Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202032813 nr. 406

32 813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid

Nr. 406 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 november 2019

Hierbij ontvangt u het Integrale Nationale Energie- en Klimaatplan (INEK) inclusief bijlagen, de Langetermijnstrategie en het concept-Klimaatplan1. Tevens ontvangt u, als bijlagen bij het concept-Klimaatplan, de beschouwing van de Raad van State over het concept-Klimaatplan, het daarop volgende nader rapport en de wetgevingskalender klimaatbeleid2. Hiermee geef ik tevens uitvoering aan de motie het lid Jetten c.s. over spoedige implementatie van de plannen uit het Klimaatakkoord (Kamerstuk 32 813, nr. 358).

In de bijlage van deze brief vindt u, naast deze drie klimaatplannen, meer informatie over de voortgang van de Regionale Energiestrategieën (RES)3.

Het klimaatbeleid voor de komende 10 jaar en verder

Op 28 juni jl. heb ik het voorstel voor het Klimaatakkoord aangeboden aan uw Kamer (Kamerstuk 32 813, nr. 342). Hiermee zijn de hoofdlijnen van het nationale klimaatbeleid voor de aankomende jaren bepaald. Dit beleid is nu ook vastgelegd in het concept-Klimaatplan en het Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK), welke beiden zien op het beleid in de periode 2021–2030. De Langetermijnstrategie geeft in aanvulling op deze twee plannen een beknopt overzicht voor de periode daarna.

Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK)

Het INEK volgt, net als de Langetermijnstrategie, uit de Europese Verordening inzake de governance van de energie-unie en de klimaatactie, en is een strategisch planningsinstrument. In november 2018 ontving uw Kamer de conceptversie van het INEK (Kamerstuk 32 813, nr. 249), deze is in december 2018 bij de Europese Commissie ingediend. Het INEK gaat onder meer in op nationale doelstellingen en concrete beleidsmaatregelen op gebied van energie en klimaat. Het totaalbeeld uit de INEK’s van alle lidstaten moet invulling geven aan de ambities van de vijf dimensies van de Energie-Unie en de Europese 2030-doelen.

In de definitieve versie van het INEK zijn de aanbevelingen van de Europese Commissie naar aanleiding van de conceptversie verwerkt. Eveneens is deze versie van het INEK geactualiseerd (i) door afspraken uit het Klimaatakkoord toe voegen en (ii) op basis van cijfers uit de KEV2019.

Het INEK bevat geen nieuw beleid ten opzichte van het Klimaatakkoord. Het definitieve INEK moet voor 31 december 2019 worden ingediend bij de Commissie. Vanaf maart 2023 en elke 2 jaar daarna moeten lidstaten rapporteren over de voortgang in de implementatie van de INEK’s.

Langetermijnstrategie

De Langetermijnstrategie geeft een beknopt overzicht van het huidige beleid dat zich vooral richt op de lange termijn en agendeert, ook Europees, de belangrijkste vraagstukken die nadere invulling vragen voor de verdere transitie. Net als het INEK moet de Langetermijnstrategie voor 31 december 2019 worden ingediend bij de Europese Commissie.

Concept-Klimaatplan

Het Klimaatplan volgt uit de Klimaatwet, en is het instrument waarmee het klimaatbeleid wordt vastgelegd. Alvorens het eerste Klimaatplan aan uw Kamer aan te bieden is het, conform de Klimaatwet, aan de afdeling Advisering van de Raad van State voorgelegd. Het stemt positief dat de Afdeling in zijn beschouwing over het concept-Klimaatplan constateert dat dit eerste concept-Klimaatplan getuigt van stevig klimaatbeleid dat naar verwachting tot een forse reductie van broeikasgassen leidt. Tegelijkertijd signaleert de Afdeling nog verschillende aandachtspunten op de terreinen van doelrealisatie, economische afwegingen, wetgeving en bestuur en uitvoering. Deze zijn in de beschouwing en het bijgevoegde nader rapport verder uitgediept.

Naar aanleiding van de beschouwing op het concept-Klimaatplan is het concept-Klimaatplan op de volgende punten aangepast:

  • De voortgangsmonitor beziet jaarlijks de voortgang van het beleid. Hiertoe wordt de feitelijke voortgang over het afgelopen jaar afgezet tegen de planning in sectoren van de concrete stappen in de uitvoering en daarbij horende tijdpaden (zoals die volgen uit het Klimaatakkoord). Beide Kamers der Staten-Generaal worden hierover jaarlijks geïnformeerd bij de Klimaatnota. Het kabinet merkt hierbij op dat er geen aanvullende tussendoelen en subdoelen worden geformuleerd, die het centrale uitgangspunt in de Klimaatwet – sturen op CO2 – in de weg staan.

