Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132757 nr. 4

32 757 Bouwbesluit 2012

Nr. 4 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 augustus 2011

In het overleg met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van 30 juni 2011 over het concept-Bouwbesluit 2012 (kamerstuk 32 757, nr. 3) heb ik een brief toegezegd waarin wordt ingegaan op de punten die door de leden tijdens het algemeen overleg zijn ingebracht en die voornamelijk vanwege tijdgebrek niet zijn besproken. Tevens is afgesproken dat ik in mijn brief aangeef welke punten zullen worden meegenomen in het veegbesluit. Met deze brief geef ik uitvoering aan deze toezegging.

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft mij bij brief van 28 juli 2011 een toegezegd overzicht van de openstaande punten gezonden (2011D38849). Deze punten zal ik in het navolgende bespreken (1). Daarbij ga ik tevens in op de overige vragen die blijkens het concept-verslag van het algemeen overleg van 30 juni 2011 nog niet waren beantwoord (2). De punten die in het veegbesluit worden meegenomen zal ik daaropvolgend in deze brief behandelen (3).

1. Beantwoording vragen/opmerkingen

VVD-fractie:

1

Is het met de CE-markering niet zo dat de slager zijn eigen vlees keurt?

De CE-markering op bouwproducten geeft aan dat het product is getest volgens Europese geharmoniseerde testmethoden en wat de prestatie is van het product, op basis van die testmethoden, in de toepassingsgebieden die de producent voorziet en waarvoor hij het product geschikt acht.

Weliswaar mag de producent voor een aantal eigenschappen van het product zelf testen uitvoeren, maar de eigenschappen die een risico vormen voor de burger zoals constructieve veiligheid, gezondheid en brandveiligheid dienen uitgevoerd te worden door een derde onafhankelijke partij, die door mijn ministerie is aangemeld bij de Europese Commissie. Voordeel van de CE-markering op bouwproducten is dat het de producent verplicht om zelf te verklaren wat de prestatie van zijn product is. Deze verklaring speelt een belangrijke rol in de productaansprakelijkheid. Afnemers van bouwproducten kunnen de producent direct aanspreken op de kwaliteit van het product, wanneer het product niet voldoet aan de eisen die worden gesteld aan de toepassing in een gebouw of bouwwerk.

2

Is er ten opzichte van het huidige Bouwbesluit sprake van een toename in bouwkosten voor de zorgsector?

In het veegbesluit zullen wijzigingen worden opgenomen die voortvloeien uit het overleg met de zorgsector over de brandveiligheidsvoorschriften die op gebouwen met een gezondheidszorgfunctie en bij woon/zorg-projecten van toepassing zullen zijn. Deze aanpassingen zijn het resultaat van het overleg dat is gevoerd met de zorgsector en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de extra kosten voor de zorgsector in verband met de brandveiligheid. Zoals ik in het algemeen overleg van 30 juni jongstleden over het concept-Bouwbesluit 2012 heb aangegeven, is door die aanpassingen ten aanzien van bestaande gebouwen in de zorgsector (inclusief woon/zorg-projecten) geen sprake van de bedoelde kostentoename en zijn de eventuele kostenstijgingen bij nieuwbouw beperkt tot 1%. Deze meerkosten kunnen vermeden worden door in het ontwerp van het bouwplan geen zogenoemde doodlopende einden op te nemen.

3

Waarom moet de hoeveelheid lux voor noodverlichting van 1 naar 2 lux worden aangepast?

De aanpassing van de voorschriften voor noodverlichting naar 2 lux vloeide voort uit een aanbeveling van de commissie voor brandveiligheid die op verzoek van de Kamer is ingesteld. Zoals ik in het algemeen overleg over het Bouwbesluit 2012 op 30 juni jongstleden heb aangegeven, meende ik die aanbeveling over te moeten nemen. Hiermee zou echter een scherpere eis worden gesteld dan Europees nodig is. In de versie van het concept-Bouwbesluit 2012 die begin juli 2011 voor advies aan de Raad van State is voorgelegd is dan ook alsnog afgezien van de bedoelde aanpassing. Een dergelijke aanpassing is derhalve niet meer aan de orde.

4

Kan de regering bevorderen dat maatregelen worden genomen om de transparantie en evenwichtigheid van de werkwijze van normcommissies te garanderen en zo te verzekeren dat de markt toegankelijk blijft voor nieuwe producten?

