Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 juni 2013
In het Algemeen Overleg op 30 mei 2013 over het Parlementair onderzoek kosten en effecten
klimaat- en energiebeleid en enkele andere zaken, is afgesproken dat enkele vragen
schriftelijk zouden worden beantwoord. Hierbij doe ik u deze antwoorden toekomen.
CDA – verkenning klimaatmaatregelen
Mevrouw Mulder (CDA) stelde een vraag over de notitie van PBL en ECN, getiteld «Verkenning
mogelijke klimaatmaatregelen Lokale Klimaatagenda: CO2- reductie, werkgelegenheid, kosten voor de overheid en woonlasten», een bijlage bij
het voor dit AO geagendeerde Kamerstuk 32 813 nr.45. Op pagina 8 staat onder de selectiecriteria van te analyseren maatregelen gehanteerd
door de begeleidingscommissie: «Maatregelen die op voorhand worden uitgesloten door
het regeerakkoord VVD-PvdA zijn buiten beschouwing gelaten.» Mevrouw Mulder wilde
weten waarom en door wie voor dit criterium is gekozen. In antwoord daarop kan ik
u het volgende melden.
De begeleidingscommissie bestond uit afgevaardigden van de Klimaatambassadeurs (gemeente
Amsterdam en Tilburg), het Ministerie van I&M en AgentschapNL. Als opdrachtgever heeft
de begeleidingscommissie – in goed overleg – aan opdrachtnemer PBL/ECN de selectiecriteria
geformuleerd. Doel van de Verkenning was om inzicht te krijgen in de effecten en de
mogelijkheden van klimaatmaatregelen die kunnen worden genomen. Uit pragmatische overweging
zijn maatregelen buiten beschouwing gelaten die in het regeerakkoord worden uitgesloten.
De begeleidingscommissie wilde met de Verkenning een doorkijk geven naar reële mogelijkheden
ten aanzien van de uitvoering van klimaatmaatregelen.
VVD – internationale evaluaties
De heer Leegte (VVD) stelde dat Europa en de VN alleen doelbereik monitoren en niet
de effectiviteit en efficiëntie van maatregelen evalueren. Hij wilde weten wat zulke
evaluaties ons hebben geleerd ten aanzien van kosten en effecten en welke lessen Nederland
heeft overgenomen. Ook vroeg hij of de regering die evaluaties aan de Kamer kan toesturen.
De Europese Commissie voert veel evaluaties uit waar effectiviteit en efficiëntie
aan de orde zijn. Zo wordt bij alle belangrijke initiatieven een impact assessment
uitgevoerd. De handleiding voor zulke assessments schrijft voor dat daarbij onder
meer de effectiviteit en efficiëntie van beleidsopties op een rij worden gezet. Deze
studies zijn primair ex ante, maar bij wijzigingen van beleid wordt ook naar het bestaande
beleid gekeken. Ook vinden, zij het minder gestructureerd, ex post evaluaties en andersoortige
studies zoals mid-term-reviews plaats.
De Europese Commissie zal, in het kader van de ontwikkeling van het «2030 Framework
for Climate and Energy Policies», waarvoor in maart een Groenboek verscheen, dit jaar
de werking van het 2020 klimaat- en energiepakket evalueren.
De Europese Commissie heeft een centrale website over evaluaties (http://ec.europa.eu/dgs/secretariat_general/evaluation/
) waar behalve handvatten ook afgeronde evaluaties, jaarlijkse overzichten daarvan
en een planning van nieuwe evaluaties zijn te vinden. Aangezien er vele beleidsterreinen
relevant zijn voor het klimaat- en energiebeleid, acht het kabinet het niet zinvol
een grote hoeveelheid evaluatierapporten of een overzicht van conclusies daaruit naar
Uw Kamer te sturen, maar wordt volstaan met verwijzing naar genoemde website.
Voor de Verenigde Naties geldt grosso modo hetzelfde verhaal. De evaluatiestandaarden
van de VN omvatten ook effectiviteit en efficiëntie. Deze standaarden zijn opgesteld
en worden gebruikt door de evaluatie-units van de VN-organisaties, zoals UNEP, IAEA
en WMO. Ze zijn te vinden op de centrale website www.uneval.org
. De afzonderlijke VN-organisaties bieden overzichten van de eigen evaluaties, zoals
bijvoorbeeld op www.unep.org/eou/
. Daarnaast wordt, onder meer zeer uitgebreid door het onder UNEP en WMO gepositioneerde
Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), gebruik gemaakt van onderzoek door
anderen naar kosten en effecten van maatregelen.
Internationale evaluaties zijn primair bedoeld voor het evalueren van internationaal
beleid. Het is dan niet primair aan Nederland om lessen over te nemen. Uiteraard wordt
in concrete dossiers de informatie uit beschikbare evaluaties waar relevant wel benut
voor de Nederlandse inbreng in het internationale beleidsproces. Uw Kamer wordt hierover
via de gebruikelijke kanalen geïnformeerd. Daarnaast is het goed denkbaar dat internationale
evaluaties worden benut als inspiratiebron voor nationale beleidsontwikkeling. Dit
wordt niet gestructureerd bijgehouden, zodat daarvan geen overzicht valt te verstrekken.
De meerwaarde om dit in de breedte van het klimaat- en energiebeleid te gaan bijhouden,
lijkt me te beperkt.
De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
W.J. Mansveld