  • Over de stand van zaken van de totstandkoming van de relevante wetgeving wordt jaarlijks in de Klimaatnota gerapporteerd. De Ministeriële Commissie Klimaat en Energie (MCKE) ziet toe op voortgang en samenhang van het Klimaatbeleid en de daaruit voortvloeiende wetgeving.

  • In reactie op de kanttekeningen die de Afdeling plaatst bij de kosten zijn de kostenbegrippen nog nader toegelicht en wordt verwezen naar het project dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal starten om de kosten en baten van de energietransitie in beeld te brengen.

Voor de volledige beschouwing van de Raad van State op het concept-Klimaatplan en het bijbehorende nader rapport verwijs ik u naar de bijlagen.

Publieksconsultatie en buurlandenconsultatie

Over het concept-Klimaatplan en het INEK heeft conform de Klimaatwet en de governanceverordening en zoals aangekondigd in reactie op het verzoek van het lid Omtzigt (Kamerstuk 32 813, nr. 324) een publieksconsultatie plaatsgevonden. In deze publieksconsultatie is specifiek uitvraag gedaan naar de aandachtspunten die van belang zijn bij de uitvoering van de maatregelen uit het concept-Klimaatplan en INEK. Ook is gevraagd naar aandachtspunten die spelen op de langere termijn ten behoeve van de Langetermijnstrategie.

De online publieksconsultatie heeft tussen 24 augustus en 4 oktober 2019 opengestaan op de website www.internetconsultatie.nl en is verder via een persbericht, sociale media en de Staatscourant onder de aandacht gebracht. Daarnaast is de consultatie onder de aandacht gebracht van bij het Klimaatakkoord betrokken partijen.

Het consultatieverslag (zie: www.internetconsultatie.nl) dat naar aanleiding hiervan is opgesteld, geeft een samenvatting van de ontvangen reacties en geeft aan wat hiermee is gebeurd.

Voor het INEK heeft, naast bovengenoemde publieksconsultatie, een buurlandenconsultatie plaatsgevonden waarbij zo’n 20 Europese landen vertegenwoordigd waren. Afstemming heeft verder plaatsgevonden in onder andere Pentalateraal verband4 en de Noordzee Energie Samenwerking.

Wetgevingskalender

In het debat over het Klimaatakkoord van 3 juli jl. heb ik uw Kamer toegezegd om u met Prinsjesdag een overzicht te sturen van wetgeving die op korte termijn naar de Kamer komt, en u aan het einde van het jaar een wetgevingskalender voor het Klimaatakkoord te sturen. Conform mijn toezegging stuur ik u hierbij de wetgevingskalender als bijlage bij het concept-Klimaatplan. Deze kalender bevat alle bepalende wet- en regelgeving nu duidelijk is dat deze moet worden aangepast om uitvoering te geven aan het Klimaatakkoord. De kalender is een uitwerking van het wetgevingsoverzicht dat ik op 17 september aan uw Kamer heb aangeboden. In dit overzicht zijn de bepalende wetswijzigingen en wijzigingen in regelgeving opgenomen die naar verwachting binnen de huidige kabinetsperiode naar uw Kamer worden gestuurd.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes

BIJLAGE: Regionale Energiestrategieën (RES)

Een aantal afspraken uit het Klimaatakkoord wordt op dit moment uitgewerkt via Regionale Energie Strategieën (RES’en). Dit is conform de in 2018 gemaakte afspraken in het Interbestuurlijk Programma. Ik wil uw kamer over deze afspraken informeren vanwege de betrokkenheid van het Kabinet bij de uitwerking daarvan. De focus ligt in de RES’en op de afspraak dat er voor hernieuwbare elektriciteit 35 TWh grootschalige opwekking op land (>15kW) in 2030 moet zijn gerealiseerd, op de warmtetransitie in de gebouwde omgeving, en de daartoe benodigde opslag- en energie-infrastructuur. Het staat de regio’s vrij ook de opgaven rond landbouw en landgebruik, industrie en mobiliteit mee te nemen. Het gaat uiteindelijk immers om een integrale transitieopgave.