Normalisatie is er vóór en dóór de markt. De wijze waarop dit is georganiseerd is ook de verantwoordelijkheid van marktpartijen. Normalisatie is gebaseerd op vrijwillig initiatief met betrokkenheid van alle belanghebbende partijen en komt tot stand op basis van consensus. Dit leidt tot afspraken over normen bij productie en dienstverlening. Het Kabinet heeft op 1 juli jongstleden een kabinetsreactie op kenbaarheid van normen en normalisatie aan uw Kamer toegezonden (Kamerstuk 27 406, nr. 193). Hierin wordt het belang en de betekenis, bij het gebruik van normen door de overheid, beschreven. Daarbij staat vrijwilligheid eveneens centraal: NEN-normen kunnen worden benut om aan te tonen dat aan wet- en regelgeving wordt voldaan maar er is geen sprake van een verplichting daartoe. In dezelfde kabinetsreactie staat beschreven op welke wijze het kabinet NEN stimuleert en ondersteunt om de deelname van partijen aan het normalisatieproces te vergroten.

PVV-fractie:

5

Is de minister bereid om het Plan van aanpak Stalbranden indien mogelijk te betrekken bij dit Bouwbesluit of bij de eerstvolgende wijziging ervan?

Het concept-veegbesluit voorziet niet in de aanpassing van het Bouwbesluit 2012 ten aanzien van de brandveiligheid van stallen. Zoals door mij in het algemeen overleg van 30 juni jongstleden is aangegeven, dient voor wat betreft veestallen eerst het Plan van aanpak Stalbranden te worden opgesteld en uitgevoerd. Voor de stand van zaken van dat Plan van aanpak verwijs ik naar de brief die de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie u hierover zal sturen.

Indien bij de uitvoering van dit Plan van aanpak voorstellen tot wijzing van het Bouwbesluit worden gedaan, zal hierover nadere politieke besluitvorming plaatsvinden. Deze voorstellen zullen dan mede worden bezien in relatie tot de taakstellingen die in het regeerakkoord met betrekking tot de vermindering van de lasten- en regeldruk zijn opgenomen en de visie van het kabinet op de gewenste verdere ontwikkeling van de bouwregelgeving waarover ik u in het najaar nader zal informeren.

6

Bent u bereid een apk voor de belangrijkste gebouwinstallaties, zoals balansventilatie, in te voeren?

Deze vraag wordt betrokken bij de reeds eerder door mij aangekondigde najaarsbrief over de fundamentele verkenning van de gewenste verdere ontwikkeling van de bouwregelgeving en de uitvoering van de aanbevelingen van de commissie Dekker. In die brief zal het kabinet zijn visie geven op de in de toekomst gewenste verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen private partijen en de overheid ten aanzien van het (ver)bouwen van bouwwerken en de technische staat en het gebruik van bestaande bouwwerken. Door en voor de bouwsector is sinds enige jaren een ventilatieprestatiekeuring ontwikkeld. Partijen kunnen deze inzetten om na te gaan of is voldaan aan de onderling overeengekomen kwaliteit, waarbij het niveau van het Bouwbesluit het minimum is. In die visie zal ook worden ingegaan op de vraag of het bestaande toezichtinstrumentarium van het bevoegd gezag toereikend is om zijn taken op dit terrein uit te voeren. De vraag of bedoelde apk moet worden ingevoerd, dient naar mijn oordeel in de context van die visie te worden beantwoord.

SP-fractie:

7

Is er ten opzichte van het huidige Bouwbesluit sprake van een toename in bouwkosten voor de zorgsector?

Zie mijn antwoord op vraag 2.

8

Vindt de minister zelfstandige woningen zonder eigen toilet aanvaardbaar?

Deze vraag heb ik reeds tijdens het algemeen overleg op 30 juni beantwoord. Het Bouwbesluit 2012 biedt inderdaad de mogelijkheid om maximaal vijf woningen één toilet te laten delen. Deze deregulering is met name doorgevoerd voor de bouw van studentenwoningen. Ik verwacht niet dat de markt hiervan meer in het algemeen gebruik zal maken bij grotere woningen.

9

Bent u bereid de toelichting over het toepassen van kwaliteitsverklaringen en keurmerken door private opdrachtgevers aan te passen, zoals door de Stichting KOMO bepleit?

Ja, de toelichting is op dit punt inmiddels verduidelijkt.

10

Waarom wordt de Rc-waarde verhoogd tot 3,5 en niet tot 5?

De Rijksoverheid stuurt niet op maatregelen maar op de integrale energieprestatie van een gebouw. Voor nieuwbouw is dit de EnergiePrestatieCoëfficiënt (EPC), voor bestaande gebouwen de energielabelklasse. In het Bouwbesluit is een isolatie-eis opgenomen als «vangnet-eis» om bij iedere ingreep (zowel nieuwbouw als verbouw/renovatie) tenminste een minimale warmteweerstand te realiseren.

Die isolatie-eis is zodanig vastgesteld dat hij in bestaande gebouwen ook nog leidt tot een verlaging van de woonlasten van de gebruiker. Tevens is gekeken naar technische haalbaarheid en draagvlak in de markt.

