking met omringende landen. Met deze brief geef ik gevolg aan dit verzoek. De door het lid Beckerman gestelde vragen over dit onderwerp zijn op 9 september jl. beantwoord (Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 4062).

Reactie op onderzoek dat het mkb veel meer betaalt voor klimaat/CO2-uitstoot dan de zware industrie

Grote industriële bedrijven dragen op verschillende manieren bij aan verduurzaming. De Opslag Duurzame Energie (ODE) is daar één van. In het Klimaatakkoord is afgesproken om het aandeel dat bedrijven bijdragen aan de ODE vanaf 2020 te vergroten, door specifiek de tarieven voor grootverbruikers van energie te verhogen en het kleine mkb daarbij te ontzien. Hierdoor zijn de lasten voor grootverbruikers sterk gestegen. Een overzicht van de bijdragen van verschillende sectoren aan de ODE in de jaren 2019, 2020 en 2030 is opgenomen in de bijlage1.

Voor bepaalde industriële processen geldt een vrijstelling van de energiebelasting en ODE. Dit leidt ertoe dat bedrijven die onder deze regelingen vallen geen of een relatief lage bijdrage aan de ODE leveren. De betreffende regelingen hangen samen met de Europese Richtlijn Energiebelastingen, welke EU-lidstaten onder meer de ruimte geeft voor belastingvrijstelling of -vermindering bij het gebruik van energieproducten en elektriciteit voor bepaalde processen.

In de energietransitie passen dergelijke regelingen in principe niet. Deze regelingen hebben echter veelal betrekking op sectoren die gevoelig zijn voor internationale concurrentie. Bij het afschaffen of inperken van de vrijstellingen bestaat het risico op verlies van werkgelegenheid en weglek van CO2-uitstoot over de grens. Vrijwel alle EU-landen gebruiken dan ook de ruimte die de Europese Richtlijn Energiebelastingen biedt om vrijstellingen te verlenen om weglek te voorkomen. Het afschaffen of inperken van deze vrijstellingen heeft dus vooral zin als dit door alle EU-lidstaten wordt toegepast.

De Europese Commissie zal in het kader van de Europese Green Deal naar verwachting in de eerste helft van 2021 met concrete voorstellen komen om de Richtlijn Energiebelastingen te hervormen. Het kabinet verwelkomt deze hervorming, omdat die ruimte kan bieden om specifieke uitzonderingen voor bedrijven of sectoren te beperken, met behoud van het gelijke speelveld.

Naast de ODE (en energiebelasting) dragen grote industriële bedrijven ook via andere regelingen bij. Denk aan de verplichte deelname aan het Europese emissiehandelssysteem (EU-ETS). Daarnaast treedt naar verwachting op 1 januari 2021 de Wet CO2-heffing industrie in werking, waardoor bedrijven geprikkeld worden om in CO2-reductiemaatregelen te investeren. De CO2-heffing draagt zodoende bij aan het waarborgen van de substantiële bijdrage van de industrie aan de klimaatdoelen. Op basis van bovenstaande oordeel ik dat de grote industriële bedrijven wel degelijk meebetalen aan het klimaatbeleid.

Nederlandse energieprijzen voor bedrijven (lasten en heffingen) in vergelijking met omringende landen

Een vergelijking tussen de Nederlandse lasten en heffingen op energieprijzen voor grote (energie-intensieve) bedrijven in vergelijking met omringende landen is in maart 2019 aan uw Kamer gestuurd: de speelveldtoets 2019, gemaakt door PwC (Kamerstuk 32 813, nr. 308). Dit rapport laat zien dat er tussen landen substantiële verschillen zijn wat betreft de lasten en heffingen voor grootverbruikers van energie. Hoe groot die zijn is niet eenduidig, aangezien de exacte buitenlandse belastingdruk per industrie(sub)sector en zelfs per bedrijf verschilt. Dat komt doordat grote delen van de Europese industrie (deels) vrijgesteld zijn van belastingen op gas, olie, kolen en elektriciteit, of een teruggave kunnen krijgen bij het verrichten van een prestatie, zoals energiebesparing. Deze vrijstellingen verschillen per land, omdat deze onder andere gedreven worden door het type productieproces en de wijze van productie. Daarnaast laat de speelveldtoets 2019 zien dat de heffingstarieven tussen landen ook van elkaar verschillen. Elke land maakt hierin andere keuzes, binnen de kaders die de Europese Richtlijn Energiebelastingen.

Hierbij merk ik op dat de speelveldtoets alleen de tarieven in de hoogste schijf met elkaar vergelijkt. Deze zijn veelal niet van toepassing op het mkb. Als we aannemen dat kleinere bedrijven minder energie verbruiken, dan betalen zij over het algemeen een hoger tarief over de laatste kubieke meter gas of kWh elektriciteit dan grote bedrijven. Hierdoor kan ook het gemiddelde tarief over het gehele verbruik hoger uitpakken, maar niet de totale heffingssom (afgezien van vrijstellingen in specifieke bedrijfstakken). Zoals hierboven aangegeven, gelden voor bedrijven met een grote uitstoot echter ook aanvullende regelingen en heffingen. Op basis van bovenstaande concludeer ik dat de zware industrie wel degelijk meebetaalt aan het klimaatbeleid.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Naar boven