De verantwoordelijkheid voor het opstellen en vaststellen van de RES’en, en het beleidsmatig verankeren daarvan, ligt bij de decentrale overheden. Samen met maatschappelijke partners, netbeheerders, het bedrijfsleven en bewoners werken zij toe naar regionaal gedragen keuzes. Overal in Nederland hebben gemeenten, provincies en waterschappen een start gemaakt met het RES-proces. Zij hebben daartoe dertig RES-regio’s gevormd (zie www.regionale-energiestrategie.nl). Om de regio’s te ondersteunen bij het RES-proces hebben de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen en de Ministeries van BZK en EZK een nationaal programma RES (NP RES) opgezet.

Het Rijk (BZK, EZK) acteert daarbij als een actieve, gecommitteerde partner in het RES proces, niet alleen vanuit de borging van de afspraken uit het Klimaatakkoord, maar ook vanuit zijn verantwoordelijkheden en bevoegdheden in het klimaat- en energiebeleid, de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van het energiesysteem, de inzet van Rijksgronden en -vastgoed en de borging van nationale belangen en ruimtelijke uitgangspunten voor de RES, zoals onder meer geformuleerd in de energiewetten en de ontwerp-Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Conform mijn brief van 23 augustus jl. (Kamerstuk 34 682, nr. 29) wordt ook gekeken naar de toepassing van de voorkeursvolgorde zon en de effecten van de keuzen in de RES’en op landschap, natuur- en landbouwgronden. De Rijksvisie marktordening voor de energietransitie en het nationaal programma energiehoofdstructuur worden parallel aan de RES’en ontwikkeld en borgen een adequate ontwikkeling van ons energiesysteem ten behoeve van de transities in de gebouwde omgeving, landbouw, industrie, mobiliteit en elektriciteit. Het instrument RES leidt niet tot wijzigingen in bevoegdheden en taken, maar vormt een nieuwe manier van interbestuurlijk en maatschappelijk samenwerken.

Onder coördinatie van het NP RES zal een appreciatie van de RES’en worden uitgevoerd. Iedere regio biedt op 1 juni 2020 zijn concept-RES aan het NP RES aan voor een kwantitatieve doorrekening (het 35 TWh doel) en een kwalitatieve waardering (afwegingskader) op de thema’s maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak, efficiëntie van het energiesysteem en ruimtelijke inpassing. PBL zal beide uitvoeren. Ook zullen de regio’s peer reviews uitvoeren op hun RES’en. De analyses van PBL en de peer-reviews worden gebundeld door het NP RES en door de opdrachtgevende partijen voorzien van een advies. Dit advies wordt aangeboden aan de RES-regio’s met het oog op de RES 1.0. Ik zal uw Kamer daarover informeren vanwege de borging van de afspraken uit het Klimaatakkoord en de andere genoemde aandachtspunten. Uiterlijk 1 maart 2021 bieden de regio’s een RES 1.0 aan het NP RES aan. Ook voor de RES 1.0 zal een appreciatie worden uitgevoerd. Over de uitkomsten daarvan zal ik uw Kamer wederom informeren.

De decentrale overheden vertalen de RES in hun omgevingsbeleid en kunnen al starten met het vastleggen in ruimtelijke plannen op basis van de concept-RES. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat medio 2021 in een groot deel van de regio’s de RES-en zijn verwerkt in het omgevingsbeleid van provincies, gemeenten en waterschappen. Inzet is dat op 1 januari 2025 alle te realiseren projecten planologisch zijn vergund met het oog op de realisatie van het 35 TWh-doel in 2030. Mochten de regio’s er uiteindelijk onverhoopt niet in slagen om gezamenlijk te komen tot een invulling van de afgesproken doelen en de in het appreciatiekader opgenomen aandachtspunten en richtinggevende elementen, dan treden de gezamenlijke borgingsafspraken in werking. Uitgangspunten hierbij zijn subsidiariteit en bestuurlijke instrumenten (het goede gesprek) boven juridische instrumenten.

Recent heef het College van Rijksadviseurs (CRa) op eigen initiatief een advies uitgebracht: «Via Parijs». Daarin geeft het CRa ter inspiratie een beeld hoe de energietransitie er in 2050 uit kan zien vanuit ruimtelijk perspectief. Het Rijk waardeert de ontwerpverkenning als bouwsteen voor inspiratie die een integrale werkwijze kan bevorderen en zal de verkenning benutten voor de uitwerking van de NOVI in het programma energiehoofdstructuur en Noordzee, en via het NP RES onder de aandacht brengen van de RES-regio’s. Zie: https://www.collegevanrijksadviseurs.nl/adviezen-publicaties/publicatie/2019/10/17/via-parijs.


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
4

Dit betreft de Benelux-landen, Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk en Zwitserland (als waarnemer).