In de nieuwbouw is het beter mogelijk om hogere isolatiewaarden te realiseren. Ik stimuleer deze hogere isolatiewaarden ook; in de nieuwbouw door de wettelijke energieprestatie-eis (EPC-eis) en in de bestaande bouw door bijvoorbeeld het energielabel, het maatwerkadvies en activiteiten van Meer-met-Minder.

11

Gaat u het schrappen van de voorschriften inzake geluidsoverlast binnen de woning ongedaan maken?

Nee. Het schrappen betreft de voorschriften over geluidsisolatie tussen verblijfsruimten van een woning. Ik acht het geen taak van de overheid om hieraan blijvend voorschriften te verbinden. Ten aanzien van de wering van geluid tussen woningen en van geluid van buiten blijven eisen gelden.

12

Komt de exploitatie van nieuwe warmtenetten niet in gevaar door in het Bouwbesluit 2012 landelijk uniforme voorschriften over de aansluitplicht te geven?

Ik acht dat risico gering. Ik heb de betrokken partijen uitgenodigd om nadere afspraken te maken mede om dit punt te ondervangen. Zoals ik in het overleg van 30 juni reeds heb aangegeven, geldt in beginsel een aansluitplicht op het warmtenet tenzij bij het betreffende bouwwerk sprake is van toepassing van een gelijkwaardige andere oplossing. Het is aan het bevoegd gezag om een voorgenomen andere oplossing wel of niet gelijkwaardig te achten. Bij zijn standpuntbepaling ten aanzien van de gelijkwaardigheid mag het bevoegd gezag de aangedragen oplossing beoordelen vanuit de optiek van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Daarbij mag ook rekening worden gehouden met de energiezuinigheids- en milieuwinst die op gebiedsniveau voortvloeit uit toepassing van een warmtenet in vergelijking met de winst die in het concrete geval op gebouwniveau voortvloeit uit toepassing van de aangedragen andere oplossing. Ik heb de betrokken partijen uitgenodigd om gezamenlijk en rekening houdend met gebruikersbelangen, nadere afspraken te maken over de wijze waarop bij warmteprojecten met gelijkwaardigheid kan worden omgegaan. Deze afspraken kunnen door het bevoegd gezag in concrete gevallen als beleidslijn bij de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel gaan worden gehanteerd. Zodra bedoelde afspraken tot stand zijn gekomen, zal ik bekijken of het gewenst is om de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2012 daarop aan te passen.

13

Het vervangen van de verplichting om woningen te voorzien van drinkwater-, gas- en elektrische installatie door de bepaling dat dergelijke voorzieningen, indien aanwezig, veilig en gezond moeten zijn, kan explosies van installaties die door beunhazen en hobbyisten worden aangelegd tot gevolg hebben. Hoe denkt de minister daarover?

Met het schrappen van deze verplichting ben ik tegemoet gekomen aan de wensen uit de praktijk om bijvoorbeeld aanleunwoningen te kunnen bouwen zonder dat er gas hoeft te zijn. In mijn beantwoording van de eerder gestelde Kamervragen (zie vragen en antwoorden 31 en 62 uit mijn brief van 10 juni 2011, TK 2010–2011, 32 757, nr. 2) heb ik al gesteld dat ik geen nadelige gevolgen verwacht van het vervallen van deze verplichting. De genoemde voorzieningen moeten namelijk altijd voldoen aan de bouw- of gebruikstechnische eisen die het Bouwbesluit 2012 daaraan stelt. Die eis geldt ongeacht of deze installatie vrijwillig of verplicht wordt aangelegd.

Indien er na oplevering van een woning alsnog een gas- of andere installatie wordt aangelegd dan zal hier bovendien een omgevingsvergunning voor het bouwen moeten worden aangevraagd zodat het bevoegd gezag preventief toeziet of aan de betreffende voorschriften wordt voldaan. Ondermeer om op dit punt meer duidelijkheid te verkrijgen is in de Woningwet recent expliciet opgenomen dat de bouwvoorschriften ook betrekking hebben op installaties. Dat het aanleggen van een nieuwe installatie niet vergunningvrij is volgt uit bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht. Het aanleggen hiervan kan namelijk niet gezien worden als een «verandering» zoals bedoeld in deze bijlage 2.

14

Gaat u het schrappen van de voorschriften over doorvalbeveiliging ongedaan maken, zodat kinderen niet uit het raam kunnen gaan vallen?

Nee. Er blijven eisen gelden voor de doorvalbeveiliging in gemeenschappelijke verkeersruimten en bij buitenruimten (zoals galerijen en balkons). Binnen woningen worden volwassenen geacht toezicht uit te oefenen.

15

Wat zijn de gevolgen van het schrappen van de extra brede trap in appartementsgebouwen?

Het klopt dat de extra brede trap (B-trap) is komen te vervallen bij de voorschriften voor trappen. Er is echter een overeenkomstige eis aan de breedte van de trap voor woongebouwen opgenomen in afdeling 2.12 (vluchtroutes), namelijk in artikel 2108, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012. Hierdoor is in grote appartementsgebouwen nog steeds een extra brede trap voorgeschreven en zijn de gevolgen van het schrappen van de bedoelde voorschriften dus gering.

16

Moeten de ventilatie-eisen in relatie tot de toegestane CO2-concentratie voor woningen en scholen niet scherper worden gesteld?

Nee. Het Bouwbesluit 2012 stelt, net als het Bouwbesluit 2003, eisen aan de capaciteit van de luchtverversing. Deze eisen zijn zodanig dat er geen overschrijding hoeft plaats te vinden van een bepaalde CO2-concentratie in een ruimte. Feitelijk zijn de luchtverversingeisen in het Bouwbesluit daarmee gerelateerd aan een CO2-norm. In het PRC rapport «Aanpassing van de voorschriften voor ventilatiehoeveelheden in het Bouwbesluit 2003» d.d. 11 juni 2010 is vermeld wat de relatie is tussen de luchtverversingseis en de CO2-concentratie. Dit rapport is gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl onder het onderwerp Bouwregelgeving. Voor woningen is uitgegaan van een toegestane CO2-concentratie van 1 200 ppm op basis van het advies van de Gezondheidsraad uit 1984. Voor scholen is de Gezondheidsraad in het advies Binnenluchtkwaliteit in basisscholen uit 2010 van mening dat op basis van de bestudeerde literatuur over scholen er in verreweg de meeste onderzoeken geen aanwijzingen zijn dat er gezondheidsklachten ontstaan bij gemiddelde CO2-concentraties onder 1 200 ppm.

17

Bent u met het oog op het binnenklimaat in gebouwen bereid voorschriften te gaan geven om opwarming in de zomermaanden tegen te gaan?

Dit is al geregeld. In de nieuwe bepalingsmethode voor de energieprestatie van een gebouw (NEN 7120) zijn voor de waardering van maatregelen, zoals geautomatiseerde zonwering, specifieke bepalingen over opwarming (oververhitting) opgenomen. Indien bij de berekening wordt geconstateerd dat er een risico van oververhitting bestaat, worden «strafpunten» in rekening gebracht die vervolgens leiden tot een slechtere score van de energieprestatiecoëfficiënt EPC. Op deze wijze wordt de ontwerper gestimuleerd om een beter binnenklimaat te realiseren, bijvoorbeeld door minder raamoppervlak op zongeoriënteerde gevels, meer gebruik van bouwmassa, betere isolatie/installatie etc. Daarmee wordt niet alleen het risico van een onaangenaam hoge binnentemperatuur verminderd maar ook de kans dat bewoners energieverslindende airco’s in de woning installeren.

De NEN 7 120 wordt op 1 januari 2012 van kracht voor de nieuwbouw en op 1 juli 2012 voor de bestaande bouw (bepaling van energielabels).

18

Is de minister bereid de NEN 2 443 van toepassing te verklaren op parkeerplaatsen in stallingsgarages?

Nee, dit is naar mijn mening niet noodzakelijk. De afmetingen van parkeerplaatsen worden op grond van artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet door de gemeentelijke bouwverordening geregeld en dus niet door het Bouwbesluit. In de model-Bouwverordening, die de Vereniging van Nederlandse Gemeenten als ledenservice heeft uitgebracht, is hiertoe in artikel 2.5.30 opgenomen dat de afmetingen van parkeerplaatsen voor auto's bij nieuwe gebouwen moeten zijn afgestemd op gangbare personenauto's en dat aan die eis wordt voldaan wanneer aan de in dat artikel genoemde afmetingen is voldaan. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen voor gehandicapten gereserveerde parkeerplaatsen en overige parkeerplaatsen. Een eventuele wijziging van die afmetingeisen is voorbehouden aan de gemeenteraad als het in de wet aangewezen orgaan dat een bouwverordening kan vaststellen of wijzigen.

19

Het concept-Bouwbesluit 2012 staat alternatieve oplossingen voor afvoer van regenwater anders dan via het riool toe. Moeten die alternatieven niet worden genormeerd?

Nee. In veel gemeenten wordt tegenwoordig vanuit het oogpunt van waterbeheer gekozen voor een alternatieve wijze van waterafvoer en waterberging. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen of het alternatief in het concrete geval een gelijkwaardige oplossing voor hemelwaterafvoer middels een rioolaansluiting biedt. Met het landelijk uniform normeren van die alternatieve oplossingen zouden mogelijke alternatieven onnodig kunnen worden beperkt. Overigens staat het belanghebbende partijen geheel vrij om desgewenst zelf een dergelijke normering te ontwikkelen, bijvoorbeeld in NEN-verband.

ChristenUnie-fractie:

20

Hoe kijkt de minister aan tegen de punten over toegankelijkheid van de CG-raad met name rondom gehandicaptentoiletten (niet alleen eisen voor de oppervlakte, maar ook basiscriteria voor de inrichting), hoofdtoegang (gehandicapten niet verwijzen naar zijingang om de hoek) en bereikbaarheid ruimten (toegankelijkheidssector alle gebouwdelen waar volgens de bestemming bezoekers kunnen komen en ontheffing bij verbouw alleen als er geen functionele oplossing kan worden aangetoond)?

Zoals door mij in het algemeen overleg is aangegeven, worden eventuele wijzigingen van de voorschriften over toegankelijkheid van gebouwen voor mensen met een functionele beperking, waartoe de Chronisch zieken en Gehandicaptenraad Nederland (CG-Raad) voorstellen heeft gedaan, niet meegenomen in het veegbesluit. Die voorstellen zullen na de zomer met de CG-Raad worden besproken en dan zullen ook de kosteneffecten en de effecten op de lasten- en regeldruk in kaart worden gebracht. Naar verwachting brengt het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB) hierover begin november 2011 advies uit. Indien tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 wordt besloten, zal begin volgend jaar een ontwerp-wijzingsbesluit in procedure worden gebracht. De betreffende wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 kunnen dan op 1 januari 2013 in werking treden.

Eventuele voorstellen tot wijzing van het Bouwbesluit 2012 zullen worden bezien mede in relatie tot in het regeerakkoord genoemde vermindering van de lasten- en regeldruk en de visie van het kabinet op de verdere ontwikkeling van de bouwregelgeving waarover ik u in het najaar nader zal informeren.

21

Kan de minister reageren op de brief van de GGD over ventilatie-eisen?

Dit betreft de brief die de GGD Nederland op 28 juni 2011 aan de Tweede Kamer heeft gestuurd. In de brief noemt de GGD eerst een aantal verbeteringen die in het Bouwbesluit 2012 zijn doorgevoerd en waarover zij positief is: geluideisen voor installaties, persoonsgebonden ventilatie-eisen, zwaardere eisen voor de tijdelijk bouw, spuiventilatie bij scholen. Vervolgens noemt de GGD nog vier mogelijke verbeteringen. Hieronder geef ik een reactie hierop.

• Het expliciet vastleggen dat ventilatie-eisen voor nieuwbouw blijven gelden na oplevering.

Het klopt dat het Bouwbesluit niet voorschrijft dat een eenmaal opgeleverd bouwwerk aan de eisen voor nieuwbouw moet blijven voldoen. Dit geldt dus ook voor luchtverversing. Uit de Woningwet en het Bouwbesluit volgt geen algemene verplichting tot onderhoud. De Woningwet en het Bouwbesluit gaan er in het algemeen vanuit dat ook bij doelmatig onderhoud door veroudering de nieuwbouwkwaliteit van een bouwwerk in de loop der jaren afneemt. Deze veroudering mag er echter niet toe leiden dat het niveau voor bestaande bouw wordt onderschreden. Het is aan de eigenaar en gebruiker om de nieuwe ventilatiesystemen op basis van vrijwilligheid en eigenbelang zo goed mogelijk te gebruiken en te onderhouden. Nieuwe regelgeving op dit punt vind ik vooralsnog dan ook niet noodzakelijk. Zie verder ook mijn antwoord op vraag 6.

• Verhoog de eisen voor ventilatiecapaciteit, omdat luchttoevoer in de maximale stand vaak niet goed bruikbaar is en de volgens de Gezondheidsraad wenselijke ventilatie dus in een lagere stand haalbaar moet zijn.

De belangrijkste belemmering voor het gebruik van mechanische ventilatiesystemen voor een voldoende ventilatievoud is het veelal hoge geluidsniveau na installatie en inregeling. Om deze belemmering weg te nemen, zijn in het Bouwbesluit 2012 nieuwe eisen aan dit installatiegeluid opgenomen.

• Schrap de regel dat 50 % van de luchttoevoer geen verse buitenlucht hoeft te zijn, maar via een ander verblijfsgebied binnen mag komen.

Het schrappen van de regel leidt tot een verzwaring van de eis en een beperking van de ontwerpvrijheid van bouwwerken. Ik ben daarom niet voornemens tegemoet te komen aan deze wens van de GGD. Uit de motivatie van de GGD blijkt dat zij de vervuiling van de binnenlucht door emissies van woningafwerking en inrichting (bijvoorbeeld formaldehyde) wil beperken. Ik merk op dat voor wat betreft de concentratie van formaldehyde er in artikel 7.19 van het Bouwbesluit 2012 gebruikseisen worden gesteld. Indien een bepaalde concentratie te boven wordt gegaan mag een ruimte niet worden gebruikt.

• Schrap de regel dat een deel van de woonkamer of slaapkamer niet mee hoeft te tellen voor de ventilatie-eisen («krijtstreepmethode»).

Deze regel volgt niet expliciet uit het Bouwbesluit, maar volgt uit de vrijheid die de bouwregelgeving geeft om als indiener van een bouwaanvraag zelf te bepalen wat hij als verblijfsgebied wil aanmerken. Wel geldt hierbij de eis dat ten minste 55% van de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie verblijfsgebied is. Dit geeft ontwerpers de vrijheid om bij woon- of slaapkamers een deel van het oppervlakte niet als verblijfsgebied te bestempelen, waardoor volstaan kan worden met minder ventilatiecapaciteit. Deze ontwerpvrijheid is sinds 1992 een belangrijk uitgangspunt van het Bouwbesluit en daarom ben ik niet voornemens dit te schrappen. In de praktijk gaat het hierbij vaak om de grotere woon- en of slaapkamers waarin verhoudingsgewijs minder personen zullen zijn dan in kleinere kamers. De eisen in het Bouwbesluit zijn gebaseerd op 1 persoon per 7,7 m2 verblijfsgebied uitgaande van gemiddelde woningbouw. Zodoende is er ook uit gezondheidsoogpunt geen aanleiding om deze praktijk te wijzigen.

22

Is de Europese verordening bouwproducten alleen van toepassing op de overheid, of ook op private opdrachtgevers? En mogen bedrijven of private opdrachtgevers extra eisen stellen aan producten die zijn voorzien van CE-markering?

De Europese verordening bouwproducten richt zich zowel tot de overheid als tot marktdeelnemers. De regels zijn van toepassing op bouwproducten die worden gebruikt in werken van de overheid én van private opdrachtgevers. Hierin maakt de verordening geen onderscheid. Voor overheden en private partijen met een monopoliepositie geldt in het bijzonder dat zij geen belemmeringen voor de CE-markering mogen opwerpen. Dit betekent dat ze geen extra eisen mogen stellen aan het bouwproduct, dan wel keurmerken mogen eisen, indien het product dat hen wordt aangeboden is voorzien van CE-markering. Ik heb de toelichting op het betreffende artikel in het Bouwbesluit inmiddels verduidelijkt, hoewel de verordening daar op zichzelf al duidelijk in is. Wat betreft de mogelijkheden van particuliere opdrachtgevers om een privaat keurmerk te kiezen, heb ik reeds positief geantwoord. Ter vermijding van misverstanden is dit ook in de toelichting verwoord.

23

De ChristenUnie heeft grote vragen bij verschillende geluidsnormen voor de buitengevel. Dit gaat ten koste van de vrije indeelbaarheid van ruimten door bewoners. Wat is de reactie van de minister hierop?

Dit speelt alleen bij de geluidwering van het lawaai van structureel uitgevoerd nachtelijk luchtverkeer, dat alleen toegestaan is voor de luchthaven Schiphol. Aangezien het hier gaat om geluidwering in de nachtperiode, geldt overeenkomstig de geluidwetgeving voor nachtelijk vliegverkeer tijdens de slaapperiode een 5dB hogere beschermingsgraad voor bedgebieden. De vrije indeelbaarheid van ruimten binnen een bedgebied of ander gebruiksgebied is hierbij nog steeds mogelijk.

24

Komt de exploitatie van nieuwe warmtenetten niet in gevaar door in het Bouwbesluit 2012 landelijk uniforme voorschriften over de aansluitplicht te geven?

Zie mijn antwoord op vraag 12.

Partij voor de Dieren-fractie:

25

Is de minister bereid om het Plan van aanpak Stalbranden indien mogelijk te betrekken bij dit Bouwbesluit of bij de eerstvolgende wijziging ervan?

Zie mijn antwoord op vraag 5.

2. Overige vragen uit het algemeen overleg van 30 juni 2011

Uit het verslag van het overleg met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van 30 juni 2011 over het concept-Bouwbesluit 2012 blijkt dat tevens de volgende vragen nog niet zijn beantwoord.

26

Kunnen de per gebruiksfunctie van een gebouw verschillende eisen worden vervangen door generieke eisen zodat wisseling van gebruiksfunctie makkelijker wordt?

Nee, dat is niet mogelijk aangezien de eisen zijn afgestemd op het minimaal noodzakelijke voor het specifieke gebruik. In het Bouwbesluit 2012 zijn waar mogelijk de eisen aan verschillende gebruiksfuncties samengevoegd. Dit komt tot uiting in het schrappen van een groot aantal (sub)gebruiksfuncties. Verdere samenvoeging van voorschriften is niet mogelijk aangezien dit leidt tot een forse verzwaring van eisen voor de ene gebruiksfunctie of tot een niet wenselijke verlichting van de eisen bij een andere gebruiksfunctie. Zo gelden voor scholen hogere ventilatie-eisen en zijn de brandveiligheidsvoorschriften strikter voor hotels en andere logiesfuncties. Het gelijktrekken van deze eisen leidt tot een te laag respectievelijk hoger dan noodzakelijk eisenniveau.

Het door de heer Verhoeven genoemde punt is overigens wel een aspect dat continu mijn aandacht heeft. Daar waar mogelijk zullen ook bij verdere aanpassing van de bouwregelgeving eisen worden samengevoegd en verder vereenvoudigd.

27

Kan in de nieuwe voorschriften over de milieubelasting van bij nieuwbouw toe te passen materialen alsnog een resultaatsverplichting worden opgenomen? En kunnen die voorschriften en de voorschriften in afdeling 8.2 zodanig worden aangepast dat hergebruik van materialen wordt gestimuleerd (zie ook de brief van de NVTB)?

De bouwsector heeft aangegeven de doelstelling en het voorschrift voor de milieuprestatie op gebouw- of bouwwerkniveau te ondersteunen. De sector heeft er daarbij op aangedrongen eerst praktijkervaring met de bepalingsmethode te willen opdoen en niet nu al afgerekend te willen worden op grenswaarden. Dat verzoek heb ik gehonoreerd. In het voorschrift is daarom opgenomen dat er een berekening moet worden overgelegd en is geen grenswaarde vastgesteld voor de beoordeling van het bouwplan op de berekende milieuprestatie van het gebouw. Het vaststellen van de te realiseren milieuprestatie en de beoordeling van het bouwplan op die milieuprestatie is vooralsnog een verantwoordelijkheid van de opdrachtgever.

Opdrachtgevers krijgen hiermee meer gelegenheid om hun verantwoordelijkheid te nemen binnen een gelijk speelveld onderling kwaliteitsniveaus overeen te komen en in de praktijk te beoordelen of deze prestaties ook daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden en of dit aangetoond kan worden met voorgenoemde bepalingsmethode.

In de aangewezen bepalingsmethode is recycling en hergebruik van materialen, die bijvoorbeeld vrijkomen bij sloop van gebouwen, een met name genoemd onderwerp dat bij de berekening in beschouwing wordt meegenomen. Indirect wordt hiermee het gebruik van materialen die vrijkomen bij bijvoorbeeld sloop van gebouwen beoordeeld en gestimuleerd, indien dit minder milieueffecten met zich brengt dan de toepassing van nieuwe grondstoffen en materialen. Afzonderlijke voorschriften daaromtrent in het Bouwbesluit zullen leiden tot overtollige en ondoelmatige regelgeving.

28

Kunnen huisjesmelkers straks op een heel laag verbouwniveau gaan zitten en toch de volle huurprijs gaan berekenen?

Ongeacht of daar een voorafgaande verbouwingreep aan te pas is gekomen, moeten woningen altijd ten minste voldoen aan de eisen die op grond van het Bouwbesluit 2012 voor bestaande woningen gelden. Dat bodemniveau mag ook bij verbouw niet worden onderschreden. Vanuit die optiek verschilt de verhuur van een woning na verbouw niet van de verhuur van een woning die na leegkomen zonder verbouwingrepen wordt verhuurd. In beide gevallen is dezelfde huur- en huurprijswetgeving van toepassing, dient de huurprijs met inachtneming van die wetgeving te worden bepaald en zal toepassing van die wetgeving en het Bouwbesluit 2012 leiden tot een woning met ten minste een minimaal aanvaardbare kwaliteit en met een huurprijs die gelet op de omstandigheden (waaronder de kwaliteit van de woning) aanvaardbaar is te achten. Overigens zou uit de in het concept-Bouwbesluit 2012 vervatte versoepeling van de verbouwvoorschriften juist ook kunnen voortvloeien dat een verhuurder eerder tot kwaliteitsverbetering van de woning overgaat omdat bij zulke ingrepen niet langer eerst een ontheffing van het nieuwbouwniveau door het bevoegd gezag is vereist. Bovendien kan uit die versoepeling een groter aanbod van woonruimte voortvloeien doordat ontwikkelaars eerder tot omzetting van leegstaande (kantoor)ruimte in woonruimte zullen overgaan.

29

Welke consequenties vloeien voort uit het gegeven dat bij verbouw voortaan geen ontheffing van het nieuwbouwniveau meer is vereist maar er wel mogelijkheden voor gelijkwaardigheid zijn?

Mijns inziens zijn er niet of nauwelijks consequenties. Inhoudelijk bezien zal mogelijk minder vaak behoefte aan toepassing van een gelijkwaardige oplossing bestaan omdat een verbouwingreep in beginsel niet altijd meer aan het nieuwbouwniveau hoeft te voldoen en derhalve minder vaak behoefte zal bestaan om dat nieuwbouwniveau zo nodig door alternatieve oplossingen te realiseren. Procedureel bezien is geen ontheffing van het nieuwbouwniveau meer vereist maar kan nog steeds een omgevingsvergunning zijn vereist. Dit heeft voor de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel evenwel geen consequenties. Wanneer een omgevingsvergunningplichtige verbouwing na de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 met toepassing van een gelijkwaardige oplossing gepaard gaat, wordt de gelijkwaardigheid door het bevoegd gezag evenals nu in het kader van de vergunningprocedure beoordeeld. Wanneer het gaat om een omgevingsvergunningvrije verbouwing kan de gelijkwaardigheid door het bevoegd gezag evenals nu repressief worden beoordeeld en kan handhavend worden opgetreden indien zich strijd met het Bouwbesluit 2012 blijkt voor te doen. Dit betekent overigens ook dat het bij een omgevingsvergunningvrije verbouwing waar toepassing van een gelijkwaardige oplossing wordt overwogen, evenals nu raadzaam kan zijn om vooraf te informeren of het bevoegd gezag de gelijkwaardigheid van de voorgestane oplossing aanvaardt.

30

Wanneer een warmwaterleiding te dicht bij een koudwaterleiding ligt, kunnen gezondheidsproblemen ontstaan. Is dit met de voorliggende voorschriften voldoende geregeld?

Ja. De betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2012 verwijzen naar NEN 1 006 waarin staat dat de temperatuur van leidingwater niet onbedoeld mag opwarmen tot meer dan 25° Celsius. In de toelichting op die voorschriften wordt verwezen naar de desbetreffende ISSO/SBR-publicatie die hiervoor praktische oplossingen geeft.

31

Kunt u nader toelichten waarom de voorschriften over de verplichte aanwezigheid van buitenbergingen en balkons weer worden opgenomen?

Hiertoe is besloten naar aanleiding van het onderzoek «Buitenruimten en -bergingen bij nieuwbouwwoningen», uitgevoerd in 2008, waarin geconcludeerd werd dat er relatief veel nieuwbouwwoningen in de afgelopen jaren zijn gerealiseerd zonder een buitenruimte of -berging. De Kamer is hier destijds bij brief van 18 augustus 2008, Kamerstuk 28 325, nr. 84, over geïnformeerd.

3. Veegbesluit

Tegelijk met het Bouwbesluit 2012 zal een zogenoemd veegbesluit in werking treden waarmee het Bouwbesluit 2012 wordt gewijzigd. Door niet het concept-Bouwbesluit 2012 te wijzigen maar met een veegbesluit te werken, kan het Bouwbesluit 2012 volgens de planning in augustus in het Staatsblad worden gepubliceerd zodat iedereen daar vanaf dat moment kennis van kan nemen.

Naast een aantal kleinere aanpassingen van het Bouwbesluit 2012 bevat het concept-veegbesluit vooralsnog:

  • mede naar aanleiding van wensen van de Kamer, wijzigingen die voortvloeien uit het overleg met de zorgsector over de brandveiligheidsvoorschriften die op gebouwen met een gezondheidszorgfunctie en bij woon/zorg-projecten van toepassing zullen zijn;

  • wijzigingen die voortvloeien uit de recente inwerkingtreding van de Europese verordening bouwproducten;

  • wijzigingen die voortvloeien uit de reactie van de sloopbranche op de voorschriften van het concept-Bouwbesluit 2012 over slopen, en

  • wijzigingen die voortvloeien uit de reactie van de horecasector op de voorschriften van het concept-Bouwbesluit 2012 over de voor hotels verplichte doormelding van een brandmeldinstallatie naar de regionale alarmcentrale van de brandweer.

Zoals uit de antwoorden op de voorgaande vragen van de Kamer blijkt, konden ook enkele opmerkingen van de leden van de Kamer worden meegenomen in het concept-Bouwbesluit 2012 die is voorgelegd aan de Raad van State, namelijk over de hoeveelheid lux, over het toepassen van kwaliteitsverklaringen en keurmerken door private opdrachtgevers, over de opwarming van gebouwen in zomermaanden en over de ventilatiecapaciteit.

Het concept-veegbesluit zal in het kader van een voorhangprocedure naar verwachting begin september 2011 aan de Eerste en de Tweede Kamer worden voorgelegd.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner