Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132757 nr. 2

32 757 Bouwbesluit 2012

Nr. 2 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 10 juni 2011

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van 29 april 2011 inzake het Bouwbesluit 2012 (Kamerstuk 32 757, nr. 1).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2011. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Dijksma

De griffier van de commissie,

Van der Leeden

1

Op welke punten c.q. onderdelen gaat het ontwerpbesluit houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot het bouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken (Bouwbesluit 2012) (hierna: Bouwbesluit) inhoudelijk verder dan de Europese richtlijnen waarop het is gebaseerd? In hoeverre is er sprake van een kop op de regelgeving uit Brussel? Wilt u daarbij in ieder geval betrekken de tunnelveiligheid, de energieprestatie van gebouwen en de voor de bouw bestemde producten?

Het Bouwbesluit bevat voorschriften over de veiligheid van bouwwerken die op alle bouwwerken, dus ook tunnels, van toepassing zijn. De Europese regelgeving biedt lidstaten ruimte voor zulke voorschriften (subsidiariteitsbeginsel). Niet al deze voorschriften zijn terug te voeren op de tunnelrichtlijn. Een voorbeeld daarvan is een aantal voorschriften over constructieve veiligheid. Strikt genomen kan dit worden beschouwd als een nationale kop op de tunnelrichtlijn. Het is evenwel ongewenst wanneer in het Bouwbesluit op een zo belangrijk aspect als constructieve veiligheid een uitzondering voor tunnels zou worden gemaakt. In dat geval zouden namelijk op tunnels essentiële voorschriften over constructieve veiligheid niet van toepassing zijn. Over de regelgeving over tunnelveiligheid en de implementatie van de betreffende Europese richtlijn is overigens onlangs een evaluatieonderzoek uitgevoerd waarover Uw kamer door de minister van Infrastructuur en Milieu bij brief van 15 maart 2011 is geïnformeerd (Kamerstukken II 2001–2011, 29 296, nr. 20). Deze brief is besproken in het algemeen overleg Tunnelveiligheid van 24 mei jongstleden.

De Europese richtlijn inzake de energieprestatie van gebouwen is deels geïmplementeerd in het Bouwbesluit (zie afdeling 5.1 van het voorliggende ontwerpbesluit) en deels in een afzonderlijke algemene maatregel van bestuur, het Besluit energieprestatie gebouwen. Er is hier geen sprake van een nationale kop op de Europese regelgeving.

De richtlijn bouwproducten was al verwerkt in het huidige Bouwbesluit 2003. In het voorliggende Bouwbesluit 2012 zijn inhoudelijk geen wijzigingen ten opzichte van het huidige Bouwbesluit 2003 opgenomen, met uitzondering van artikel 1.6 waarin explicieter is aangegeven dat de CE-markering verplicht is voor bouwproducten die onder een geharmoniseerde norm vallen. Deze wijziging is gedaan op verzoek van zowel het eerstelijnstoezicht als ook de bouwpartijen zelf, met het oog op de komende Europese Verordening voor bouwproducten waarin deze verplichting ook is opgenomen. Ook hier is geen sprake van een nationale kop op de Europese regelgeving.

2

In hoeverre is het met het voorliggende Bouwbesluit gemeenten nog toegestaan gemeentelijke bouwverordeningen op te stellen? Of worden met het nieuwe Bouwbesluit alle gemeentelijke bouwverordeningen ingetrokken? Zo nee, waarom niet? Hoe wordt voorkomen dat gemeenten in de bouwverordening een gemeentelijke kop zetten bovenop de voorschriften uit het Bouwbesluit? Hoe wordt een en ander gecontroleerd?

Vooralsnog blijven gemeenten wettelijk verplicht om een bouwverordening te hebben. Artikel 8 van de Woningwet geeft geclausuleerd aan welke onderwerpen in een bouwverordening geregeld moeten en mogen worden. Door een gelijk met het nieuwe Bouwbesluit in werking tredende wijziging van de Woningwet (Stb. 2009, 324) wordt dat aantal onderwerpen gehalveerd en resteren in de bouwverordeningen slechts voorschriften over drie onderwerpen (stedenbouwkundige voorschriften; voorschriften inzake tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem; procedurele welstandsvoorschriften). Doordat de Woningwet precies aangeeft welke onderwerpen in een bouwverordening geregeld moeten en mogen worden, biedt het wettelijk kader gemeenten geen mogelijkheid om in de bouwverordening een gemeentelijke kop op de voorschriften van het Bouwbesluit te zetten. De VROM-inspectie ziet toe op de naleving daarvan. Bovendien zou een eventuele gemeentelijke kop onverbindend zijn, zodat die in voorkomend geval door de rechter buiten toepassing zou worden gelaten. Nog dit jaar zal een wetswijziging in procedure komen die tot het geheel vervallen van de figuur `bouwverordening` leidt. Dit voornemen heeft de instemming van de VNG.

3

Zijn er nog andere adviezen van de Commissie Dekker betrokken bij het voorliggende Bouwbesluit dan het advies, dat een bouwplan dat op de voorgeschreven gecertificeerde private wijze tot stand is gekomen, niet nogmaals door het bevoegd gezag hoeft te worden getoetst? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?

Het rapport van de Commissie Dekker bevat de volgende aanbevelingen:

  • 1. Privaat wat kan, publiek wat moet;

  • 2. Laat gemeenten niet meer toetsen aan gemeentelijke voorschriften;

  • 3. Geen lokale «kop» op landelijke regelgeving; werk aan eenduidigheid;

  • 4. Garandeer de uitvoerbaarheid van regelgeving;

  • 5. Bevorder vereenvoudiging van bestemmingsplannen;

  • 6. Creëer experimenteerruimte voor gebiedsconcessies;

  • 7. Stimuleer professionalisering van alle betrokkenen.

Het algemene gedachtegoed van de Commissie Dekker, zoals neergelegd in aanbeveling 1, geldt onder meer als uitgangspunt voor deregulering en wordt verder uitgewerkt in de fundamentele bezinning op de bouwregelgeving die ik al eerder heb aangekondigd en waarover ik u in het najaar zal informeren. Aanbeveling 2 wordt op dit moment uitgewerkt door onder andere de gecertificeerde Bouwbesluittoets, maar ook andere mogelijke private instrumenten voor kwaliteitsborging, een wettelijke basis te geven. Aanbeveling 3 is een principe dat ook onder het huidige Bouwbesluit geldt: gemeenten mogen geen lokale kop zetten op de uniforme voorschriften in het Bouwbesluit (zie ook het antwoord op vraag 2).

Aan aanbeveling 4 is onder meer invulling gegeven door lering te trekken uit praktijkervaringen met de toepassing van de huidige voorschriften, door het uitvoeren van een praktijktoets en een handhaafbaarheid- en uitvoerbaarheidtoets en door het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB) vanaf het begin nauw bij de ontwikkeling van het voorliggende ontwerpbesluit te betrekken. Het OPB is een onafhankelijk orgaan dat advies uitbrengt over voorgenomen wijzigingen van de bouwregelgeving. In het OPB zijn vertegenwoordigd: Aedes, Bouwend Nederland, BNA, Federatie Welstand, VACpunt Wonen, MKB Nederland, Nederlands Verbond Toelevering Bouw (NVTB), NLingenieurs (voorheen ONRI), UNETO-VNI, FME-CWM, Woonbond, Vereniging Eigen Huis, de Chronisch zieken en gehandicaptenraad Nederland (CG-Raad), Vereniging Spierziekten Nederland (VSN), VEWIN, VNO-NCW, VNG, Neprom, Vereniging Bouw- en woningtoezicht Nederland (mede namens Vereniging Stadswerk Nederland), Netbeheer Nederland, FOSAG en de brandweer (NVBR). Aan de vergaderingen van de juridisch-technische commissie die de OPB-vergaderingen voorbereidt, wordt deelgenomen door vertegenwoordigers van de lid-organisaties van het OPB en vertegenwoordigers van de Stichting Bouwkwaliteit, TNO Bouw en Ondergrond, NEN, Koninklijke Metaalunie, BAC, Energie Koepel, Nederlandse Vereniging van Bouwkostendeskundigen (NVBK), ISSO kennisinstituut voor de installatiesector, Stichting Kwaliteitsborging Installatiesector KBI, ROZ, Unie van Waterschappen en EnergieNed. Daarnaast heeft OPB/JTC een aantal agendaleden.

4

Waarom is er niet voor gekozen om het Bouwbesluit om te zetten in een richtlijn, met uitzondering van een minimum aantal eisen op het gebied van veiligheid en gezondheid? Waarom is het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) hierover nog niet om een advies gevraagd? Bent u bereid om het EIB alsnog om advies op dit punt te vragen? Zo nee, waarom niet?

Het kabinet bezint zich momenteel fundamenteel op de gewenste verdere ontwikkeling van de bouwregelgeving, waarbij ook de optie «Bouwbesluit als richtlijn» wordt bezien. In dat kader is het EIB onlangs om advies gevraagd. In het najaar zal ik u over mijn visie hierop informeren.

5

Wat vindt u van de inschatting van het Expertisecentrum Regelgeving Bouw (ERB) dat invoering van het voorliggende Bouwbesluit € 5 miljard zal kosten?

Deze inschatting kan ik niet beoordelen omdat het Expertisecentrum Regelgeving Bouw (ERB) tot nu toe deze inschatting niet onderbouwt. Veel partijen hebben wel een onderbouwde reactie op het ontwerp-Bouwbesluit gegeven en zijn niet tot deze inschatting gekomen.

6

Wat zijn de negatieve financiële effecten van het voorliggende Bouwbesluit?

Afhankelijk van de complexiteit en het type bouwwerk leidt het voorliggende Bouwbesluit 2012 in zeer beperkte mate tot zowel toenamen als afnamen in nalevingkosten. Bureau Documentatie Bouwwezen publiceert daarover: projectspecifieke omstandigheden zorgen voor 0,1 tot 0,3% aan bouw- en investeringskostenstijging voor nieuwbouw van woningbouw en – 0,7 tot 0,1% aan bouw- en investeringskostenstijging of -daling voor nieuwbouw van utiliteitsbouw. Daar staan tegenover de exploitatievoordelen van bijvoorbeeld betere isolatie. Voor verbouwingen zal vooral het nieuw vastgestelde kwaliteitsniveau voor verbouwingen zorgen voor kostenverlagende effecten, omdat de huidige bevoegdheid van gemeenten om bij verbouw een ontheffing van het nieuwbouwniveau te geven vervangen wordt door een landelijk uniform verbouwniveau dat lager is dan het nieuwbouwniveau.

7

Leidt het voorliggende Bouwbesluit niet tot aantasting van bouw met een rechtens verkregen niveau?

Nee. Zie ook mijn antwoord op vraag 13.

8

Kan er een Maatschappelijke Kosten-batenanalyse (MKBA) van het voorliggende Bouwbesluit worden gemaakt?

In technische zin is het mogelijk om van het voorliggende Bouwbesluit 2012 een maatschappelijke kosten-batenanalyse te maken. In het kader van het opstellen van het ontwerp zijn echter al ongeveer 30 externe onderzoeken uitgevoerd, waaronder een praktijktoets en lasten- en effectentoetsen. De meerwaarde van een maatschappelijke kosten-batenanalyse acht ik in dit geval dan ook beperkt.

9

Hoe beoordeelt u de stelling van het Expertisecentrum Regelgeving Bouw (ERB) dat het voorliggende Bouwbesluit niet voldoet aan de eisen van zorgvuldige en kwalitatief hoogwaardige regelgeving?

Deze stelling is ten aanzien van zowel het totstandkomingproces als de inhoudelijke kwaliteit van het product onjuist. Het opstellen van het voorliggende ontwerpbesluit is in nauw overleg met de buitenwereld geschied (zie ook het antwoord op vraag 3), er hebben meerdere inspraakrondes (waaronder een internetconsultatie) plaatsgevonden waarin ongeveer 60 reacties zijn ontvangen en er zijn ongeveer 30 externe onderzoeken uitgevoerd. Bij het opstellen van het ontwerpbesluit zijn de Aanwijzingen voor de regelgeving in acht genomen, is door het ministerie van Veiligheid en Justitie een wetgevingstoets uitgevoerd, zijn een handhaafbaarheids- en uitvoerbaarheidtoets en lasten- en effectentoetsen uitgevoerd en zijn de bevindingen uit die toetsen waar nodig in het ontwerp verwerkt.

10

Hoe beoordeelt u de stelling dat door het voorliggende Bouwbesluit naar schatting € 4 miljard tot € 5 miljard aan extra investeringen nodig zijn, zonder dat er sprake zou zijn van werkelijke verbeteringen op het punt van bijvoorbeeld veiligheid of gezondheid?

Zie mijn antwoord op de vragen 5, 6 en 11.

11

Klopt de conclusie uit het rapport van TNO Centrum Zorg en Bouw van 11 mei 2011 dat de zorgsector zo’n € 1 miljard aan investeringen kwijt zal zijn als gevolg van het voorliggende Bouwbesluit? Wat zijn naar uw inschatting als gevolg van het voorliggende Bouwbesluit de kostengevolgen voor de zorgsector?

In hoeverre zijn de kostengevolgen van het voorliggende Bouwbesluit opgenomen in het Budgettair Kader Zorg?

Over de conclusie uit bedoeld TNO-rapport heeft op 31 mei en 8 juni 2011 overleg plaatsgevonden tussen de zorgsector, het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). In deze overleggen is vastgesteld welke artikelen in het voorgestelde ontwerp Bouwbesluit zouden leiden tot deze kostengevolgen. Van de zijde van het ministerie van BZK is aangegeven dat het niet de bedoeling is dat er sprake kan zijn van deze kosteneffecten voor de zorgsector. Alleen bij nieuwbouw kan in een enkel geval bewust gekozen zijn voor een hoger brandveiligheidniveau.

Afgesproken is dat in de komende weken wordt gewerkt aan een aanpassing van de teksten van benoemde artikelen, zodat deze niet meer leiden tot deze kostengevolgen. Hierover dient overeenstemming te bestaan tussen alle bij het overleg betrokken partijen. Bij de artikelen waar bewust is gekozen voor een hoger veiligheidsniveau zal dit duidelijk worden aangegeven.

Het Budgettair Kader Zorg houdt geen rekening met eventuele kostengevolgen.

12

Hoe beoordeelt u de stelling dat ondanks een afname in het aantal regels het Bouwbesluit juist ingewikkelder is geworden?

Deze stelling is onjuist. Het voorliggende ontwerpbesluit is het product van uniformering, integratie, afstemming en vereenvoudiging van voorschriften die nu in meerdere algemene maatregelen van bestuur en 418 gemeentelijke bouwverordeningen zijn opgenomen. Dit leidt tot meer samenhang binnen de bouwregelgeving en een betere toegankelijkheid en leesbaarheid van de voorschriften doordat begrippen en begripsomschrijvingen meer op elkaar zijn afgestemd, meer eenheid in de systematiek en de opbouw van de voorschriften is aangebracht en onduidelijkheden in bestaande voorschriften zoveel mogelijk zijn weggenomen.

13

Op welke wijze zijn de verscherpte regels voor bestaande bouw in tegenspraak met het principe van het rechtens verkregen niveau?

Het voorliggende ontwerpbesluit is niet gericht op aanscherping van regels voor bestaande bouw. Voor zover in een concreet geval toch van een aanscherping sprake mocht zijn, vloeit die voort uit de uniformering, integratie, afstemming en vereenvoudiging van voorschriften in dit besluit. Zo is het mogelijk dat het toepassen van de geüniformeerde voorschriften over de minimaal vereiste opvang- en doorstroomcapaciteit van vluchtroutes in een bestaand geval soms kan leiden tot strengere eisen dan tot nu toe werden gehanteerd. Met het oog daarop zijn in het overgangsrecht van hoofdstuk 9 voorzieningen opgenomen die inhouden dat in zo´n geval de huidige voorschriften van toepassing blijven. Verworven rechten worden aldus gerespecteerd.

14

Hoe beoordeelt u de stelling dat het ontbreken van bepalingen over watervoorzieningen nadelige gevolgen kan hebben voor de drinkwaterkwaliteit?

Deze stelling is onjuist. Zie afdeling 6.3 van het voorliggende ontwerpbesluit waarin voorschriften zijn opgenomen die inhouden dat een voorziening voor drinkwater of warmwater in een nieuw of bestaand bouwwerk de gezondheid niet nadelig mag beïnvloeden.

15

Welke maatregelen worden genomen om de handhaving van het Bouwbesluit te verbeteren, zodat met name beter wordt toegezien op toegankelijkheidseisen?

Situaties die handhaving vereisen, dienen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Op rijksniveau kan daaraan worden bijgedragen door zo duidelijk mogelijke voorschriften te geven en bijvoorbeeld informatiemateriaal over die voorschriften beschikbaar te stellen. Eventueel handhavend optreden komt aan de orde wanneer het bevoegd gezag met het bestaan van een overtreding bekend is. In dat verband zie ik mede een signalerende rol weggelegd voor lokale organisaties die de belangen van mensen met een functionele beperking behartigen en voor gebruikers van bouwwerken.

16

Op welke wijze is de procedure verlopen met betrekking tot het verkrijgen van inzichten van de verschillende actoren? Zijn deze op een constructieve wijze meegenomen in de afweging door het ministerie en door het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB)?

Bij het opstellen van het ontwerpbesluit is als uitgangspunt gehanteerd dat iedereen die kan bijdragen aan een kwalitatief goed Bouwbesluit welkom is. Voor zover die inbreng concreet genoeg was, zijn deze inzichten betrokken bij het opstellen van het ontwerpbesluit. Wat de afweging door het OPB betreft bepaalt elk OPB-lid zijn eigen standpunt en constateer ik dat dit in april 2010 heeft geleid tot een nagenoeg geheel unaniem OPB-advies over het destijds voorliggende concept-besluit. Dit advies is nagenoeg geheel overgenomen. Zie verder het antwoord op vraag 18 alsmede onderdeel 12.2 (Overleg en inspraak) van het algemeen deel van de nota van toelichting.

17

Hebben alle leden van het OPB gebruik gemaakt van de mogelijkheid om deel te nemen aan de verschillende afwegingsmomenten? Zijn de verschillende inbrengen op een open en transparante wijze besproken in het overlegplatform? Hebben leden nog nieuwe zienswijzen ingebracht na het verschijnen van het voorliggende Bouwbesluit? Of zijn deze zienswijzen wel besproken tussen de verschillende deskundigen, maar gezien de doelstelling en uitgangspunten niet meegenomen in het voorliggende Bouwbesluit? Kunt u bijvoorbeeld ingaan op de reactie van het Nederlands Verbond Toelevering Bouw (NVTB) (zijnde een deelnemer van het platform)? Mag de Kamer er van uitgaan dat deze opmerkingen op een integrale wijze zijn meegenomen in de besluitvorming?

De OPB-leden hebben op verschillende momenten en verschillende wijzen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om aan de afwegingsmomenten deel te nemen. Na het verschijnen van het voorliggende ontwerpbesluit hebben enkele OPB-leden op dat ontwerp gereageerd, bijvoorbeeld door een brief aan uw Kamer of standpuntbepalingen in de media. Eventueel daarin vervatte nieuwe zienswijzen zijn uiteraard niet in het voorliggende ontwerpbesluit meegenomen. Indien deze nieuwe zienswijzen aanleiding geven tot aanpassing van voorschriften, zullen deze zo mogelijk reeds verwerkt worden in het Bouwbesluit zoals dat naar verwachting op 1 januari 2012 in werking treedt dan wel worden betrokken bij een daarop volgende wijzigingsronde van dat besluit.

Voor een reactie op de meest recente inbreng van het NVTB verwijs ik naar het antwoord op vraag 101.

18

In de media wordt in algemene zin door meerdere belangenorganisaties en «deskundigen» aangegeven dat het voorliggende Bouwbesluit leidt tot een kostenverhoging voor de bouw, met name voor de bouw van zorgcomplexen. Worden deze beweringen gedeeld door de leden van het OPB? Is er een mogelijkheid om specifieke punten alsnog af te wegen en mee te nemen in het definitieve Bouwbesluit? Welke uitgangspunten waren leidend bij de afweging? Is er bijvoorbeeld hierbij meer gekeken naar kostenreductie, regeldrukreductie of het verhogen van de veiligheid voor de gebruikers? Kunt u hierbij ingaan op de zorgen bij de Brancheorganisatie Zorg, welke zich richten op de kostengevolgen (volgens TNO centrum Zorg en Bouw), de samenhang tussen vluchtroutes en subcompartimentering en de bestaande bouw? Kunt u deze zorgen wegnemen?

Verschillende leden van het OPB hebben inmiddels per brief hun standpunten kenbaar gemaakt. Met de betrokkenen in de gezondheidszorg vindt overleg plaats over de vermeende kostengevolgen met de bedoeling hun zorgen weg te nemen (zie ook het antwoord op vraag 11).

19

Op welke wijze is voorzien in een evaluatiemoment en een procedure tot herziening van specifieke regels, indien na de invoering mocht blijken dat er in de bouwpraktijk sprake is van (redactionele) fouten of omissies? Op welke wijze werd hierin voorzien bij de voorgaande herzieningen van het Bouwbesluit (bijvoorbeeld bij die van 2003)?

Het nieuwe Bouwbesluit zal drie jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Met het doorvoeren van eventuele al eerder wenselijk geachte aanpassingen zal niet worden gewacht tot de uitkomsten van die evaluatie bekend zijn. Deze aanpassingen zullen direct worden doorgevoerd. De daarbij te volgen procedure zal niet anders zijn dan bij andere wijzigingen van de bouwregelgeving, hetgeen onder meer betekent dat het OPB eerst advies uitbrengt over het voornemen tot aanpassing en vervolgens over de daarmee samenhangende conceptvoorschriften.

20

Op welke wijze is Vewin betrokken geweest bij het opstellen van het voorliggende Bouwbesluit? Zijn de voorstellen van Vewin met betrekking tot hotspots en legionella-gevaar meegenomen binnen het OPB en zijn deze meegenomen bij de totstandkoming van het concept?

De voorstellen van de Vewin zijn vanaf het begin betrokken bij het opstellen van het voorliggende ontwerpbesluit. Vewin zou graag zien dat in het Bouwbesluit wordt verwezen naar een ISSO/SBR-publicatie over de wijze de waarop de bouwpraktijk «Hotspotvrij» kan ontwerpen, bouwen en installeren. In het Bouwbesluit worden echter zo weinig mogelijk middelvoorschriften opgenomen. In de artikelen 6.12 en 6.13 van het voorliggende ontwerpbesluit is via verwijzing naar NEN 1 006 geborgd dat leidingwater niet onbedoeld kan opwarmen tot boven 25 °C. Om dat te realiseren kan de bouwpraktijk gebruik maken van de betreffende ISSO/SBR-publicatie. Ik zal dit aan de toelichting op de betreffende artikelen toevoegen. Zie verder ook mijn antwoord op vraag 32.

21

Om nieuwe technieken toe te passen is er een mogelijkheid om door gelijkwaardigheidsverklaringen en/of kwaliteitsverklaringen alternatieve producten of concepten toe te passen. Is deze genoemde mogelijkheid een reële mogelijkheid voor kleine branches, gezien de kosten en procedures die daar mee samenhangen? Op welke wijze kunnen deze branches, gezien de hoge kosten, bijdragen aan innovatieve methoden die gelijkwaardig zijn en als zodanig worden erkend?

Vanuit de regelgeving geredeneerd is er geen sprake van belemmering van kleinere marktpartijen die willen innoveren. Het stelsel van de bouwregelgeving met zijn prestatie-eisen op gebouwniveau is ingericht om innovaties in de bouw niet te belemmeren. De voorschriften gaan niet over bouwproducten, –processen of –concepten, maar over de kwaliteit die het gebouw in zijn uiteindelijke vorm minimaal moet hebben. Het staat bouwende partijen daarbij vrij om al dan niet innovatieve producten of concepten toe te passen om het gebouw te realiseren. Wanneer een producent een innovatief product wil toepassen, wordt dat in de bouwvergunningprocedure beoordeeld door het bevoegd gezag. Daarvoor moet aannemelijk worden gemaakt dat dit product in zijn toepassing in het gebouw zal leiden tot het voldoen aan de bouwvoorschriften. Voor een product dat onder certificatie op de markt is gebracht, kan dat gebeuren met een zogenoemde erkende kwaliteitsverklaring. Innovatieve producten kunnen derhalve in het stelsel van erkende kwaliteitsverklaringen (dat overigens door de markt wordt gedragen) worden gebracht maar de procedures om tot een certificaat te komen zijn langdurig en kostbaar.

Daarnaast staat de weg van gelijkwaardigheid open. Deze figuur is in de regelgeving geïntroduceerd als sluitstuk om die regelgeving niet belemmerend te laten werken voor innovaties. Het is immers denkbaar dat een product zo innovatief is dat het niet meer past in de prestatieformuleringen van de regelgeving. De wijze waarop dat geschiedt, staat de vergunningaanvrager in beginsel vrij. Dit kan hij bijvoorbeeld doen door een onafhankelijk onderzoeksinstituut te laten verklaren dat dit zo is. Overigens kan in een voorkomend geval een geschil met het bevoegd gezag over de gelijkwaardigheid van een technische oplossing voor gratis advies worden voorgelegd aan de Adviescommissie Praktijktoepassing Brandveiligheidsvoorschriften, waarvan de taakopdracht bij de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 tot alle technische voorschriften van het Bouwbesluit wordt verbreed.

22

Op welke wijze is rekening gehouden met de bouw van meer studentenwoningen? Zijn de voorziene wijzigingen voldoende om deze vorm van woonvorm te bevorderen? Is het aanpassen van de minimale oppervlakte bijvoorbeeld voldoende? Op welke wijze zijn de aanbevelingen van KENCES verder betrokken bij de uitwerking van het voorliggende Bouwbesluit?

Evenals het huidige Bouwbesluit 2003 maakt het voorliggende ontwerpbesluit geen onderscheid tussen studentenwoningen en andere woningen. De wijzigingen ten aanzien van het verbouwen van gebouwen (bijvoorbeeld de verbouw van leegstaande kantoorgebouwen tot woonruimte) en het verlagen van de minimumoppervlakte van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte in een te bouwen woning van 24 m2 naar 18 m2 vormen naar verwachting ook een stimulans voor de bouw van woonruimte van studenten.

Kences is betrokken geweest bij de wijzigingen die zijn doorgevoerd in de definitie van kamergewijze verhuur en de vereenvoudiging van de bijbehorende voorschriften met betrekking tot brandveiligheid.

23

Kan worden toegelicht waarom de grootste belanghebbenden bij goede bouwregelgeving – de eigenaren, gebruikers en opdrachtgevers – slechts een zeer beperkte rol gehad hebben in het voortraject van de herziening van het Bouwbesluit?

De rol van eigenaren, gebruikers en opdrachtgevers is niet anders geweest dan de rol van andere partijen. Inbreng is onder meer geleverd door VNO-NCW, MKB Nederland, Koninklijke Horeca Nederland, RECRON, VNZ, ActiZ, Aedes, NEPROM, Bouwend Nederland, Vereniging Eigen Huis, de Woonbond en VACpunt Wonen. De visie dat eigenaren, gebruikers en opdrachtgevers slechts een zeer beperkte rol in het voortraject hebben gehad, herken ik dan ook niet.

24

Kan worden toegelicht wat de ratio is van het schrappen van 25% van de regels van het Bouwbesluit als doel-op-zich? Zou het uitgangspunt van de herziening niet moeten zijn het verbeteren van de geleverde kwaliteit in de bouwsector, in combinatie met het zoveel mogelijk beperken van de administratieve lasten, zowel in de publieke als de private sector?

Het schrappen van 25% van de voorschriften is niet als doel-op-zich gehanteerd. De vermindering van het aantal voorschriften is de uitkomst van de beoogde uniformering, integratie, afstemming en vereenvoudiging van voorschriften.

25

Wat is uw reactie op de volgende kritiek van NVTB: «In het algemeen zijn de voorschriften bij verbouw niet consistent of niet duidelijker geworden. Het moet in de teksten van het Bouwbesluit duidelijk zijn in welke gevallen moet worden voldaan aan nieuwbouweisen in het geval van verbouw of vernieuwing. Tot welk niveau gelden de eisen bestaande bouw en vanaf waar de nieuwbouweisen?»

Ik deel de opvatting van de NVTB op dit punt niet. De systematiek van de voorschriften voor verbouwen is eenduidig en eenvoudig. Op grond van artikel 1.12 van het voorliggende ontwerpbesluit moeten bij verbouw de nieuwbouwvoorschriften worden toegepast tenzij in de betreffende afdeling van het besluit anders is aangegeven. Wanneer in een afdeling geen verbouwvoorschrift is opgenomen, is het nieuwbouwniveau dus van toepassing en wanneer in een afdeling wel een verbouwvoorschrift is opgenomen, is daarin een specifiek verbouwniveau aangegeven dat op de verbouw van toepassing is. Daardoor is vooraf voor iedereen duidelijk aan welk verbouwniveau voldaan moet worden. Dat is een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie waarin het verbouwniveau bepaald wordt in een ontheffingsprocedure met een ongewisse uitkomst, die per verbouwproject kan verschillen.

26

Bent u naar aanleiding van de stroom van kritiek/twijfels over de kwaliteit van het voorliggende Bouwbesluit tot de conclusie gekomen dat het toch verstandig is om ook het nieuwe concept te onderwerpen aan een praktijktoets?

Nee. Zie ook mijn antwoord op vraag 5.

27

Wat zijn de effecten van het nieuwe toetsingskader op de bouwkosten voor nieuwbouw en verbouwingskosten voor bestaande gebouwen?

Zie mijn antwoord op vraag 6 en 11.

28

Kan worden ingegaan op de drie voorbeelden uit de presentatie van het Expertisecentrum Regelgeving Bouw van 19 mei 2011 (ziekenhuis, verpleeghuis, kantoor), met inbegrip van de conclusies over draconische kosteneffecten?

Het Expertisecentrum Regelgeving Bouw heeft niet kunnen voldoen aan mijn verzoek om deze voorbeelden ter beschikking te stellen. Daarom kan ik niet op deze drie voorbeelden ingaan.

29

Kan gemotiveerd worden waarom afdeling Geluidwering binnen woningen (afd.3.3 huidige Bouwbesluit) geschrapt wordt? Waarom wordt de wijziging van het Bouwbesluit op dit punt niet beperkt tot het schrappen van de isolatie-eis alleen voor deze situatie?

Het schrappen van de eisen voor geluidwering binnen de woning komt tegemoet aan de wens tot het beperken van de regeldruk. Het beperken van deze eisen tot een enkele situatie doet hieraan geen recht. In de praktijk betekenen deze eisen een behoorlijke belemmering voor de mogelijkheden tot vrije indeelbaarheid van te bouwen woningen en staan zij in de weg bij voor de praktijk gangbare oplossingen, zoals een loftwoning (= woningtype waarin niet elke verblijfsruimte is omsloten door binnenwanden) of een woning met een niet afgesloten tussenvloer.

30

Waarom zijn de eisen voor trappen binnen woningen verlaagd? Impliceert dit dat het voor bewoners lastiger wordt om huisraad van/naar verdiepingen te brengen? Wat is er effect van deze wijziging op de brandveiligheid?

Met uitzondering van de eis aan de optrede van de trap zijn de eisen voor trappen binnen woningen niet verlaagd. Op grond van het voorliggende ontwerpbesluit mag de trapoptrede 3 millimeter hoger zijn. Deze aanpassing is aangebracht op verzoek van de bouwsector. Aanleiding daarvoor is dat met deze zeer geringe verlaging van eisen op een trap van 3 m hoogte een traptrede bespaard kan worden, hetgeen tot lagere bouwkosten leidt. Dit heeft geen relevant effect op de brandveiligheid of het binnen de woning kunnen verplaatsen van huisraad.

31

In het voorliggende Bouwbesluit is de verplichting tot aanleg van elektriciteit-, gas- en watervoorzieningen vervallen en wordt alleen bepaald dat dergelijke voorzieningen, indien aanwezig, veilig en gezond moeten zijn. Zet het vervallen van de verplichting niet de deur open voor een grote toename van ondeskundig aangelegde binneninstallaties, waarop het zicht ontbreekt tot zich in de toekomst calamiteiten gaan voordoen?

De genoemde voorzieningen moeten altijd voldoen aan de bouw- of gebruikstechnische eisen die het Bouwbesluit 2012 daaraan stelt. Die eis geldt ongeacht of deze installatie vrijwillig of verplicht wordt aangelegd. Bovendien is voor het aanbrengen van zo´n voorziening een omgevingsvergunning voor het bouwen nodig, zodat het bevoegd gezag preventief toeziet of aan de betreffende voorschriften wordt voldaan.

32

Onderschrijft u het risico dat verkeerd ontworpen of verkeerd geïnstalleerde leidinginstallaties het risico op legionella kan ontstaan, bijvoorbeeld als leidingen te dicht bij elkaar zijn aangelegd? Waarom is er in het Bouwbesluit geen verbod opgenomen op «hotspots» tussen koud drinkwater- en warmteleidingen?

Een drinkwaterleiding die te dicht in de buurt van bijvoorbeeld een verwarmingsleiding of warmtapwaterleiding wordt geïnstalleerd kan een risico zijn voor het ontstaan van legionella. Hoewel niet met die benaming is wel een verbod op «hotspots» opgenomen in het Bouwbesluit. Met «hotspots» worden plaatsen bedoeld waar ongewenste opwarming van leidingwater kan optreden tot boven 25°C. Via verwijzing naar NEN 1006 is in het voorliggende ontwerpbesluit geregeld dat waterleidingen zodanig moeten zijn aangelegd dat het leidingwater niet onbedoeld wordt opgewarmd tot boven 25°C. Zie ook mijn antwoord op vraag 20.

33

Hoe verzekert het Bouwbesluit dat ventilatie-installaties voldoen aan de gestelde prestatie-eisen?

De ventilatie-eisen in het Bouwbesluit zijn capaciteitseisen. In de omgevingsvergunningprocedure moet de vergunningaanvrager aannemelijk maken dat aan die eisen wordt voldaan. Wanneer dat onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt, moet de vergunning worden geweigerd. Het Bouwbesluit schrijft niet voor met welke technische oplossing aan de capaciteitseisen moet worden voldaan. Of aan die eisen al dan niet door toepassing van een installatie wordt voldaan en zo ja, wat voor installatie is een private aangelegenheid tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Tijdens de bouw wordt door het bevoegd gezag erop toegezien dat het bouwplan overeenkomstig de vergunning wordt uitgevoerd.

34

Waarom wordt geen opleverkeuring voor ventilatie-installaties voorgeschreven, nu in opdracht van het ministerie van VROM/BiZa uitgevoerd onderzoek gebleken is dat de kwaliteit van opgeleverde installaties massaal onder de maat is?

Wanneer in een bouwplan voor een installatie is gekozen om aan de ventilatie-eisen te voldoen, is het de eigen verantwoordelijkheid voor de opdrachtgever om al dan niet een opleverkeuring te laten plaatsvinden. Hij kan zo´n keuring op eigen initiatief laten uitvoeren of daarover bij de opdrachtverlening afspraken maken met de opdrachtnemer. Zie verder mijn antwoord op vraag 33.

35

Welke bijdrage levert het voorliggende Bouwbesluit aan de realisatie van de klimaatdoelen van het kabinet? Kan per wijziging c.q. maatregel een indicatie worden gegeven van de kwantitatieve bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen?

Het voorliggende ontwerpbesluit draagt door energiezuinigheidseisen bij aan de realisatie van de klimaatdoelen. Het bevat een aanscherping van de eis inzake het isoleren van muren, daken, ramen en dergelijke. Een kwantificering van de bijdrage daarvan aan de realisatie van de doelen is niet beschikbaar.

36

Waarom wordt geen eind gemaakt aan de onvolkomenheid dat een overall eis (EPC) kan leiden tot oplossingen die gunstig zijn uit het oogpunt van bouwkosten, maar negatief uitpakken voor de exploitatiekosten, waarvoor de toekomstige gebruiker van het gebouw de rekening gepresenteerd krijgt?

Het bepalen van de EPC gebeurt volgens een vooraf afgesproken methode die is afgesproken tussen overheid en bedrijfsleven. In deze methode worden, behalve de bouwkosten, ook de exploitatiekosten (energie, onderhoud en dergelijke) beschouwd. De EPC-eis wordt zodanig gekozen dat de meerkosten van de maatregelen zich binnen de levensduur van de maatregelen terugverdienen (door bijvoorbeeld lagere energiekosten en gewijzigde onderhoudskosten). Voorbeelden van oplossingen die gunstig zouden zijn uit oogpunt van bouwkosten maar negatief uitpakken voor de exploitatiekosten zijn mij niet bekend, mede omdat goedkope maatregelen zichzelf over het algemeen snel terugverdienen door lagere energielasten.

37

Kan een motivatie worden gegeven voor het opnemen van één uniforme milieu-rekenregel in het Bouwbesluit? Waarom is daar niet tevens een prestatie-eis aan gekoppeld?

Het opnemen van landelijk uniforme duurzaamheidsvoorschriften in het Bouwbesluit 2012 is geschied op verzoek van het NVTB en een groot aantal andere organisaties in de bouw. In die voorschriften is vooralsnog geen prestatie-eis opgenomen omdat die organisaties hebben gevraagd om met die voorschriften praktijkervaring op te doen zonder direct te worden afgerekend op grenswaarden.

38

Kunt u aangeven welke warmteprojecten en bijbehorende investeringsbeslissingen er al zijn genomen o.b.v. aansluitverplichting voor warmte uit de lokale bouwverordeningen?

De nu bekend zijnde warmteprojecten zijn ontwikkeld of zijn nog in ontwikkeling met behulp van een aansluitverplichting uit een lokale bouwverordening. Naar schatting gaat het om de warmtevoorziening voor circa 50 000 woningen.

39

Worden deze lokale bouwverordeningen, waarin sprake kan zijn van een aansluitingsplicht, «overruled» door het voorliggende Bouwbesluit? Ook waar het voorzieningen betreft t.b.v. collectieve warmtelevering?

Vanaf het moment van inwerkingtreding is uitsluitend de aansluitverplichting van het Bouwbesluit 2012 van toepassing. Het is dan niet meer mogelijk dat gemeenten een afwijkende regeling voor die aansluitverplichting in hun lokale bouwverordening opnemen.

40

Dient de zinsnede uit het Bouwbesluit «Uiteraard kan in voorkomende gevallen een beroep op gelijkwaardigheid worden gedaan om gebruik te maken van een andere warmtevoorziening», zo te worden gelezen dat hiermee uitzonderingen van collectieve warmteprojecten mogelijk worden? Wat zijn hiervan de gevolgen voor dergelijke warmteprojecten, in het bijzonder daar waar al investeringsbeslissingen zijn genomen? Dient hierbij de business case te worden heroverwogen? Wat zijn hierbij in het bijzonder de mogelijke gevolgen t.a.v. effectieve gebruik van energie, de CO2 uitstoot, de financiële risico's voor bedrijven en gemeenten en de energiekosten voor huishoudens?

De aanvrager van een omgevingsvergunning bepaalt waarvoor een vergunning wordt aangevraagd. Daarbij kan van gelijkwaardigheid gebruik worden gemaakt, wat kan leiden tot een alternatieve warmtevoorziening. Wanneer de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend met toekenning van gelijkwaardigheid, dan zal er in dat geval geen (collectief) warmteproject worden toegepast. Dat kan gevolgen hebben voor het betreffende warmteproject.

41

Hoe verhoudt het instrument uit het voorliggende Bouwbesluit t.a.v. warmtelevering zich in dat geval tot de nationale en Europese CO2-doelstellingen?

In het nieuwe Bouwbesluit is de bijdrage van warmtelevering onderdeel van de minimaal vereiste EPC, waarmee ook de CO2-uitstoot wordt beperkt. Wanneer een project geen gebruik maakt van warmtelevering zullen in het bouwplan alternatieve maatregelen moeten worden getroffen om de vereiste EPC te realiseren.

42

Bent u bereid de regels over de grens tussen gebouw en aansluitend terrein duidelijker te formuleren, zodat het aansluitend terrein dat deel van de openbare weg is waar vandaan alle bezoekers – en dus ook rolstoelgebruikers – het gebouw kunnen betreden en het toegankelijkheidsvoorschrift voor een gelijkvloerse gebouwentree met het aansluitende terrein niet kan worden omzeild door het straatpeil plaatselijk te verhogen en dit verhoogde peil vervolgens alleen met trap bereikbaar te maken?

Nee. In hun samenhang bezien zijn de betreffende toegankelijkheidsvoorschriften duidelijk. Op grond van afdeling 6.10 van het voorliggende ontwerpbesluit moet ten minste één route tussen de openbare weg en ten minste één toegang van een toegankelijkheidssector van een gebouw lopen over een weg of pad met een breedte van 1,1 m en – bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 0,02 m – een hellingbaan. Bij toepassing daarvan kan zich het in de vraag bedoelde probleem zich niet voordoen.

43

Bent u bereid de regel dat ten minste één toegang tot een gebouw toegankelijk moet zijn te vervangen door de regel dat «de hoofdtoegang» toegankelijk moet zijn, zodat gehandicapten niet moeten worden doorverwezen naar een achteruitgang?

Nee. Het moeten aanwijzen van een hoofdtoegang en het verbinden van specifieke eisen aan die toegang zou op gespannen voet staan met het beginsel van vrije indeelbaarheid dat aan de bouwvoorschriften ten grondslag ligt. Ook belemmert dit de ontwerpvrijheid.

44

Welke gebouwdelen moeten tot de toegankelijkheidssector worden gerekend en welke niet?

Dat kan de indiener van een aanvraag om omgevingsvergunning zelf bepalen, mits daarbij het voorgeschreven percentage verblijfsgebied van een gebruiksfunctie in een toegankelijkheidssector in acht wordt genomen. Ook elke integraal toegankelijke toilet- en badruimte moet in de toegankelijkheidssector liggen.

45

Klopt het dat met de huidige omschrijving bepaalde noodzakelijke voorzieningen niet bereikbaar hoeven te zijn, zoals een deel van de winkel, de praktijkruimte van de fysiotherapeut of de bedrijfskantine?

Ja. De voorschriften schrijven niet voor hoe een gebouw daadwerkelijk moet worden ingericht. Dit zou de ontwerp- en indelingsvrijheid teveel belemmeren. De voorschriften zijn erop gericht dat de voor een gebruiksfunctie kenmerkende publiekstoegankelijke ruimten binnen de toegankelijkheidssector worden gerealiseerd. Doet de gebouweigenaar of -gebruiker dat niet, dan gaat hij voorbij aan de maatschappelijke verplichting om te waarborgen dat mensen met een functiebeperking aan het maatschappelijk verkeer kunnen deelnemen. Dit zou kunnen uitmonden in discriminatie van personen met een functiebeperking. Dit is strafbaar op grond van het Wetboek van strafrecht en behoeft zodoende geen regeling in de bouwvoorschriften.

46

Waarom wordt niet gekozen voor 100% toegankelijkheid bij nieuwbouw? Hoe verhoudt de keuze voor 40% zich tot artikel 1 van de Grondwet?

Ik acht die keuze niet strijdig met het discriminatieverbod van de Grondwet. Het percentage van 40% is in het algemeen voldoende om te bereiken dat rolstoelgebruikers kunnen deelnemen aan de voor de betreffende gebruiksfunctie typerende activiteiten. Alleen waar dat nodig is, zoals bij de onderwijsfunctie, waar elke leerling, dus ook een rolstoelgebruiker, aan elke les in elk klaslokaal moet kunnen deelnemen, is dit 100%.

47

Deelt u de mening dat bij toegankelijkheid niet alleen de rechten van bezoekers gelden, maar ook die van werknemers? Waarom wordt er dan een onderscheid gemaakt tussen bezoekers en werknemers?

Ja, die mening deel ik. Het verschil in toegankelijkheidseisen tussen bezoekers, werknemers en andere gebruikers van een gebouw is daarom reeds met het Bouwbesluit 2003 weggenomen.

48

Wat is uw reactie op de notitie «Toegankelijkheid in het Bouwbesluit» (mei 2011) van de Chronisch Zieken en Gehandicapten Raad (CG-raad) en dan met name op de daarin gedane aanbevelingen om toegankelijker te bouwen en daartoe een aantal onduidelijkheden in het Bouwbesluit weg te nemen?

De CG-Raad heeft in een brief van 3 februari 2011 gevraagd om een aantal aanvullende voorschriften met betrekking tot toegankelijkheid in het Bouwbesluit. In mijn antwoord van 19 mei 2011 aan de CG-Raad, waarvan ik u een afschrift heb gestuurd, heb ik aangegeven dat er gezien het tijdstip van inbreng van deze voorstellen onvoldoende tijd was om de nalevingkosten en consequenties voor de lasten- en regeldruk in beeld te brengen en de wensen van de CG-Raad aan het OPB voor te leggen. Zeer recent heeft de CG-Raad de notitie «Toegankelijkheid in het Bouwbesluit, een pleidooi voor verbetering» uitgebracht waarin een fasering van de besluitvorming wordt voorgesteld: (1) verduidelijkingen, (2) handhaving en (3) uitbreiding regels. Indien verduidelijkingen nodig zijn in het Bouwbesluit, kunnen deze op korte termijn worden aangebracht. Met betrekking tot het aspect handhaving merk ik op dat het eerst en vooral gaat om een goede naleving van de bouwvoorschriften door de bouwpartijen. Dit vergt voortdurende aandacht en komt onder meer aan de orde bij de uitvoering van de adviezen van de Commissie Dekker, waarbij gestreefd wordt naar een betere private kwaliteitsborging in de sector door bijvoorbeeld certificering, zodat het minder aankomt op handhaving door het bevoegd gezag. De verantwoordelijkheid voor voldoende toegankelijk bouwen ligt primair bij de opdrachtgevers en eigenaren van gebouwen zelf. De voorschriften in het Bouwbesluit zijn immers slechts minimumvoorschriften. Het realiseren van een hogere kwaliteit is aan marktpartijen. Zij hebben daarvoor diverse instrumenten ter beschikking, zoals het Handboek voor Toegankelijkheid van de CG-Raad en de Woonkeur. In het voorlichtingsmateriaal dat momenteel wordt ontwikkeld over het nieuwe Bouwbesluit zal ik informatie opnemen hoe het mogelijk is een betere toegankelijkheid te realiseren dan in het Bouwbesluit minimaal is vereist.

Met betrekking tot de uitbreiding van de bouwvoorschriften geldt dat deze voorstellen zullen worden besproken met de bouwsector. Mijn inspanningen zijn er op gericht om het voorliggende ontwerpbesluit zo spoedig mogelijk in werking te laten treden. Daarna zal ik zo spoedig mogelijk aan de slag gaan met het vervolg.

49

Kunt u ingaan op de zorgen van de CG-Raad over de toegankelijkheid van gebouwen? Op welke wijze zijn de alternatieven die ze aandragen bruikbaar in de ontwerpfase en de bouwpraktijk? Is het wenselijk dan wel mogelijk (binnen de geformuleerde uitgangspunten van de herziening) om de aanbevelingen met betrekking tot toegankelijkheid mee te nemen in het Bouwbesluit? Bieden op dit punt de toelichtingen bij de artikelen voldoende duidelijkheid voor ontwerpers en opdrachtgevers? Op welke wijze draagt het nieuwe Bouwbesluit bij aan een betere handhaafbaarheid, zodat nieuwe gebouwen toegankelijker zijn voor ouderen en/ of mensen met een fysieke beperking?

Naar mijn oordeel zijn de maatregelen die de CG-Raad aandraagt over de toegankelijkheid van gebouwen bruikbaar in de ontwerpfase en de bouwpraktijk. In het informatiemateriaal over het nieuwe Bouwbesluit zal dan ook aandacht aan die maatregelen worden besteed. Zie ook mijn antwoord op vraag 53.

Het nieuwe Bouwbesluit draagt bij tot een betere handhaafbaarheid doordat de voorschriften over toegankelijkheid en bereikbaarheid beter met elkaar in samenhang zijn gebracht.

50

Klopt het dat het nog steeds mogelijk is dat het toilet dat voor rolstoelgebruikers is bestemd gesitueerd wordt in wat volgens de bouwkundige tekeningen een toegankelijkheidssector is genoemd, maar dat in de praktijk niet bereikbaar is vanuit de bezoekerszone waarmee het toilet feitelijk onbereikbaar is? Is het mogelijk het Bouwbesluit op dit punt aan te scherpen?

De bereikbaarheid van een integraal toegankelijke toiletruimte wordt in het nieuwe Bouwbesluit geborgd. Een toegankelijkheidssector kenmerkt zich door voldoende doorgangs- en manoeuvreerruimte én door het ontbreken van hoogteverschillen die voor een rolstoelgebruiker onoverbrugbaar zijn. In artikel 4.25 van het Bouwbesluit 2012 is voorgeschreven dat een gebruiksfunctie met een voorgeschreven toegankelijkheidssector ten minste één integraal toegankelijke toiletruimte moet hebben. Uit de in artikel 1.1 opgenomen omschrijving van het begrip «integraal toegankelijke toiletruimte» vloeit voort dat zo´n toiletruimte per definitie in een toegankelijkheidssector moet zijn gelegen. Wanneer zo´n toiletruimte niet bereikbaar is vanuit de bezoekersruimte in de toegankelijkheidssector, voldoet het bouwplan niet aan de voorschriften en moet de omgevingsvergunning voor het bouwen worden geweigerd. Ik zie derhalve geen noodzaak om de voorschriften op dit punt aan te scherpen.

51

Bent u bereid de toegankelijkheidssector uit te breiden tot alle gebouwdelen waar volgens de bestemming bezoekers – dus ook rolstoelgebruikers – kunnen worden verwacht?

Nee. Zie mijn antwoord op vraag 46.

52

Bent u bereid het Bouwbesluit aan te passen, zodat een ontheffing op een toegankelijkheidsvoorschrift bij de verbouw van een bestaand gebouw uitsluitend wordt toegestaan als er geen functionele oplossing kan worden aangetoond?

Deelt u de mening dat nu veel te vaak een ontheffing wordt gegeven op grond van vermeende meerkosten?

Zie mijn antwoord op de vragen 48 en 56.

53

Deelt u de mening dat indien alleen de ondergrenzen in het Bouwbesluit worden gehanteerd optimale oplossingen voor toegankelijkheid niet altijd in beeld komen? Bent u bereid in de toelichting op het Bouwbesluit een verwijzing op te nemen naar richtlijnen die een optimale toegankelijkheid garanderen voor alle uiteenlopende beperkingen – zoals het Handboek voor Toegankelijkheid, de ITS-eisen en WoonKeur voor woningbouw – zodat optimale toegankelijkheid wordt gestimuleerd?

Die mening wordt gedeeld. Bedoelde verwijzing zal in de toelichting en het informatiemateriaal worden opgenomen. Zie ook mijn antwoord op vraag 49.

54

Klopt het dat de verplichte lift naast de trap bij nieuwe (woon)gebouwen met een hoofdentree op meer dan 1 meter boven straatpeil vaak hapert in de buitenlucht en daardoor al snel buiten werking wordt gesteld?

Deelt u de mening dat hier sprake is van uitsluiting en verspilling die nergens voor nodig waren, als de entree gewoon op straatpeil zou zijn gesitueerd?

Bent u daarom bereid in het Bouwbesluit in de voorschriften voor liften duidelijk te maken dat een kooilift wordt bedoeld, mede geschikt voor scootmobiel en dat trapplateau- en stoeltrapliften voor nieuwbouw ontoelaatbaar zijn?

Mij is niet bekend of de in de vraag bedoelde situatie zich vaak voordoet. Het Bouwbesluit verplicht er niet toe om in die situatie een lift aan te brengen. Afhankelijk van de omstandigheden is het toegestaan en soms zelfs verplicht om in die situatie een hellingbaan aan te brengen. In dat geval kan de bedoelde situatie zich niet voordoen. Die situatie kan derhalve ook worden voorkomen zonder dat de entree op straatpeil is gesitueerd.

Zie voor het antwoord op de vraag inzake de kooilift mijn antwoord op vraag 89.

55

Deelt u de mening dat toiletgebruik vanuit een rolstoel een nauwkeurig ingedeelde WC-plattegrond vergt? Bent u daarom bereid naast de minimum afmeting van een mede voor rolstoelgebruikers geschikt toilet ook inrichtingseisen te stellen zodat deze toiletten ook daadwerkelijk door rolstoelgebruikers kunnen worden gebruikt?

Het voorliggende ontwerpbesluit bevat al minimum afmetingeisen voor de oppervlakte van integraal toegankelijke toiletruimten. Waar een normaal toilet volgens artikel 4.11 een minimale vloeroppervlakte van ten minste 0,9 m x 1,2 m moet hebben, dient een integraal toegankelijke toiletruimte een vloeroppervlakte van ten minste 1,65 m x 2,2 m te hebben. Inrichtingseisen van een toiletruimte worden in het Bouwbesluit niet gegeven.

56

Kent u de voorbeelden van een groot nieuw hotel zonder rolstoellift en een nieuw theater zonder werkende lift, en dat dit mogelijk was omdat er formeel sprake was van verbouw en niet van nieuwbouw?

Deelt u de mening dat bij grote vernieuwbouw, waar oude gebouwen volledig worden gestript, aan de toegankelijkheidseisen voor nieuwbouw zou moeten worden voldaan? Waarom is hiervoor niet gekozen in het Bouwbesluit?

Klopt het dat bij grote vernieuwbouw vaak wel aan alle brandveiligheid- en constructie-eisen wordt voldaan, maar niet aan eisen van toegankelijkheid?

Bent u bereid het onderscheid tussen oudbouw, «vernieuwbouw» en nieuwbouw dusdanig aan te scherpen, dat meer toegankelijke en bruikbare «vernieuwbouw» ontstaat dan nu?

De in de vraag bedoelde voorbeelden zijn mij niet bekend. Bij grote vernieuwbouw kan niet altijd aan de toegankelijkheidseisen voor nieuwbouw worden voldaan. Het casco dat na het strippen van een gebouw resteert, is mede bepalend voor de mogelijkheid om het gebouw toegankelijk te maken. Het stellen van de toegankelijkheidseisen voor nieuwbouw aan een bestaand casco kan hergebruik van casco’s en zodoende ook de transformatie van gebouwen hinderen en zodoende leiden tot kapitaalsvernietiging en verspilling van grondstoffen en energie.

Op grond van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dient het bevoegd gezag (= in de regel B&W) erop toe te zien dat bij het (ver)bouwen de van toepassing zijnde voorschriften worden nageleefd. Of bij grote vernieuwbouw wel aan alle van toepassing zijnde brandveiligheids- en constructie-eisen maar niet aan de toegankelijkheidseisen wordt voldaan, onttrekt zich dan ook aan mijn waarneming.

De vraag inzake aanscherping van het onderscheid tussen oudbouw, «vernieuwbouw» en nieuwbouw wordt betrokken bij het vervolgtraject dat ik in het slot van mijn antwoord op vraag 48 heb geschetst.

57

Bent u bereid voor vernieuwbouw van woningen minimaal de eisen van WoonKeur-bestaande-bouw op te nemen in het Bouwbesluit?

Het Woonkeur is een vrijwillig instrument dat door opdrachtgevers en andere partijen in de bouw gebruikt kan worden om een hogere bouwkwaliteit te realiseren dan de in het Bouwbesluit minimaal voorgeschreven kwaliteit van gebouwen. De suggestie om de eisen uit het Woonkeur voor bestaande bouw op te nemen in het Bouwbesluit zal worden meegenomen in de fundamentele bezinning op de bouwregelgeving.

58

Klopt het dat de eerstvolgende wijzigingsronde van het Bouwbesluit pas over zeven jaar is gepland? Deelt u de mening dat het niet wenselijk is met verdere aanscherpingen t.a.v. de toegankelijkheid zo lang te wachten?

De veronderstelling dat een volgende aanpassing van het Bouwbesluit pas over 7 jaar is gepland, is onjuist. Het Bouwbesluit zal worden gewijzigd indien de wenselijkheid daartoe zich voordoet, met dien verstande dat een wijziging zo mogelijk zal plaatsvinden op één van de vaste jaarlijkse verandermomenten van regelgeving (1 januari en 1 juli). Het Bouwbesluit kan derhalve zo nodig ieder half jaar worden gewijzigd.

59

Hoeveel tijd kost het om de lasten- en regeldruk van de aanvullende voorstellen van de CG-raad t.a.v. toegankelijkheid in kaart te brengen? Bent u daar al mee begonnen? Zo nee, waarom niet?

Heeft u gesproken met de bouwsector over de voorstellen van de CG-raad? Zo nee, waarom niet?

Kunt u specifiek ingaan op onderstaande voorstellen van de CG-raad t.a.v. vluchtroutes bij brand voor mensen met een functiebeperking:

  • Vluchtroutes van een gebouw die achter een 60-minuten brandwerende scheiding liggen, moeten onderdeel zijn van de toegankelijkheidssector van een gebouw. Dit met inbegrip van bordessen die aansluiten op de verdiepingsvloer van trappen die onderdeel uitmaken van diezelfde vluchtroute.

  • Er moeten eisen gesteld worden aan de brandwerende deuren, zodat ze niet te zwaar te bedienen zijn.

  • Het gebruik van «vluchtrolstoelen» (evac-chair) moet onderdeel uitmaken van hoofdstuk 2 Technische bouwvoorschriften uit het oogpunt van veiligheid.

  • Er moeten alternatieven zijn voor de visuele signalering van vluchtroutes, zodat blinde mensen daar ook gebruik van kunnen maken.

  • Er moet visualisering zijn van alarmering voor mensen met auditieve beperkingen.

  • Evacuatieplannen moeten voldoende rekening houden met mensen met functiebeperkingen.

Waarom heeft u deze voorstellen niet overgenomen in het Bouwbesluit?

Het in kaart brengen van de lasten- en regeldruk van de aanvullende voorstellen van de CG-Raad vergt enkele maanden. Daarmee wordt begonnen zodra de werkzaamheden met betrekking tot het voorliggende Bouwbesluit zijn afgerond. Ervan uitgaande dat het OPB eind dit jaar advies over de aanvullende voorstellen van de CG-Raad uitbrengt, kan een ontwerp-wijzigingsbesluit naar verwachting begin volgend jaar in procedure worden gebracht en kan een eventuele wijziging van het Bouwbesluit op 1 januari 2013 in werking treden.

60

Wat is uw reactie op het standpunt van de CG-Raad dat in deze tijd met de grote toename van het aantal scootmobielen, een nieuw woongebouw een toegankelijke externe berging moet hebben die voorzien zijn van oplaadpunten?

Zie mijn antwoord op vraag 48.

61

Klopt het dat indien een niet-werkende lift wordt ingebouwd voldaan is aan het Bouwbesluit?

Bent u bereid de afmetingen van liften voor utiliteitsbouw te vergroten, omdat 1.10 x 1.40 te krap is voor de meeste scootmobielen?

Wanneer het Bouwbesluit 2012 een voorziening voorschrijft wordt daarmee bedoeld dat die voorziening moet functioneren en in stand (en dus bruikbaar) moet worden gehouden. Een niet-werkende lift voldoet dus niet aan de bouwvoorschriften. Voorts ziet het Warenwetbesluit liften onder meer door controle en onderhoudsverplichtingen op het veilig kunnen gebruiken van de lift. Voor het antwoord op de vraag inzake de gewenste liftafmetingen in verband met scootmobielen verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 48.

62

Op welke wijze zorgt het vervallen van de verplichting tot aanleg van elektriciteits-, gas- en watervoorzieningen tot minder regeldruk? Kunt u reageren op de zorg van Vewin dat dit leidt tot onduidelijkheid in de markt en toename van ondeskundig aangelegde binneninstallaties, met nadelige effecten op de drinkwaterkwaliteit? Bent u bereid de gevolgen van deze «vermindering van regeldruk» nader te onderzoeken?

De voorschriften in het voorliggende Bouwbesluit borgt de veiligheid en gezondheid van de in de vraag bedoelde voorzieningen. Het bevoegd gezag toetst bouwplannen preventief op het voldoen aan die voorschriften. Daarom verwacht ik geen nadelige gevolgen van het vervallen van de huidige verplichting tot aanwezigheid van de betreffende voorzieningen. Zie verder mijn antwoord op vraag 31.

63

Waarom zijn er voor de brandveiligheid van «niet-besloten ruimtes» nog steeds geen heldere scenario’s, criteria en bepalingsmethoden?

De reden daarvoor is vermeld in de toelichting bij artikel 2 108: «Omdat niet besloten ruimten waardoor een vluchtroute loopt zoals een galerij of een atrium op talloze manieren kunnen worden ontworpen, kan de capaciteit van de benodigde warmte- en rookafvoer uit deze ruimten niet met een eenduidige prestatie-eis worden bepaald». In die toelichting is informatie gegeven die kan worden gebruikt voor de beoordeling van een niet besloten ruimte, waaronder grenswaarden waarbij verblijven in een ruimte nog juist mogelijk is. Conform het advies van de Adviescommissie Praktijktoepassing Brandveiligheidsvoorschriften zal door onderzoek worden nagegaan of het mogelijk is om het begrip `niet besloten ruimte`, dat reeds vele jaren in het Bouwbesluit wordt gehanteerd, verder te verduidelijken. Zo ja, dan zullen de uitkomsten daarvan in een volgende wijziging van het Bouwbesluit worden verwerkt.

64

Waarom is er alleen een functionele eis, maar geen bepalingsmethode voor de opvang- en doorstoomcapaciteit van vluchtroutes en dus ook geen prestatie-eis? Klopt het dat dit leidt tot veel vruchteloze discussies tussen aanvragers en toetsers waardoor ontwerptrajecten stil komen te liggen? Waarom is dit niet opgelost in het voorliggende Bouwbesluit?

Het ontbreken van de in de vraag bedoelde bepalingsmethode leidt in de praktijk inderdaad soms tot discussie en geschillen. Zo´n bepalingsmethode zal bij de inwerkingtreding van het nieuwe Bouwbesluit wel beschikbaar zijn. De ontwikkeling van die methode dient zorgvuldig en doordacht te geschieden. De methode was juridisch nog onvoldoende uitontwikkeld om al in de voorschriften van het voorliggende ontwerpbesluit te worden opgenomen. De betreffende voorschriften van het ontwerpbesluit geven de mogelijkheid om de methode in de bij het nieuwe Bouwbesluit behorende ministeriële regeling te verankeren. Van die mogelijkheid zal gebruik worden gemaakt. Het OPB zal in juni 2011 over de betreffende conceptvoorschriften worden geconsulteerd. Het is mijn bedoeling de voorschriften op termijn in het Bouwbesluit op te nemen.

65

Is er bij een vergunning van een woning zonder dakkapel of uitbouw, waarbij wordt gebouwd met dakkapel of uitbouw sprake van bouwen of verbouwen? En als dit direct na oplevering gebeurt? Moet het Bouwbesluit op dit punt niet verduidelijkt worden?

Op grond van artikel 1b van de Woningwet moet al het bouwen voldoen aan de nieuwbouwvoorschriften van het Bouwbesluit. Bij de bouw van een woning moet deze woning, inclusief alle onderdelen die eventueel vergunningvrij zijn, voldoen aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit. Indien na oplevering van de woning een dakkapel of een aanbouw wordt toegevoegd, is sprake van verbouw van een bestaande woning, en dit betekent dat dan aan de verbouweisen moet worden voldaan. Aangezien de verbouweisen voor veel aspecten op het rechtens verkregen niveau liggen (zie ook het antwoord op vraag 84) zullen de verbouweisen bij een recent opgeleverde woning (nagenoeg) gelijk zijn aan de nieuwbouweisen. Aan de hand van het in de vraag genoemde voorbeeld zal de juridische werking van de betreffende voorschriften in het voorlichtingsmateriaal worden uiteengezet.

66

Klopt het dat met het voorliggende Bouwbesluit tegen woningen zonder wasruimte of badruimte niet meer kan worden opgetreden? Waarom is hiervoor gekozen?

Een woning hoeft, evenals op grond van het huidige Bouwbesluit 2003, op grond van het voorliggende ontwerp besluit geen opstelplaats voor een wasmachine te hebben, en een bestaande woning hoeft geen badkamer te hebben. Voor de opstelplaats voor een wasmachine is dit al sinds 2003 het geval en voor de badkamer al sinds 1992.

67

Waarom is er geen grenswaarde voor de eisen aan duurzaamheid?

Zie mijn antwoord op vraag 37.

68

Waarom is er niet voor gekozen te eisen dat gebouwen aanpasbaar zijn (bijvoorbeeld voor trapliften op een later moment)?

In afdeling 4.4 van het Bouwbesluit 2012 zijn in het kader van bereikbaarheid en toegankelijkheid minimumeisen opgenomen voor aanpasbaar bouwen. Hieruit volgt geen verplichting dat elk gebouw bij de initiële bouw geheel aanpasbaar gebouwd moet worden. Dat zou grote extra investeringen en kosten met zich brengen, zonder dat vooraf bekend is of uiteindelijk aanpassingen moeten plaatsvinden. Uiteraard mag altijd op een hoger kwaliteitsniveau worden gebouwd dan het voorgeschreven minimumniveau.

69

Wat is uw reactie op het voorstel van het ERB om het Bouwbesluit in stappen aan te passen, zodat eerst de echte fouten en zaken die de hoogste lastendruk veroorzaken in het Bouwbesluit worden aangepakt en voorkomen wordt dat er nieuwe knelpunten ontstaan en hiervoor een consortium aan te wijzen dat binnen zes maanden met een verbeterslag komt van het Bouwbesluit 2003?

Ik vind dat geen goed voorstel. Het gaat voorbij aan de voordelen van de integratie van het Bouwbesluit 2003 en het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Gebruiksbesluit) en de landelijke uniformering, afstemming en integratie van voorschriften die momenteel in de gemeentelijke bouwverordeningen zijn opgenomen. Het voorstel zou voorts tot vertraging van de inwerkingtreding van gewenste wijzigingen van het Bouwbesluit met minstens één jaar leiden. Tegenover de visie van het ERB staat de visie van belangrijke organisaties zoals VNO-NCW, MKB Nederland, Bouwend Nederland, Vereniging van Nederlandse Projektontwikkeling Maatschappijen (Neprom), Beroepsvereniging van Nederlandse Architecten (BNA) en NLingenieurs die aandringen op spoedig in werking treden van het voorliggende ontwerpbesluit. Zie verder ook mijn antwoord op vraag 5.

70

Kunt u de toelichting bij met name artikel 1.7 lid 2 verduidelijken? Klopt het bijvoorbeeld dat, wanneer sprake is van CE-markering, ook private partijen geen aanvullende certificatie of kwaliteitskeurmerken mogen vragen?

Klopt het dat de Europese Bouwverordening alleen van toepassing is op de overheid als regelgever en inkoper? En klopt het dat hiermee in feite een kop op Europese regelgeving wordt gezet?

Deelt u de mening dat het alleen mogen eisen van CE-markering grote gevolgen heeft voor de kwaliteit van de bouwsector, omdat dit tot schijnveiligheid leidt en niet de voordelen en zekerheid biedt van certificering door een onafhankelijke partij aangezien CE een fabrikantverklaring is over een beperkt aantal productkarakteristieken en daarmee onvergelijkbaar is met een kwaliteitsverklaring?

Private opdrachtgevers mogen bouwproducten met aanvullende certificatie of kwaliteitskeurmerken vragen. Zij kunnen echter fabrikanten en leveranciers niet verplichten deze keurmerken te leveren. Daarnaast legt de Europese Verordening bouwproducten de producent de verplichting op om de productprestaties die zijn gereguleerd met de verordening uitsluitend bekend te maken via de CE-markering. De producent van een bouwproduct mag er dus niet voor kiezen om alleen via private certificaten en keurmerken te communiceren over de eigenschappen.

De Europese Richtlijn bouwproducten (en straks de Verordening bouwproducten) geldt niet uitsluitend voor de overheid. Geen partij mag het vrije verkeer en de toepassing van bouwproducten met CE-markering op de markt van de Europese Unie belemmeren. Van een nationale kop op de Europese regelgeving is hier dan ook geen sprake.

De CE-markering op een bouwproduct houdt in dat vertrouwen mag worden gesteld in de productprestaties zoals aangegeven bij die CE-markering. Zodra de toepassing van een product een zeker risico heeft, bijvoorbeeld op het gebied van brandveiligheid, wordt bij de CE-markering ook de controle van een derde partij vereist. Indien hieraan met rede wordt getwijfeld, kan een ieder een verzoek tot handhaving doen bij het markttoezicht.

71

Kunt u uiteenzetten waarom er besloten is om geen apart hoofdstuk in het Bouwbesluit op te nemen ter preventie van brand in veestallen?

In het algemeen overleg Bouwregelgeving van 9 februari 2011 heb ik u hierover al geïnformeerd (zie Kamerstukken II 2010/2011, 28 325, nr. 138), aansluitend op de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 4 februari 2011 (Kamerstukken II 2010/2011, 32 500 XIII, nr. 174). Er wordt samen met onder andere de Dierenbescherming, de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO Nederland) en de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) gewerkt aan een plan van aanpak ter preventie van brand in veestallen. Zodra dat plan van aanpak beschikbaar is, wordt u daarover door het kabinet geïnformeerd. Het kabinet heeft daarom nu niet gekozen voor een apart hoofdstuk over dit onderwerp in het Bouwbesluit.

72

Acht u het niet maatschappelijk wenselijk dat er in het Bouwbesluit aandacht wordt gegeven aan de bouw van megastallen, gezien de maatschappelijke dialoog hierover en het stijgende risico op groot aantal slachtoffers bij brand in deze stallen? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor nemen? Zo nee, waarom niet?

Zie mijn antwoord op vraag 71.

73

Deelt u de mening dat nu de Wet Dieren van kracht wordt, en dieren een intrinsieke waarden wordt toegekend, dieren niet langer geclassificeerd kunnen worden als «goederen» en in het Bouwbesluit dus niet kunnen vallen onder de lichte industrie? Zo ja, bent u bereid het Bouwbesluit hierop aan te passen? Zo nee, waarom niet?

Het belang van de veiligheid van dieren is één van de redenen om te komen tot het in het antwoord op vraag 71 bedoelde plan van aanpak. Ik acht een eventuele aanpassing van het Bouwbesluit vooruitlopend op dat plan niet wenselijk.

74

Heeft u het voorliggende Bouwbesluit, waar tegen hun wensen in geen apart hoofdstuk voor stallen is opgenomen, met de Brandraad besproken? Zo ja, wat was hun reactie? Zo nee, waarom niet?

Ik ga er vanuit dat met de Brandraad het initiatief wordt bedoeld van een bedrijf op het terrein van sprinklersystemen en aanverwante brandblussysteem waarover de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer eerder vragen heeft beantwoord (Kamerstukken 2009/2010, 32 123 XI, nr. 61). De uitkomsten van de Brandraad 2009 over stalbranden zijn meegenomen in het onderzoeksrapport «Brand in veestallen» waarover de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie u heeft geïnformeerd in zijn eerdergenoemde brief van 4 februari 2011. Nader overleg met de Brandraad acht ik dan ook niet nodig.

75

Kan worden gemotiveerd waarom onderdelen van het Bouwbesluit worden geregeld in ministeriele regelingen, in plaats van in een algemene maatregel van bestuur? Kan daarbij ook nog specifiek worden ingegaan op de kritiek van de zijde van NVTB (brief 23 mei 2011): «Ter bevordering van de rechtszekerheid pleiten wij er voor om voorschriften over brandveiligheid niet in een mogelijke ministeriële regeling op te nemen, maar in het Besluit zelf, op grond van de huidige stand der techniek. In dit kader zouden de artikelen 2.73a, 2.95 lid 3 en 6.29 lid 2 geschrapt dienen te worden. Indien het op enig moment nodig wordt geacht over deze onderwerpen (aanvullende) eisen op te nemen, dient dit te geschieden op een wijze waarop het parlement op voorhand de mogelijkheid heeft om daarop controle uit te oefenen. Een ministeriële regeling, bedoeld om in een besluit vastgelegde eisen nader uit te werken, is ons inziens dan ook niet het juiste instrument om wettelijke eisen te formuleren. Opgemerkt wordt dat blijkens de nota van toelichting (7.8) er zelfs bedoeld wordt om via artikel 6.29 lid 2 het voorschrift ad lid 1 te amenderen!»

Al vanaf de introductie van het Bouwbesluit in 1992 worden ook voorschriften gegeven in een bij dat besluit behorende ministeriële regeling. Naast administratieve voorschriften (zoals voorschriften waarin wordt aangegeven op welke versie en welke delen een in het Bouwbesluit aangewezen normblad betrekking heeft) gaat het daarbij om voorschriften met een technisch-inhoudelijke uitwerking (zoals voorschriften over de opvang- en doorstroomcapaciteit van trappen). Daarbij is telkens sprake van een concrete uitwerking van een voorschrift dat in het Bouwbesluit is opgenomen. De algemene maatregel van bestuur bevat dus de basis en de uitwerking daarvan is in een ministeriële regeling opgenomen. Dit is een algemeen aanvaarde, breed toegepaste en in de technische bouwregelgeving sinds 20 jaar gehanteerde wetgevingstechniek die als voordeel heeft dat eventueel gewenste wijzigingen in een uitwerking op korte termijn kunnen worden doorgevoerd en dat de algemene maatregel van bestuur niet belast wordt met detailzaken die de toegankelijkheid en leesbaarheid van die maatregel niet bevorderen.

76

Wanneer zijn de conceptteksten van de ministeriele regelingen waarnaar verwezen wordt gereed? Is hierover vooroverleg gevoerd met belanghebbenden?

In samenhang met de komst van het nieuwe Bouwbesluit wordt een nieuwe ministeriële regeling Bouwbesluit opgesteld en wordt de bestaande ministeriële regeling Omgevingsrecht (Mor) gewijzigd. De concepttekst van de ministeriële regeling Bouwbesluit wordt in juni in een consultatieronde aan marktpartijen voorgelegd. Op onderdelen daarvan wordt momenteel bilateraal overleg met de betrokken partijen gevoerd, zoals met NEN over de precieze verwijzing naar normbladen. Over de concepttekst van de wijziging van de Mor, waarin de consequenties van het nieuwe Bouwbesluit voor de indieningsvereisten voor aanvragen om omgevingsvergunning worden geregeld, wordt momenteel eveneens overleg gevoerd. Volgens de planning brengt het OPB daarover eind juni advies aan mij uit.

77

Hoe is in het voorliggende Bouwbesluit inhoud gegeven aan de doelstelling dat de voorschriften van het besluit de uitoefening van de eigen verantwoordelijkheid van burgers, bedrijven en instellingen niet verder mag beperken dan met het oog op het maatschappelijk belang strikt noodzakelijk is? Kan dit worden meegenomen als minimumeis? Hoe groot is de kans dat een gebruiker van het besluit naar de rechter stapt op het moment dat het Bouwbesluit inhoudelijk in strijd is met dit principe en hoe groot is dan de kans dat hij of zij in het gelijk wordt gesteld?

Het voorliggende ontwerpbesluit is het resultaat van de in de vraag genoemde doelstelling. Een voorbeeld van de uitwerking is dat de nieuwbouweisen in het ontwerpbesluit minimumeisen zijn. Indien een bouwplan voor een te bouwen bouwwerk aan die minimumeisen voldoet, moet de omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend en mag het bouwplan worden uitgevoerd.

De doelstelling op zich is geen juridisch beginsel waarop iemand zich voor de rechter kan beroepen.

78

Betekenen de andere eisen die aan de aanvraag voor een bouwvergunning zullen worden gesteld, een lastenverzwaring of een lastenverlichting, hierbij in ogenschouw nemend dat een vereenvoudiging niet hetzelfde is als een lastenverlichting?

Ik verwacht dat de invoering van het Bouwbesluit 2012 per saldo niet leidt tot een lastenverzwaring voor de aanvrager van een omgevingsvergunning. Enerzijds worden de lasten voornamelijk verzwaard door nieuwe voorschriften over duurzaam bouwen en veilig werken op hoogte (waarvan de inwerkingtreding naar verwachting overigens eerst op 1 juli 2012 zal plaatsvinden). Anderzijds zorgen bijvoorbeeld het vervallen van de eisen voor rookcompartimentering en de introductie van de personenbenadering voor een lastenvermindering, omdat daardoor veel minder uitgebreide berekeningen worden gevraagd dan de huidige bezettingsgraadklasseberekeningen.

79

Welke financiële gevolgen heeft de invoering van het Energieprestatienorm (EPC) voor de woningbouwkosten?

De energieprestatie-eisen (EPC) aan te bouwen woningen zijn per 1996 in het Bouwbesluit opgenomen. Destijds is de eis vastgesteld op een EPC van 1,4 en tussentijds is die waarde vier maal bijgesteld naar de huidige waarde van 0,6. Het is niet mogelijk om de financiële gevolgen vanaf de introductie van de EPC in kaart te brengen, omdat de kosten van maatregelen vanaf 1996 tot nu sterk zijn veranderd (veelal gedaald). Ter illustratie: De eenmalige extra investering door de laatste EPC-aanscherping van 0,8 naar 0,6 is afhankelijk van het gekozen maatregelpakket en bedraagt tussen de € 5 400 en € 16 700 per woning. Deze extra kosten worden door de dalende energiekosten echter terugverdiend. Dit leidt bij het merendeel van de woningen, gerekend over de levensduur van de maatregelen, tot een woonlasteneffect dat varieert van gelijkblijvende woonlasten tot een besparing van € 250 per jaar (Aanscherpingsstudie EPC woningbouw 2011 DGMR-Techniplan, november 2009).

80

Kan worden aangegeven hoe het gelijkwaardigheidsbeginsel geïmplementeerd wordt in het voorliggende Bouwbesluit ten opzichte van het bestaande Bouwbesluit? Hoe wordt de rechtsgelijkheid op dit punt verzekerd?

De implementatie van het gelijkwaardigheidsbeginsel in het Bouwbesluit 2012 is overeenkomstig de implementatie in het Bouwbesluit 2003 en het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Gebruiksbesluit). Met dit verschil dat nu duidelijker is aangegeven dat bij de toepassing van gelijkwaardigheid zowel bouwtechnische, gebruikstechnische als organisatorische oplossingen ten dienste staan (mits deze oplossing even robuust is als de bouwtechnische oplossing waarvoor deze in de plaats komt).

De rechtsgelijkheid is gewaarborgd doordat het gelijkwaardigheidsbeginsel voor elk bouwwerk landelijk open staat. Het bevoegd gezag kan een voldoende gemotiveerde gelijkwaardige oplossing niet ongemotiveerd terzijde schuiven. In voorkomend geval kan een besluit tot weigering van een omgevingsvergunning aan de administratieve rechter worden voorgelegd. Daarnaast kan een eventueel geschil met het bevoegd gezag over de gelijkwaardigheid van een technische brandveiligheidoplossing voor advies worden voorgelegd aan de Adviescommissie Praktijktoepassing Brandveiligheidsvoorschriften. De adviezen van die commissie zijn op internet gratis te raadplegen, zodat in voorkomend geval ook anderen van zo´n advies gebruik kunnen maken (http://vragenbouwregelgeving.vrom.nl/vromvvb/Sitemap).

81

Kan worden ingegaan op de kritiek van het ERB dat het voorliggende Bouwbesluit onvoldoende onderscheid maakt tussen bestaande en nieuwbouw, uitwerkend in aantasting van verworven rechten?

De ERB-kritiek kan geen betrekking hebben op de voorschriften van de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het voorliggende Bouwbesluit, aangezien daarin op gelijke wijze als in het huidige Bouwbesluit 2003 onderscheid tussen bestaande bouw en nieuwbouw wordt gemaakt. Gelet op de aard van de voorschriften kan die kritiek evenmin betrekking hebben op de voorschriften van de hoofdstukken 1, 8 en 9. Voor zover die kritiek betrekking heeft op de voorschriften van de resterende hoofdstukken 6 en 7 deel ik de ERB-visie niet. Van de 15 in die hoofdstukken opgenomen afdelingen, bevatten 14 afdelingen voorschriften die zowel op bestaande bouw als nieuwbouw van toepassing zijn. Die reikwijdte is bij elke afdeling in de titel vermeld, zodat alleen al op die wijze voor iedereen snel en eenvoudig kenbaar is of de betreffende afdeling naast voorschriften voor nieuwbouw ook voorschriften voor bestaande bouw bevat. De voorschriften in de bedoelde 14 afdelingen met betrekking tot bestaande bouw zijn voor een groot deel gelijk aan de voorschiften die op nieuwbouw van toepassing zijn. Wanneer in die hoofdstukken 6 en 7 op gelijke wijze als in de hoofdstukken 2 tot en met 5 onderscheid tussen bestaande bouw en nieuwbouw zou worden gemaakt, zouden in de afdelingen van de hoofdstukken 6 en 7 telkens een paragraaf nieuwbouw en een paragraaf bestaande bouw moeten worden opgenomen terwijl de in die afdelingen opgenomen voorschriften goeddeels hetzelfde zouden zijn. Om die reden is in de hoofdstukken 6 en 7 gekozen voor een systematiek waarbij in het voorschrift zelf tot uitdrukking komt of het zowel op bestaande bouw als nieuwbouw dan wel alleen op bestaande bouw of op nieuwbouw van toepassing is. Deze wetgevingssystematiek leidt er niet toe dat verworven rechten worden aangetast.

82

Staat het principe van vrije indeelbaarheid (een eis aan een gebouw is te prefereren boven een aantal eisen aan bouwdelen) op gespannen voet met de gebruikerseisen aan een multifunctionele ruimte, waarbij de zwaarste eis van de drie gebruikersfuncties van toepassing is? Zo nee, waarom niet? En is dit niet onnodig lastenverzwarend? Zo nee, waarom niet? Moet er niet worden aangesloten bij de intensiteit van de verschillende gebruiksfuncties ten aanzien van het gebouw (denk bijvoorbeeld aan een sporthal die wordt gebruikt voor concerten)?

Vrije indeelbaarheid is een principe dat op alle gebruiksfuncties van toepassing is. Wanneer in een bouwplan ervoor is gekozen om het bouwwerk structureel voor meerdere gebruiksfuncties te gaan gebruiken, kan dat de mogelijkheden voor de ontwerper begrenzen bijvoorbeeld omdat moet worden voldaan aan de zwaarste eis die dan van toepassing is. Dat is echter een onvermijdelijke consequentie van de keuze die de opdrachtgever ten aanzien van het multifunctionele gebruik van het bouwwerk heeft gemaakt. Wanneer een bouwwerk incidenteel voor een andere gebruiksfunctie wordt gebruikt, ligt dat anders. Zoals in onderdeel 5 van de nota van toelichting is aangegeven, kan dan worden volstaan met niet-bouwkundige oplossingen, zoals een brandwacht.

83

Moet, in het kader van «gelijkwaardigheid», een woning die geschikt wordt gemaakt voor kamerverhuur aan strengere eisen voldoen? Zo ja, waarom? Moet een woning, waarin een gezin is gehuisvest, aan minder strenge eisen voldoen dan een studentenhuis? Zo ja, waarom? Waarom is in het kader van deregulering niet gekozen voor een meldingsplicht bij kamerverhuur vanaf vijf personen? Waarom is de regelgeving voor kamerverhuur toegenomen? Welke bouwregels gelden er nu voor de verbouw van een kantoorgebouw tot woonruimte? Welk veiligheidsniveau geldt er dan?

Kamergewijze verhuur leidt tot een andere risicosetting dan een woning die door een gezin wordt bewoond (zie TNO-rapport «Brandveiligheid Kamerverhuur», 2003-CVB-R0136). In het voorliggende ontwerpbesluit zijn voor een woning bestaande uit vijf wooneenheden of meer (kamerverhuurpanden) dan ook zwaardere eisen in het kader van de brandveiligheid gesteld dan voor woningen die door een gezin worden bewoond. De vereiste aanvullende voorzieningen moeten er voor zorgen dat in geval van brand de bewoners voldoende snel worden gealarmeerd en de woning kunnen verlaten. De reden waarom onderscheid gemaakt wordt tussen woningen waarin een gezin woont en kamergewijze verhuur is gelegen in het feit dat de kans op het niet tijdig ontdekken van brand bij kamergewijze verhuur groter is dan bij een gezin. In geval van kamergewijze verhuur zal veelal sprake zijn van kamers (privé-ruimten van bewoners) die vaak zijn afgesloten. Indien in dergelijke ruimten brand ontstaat, is de kans groot dat dit pas wordt opgemerkt als al sprake is van een ontwikkelde brand. In gezinsituaties is het daarbij veelal duidelijk wie op een bepaald moment in de woning aanwezig is.

Bij kamergewijze verhuur geldt een meldingplicht vanaf vijf wooneenheden. Er is bewust niet gekozen voor een meldingplicht op basis van het aantal bewoners, aangezien een gezin van vier personen met één huurder dan al onder deze meldingplicht zou vallen, terwijl de risicosetting hiertoe onvoldoende aanleiding geeft.

De regelgeving voor kamerverhuur is ten opzichte van het huidige Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Gebruiksbesluit) niet toegenomen. De voorschriften zijn vereenvoudigd en enkele onduidelijkheden in de definitie zijn aangepast.

In geval van verbouw van kantoren tot woonruimte geldt nu het nieuwbouwniveau van het Bouwbesluit 2003 met een mogelijkheid voor een ontheffing door het bevoegd gezag. In het voorliggende ontwerpbesluit is gekozen voor een andere systematiek, waarbij in de voorschriften een landelijk uniform verbouwniveau is aangegeven en derhalve geen ontheffingsprocedure meer hoeft te worden doorlopen. Voor zover voor de transformatie van een kantoorgebouw tot woonruimte een verbouwing nodig is, is op die verbouwingrepen in beginsel het nieuwbouwniveau voor de nieuwe gebruiksfunctie (in casu wonen) van toepassing tenzij in de betreffende afdeling een verbouwniveau is aangegeven, hetgeen in de meeste afdelingen van het ontwerpbesluit het geval is.

84

In hoeverre worden met het voorliggende Bouwbesluit bestaande bouwwerken zoveel mogelijk ontzien wanneer bestaande eisen worden aangescherpt? Hoe is dit bij een verbouwing van het bouwwerk geregeld, daar bij verbouw het nieuwbouwniveau de hoofdregel is? Is er sprake van een lastenverzwaring nu burgemeester en wethouders geen ontheffing meer kunnen verlenen? Zo nee, waarom niet?

Met het oog op het principe van verworven rechten is in het voorliggende ontwerpbesluit uiterst terughoudend met aanscherping van eisen voor bestaande bouwwerken omgegaan. Voor zover van zo´n aanscherping sprake is, worden de mogelijke consequenties voor op het moment van inwerkingtreding van dat besluit bestaande gevallen voorkomen door het in hoofdstuk 9 opgenomen overgangsrecht.

Zoals in mijn antwoord op vraag 83 al is aangegeven, is bij verbouw in beginsel het nieuwbouwniveau van toepassing tenzij in de betreffende afdeling een verbouwniveau is aangegeven. Ten opzichte van het huidige Bouwbesluit 2003 is daarmee sprake van een lastenverlichting aangezien voortaan vooraf landelijk uniform vaststaat aan welk verbouwniveau een verbouwingreep moet voldoen en geen ontheffingsprocedure met een ongewisse uitkomst meer doorlopen hoeft te worden. Bovendien is in de meeste verbouwvoorschriften als verbouwniveau het zogenoemde rechtens verkregen niveau aangewezen, hetgeen in de praktijk meestal het vóór de verbouwing feitelijk aanwezige kwaliteitsniveau van het betreffende gebouw is. Dat verbouwniveau komt er in de praktijk op neer dat het feitelijk aanwezige kwaliteitsniveau door de verbouwingreep niet verlaagd mag worden.

85

Hoe worden de beginselen «gelijkwaardigheid», «vrije indeelbaarheid» en «verworven rechten» getoetst? Hoe toetst de rechter die beginselen?

De beginselen «vrije indeelbaarheid» en «verworven rechten» zijn in dit verband uitsluitend uitgangspunten die bij het opstellen van het voorliggende ontwerpbesluit zijn gehanteerd en mitsdien geen juridische beginselen die in een concreet geval door de rechter worden getoetst. In een voorkomend geval kan een geschil over de gelijkwaardigheid van een in een bouwplan gekozen technische oplossing wel door de rechter worden getoetst. Daarbij staat dan de vraag centraal of de aanvrager van een omgevingsvergunning ten genoegen van het bevoegd gezag genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat met de gekozen oplossing aan het betreffende voorschrift wordt voldaan. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juli 2007, 200607506/1, (Bouwrecht 2007, 973) en 4 maart 2009, 200803411/1 (Tijdschrift voor Bouwrecht 2009, 352). Zie verder ook mijn antwoord op vraag 80.

86

Kan worden aangegeven waarom in een aantal gevallen bestaande normbladen (NEN 6089, NEN 6075, NEN 1413) ongemotiveerd niet gebruikt zijn?

Kan worden aangegeven hoeveel normbladen aangepast moeten worden vanwege de gewijzigde terminologie van het Bouwbesluit? Wat zijn de geschatte kosten die hiermee gemoeid zijn?

Hoe is de afstemming tussen het voorliggende Bouwbesluit en de normbladen die in herziening zijn?

NEN is bekend met de redenen waarom niet worden verwezen naar de in de vraag bedoelde normbladen. Van ongemotiveerd niet gebruiken is daarom geen sprake. Een verwijzing naar een normblad vergt van geval tot geval expliciete besluitvorming en is dus geen automatisme. Verwijzing naar een normblad kan worden overwogen wanneer het ten behoeve van de ontwerp- en uitvoeringspraktijk gewenst is de toepassing van een voorschrift te ondersteunen met een eenduidige bepalingsmethode. Bij de beslissing om wel of niet naar een normblad te verwijzen, speelt bovendien het kostenaspect een rol. Normbladen kosten de gebruiker immers geld zodat terughoudendheid met verwijzingen moet worden betracht.

Circa twintig procent van de begrippen in de regelgeving zal veranderen. Voor zover die normbladen in het voorliggende ontwerpbesluit zijn aangewezen, moeten deze begripsveranderingen ook in de normbladen worden doorgevoerd. Ik heb geen inzicht in de specifieke kosten voor begripsveranderingen in normbladen.

Met de eigenaar van normbladen (NEN) zijn in oktober 2010 afspraken gemaakt over de juiste en tijdige aanpassing van normbladen waarnaar in het nieuwe Bouwbesluit wordt verwezen. Daarnaast is NEN betrokken bij het opstellen van de bij het concept van de bij het Bouwbesluit behorende ministeriële regeling waarin wordt aangegeven op welke delen en welke versie van een normblad een verwijzing betrekking heeft. Beide trajecten verlopen vooralsnog voorspoedig. NEN is vanaf het begin ook bij het opstellen van het ontwerp-Bouwbesluit betrokken geweest.

87

Sluit de gebruikte terminologie van het Bouwbesluit één-op-één aan bij (vigerende en voorzienbare) Europese regelgeving en normering? Zo nee, waarom niet?

Ten opzichte van Europese regelgeving is mij geen afwijkende terminologie bekend. Ten opzichte van in Europees verband geharmoniseerde normen speelt dit voor zover mij bekend alleen bij de Europese Eurocodes (de NEN-EN 1990-serie). De terminologie in het voorliggende ontwerpbesluit is overeenkomstig de terminologie van het Bouwbesluit 2003 gehouden en daardoor deels afwijkend van de terminologie van de Eurocodes. Dit is gedaan omdat de bouwpraktijk gewend is aan deze terminologie en ter voorkoming van verzwaring van eisen. Nederland is overigens niet verplicht om de Eurocodes volledig over te nemen. De afwijkende terminologie staat toepassing van de Eurocodes niet in de weg.

88

Kan een toelichting worden gegeven in welke situatie en waarom de eisen verlaagd worden naar een rechtens verkregen niveau?

Het rechtens verkregen niveau speelt vooral bij verbouw een rol. Zie mijn antwoorden op de vragen 83 en 84. Voor zover het rechtens verkregen niveau in de betreffende voorschriften als verbouwniveau is opgenomen, is dat geschied om verbouw met een redelijk kosten- en kwaliteitsniveau mogelijk te maken. Dat zal onder meer de omzetting van leegstaande kantoorruimte in een andere gebruiksfunctie (bijvoorbeeld woonruimte) stimuleren.

89

Wordt in de voorschriften voor liften een kooilift bedoeld die mede geschikt is voor een scootmobiel?

Ja. De voorschriften voor liften zijn afgestemd met het handboek voor toegankelijkheid van de CG-Raad en waarborgen de toegankelijkheid van een rolstoel van reguliere afmetingen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen scootmobielen en andere rolstoelen.

90

Bij het verkrijgen van een bouwvergunning is er sprake van een rechtens verkregen niveau. Klopt het dat in artikel 1.1 gesteld wordt dat het van rechtens verkregen niveau minstens moet voldoen aan het nieuw gedefinieerde niveau van bestaande bouw? Betekent dit dat bestaande gebouwen naar het niveau voor een bestaand bouwwerk moeten worden getild?

Ja. Dat het kwaliteitsniveau van een bouwwerk niet onder het niveau bestaande bouw mag liggen, is niet nieuw; zie artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet waarin dat reeds is geregeld. Het niveau bestaande bouw is de absolute ondergrens, die nimmer mag worden onderschreden (uitzondering: monumenten). Wanneer dat wel het geval is, dient de technische kwaliteit van het bouwwerk te worden verhoogd.

91

Hoe wordt een regelvermindering van 30% gegarandeerd, daar het kennelijk onontkoombaar is dat voorschriften de ene keer lichter, de andere keer zwaarder uitvallen? Leidt het voorliggende Bouwbesluit tot vermindering van de lastendruk voor de burgers met 30% of leidt het tot meer vrijheid van handelen in het bouwen? In hoeverre is er sprake van meer keuzemogelijkheden, met minder vergaande eisen? Wilt u daarbij niet alleen ingaan op het feit dat de sloopvergunning is vervangen door een melding, de beperking van de informatieplicht tijdens de bouw en het vervallen van de logboekverplichting.

Zie mijn antwoord op vraag 13. Overeenkomstig het voornemen dat mijn ambtsvoorganger in zijn brief van 4 mei 2010 (Kamerstukken II 2009/2010, 28 325, nr. 124) heeft uiteengezet, worden met het voorliggende ontwerpbesluit bestaande voorschriften geïntegreerd, geüniformeerd, afgestemd en vereenvoudigd zonder dat daarbij een aanscherping of verlichting van materiële eisen is beoogd. Bij het vaststellen van de reductie is uitgegaan van het aantal artikelen uit de bronteksten afgezet tegen het aantal artikelen in het voorliggende ontwerpbesluit. De bronteksten omvatten het Bouwbesluit 2003, hoofdstuk 5 van de Regeling Bouwbesluit 2003 (tunnelveiligheid), het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken, paragraaf 2 van het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels alsmede hoofdstuk 2, paragrafen 5 en 7, hoofdstukken 4, 5, 7 en 8 en bijlage 7 van de model-bouwverordening van de VNG. In totaal gaat het in de bronteksten om 669 artikelen terwijl het ontwerp-Bouwbesluit 391 artikelen telt. Dit komt neer op een reductie van het aantal artikelen van 41%. In het algemeen deel van de nota van toelichting is dit vertaald met «ruim 30%». Reden voor die conservatieve schatting is dat de definitieve balans pas kan worden opgemaakt nadat bekend is hoeveel artikelen de bij het nieuwe Bouwbesluit behorende ministeriële regeling zal bevatten. Die regeling wordt thans uitgewerkt. Zodra het aantal artikelen van die regeling vaststaat, kan dat aantal worden vergeleken met het aantal artikelen van de huidige ministeriële regeling Bouwbesluit 2003 en kan de totale balans worden opgemaakt. Overigens verwacht ik niet dat het aantal artikelen van de nieuwe ministeriële regeling fors zal afwijken van het aantal artikelen van de huidige regeling zodat de in de nota van toelichting opgenomen raming van het totale eindresultaat naar verwachting realistisch is. Zie voorts de onderdelen 6 en 8 van de nota van toelichting waarin uitgebreid op de materiële verschillen met het huidige Bouwbesluit 2003 is ingegaan.

92

Betekent het vervangen van de ontheffingsbevoegdheid die het bevoegd gezag bij verbouw van bouwwerken toekwam, door landelijk uniforme verbouwvoorschriften dat er sprake is van minder stringente eisen als het gaat om de verbouwing zelf? Zo nee, waarom niet? Scheelt het de gemeenten in het moeten afgeven van een ontheffing, maar wellicht niet in de toetsing?

In het voorliggende ontwerpbesluit wordt in de meeste gevallen een lager, landelijk geüniformeerd verbouwniveau aangewezen. Dit kan een specifieke eis zijn maar vaak wordt het rechtens verkregen niveau aangewezen (het feitelijk aanwezige kwaliteitsniveau). De gemeenten moeten de aanvragen om omgevingsvergunning nog steeds toetsen maar hoeven geen afweging meer te maken om wel of niet af te wijken van het nieuwbouwniveau. Dat scheelt de aanvrager en de gemeente tijd, omdat op grond van het nieuwe Bouwbesluit vooraf duidelijk is aan welke verbouweisen moet worden voldaan.

93

In hoeverre leidt het voorliggende Bouwbesluit tot goedkopere bouwwerken? Dalen de prijzen van nieuwbouw en van verbouw? Zo nee, waarom niet?

Zie mijn antwoord op vraag 6.

94

Is woonhuisventilatie verplicht op basis van het Bouwbesluit? Zo ja, in welke gevallen? Waarom is dat?

Het voorliggende ontwerpbesluit bevat voor ieder bouwwerk met één of meer verblijfsruimten ventilatie-eisen, dus ook voor iedere woning. Die voorschriften worden gegeven vanuit oogpunt van gezondheid.

95

Klopt het dat de mogelijkheid om «casco» te bouwen uit het Bouwbesluit is gehaald? Zo ja, waarom?

Dit klopt niet. Het voorliggende ontwerpbesluit kent geen wijzigingen met betrekking tot cascobouw. De mogelijkheid om casco te bouwen is (ongewijzigd) geregeld via de indieningsvereisten die in de ministeriële regeling Omgevingsrecht (Mor) zijn opgenomen voor aanvragen om omgevingsvergunning. In artikel 2.7, derde lid, van de Mor is geregeld dat onder voorwaarden bepaalde gegevens en bescheiden later mogen worden aangeleverd, zodat eerst een casco kan worden gebouwd en op een later moment kan worden afgebouwd. De toelichting op bedoeld artikel 2.7, derde lid, geeft het doel van dit betreffende artikel ook aan: «De ruimte om later aanleveren toe te staan maakt het bijvoorbeeld mogelijk een gebouw «casco» te bouwen en pas later de gegevens en bescheiden voor de afbouw ter goedkeuring in te dienen.»

96

Hoe kan het Bouwbesluit bijdragen aan ontwikkelingen om de bouw toekomstbestendiger te maken? Denk bijvoorbeeld aan het faciliteren als het gaat om het aanleggen van voorzieningen (infrastructuur) op het gebied van bijvoorbeeld warmte koude opslag, eigen energieopwekking, een vuilwatersysteem, een 12 voltnetwerk en oplaadpunten voor elektrische voertuigen.

Het Bouwbesluit bevat minimumvoorschriften ten aanzien van de kwaliteit van bouwwerken. Bij de in de vraag bedoelde infrastructurele voorzieningen gaat het om zaken die liggen boven het minimaal voorgeschreven kwaliteitsniveau. De voorschriften bevatten derhalve geen verplichting om die voorzieningen aan te brengen. Het staat opdrachtgevers en eigenaren echter vrij om hun bouwwerk een hoger kwaliteitsniveau te geven, bijvoorbeeld door het aanbrengen van bedoelde voorzieningen.

Voor voorzieningen op energieterrein bevatten de voorschriften van het ontwerpbesluit wel een indirecte stimulans voor het aanbrengen bij te bouwen gebouwen. Om de energieprestatie van woningen te verbeteren en gebouwen toekomstigbestendiger te maken wordt de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) in het Bouwbesluit stapsgewijs aangescherpt in de periode tot 2020. Eigen energieopwekking telt mee in de EPC en is nodig om vanaf 2020 energieneutraal te kunnen bouwen. Vanaf 2012 zullen ook collectieve systemen, waaronder warmtekoudeopslag, worden geïntegreerd in de norm voor de berekening van de energieprestatie.

97

Hoe sluit het voorliggende Bouwbesluit aan op de aanstaande regels met betrekking tot de energieprestatienormen?

Het voorliggende ontwerpbesluit verwijst naar de nieuwe NEN 7120, die de huidige energieprestatienormen NEN 5128 en NEN 2916 vervangt. De EPC-eisen blijven gehandhaafd op het niveau zoals geldend per 1 januari 2011.

98

Waarom is in het voorliggende Bouwbesluit niet gekozen voor een verruiming van het begrip «huishouden»?

Het begrip «huishouden» is in het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Gebruiksbesluit) toegepast in de definitie van kamergewijze verhuur. Omdat dit begrip in de praktijk zeer veel onduidelijkheden opleverde, is – in overleg met alle betrokken partijen – besloten om over te gaan op een vergelijkbare definitie waarin het begrip «huishouden» geen rol meer speelt. De voorschriften voor kamergewijze verhuur zijn nu gebaseerd op het aantal «wooneenheden».

99

In hoeverre is het bouwen van ziekenhuizen en zorginstellingen met het nieuwe Bouwbesluit ingewikkelder en duurder geworden? Waaruit bestaan die zwaardere eisen? Hoeveel geld extra kost het voorliggende Bouwbesluit de zorgsector?

Zie mijn antwoord op de vragen 5 en 11.

100

Is de definitie van veiligheidsvluchtroute in artikel 1.1 voldoende duidelijk opgenomen (zie ook paragraaf 2.85)? Komt de definitie in de Nota van Toelichting (artikelsgewijze toelichting) op bladzijde 11 overeen met de tekst uit het besluit?

Ja, met dien verstande dat in artikel 2.106, eerste lid, nog een redactionele aanpassing wordt doorgevoerd waardoor de redactie van dat artikellid geheel gelijk zal zijn aan de redactie van artikel 2 116, tweede lid.

101

Kunt u een reactie geven op de volgende vragen en opmerkingen van het NVTB:

Artikel 1.2 Aantal personen

Ondanks dat de bezettingsgraadklassen zijn afgeschaft moet bij het toetsen toch worden uitgegaan van een mimimaal aantal personen in gebruiksfuncties. Hierdoor wordt juist een aantal bezwaren op de bezettingsgraadklassen niet weggenomen. Wij zien de volgende nadelen: Het probleem van de gelijktijdigheid is niet weggenomen. Zowel in vergaderruimten, kantines en kantoorplekken worden nu mensen verondersteld aanwezig te zijn. Dit kan leiden tot onrealistisch hoge aantallen personen waarop bijvoorbeeld de capaciteit van de vluchtroutes moet worden afgestemd. De gekozen waarden zijn erg hoog. In bijvoorbeeld een verblijfsgebied van een kantoorfunctie wordt uitgegaan van 8 m2 per persoon. Dit komt overeen met de laagste grenswaarde binnen de bandbreedte van bezettingsgraadklasse B4. De rekenwaarde voor klasse B4 is echter 12 m2 per persoon. Dit betekent dat er dus volgens het voorliggende Bouwbesluit 50% meer personen aanwezig worden verondersteld (uitgaande van bezetting B4, zoals gebruikelijk). Volgens de nota van toelichting punt 6.3 (pagina 14) zou overigens de aanvrager wel degelijk vrij zijn om aan te geven hoeveel personen in het gebouw aanwezig zijn.

Artikel 2.10 Tijdsduur bezwijken

Lid 1: Het woord «niet» ontbreekt tussen «vluchtroute» en «ligt», waardoor het voorschrift een geheel andere betekenis krijgt dan bedoeld is (ook ten opzichte van eerdere concepten). Zie de formulering in artikel 2.14 Lid 1, waar het woordje «niet» wel voorkomt. Voorts is het van toepassing verklaren op de gehele vluchtroute een aanmerkelijke verzwaring ten opzichte van het huidige Bouwbesluit, waar het gaat om de «rookvrije vluchtroute» («beschermde vluchtroute» in de nieuwe terminologie). Voorgesteld wordt om vluchtroute te vervangen door «beschermde vluchtroute» (eveneens in artikel 2.14 Lid 1). Lid 2: de tekst is niet voldoende helder opgesteld, waardoor het aspect bezwijken bij brand onduidelijk blijft voor normale gebruikers van het Bouwbesluit. Verder is de koppeling met de standaardbrand verloren gegaan.

Artikel 2.15 Bepalingsmethode

Lid 2: Het gevolg van deze omschrijving (NEN 6069) is dat het bezwijken van bestaande bouw bij brand alleen vast te stellen zou zijn met een beproeving. Een berekening zou niet toegestaan zijn. Dit lijkt niet werkbaar bij bestaande gebouwen.

Artikel 2.84 Omvang (nieuwbouw)

Waarom is de maximale oppervlakte van een brandcompartiment alleen voor industriefuncties verruimd tot 2500 m2? Dit zou voor veel functies (bijvoorbeeld parkeergarages, sporthallen, zwembaden) wenselijk zijn (en niet onveilig). Bij dit soort functies komen vaak compartimenten groter dan 1000 m2 voor, wat betekent dat er veelal een beroep op gelijkwaardigheid moet worden gedaan. Overigens wordt volgens punt 18 van de nota van toelichting (pagina 42) onderzocht of een verruiming mogelijk is.

Artikel 2.90 Omvang (bestaande bouw)

De maximale vloeroppervlakte van een brandcompartiment van een industriefunctie is niet verhoogd voor bestaande bouw. Het verschil tussen nieuwbouw (2500 m2) en bestaande bouw (3000 m2) is nu erg klein en strookt niet met de factoren die voor andere gebruiksfuncties zijn gekozen (factor 2 tot 3 groter).

Artikel 2 105 Extra beschermde vluchtroute

Lid 3: Het is onduidelijk waarom de extra beschermde vluchtroute vanuit een woning niet over een trap mag voeren. Waarschijnlijk is hier bedoeld dat een woning niet rechtstreeks op een trap mag aansluiten.

Lid 8: Dit is in de praktijk een mogelijke onnodige verzwaring, namelijk indien dit ook geëist zou worden als de betreffende trap niet noodzakelijk is als vluchtroute.

Artikel 2 108 Inrichting vluchtroute

Lid 1: Analoog aan de toevoeging bij artikel 2.95 lid 1 behoort hier het criterium vlamdichtheid met betrekking op afdichting te worden gesteld.

Lid 4: De grenswaarde van een permanente vuurlast 3 500 MJ per bouwlaag is te streng voor veel trappenhuizen met houten kozijnen. Het gebruik van houten kozijnen in vluchttrappenhuizen van woongebouwen wordt hierdoor onnodig moeilijk gemaakt.

Artikel 2 109 Capaciteit van een vluchtroute

Waarom is niet verwezen naar NEN 6089? De opvangcapaciteit is nu niet geregeld, terwijl dit aspect in de praktijk tot veel discussie en bouwkosten leidt.

Artikel 2 121 Brandweerlift

Pas in artikel 6.40 wordt geregeld wanneer een brandweerlift aanwezig dient te zijn. Waarom niet beide artikelen combineren?

Artikel 1.2 Aantal personen

Het heeft mijn voorkeur de aanvrager een zo groot mogelijke vrijheid te geven bij het aangeven hoeveel personen in het gebouw aanwezig zijn. Het ten minste aan te houden aantal personen per m2 verblijfsgebied per gebruiksfunctie is inderdaad hoger dan voortvloeit uit het Bouwbesluit 2003. Ik zal bezien hoe deze onjuistheid kan worden weggenomen.

Overeenkomstig het Bouwbesluit 2003 kan bij het niet gelijktijdig gebruiken van ruimten gebruik worden gemaakt van de gelijkwaardigheidsbepaling.

Artikel 2.10 Tijdsduur bezwijken, lid 1

Dit is een juiste constatering. Het ontbrekende woord «niet» zal worden toegevoegd.

Mede naar aanleiding van het advies van de Adviescommissie Praktijktoepassing Brandveiligheidsvoorschriften geldt de in de vraag bedoelde eis voor een vluchtroute en niet alleen voor een beschermde vluchtroute. Dit omdat twee vluchtroutes afhankelijk kunnen zijn van één bouwconstructie en beide hierdoor tegelijkertijd kunnen bezwijken. Er is geen sprake van een aanmerkelijke verzwaring. Voor zover de vluchtroute buiten een subbrandcompartiment ligt, is de eis overeenkomstig het Bouwbesluit 2003. Binnen een subbrandcompartiment is in de praktijk ook geen verzwaring door de samenloop met de eisen voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag die in afdeling 2.11 zijn opgenomen.

Artikel 2.10 Tijdsduur bezwijken, lid 2

Deze eis is naar mijn mening voldoende helder, zeker in samenhang met de toelichting. Verder zal in het praktijkboek Bouwbesluit 2012 nadere informatie worden gegeven hoe in de praktijk bij de toepassing van dit voorschrift met deze eis moet worden omgegaan. De relatie met de standaardbrand is niet verloren gegaan; deze volgt uit de aangestuurde normen (NEN-EN 1990-reeks) in artikel 2.11.

Artikel 2.15 Bepalingsmethode, lid 2

Deze bepalingsmethode is gelijk aan de bepalingsmethode in het huidige Bouwbesluit 2003.

Dat geen berekening is toegestaan, is niet juist. Op basis van gelijkwaardigheid wordt, en kan ook straks, in de praktijk naast NEN 6 069 gewerkt met rekenkundige bepalingen.

Voorzetting van de huidige werkwijze van het Bouwbesluit 2003 was noodzakelijk omdat NEN niet op korte termijn NEN 8 700 voor bestaande bouw kon uitbreiden voor sterkte bij brand.

Artikel 2.84 Omvang (nieuwbouw)

De verruiming voor de industriefunctie is gedaan omdat voor 2003 ook al compartimenten tot 2 500 m2 waren toegestaan op basis van gemeentelijke bouwverordeningen. In het Bouwbesluit 2003 is dit toen abusievelijk verzwaard. Voor een soortgelijke verruiming bij de andere genoemde gebruiksfuncties ontbreekt dit kader. Zoals in de nota van toelichting is vermeld, vindt onderzoek plaats om duidelijkheid te krijgen of de voorgeschreven maximale omvang van brandcompartimenten verder kan worden verruimd.

Artikel 2.90 Omvang (bestaande bouw)

Zie mijn antwoord op artikel 2.84, hierboven.

Artikel 2.105 Extra beschermde vluchtroute, lid 3

Artikel 2 105 heeft betrekking op een gebouw met één vluchtroute. Dit volgt uit artikel 2.107, eerste lid. Wanneer bij een woongebouw deze enkele vluchtroute over een trap voert, moet dit een portiek zijn of een veiligheidstrappenhuis. Dit is gelijk aan het huidige Bouwbesluit 2003. Het derde lid is nodig om te voorkomen dat een enkele vluchtroute over een trap mogelijk is anders dan in een portiek of een veiligheidstrappenhuis.

Artikel 2.105 Extra beschermde vluchtroute, lid 8

Deze opmerking van de NVTB is niet helder: het achtste lid geldt juist alleen voor een trap die als vluchtroute wordt gebruikt.

Artikel 2.108 Inrichting vluchtroute, lid 1

Dit is een juiste opmerking. Het eerste lid zal hierop worden aangepast.

Artikel 2.108 Inrichting vluchtroute, lid 8

Overeenkomstig artikel 2.170, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003, kunnen deuren, raamkozijnen, leuningen en plinten van hout zijn uitgevoerd indien de trappen vloeren en wanden van steenachtig materiaal zijn.

Ik zal nog bezien of de uitzondering die in het Bouwbesluit 2003 geldt voor portiekflats alsnog moet worden overgenomen in het Bouwbesluit 2012.

Artikel 2.109 Capaciteit van een vluchtroute

Het voornemen is om in de ministeriële regeling een bepalingsmethode op te nemen die nauw aansluit bij de systematiek van NEN 6089 waardoor verwijzing naar dat normblad niet nodig is.

Artikel 2.121 Brandweerlift

Dit volgt uit de systematiek van het voorliggende ontwerpbesluit. Hoofdstuk 2 geeft bouwvoorschriften en hoofdstuk 6 installatievoorschriften. De brandweerlift zelf is een installatie.

102

Kunt u toelichting geven op welke wijze het voorliggende Bouwbesluit ook van toepassing is op woonboten? Gelden dezelfde eisen voor woonwagens of gelden andere eisen? Zo nee, waarom niet?

Evenals het huidige Bouwbesluit 2003 is het voorliggende ontwerpbesluit niet van toepassing op woonboten. De reden dat deze woonvorm nooit onder de werkingsfeer van de Woningwet is gebracht, is dat de variatie in deze specifieke categorie zo divers is dat een substantieel deel van de bestaande woonboten niet aan de technische voorschriften van het Bouwbesluit zou voldoen. Voor woonboten hebben gemeenten hun eigen voorschriften.

103

Waarom moet een uitbater van logies en ontbijt nog steeds een doormeldinstallatie naar de brandweer hebben in plaats dat kan worden volstaan met een rookmelder?

Dit is onjuist. Logies & ontbijt valt onder de logiesfunctie. Aangezien er bij deze vorm van logies sprake is van een logiesfunctie met «24-uurs bewaking» (in principe is de bewoner zelf altijd in de woning aanwezig) zal in geen enkel geval sprake zijn van verplichte doormelding. Zie hiervoor de tabel in bijlage I bij het voorliggende ontwerpbesluit.

Overigens wordt het bieden van logies & ontbijt aan maximaal 4 personen, verdeeld over 2 kamers, gezien als een woonfunctie en niet als een logiesfunctie. Dit zal alsnog in de nota van toelichting worden vermeld.

104

Is er, als het gaat om de brandveiligheidseisen, sprake van een lastenverlichting dan wel een lastenverzwaring? Waar blijkt een en ander uit?

Voor wat betreft nieuwbouw is deze vraag niet eenduidig te beantwoorden. Het is afhankelijk van welke gebouwontwerp wordt uitgegaan. Ieder gebouw is anders. De nieuwe systematiek voor ontvluchten, waarbij onder andere uitgegaan wordt van de personenbenadering, en compartimentering kan voor bepaalde gebouwen ongunstig uitvallen en voor andere weer gunstig. Gestreefd is naar een kosten- en beleidsneutrale omzetting van de eisen in de nieuwe systematiek. Bij bepaalde brandveiligheidsaspecten is echter eenduidig sprake van een duidelijke lastenverlichting. Dit betreft de verruiming van de grootte van brandcompartimenten voor de industriefunctie (van 1000 m2 naar 2500 m2 ) en het bij de meeste gebruiksfuncties afschaffen van de verplichte automatische doormelding van de brandmeldinstallatie naar de regionale alarmcentrale van de brandweer.

Ook bij bestaande bouw zijn de eisen uit het Bouwbesluit 2003 zoveel mogelijk kosten- en beleidsneutraal omgezet. Omdat voor bestaande bouw daarnaast het specifieke overgangsrecht van artikel 9.2 geldt, zal er in de praktijk bij bestaande bouw en voortzetting van het bestaande gebruik geen sprake zijn van lastenverzwaring.

105

Wat zijn de financiële en zorginhoudelijke gevolgen voor de zorgsector van de in het Bouwbesluit opgenomen regelgeving voor vluchtroutes en subcompartimentering?

Zie mijn antwoord op vraag 11.

106

Wat zijn de effecten van het nieuwe toetsingskader voor brandveiligheid in het Bouwbesluit op de feitelijke brandveiligheid, voor bestaande en nieuwe gebouwen?

Zoals ik in mijn antwoord op vraag 104 heb aangegeven, is de omzetting van de eisen in de nieuwe systematiek in beginsel beleidsneutraal uitgevoerd. Bezien over alle gebouwen in Nederland zal zodoende geen sprake zijn van een wijziging van het huidige brandveiligheidsniveau. De wijziging van de brandcompartimenteringseis zal ook niet leiden tot een duidelijke wijziging van dit veiligheidsniveau. Voor 2003 waren via de gemeentelijke bouwverordeningen ook al compartimenten tot 2 500 m2 toegestaan. De Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) is van mening dat het afschaffen van de verplichte automatische doormelding geen afname van het veiligheidsniveau inhoudt.

Voor bestaande gebouwen zijn er bij voorzetting van het bestaande gebruik feitelijk geen nieuwe eisen en blijft het huidige veiligheidniveau gelden.

107

Kan worden aangegeven op welke wijze het nieuwe toetsingskader volgt uit de casuïstiek van branden voor verschillende gebouwtypen?

Het nieuwe toetsingskader volgt niet uit dergelijke casuïstiek maar uit de wens tot eenvoudiger regelgeving.

Alleen het afschaffen van de verplichte automatische doormelding is mede gebaseerd op casuïstiek van branden voor verschillende gebouwtypen, zoals blijkt uit het Eindrapport Werkgroep Brandmeldinstallaties.

108

Waarom worden de conclusies van het (tweede) Efectis rapport over de effecten van het gebruik van brandbare isolatiematerialen in gebouwen met minder zelfredzame personen niet direct verwerkt in het voorliggende Bouwbesluit? Neemt u de conclusies van Efectis over? Zo nee, waarom niet?

Het bedoelde Efectis rapport is pas medio mei uitgebracht en moet door mij nog voor advies worden voorgelegd aan het OPB. Mede op basis van dat advies zal ik beslissen of de betreffende voorschriften op dit punt moeten worden aangevuld en of die aanvulling reeds nu of in een komende wijzigingsronde zal worden verwerkt. Zie ook mijn antwoord op vraag 111.

109

Waarom is artikel 2.73a geformuleerd als kan-bepaling? Bent u voornemens om dit artikel te benutten voor het stellen van eisen voortvloeiend uit het tweede Efectis-rapport? Op welke termijn?

Een kan-bepaling is een gebruikelijke wetgevingstechniek die het mogelijk maakt om op het betreffende punt voorschriften te geven maar daartoe niet verplicht. Zie verder mijn antwoord op vraag 108.

110

Waarom is gekozen voor een andere benadering als het gaat om de vluchtroute? In hoeverre leidt dit tot een lastenverzwaring? Waarom is gekozen voor verblijfsruimten met meer dan 75 personen?

Zoals aangegeven in onderdeel 6.5 van het algemeen deel van de nota van toelichting heeft het OPB al in 2005 geadviseerd om de voorschriften over vluchten te vereenvoudigen. De nieuwe systematiek rondom vluchtroutes is eenvoudiger en completer dan de oude systematiek en is in beginsel kostenneutraal.

In het voorliggende ontwerpbesluit is geen generieke keuze voor verblijfsruimten met meer dan 75 personen gemaakt. Het enige voorschrift dat op verblijfsruimten voor meer dan 75 personen betrekking heeft, is opgenomen in artikel 6.3. In onderdeel 7.4 van het algemeen deel van de nota van toelichting is aangegeven waarom dat aantal in dat geval als ondergrens is opgenomen.

111

Er zit een discrepantie tussen de feitelijke tekst en de tekst van de toelichting die is bijgeleverd, bij de passage die het stellen van extra eisen voor brandbaar isolatiemateriaal behandelt: In de artikelsgewijze toelichting is over isolatiematerialen het volgende opgenomen (pagina 53): 2.73a: Isolatiemateriaal: Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gesteld om te voorkomen dat brandgevaarlijke situatie ontstaat door isolatiematerialen in constructieonderdelen.

Maar in de tekst van het feitelijke besluit staat in veel algemenere bewoordingen (pagina 36): 2.73a Constructie-onderdeel (bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld ter beperking van het ontwikkelen van brand en rook in een constructie-onderdeel).

Wat betekenen de verschillen in de tekst? Wat kunt u straks, met het Bouwbesluit in de hand, precies regelen? Gaat het concreet over isolatiemateriaal?

De artikelgewijze toelichting is abusievelijk niet in overeenstemming met artikel 2.73a. Artikel 2.73a is correct. De toelichting zal hierop worden aangepast.

112

Is een verplichting voor een (buiten-)berging alleen bedoeld om het fietsen te stimuleren? Is de overheid niet oneigenlijk bezig om via een verplichte berging het fietsen te stimuleren? Kan dat niet beter via een andere manier worden gestimuleerd? Is het niet beter om de al of niet aanwezigheid van een berging aan de markt over te laten? Zo nee, waarom niet?

Met de herintroductie van het voorschrift over buitenbergingen geef ik gevolg aan een verzoek van diverse gemeenten en een toezegging aan de Tweede Kamer (algemeen overleg Bouwregelgeving, 10 oktober 2007). De ervaring van de afgelopen jaren heeft geleerd dat de markt niet spontaan voorziet in de door woonconsumenten gewenste buitenberging.

113

Kunt u een toelichting geven op het gebruik van CE-markering (artikel 1.7)? Wordt hiermee afgeweken van Europese producteisen en voorschriften?

Met artikel 1.7 wordt voldaan aan de Europese producteisen en voorschriften.

De Europese regelgeving voor bouwproducten is anders dan de regelgeving voor het op de markt brengen van producten uit andere sectoren, denk bijvoorbeeld aan speelgoed. Bij speelgoed zijn de eisen direct op het product van toepassing terwijl de eisen aan een bouwproduct afhankelijk zijn van de toepassing van het product in het bouwwerk. Denk bijvoorbeeld aan een voorgeschreven Europese brandklasse voor bouwproducten die in een vluchtweg worden toegepast. In artikel 1.7, derde lid, is aangegeven dat een product die prestaties moet hebben die van belang zijn voor het voldoen aan de voorschriften in het Bouwbesluit.

114

Worden, ondanks de nieuwe bouwtechnische voorschriften voor woonwagens, aan deze wagens in bepaalde situaties nog steeds verdergaande eisen gesteld dan aan andere woonvormen? Wat is daarvan de reden? Zo ja, waar gaat het dan om?

Aan woonwagens zijn nooit verdergaande eisen dan aan woningen gesteld maar waar nodig juist lichtere eisen, bijvoorbeeld voor de plafondhoogte en energiezuinigheid.

115

Hoe wordt de zorg voor de kwaliteit van producten gewaarborgd wanneer artikel 1.8 genoegen neemt met de fabrikant eigen verklaring?

Artikel 1.8 van het voorliggende ontwerpbesluit betreft kwaliteitsverklaringen die zijn afgegeven op grond van het erkende stelsel van kwaliteitsverklaringen. Het gaat hier om de vrijwillige toepassing van private certificaten die een aansluiting hebben op het Bouwbesluit. Hier is dus geen sprake van fabrikant eigen verklaringen. Dat kan wel het geval zijn bij producten met CE-markering, zoals vastgelegd in artikel 1.7, derde lid. Vanuit de bouwregelgeving beschouwd is CE-markering voor bouwproducten voldoende. Zie verder ook mijn antwoord op vraag 70.

116

Hoe laat het opnemen van artikel 1.8 zich verenigen met de systematiek van erkende verklaringen? Waarom wordt de waarde van certificering ondergraven door het accepteren van eigen verklaringen van fabrikanten?

Zie mijn antwoord op vraag 115.

117

Waarom gelden voor een bouwkeet (zie nota van toelichting) dezelfde eisen als een bestaand bouwwerk? Hangt de milieubelasting niet af van de levensduur van het gebouw?

Een bouwkeet is een tijdelijk bouwwerk, niet bedoeld voor veeljarig gebruik op eenzelfde plaats. Uit economisch oogpunt worden aan zulke bouwwerken geen hoge kwaliteitseisen gesteld. Evenals in het huidige Bouwbesluit 2003 gelden in het voorliggende ontwerpbesluit dan ook de bodemeisen voor bestaande bouw als ondergrens voor de kwaliteit van zulke bouwwerken.

De aangewezen bepalingsmethode is een wijze voor het bepalen van de milieuprestatie van gebouwen gedurende de gehele levensduur van het gebouw, gebaseerd op de levenscyclusanalyse methode. De levensduur is in die bepalingsmethode naast onder andere de milieu-impact van de toegepaste gebouwonderdelen één van de parameters.

118

Waarom staan de vervallen artikelen nog in het concept? Wat is adequaat en wie beoordeelt dat?

De nummering van de voorschriften in het voorliggende ontwerpbesluit is voorlopig. In het definitieve besluit wordt een doorlopende nummering aangebracht. De reden dat dit nog niet in de voorliggende versie is geschied, is dat hernummering in dit geval een omvangrijke, technisch complexe aangelegenheid is in verband met het grote aantal verwijzingen naar andere artikelen. Om die reden vindt de hernummering pas plaats als de tekst van het ontwerpbesluit vaststaat.

Het begrip `adequaat`wordt ook al in de huidige bouwvoorschriften gehanteerd; zie bijvoorbeeld de artikelen 2.3.7, 2.3.8, 2.3.9, 2.4.1, 2.5.1 en 2.6.3 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Gebruiksbesluit).

119

Waarom zijn er in artikel 1.25 regels opgenomen over het regelen van rooilijnen, terwijl dit in bestemmingsplannen is geregeld?

De in artikel 1.25 opgenomen voorschriften zijn bestaande voorschriften, die thans zijn opgenomen in de gemeentelijke bouwverordeningen. Artikel 1.25 bevat andersoortige voorschriften over rooilijnen dan het bestemmingspan bevat. Op een bestemmingsplankaart wordt juridisch bindend aangegeven waar de rooilijnen zich op een perceel bevinden. Artikel 1.25 van het voorliggende ontwerpbesluit betreft het feitelijk uitzetten van die rooilijnbegrenzing op het betreffende bouwperceel, direct voorafgaand aan het uitvoeren van de bouwactiviteiten. Daarmee is geborgd dat het bouwplan in de praktijk daadwerkelijk verwezenlijkt gaat worden binnen de rooilijnbegrenzing die in het bestemmingsplan is aangegeven.

120

Wat wordt in artikel 3.72 verstaan onder: «voldoende mate»? Waarom is daar in de toelichting bij dat artikel niets over te vinden?

Uit het tweede lid van artikel 3.72 volgt dat er sprake is van «daglicht in voldoende mate» indien toepassing is gegeven aan de overige voorschriften van deze afdeling. Dit zal in de toelichting worden verduidelijkt.

121

Waarom is in artikel 7.16 (overbewoning) als uitgangspunt 12 m2 voor één persoon genomen?

Dit aantal vierkante meters is overgenomen uit de model-Bouwverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Daarmee wordt aangesloten bij de huidige praktijk, zoals die in veel gemeenten bestaat.

122

Kunnen de nadere voorwaarden leiden tot hogere eisen aan het gebouw dan aangegeven in het Bouwbesluit?

Deze vraag kan door mij niet worden beantwoord omdat mij niet duidelijk is op welke nadere voorwaarden hier wordt gedoeld.

123

In hoeverre zijn NEN-normen verplichtend? Hoe verhouden NEN-normen zich tot het Bouwbesluit? Hoe wordt het verplicht betalen voor private NEN-normen door u beoordeeld?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar onderdeel 11.5 van het algemeen deel van de nota van toelichting en naar het kabinetsstandpunt over normalisatie in relatie tot regelgeving waarover u zeer binnenkort wordt geïnformeerd.

124

Waarom wordt er geen gebruik gemaakt van de nieuwste technische inzichten vervat in normbladen NEN 6089 (opvang- en doorstoomcapaciteit), NEN 6075 (versie die aansluit op de CE-markering), NEN 5087 (plaatsbepaling inbraakveiligheid) en NEN 2555 (huisrookmelders nieuwste versie)?

NEN 6089 wordt niet aangestuurd omdat mijn voornemen is in de ministeriële regeling een bepalingsmethode op te nemen die nauw aansluit bij de systematiek van NEN 6089 en verwijzing naar dat normblad niet nodig is. De andere normbladen worden wel aangestuurd, waarbij de versie in Bijlage I van de ministeriële regeling wordt vermeld. Bijlage I komt in nauw overleg met NEN tot stand.

125

Wordt er onderzoek gedaan naar de gevolgen van het vervallen van de verplichting voor aanleg van elektriciteit-, gas-, en watervoorzieningen in woningen in het kader van legionellapreventie?

Zie mijn antwoorden op vragen 20 en 32.

126

Laat het Bouwbesluit private opdrachtgevers ruimte om kwaliteitsverklaringen of keurmerken als extra kwaliteitsborging en zekerheid in aanvulling op CE-markering te vereisen, ook voor aspecten (technische productspecificaties) die door geharmoniseerde normen zijn gedekt?

Zo ja, waarom laat u onduidelijkheid hierover bestaan door in de toelichting van artikel 1.7 lid 2 de volgende zinsnede op te nemen: «Een fabrikant mag bovendien op vrijwillige basis een kwaliteitsverklaring aanbrengen op een product dat al is voorzien van een CE-markering. Hij is hier niet toe verplicht. Ook een verkoper mag niet gedwongen worden tot het leveren van dergelijke producten»?

Zo ja, waarom laat u onduidelijkheid hierover bestaan door in de Nota van Toelichting paragraaf 11.5 de volgende zinsnede op te nemen: «Daarbij wordt opgemerkt dat een opdrachtgever of een gemeente geen kwaliteitsverklaring of een keurmerk mag eisen of verplicht stellen die betrekking heeft op de door de fabrikant verstrekte technische specificaties.»

In principe moeten producten die zijn voorzien van CE-markering en getest zijn volgens de Europese technische specificaties vrij verhandeld en toegepast kunnen worden. Private opdrachtgevers kunnen kwaliteitseisen stellen aan producten, echter fabrikanten en leveranciers kunnen niet worden verplicht tot het leveren van producten met private kwaliteitsverklaringen of keurmerken. Overigens is de CE-markering op een product dat onder een Europees geharmoniseerde specificatie valt het enige merkteken dat kan verklaren dat een product in overeenstemming is met de prestaties die onder de CE-markering zijn aangegeven.

127

Bent u bereid tenminste de toelichting bij artikel 1.7 lid 2, als ook de toelichting bij paragraaf 11.5 te schrappen of te verduidelijken?

Ik zal op termijn de voorschriften van het Bouwbesluit met betrekking tot CE-markering en de bijbehorende toelichting moeten aanpassen op de wijziging van de Europese regelgeving voor bouwproducten, door het van kracht worden van de Europese verordening bouwproducten. Op dit moment wordt onderzocht welke aanpassingen in de nationale regelgeving noodzakelijk zijn en welke artikelen op termijn geschrapt kunnen worden. Dientengevolge zal ook de toelichting op de artikelen worden aangepast. Tot dat moment geldt het huidige artikel 1.7, tweede lid. Ik zal bezien welke aanpassingen kunnen worden aangebracht in de toelichting op artikel 1.7, tweede lid en in paragraaf 11.5, om deze te verduidelijken. Het schrappen van de toelichting is geen optie, aangezien hiermee juist onduidelijkheid ontstaat.

128

Kunt u garanderen dat private partijen na inwerkingtreding van het voorliggende Bouwbesluit in staat blijven om onafhankelijke certificaten of kwaliteitsverklaringen te mogen eisen?

Zoals aangegeven in mijn antwoord op de vragen 70 en 126 kunnen private partijen kwaliteitseisen stellen, met de restrictie dat fabrikanten en leveranciers niet kunnen worden verplicht tot het leveren van producten met private keurmerken en certificaten. Daarnaast is een belangrijk uitgangspunt dat private kwaliteitsverklaringen niet strijdig mogen zijn met Europese regelgeving. Ik wijs u hierbij in het bijzonder op artikel 8, derde lid, van de Europese Verordening bouwproducten.

129

Waarom is het ene bordes 0,8 m x 0,8 m en het andere bordes 0,7 m x 0,7 m?

Met «bordes» wordt hier een trapbordes bedoeld. Zo’n bordes mag niet minder breed zijn dan de trap breed is. Het in de vraag genoemde verschil in maatvoering hangt samen met het verschil in de vereiste minimumbreedte van trappen bij nieuwbouw en bij bestaande bouw. Bij nieuwbouw moet een trap (en dus ook een bordes) een breedte van ten minste 0,8 m hebben en bij bestaande bouw een breedte van ten minste 0,7 m. Overeenkomstige eisen maken overigens reeds sinds 1992 deel uit van het Bouwbesluit.

130

Waarom is er niet voor gekozen om de aannemer of de leverancier aan te spreken in plaats van het individuele bouwproject als het gaat om de milieuaspecten van gebruikte materialen?

Voorschriften op het niveau van het gehele bouwwerk bieden de opdrachtgever en de ontwerper meer ruimte om zelf keuzen te maken in de toe te passen materialen (ontwerpvrijheid) dan voorschriften op het niveau van materialen.

131

In hoeverre is met het voorliggende Bouwbesluit de sloopvergunning komen te vervallen en wordt deze in alle gevallen vervangen door een meldingsplicht?

Met het nieuwe Bouwbesluit komt de figuur `sloopvergunning` zoals die was uitgewerkt in de model-Bouwverordening van de VNG geheel te vervallen en zijn de gevallen die in die uitwerking sloopvergunningplichtig waren voortaan sloopmeldingplichtig.

132

Wat betekent het dat in het voorliggende Bouwbesluit de structurele kwantitatieve administratieve lasten per saldo gelijk blijven? Wat betekent het dat de administratieve lasten voor bedrijven nagenoeg gelijk lijken te blijven? Hoe verhoudt dit zich tot een regelvermindering van 30%?

Evenals nu zijn ook na de inwerkingtreding van het nieuwe Bouwbesluit voor burgers, bedrijven en instellingen administratieve lasten verbonden aan het naleven van voorschriften. Het gaat daarbij in het bijzonder om lasten in verband met het nakomen van informatieverplichtingen, zoals het moeten overleggen van gegevens en bescheiden die in de omgevingsvergunningprocedure voldoende aannemelijk maken dat het bouwplan aan de voorschriften van het Bouwbesluit voldoet. De gevolgen van het voorliggende ontwerpbesluit ten opzichte van het huidige Bouwbesluit 2003 voor de administratieve lasten zijn door SIRA onderzocht. Zoals in onderdeel 13.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting is aangegeven, blijkt uit dat onderzoek dat op enkele specifieke onderdelen sprake is van negatieve of positieve consequenties die per saldo leiden tot een gelijkblijvende administratieve-lastendruk. Zie voor het antwoord op de vraag inzake regelvermindering mijn antwoorden op de vragen 12, 24 en 91.

133

Waarom is, zonder met de branches te overleggen en tegen de gemaakte afspraken in, afscheid genomen van de meeste doormeldinstallaties en gekozen voor zeer stringent beleid ten aanzien van de doormeldinstallaties in gebouwen met logiesfuncties?

Deze veronderstelling is niet juist. De nieuwe voorschriften over doormelding en brandmeldinstallaties zijn gebaseerd op de eindrapportage van de Werkgroep Brandmeldinstallaties, waarin alle betrokken partijen vertegenwoordigd waren, en zijn vervolgens met de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) afgestemd. Zoals uit de tabel in bijlage I van het voorliggende ontwerpbesluit blijkt, is alleen bij logiesverblijven zonder 24-uurs bewaking nog sprake van een verplichte doormelding. U moet hierbij denken aan hotels zonder nachtreceptie en dergelijke. Bij alle andere vormen van logies is de verplichting om door te melden aan de regionale meldkamer komen te vervallen. Er vindt nog overleg plaats over de precieze afbakening van de categorie «logiesverblijven zonder 24-uursbewaking».

134

Waarom is het Bouwbesluit niet beter leesbaar? Bent u van mening dat het nieuwe Bouwbesluit voor alle betrokkenen en de consumenten goed leesbaar en begrijpelijk is, een en ander gelet op het kwaliteitsbeheer en de rechtsbescherming? Zo ja, waarom? Wat vindt u van de suggestie om na een periode van twee jaar praktijkervaring met het nieuwe Bouwbesluit te kijken naar eventuele verbeterpunten (evaluatie)?

Blijkens een aantal ingekomen reacties is het voorliggende ontwerpbesluit leesbaarder en toegankelijker dan het huidige Bouwbesluit 2003. Om meerdere redenen zal het Bouwbesluit nooit door iedereen goed leesbaar en begrijpelijk worden geacht. Bouwen is een vak en vraagt om deskundigheid. Voorschriften van technische aard zijn naar hun inhoud al snel lastig te begrijpen. Bij technische bouwvoorschriften komt daar nog bij dat bouwen en bouwwerken op zich complexe zaken zijn, die deels in de voorschriften worden weerspiegeld. Bovendien is gekozen om te werken vanuit vijf grondslagen (veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu) voor alle te bouwen en bestaande bouwwerken. Vrijheden (ontwerpvrijheid, vrije indeelbaarheid, innovatieruimte) worden hierbij gecombineerd met landelijke uniformiteit (rechtszekerheid, rechtsgelijkheid). Daarbij wordt aangesloten op in de sector gebruikelijke technische documenten (NEN-normen, kwaliteitsverklaringen) en op een groot aantal door Europa bepaalde inhoudelijke eisen. De burger wil daar in de praktijk niet al teveel last van hebben. De professionele bouwpraktijk wordt betrokken bij complexe vormen van (ver)bouwen en wanneer de doe-het-zelver zich toch op dat terrein wil bewegen, doet hij er goed aan zich te laten bijstaan door een architect of bouwkundige. Hetzelfde geldt voor de professionele bouwer die op onderdelen onvoldoende deskundigheid in huis heeft: ook van die bouwer mag worden verwacht dat hij deskundig advies inwint, bijvoorbeeld voor het maken van constructieberekeningen of voor een verantwoorde installatiekeuze. Het inwinnen van dergelijke adviezen is overigens gebruikelijk in de bouwpraktijk. Om iedere geïnteresseerde zo goed mogelijk in kennis te stellen van het nieuwe Bouwbesluit zal de introductie daarvan vergezeld gaan van de nodige voorlichting en kennisoverdracht.

Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 19 zal het nieuwe Bouwbesluit drie jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Een evaluatie op een eerder moment acht ik niet gewenst omdat de uitvoeringspraktijk eerst voldoende tijd moet worden gegund om aan het nieuwe besluit te wennen. Ik zal de praktijktoepassing van het besluit vanaf het begin volgen en eventuele onvolkomenheden zullen zo spoedig mogelijk worden weggenomen. Zie ook mijn antwoord op vraag 58.

135

Voldoen de gebruikelijke houten vloeren in eengezinswoningen aan de tijdsduur voor brandwerendheid? Zo nee, wat zijn dan de aanpassingen?

Het voorliggende ontwerpbesluit bevat geen eisen aan de tijdsduur voor brandwerendheid van houten vloeren in eengezinswoningen.

136

Waarom is er sprake in artikel 2.27 van 0,21 m en in artikel 2.31 van 0,22 m?

Dit onderscheid in niveau van eisen voor nieuwbouw (artikel 2.27) en bestaande bouw (artikel 2.31) maakt al sinds 1992 deel uit van de bouwvoorschriften. Het doet recht aan het beginsel dat hetgeen bij nieuwbouw uit oogpunt van veiligheid wenselijk en realiseerbaar is, redelijkerwijs niet kan worden voorgeschreven bij bestaande bouw.

137

Is er bij de vaststelling van de grootte van brandcompartimenten bij stallen rekening gehouden met het voornemen om de gevolgen van stalbranden te beperken?

Ja. De verruiming van de maximale grootte van brandcompartimenten van 1000 m2 naar 2500 m2 geldt ook voor veestallen. Op basis van de VROM-Handreiking Grote brandcompartimenten en de publicatie Beheersbaarheid van Brand 2007 waren in de praktijk echter al veestallen 2500 m2 toegestaan zonder aanvullende voorzieningen. Feitelijk is dus geen sprake van een verlichting van de eis. Zie ook mijn antwoorden op de vragen 71 tot en met 74.

138

Waarom moet er een geleiding zijn van 0,04 m aan een hellingbaan? Is een dergelijk uitsteeksel juist geen gevaarlijke struikelplek? Wordt het wegglijden van wieltjes niet voorkomen door een handrail/-leuning (zie nota van toelichting)?

Deze geleiderand is nodig om op het gedeelte van de hellingbaan waar geen vloerafscheiding behoeft te zijn (hoogteverschil minder dan 1 m) te voorkomen dat een rolstoel over de rand kantelt. Ter plekke van een aaneengesloten vloerafscheiding, handrail of leuning hoeft geen extra geleiderand te worden aangebracht.

139

Deelt u de mening dat door het vervangen van het begrip uitgangsbreedte door het principe van doorstroomcapaciteit de regelgeving op dit punt een stuk ingewikkelder is geworden?

Nee.

140

Op welke wijze gaat de doorstroomcapaciteit in de praktijk getoetst worden?

Hoe de doorstroomcapaciteit zoals bedoeld in artikel 2.109, eerste lid, kan worden getoetst, is toegelicht in de artikelsgewijze toelichting. De bepaling van de doorstroomcapaciteit zoals bedoeld in artikel 2.109, tweede lid, wordt nader vastgelegd en toegelicht in de ministeriële regeling.

141

Welke gevolgen heeft de invoering van het principe van doorstroomcapaciteit voor bestaande bouw, bijvoorbeeld voor Horecagelegenheden?

Door het specifieke overgangsrecht heeft dit geen gevolgen bij gelijkblijvend gebruik van een bestaand bouwwerk, zoals een op het moment van inwerkingtreding van het nieuwe Bouwbesluit bestaande horecagelegenheid.

142

Deelt u de mening dat er veel onzekerheid blijft over de eisen ten aanzien van de doorstroomcapaciteit en vluchtroutes doordat er bij ministeriële regelingaanvullende of afwijkende voorschriften kunnen worden gesteld?

Nee. Zoals sinds de introductie van het Bouwbesluit (1992) gebruikelijk is, vindt in een ministeriële regeling op onderdelen soms uitwerking van bouwbesluitvoorschriften plaats. Zeer binnenkort start de consultatieronde met betrekking tot het concept van die regeling. De regeling, waarvan de definitieve versie in de Staatscourant zal worden gepubliceerd, zal tegelijk met het nieuwe Bouwbesluit in werking treden. Bij de inwerkingtreding van het nieuwe Bouwbesluit zal dan ook geen onzekerheid over de in de vraag bedoelde eisen kunnen bestaan.

143

Hoe groot mag een subbrandcompartiment zijn op een gewone verpleegafdeling? Moet de bewaking ook ter plaatse zijn, of binnen het compartiment of mag ook bewaking via ICT op afstand zijn?

De toegestane omvang van een subbrandcompartiment is afhankelijk van het bewakingsniveau. Bij permanente bewaking mag het compartiment 500 m2 zijn. Ontbreekt elke vorm van bewaking dan mag het niet groter dan 50 m2 zijn. Op welke wijze deze bewaking wordt georganiseerd is niet aan de wetgever maar aan de deskundigen binnen de gezondheidszorg.

144

Waarom mogen galerijwoningen en corridorwoningen niet blijven bestaan? Hoeveel ongelukken zijn er de afgelopen jaren met dit soort woningen geweest (zie ook nota van toelichting)? Wat betekent het verdwijnen van dit soort woningtypen voor het hergebruik van kantoorgebouwen en renovaties van verzorgingshuizen en appartementenflats? Waarom wordt verwezen naar een rapport van een adviesbureau (adviesbureau Nieman) dat niet een openbaar rapport is (zie nota van toelichting)?

De voorschriften aan portiek- en etagewoningen zijn niet aangescherpt. Dit woningtype blijft mogelijk. Het onderzoeksrapport Brandveiligheid Portiekwoningen, Adviesbureau Nieman, juni 2010 is abusievelijk niet gepubliceerd op rijksoverheid.nl en dit wordt alsnog gedaan. In aanvulling op dit rapport laat ik nader onderzoek doen naar de mogelijkheden en daaraan verbonden kosten om de brandveiligheid in portieken te vergroten. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen in een volgende wijziging van het Bouwbesluit worden meegenomen.

145

Op welke wijze worden de eisen die zijn gesteld aan installaties voor luchtverversing getoetst?

Bij de omgevingsvergunningaanvraag moet de aanvrager ten genoegen van het bevoegd gezag voldoende aannemelijk maken dat de voorgenomen voorziening voldoet aan de capaciteitseisen die het Bouwbesluit stelt. Dit kan door middel van een berekening, een kwaliteitsverklaring, een producentenverklaring enzovoort. Wanneer niet voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat aan de capaciteitseisen wordt voldaan, moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.

146

Worden ook installaties voor luchtverversing van bestaande bouw (periodiek) getoetst?

Nee, controle en onderhoud van bestaande luchtverversingsinstallaties behoren geheel tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar/beheerder van het betreffende bouwwerk. Fabrikanten adviseren daarbij vaak een jaarlijkse of tweejaarlijkse onderhoudsbeurt.

147

Er blijkt enige onduidelijkheid te zijn over vluchtroutes en brandcompartimenten en de samenhang tussen artikel 2.107 en een mogelijke ontheffing. Kunt u dit nader toelichten?

Bedoeld wordt waarschijnlijk de vroegere mogelijkheden tot ontheffing bij verbouw. Die mogelijkheid is uit het voorliggende ontwerpbesluit geschrapt. Daarvoor in de plaats zijn concrete voorschriften opgenomen die hetzij naar de voorschriften voor nieuwbouw, hetzij het rechtens verkregen niveau, hetzij de voorschriften voor bestaande bouw verwijzen. Bij vluchtroutes en subbrandcompartimentering geldt bij een verbouwing het rechtens verkregen niveau.

148

Zijn ziekenhuispatiënten en cliënten van een AWBZ-instelling zodanig bedgebonden zodat zij altijd gebruik moeten maken van een extra beschermde vluchtroute (artikel 2.115 en nota van toelichting pagina 18)?

Nee. Ziekenhuispatiënten en cliënten van een AWBZ-instelling zijn niet per definitie bedgebonden zoals bedoeld in het voorliggende ontwerpbesluit. Voor de toepassing van dit besluit is bij het onderscheid «wel of niet bedgebonden» bepalend of zo´n patiënt of cliënt zelf in staat is zich bij een eventuele brand tijdig in veiligheid te brengen of dat hij daarvoor afhankelijk is van derden zoals verplegend personeel.

In artikel 2.115 is de eis onafhankelijk van het wel of niet bedgebonden zijn. Dit voorschrift is ook van toepassing op gebouwen zonder bedgebied. Wat op pagina 18 (Algemene nota van toelichting) staat over een extra beschermde vluchtroute heeft betrekking op nieuwbouw, terwijl artikel 2.115 betrekking heeft op bestaande bouw. Dit betekent dat bij bestaande bouw pas een extra beschermde vluchtroute nodig is als er meer dan 37 personen op deze vluchtroute zijn aangewezen, waarbij het niet uit maakt of de personen bedgebonden zijn.

149

Zijn twee vluchtroutes altijd voldoende (artikel 2.117)? Ook voor bedgebonden mensen? Vervallen dan de extra eisen die aan een veiligheidsvluchtroute en aan een (extra) beschermde vluchtroute worden gesteld en vervallen dan ook de eisen over het aantal personen dat moet vluchten?

Ja. Bij twee onafhankelijke vluchtroutes vervallen inderdaad de betreffende eisen. Dit geldt ook in een situatie met bedgebonden patiënten. Het is niet noodzakelijk dat de bedgebonden patiënten daadwerkelijk gebruik kunnen maken van beide vluchtroutes. Voor bedgebonden patiënten volstaat één vluchtroute die leidt naar een ander brandcompartiment op dezelfde bouwlaag zoals bedoeld in artikel 2.84, tiende lid. In het opvangcompartiment is men gedurende voldoende tijd veilig om de ontruiming van bedgebonden patiënten via de trap te kunnen organiseren.

150

Waarom wordt bij gebouwen hoger dan 70 meter de sprinkler niet verplicht gesteld (artikel 2.134)?

Het Bouwbesluit bevat prestatie-eisen. Dit wil zeggen dat er geen oplossingen worden voorgeschreven maar dat wordt voorgeschreven dat een bouwwerk een bepaalde minimale kwaliteit heeft. In geval van brandveiligheid schrijft het Bouwbesluit dan ook geen sprinklers of andere maatregelen voor, maar is bepaald dat een gebouw zodanig is ingericht dat het bouwwerk brandveilig is. Dit biedt de opdrachtgever en de ontwerper ruimte om zelf – door sprinklers of met behulp van een andere oplossing – zo efficiënt mogelijk te komen tot een brandveilig gebouw.

151

Waarom mogen de andere luchthavens dan Schiphol meer geluidsoverlast geven?

De voorschriften zijn gegeven in samenhang met de Wet luchtvaart. Krachtens die wet mag er bij Schiphol nachtelijk vliegverkeer plaatsvinden. Bij andere burgerluchthavens geldt een beperking voor nachtelijk vliegverkeer. Voor de situatie bij Schiphol is daarom ook een voorschrift opgenomen voor een voldoende mate van bescherming tegen nachtelijk vliegtuiglawaai.

152

Waarom wordt in artikel 3.31 ook niet geëist dat een toestel af te zetten is (bijvoorbeeld wanneer er gevaarlijke stoffen in de lucht zitten is dat noodzakelijk)?

Bij brief van 19 december 2008 (Kamerstukken II 2008–2009, 27 801, nr. 65) heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer u hier in algemene zin als volgt over geïnformeerd: «Vooralsnog ben ik van mening dat deze voorziening bereikt kan worden in goed overleg met de producenten, installateurs en opdrachtgevers van deze installaties. Regelgeving is op dit moment niet gewenst vanwege het gedeelde streven naar deregulering en ook uit het oogpunt van toezichtsdruk en daarmee gepaard gaande kosten niet wenselijk.» In het voorliggende ontwerpbesluit wordt daarop een uitzondering gemaakt voor mechanische ventilatiesystemen in gebouwen die gebouwd worden direct naast of boven een transportroute voor gevaarlijke stoffen (plasbrandaandachtsgebied of veiligheidszone). Op grond van artikel 2.140 van het ontwerpbesluit zal in de ministeriële regeling worden bepaald dat een dergelijk systeem in zo’n gebouw uitgeschakeld moet kunnen worden. Dit in verband met de risicovolle omgeving waarin die gebouwen worden geplaatst.

153

Zijn de resultaten over balansventilatie, zoals de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu naar de Kamer stuurde, van invloed op het Bouwbesluit (artikel 3.34)? Zo ja, op welke wijze?

Nee. Evenals in het huidige Bouwbesluit 2003 bevat het voorliggende ontwerpbesluit prestatie-eisen voor de ventilatiecapaciteit en wordt niet voorgeschreven met welke technische oplossing aan die eisen moet worden voldaan. Mits de voorgeschreven minimumcapaciteit met de gekozen oplossing bereikt wordt, is het aan de opdrachtgever om te bepalen of daarbij een mechanisch ventilatiesysteem zoals balansventilatie gebruikt wordt. De resultaten van de in de vraag bedoelde onderzoeken hebben betrekking op de kwaliteit van mechanische ventilatiesystemen in recent opgeleverde eengezinswoningen. Die onderzoeken hebben vooral betrekking op de vraag of de overeengekomen kwaliteit daadwerkelijk is geleverd. Hoewel deze onderzoeken niet specifiek waren gericht op het voldoen aan de voorschriften van het Bouwbesluit, mag worden verondersteld dat met het falen van de geleverde kwaliteit in de onderzochte gevallen ook voor een deel de eisen in het Bouwbesluit zijn onderschreden.

154

Deelt u de mening dat de vastgestelde breedte van lifttoegang van 0,85 meter ontoereikend is om de toegankelijkheid met een scootmobiel te waarborgen?

Zie mijn antwoorden op de vragen 48, 54, 61 en 89.

155

Moet verse lucht bij opslag van huishoudelijk afval altijd van buiten komen (artikel 3.40)? Ook bijvoorbeeld van de opslag huishoudelijk afval op een verpleegafdeling van een ziekenhuis?

Het betreffende voorschrift van artikel 3.40 betreft de toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval. In zo’n opslagruimte moet de toevoer van verse lucht inderdaad rechtstreeks van buiten komen. Een verpleegafdeling van een ziekenhuis is in de regel niet tevens opslagruimte voor dergelijke afval, zodat het betreffende voorschrift niet op zulke afdelingen van toepassing zal zijn.

156

Waarom wordt in de nota van toelichting (artikel 3.61) gesproken over ionisatie terwijl Formaldehyde en asbest geen ionisatie geeft?

Op grond van artikel 3.61 van het voorliggende ontwerpbesluit kunnen bij ministeriële regeling zowel voorschriften over maximaal toegestane concentraties gevaarlijke stoffen (zoals asbestvezels en formaldehyde) als voorschriften over maximaal toegestane hoeveelheden straling (zoals radon) worden gegeven. Om deze reden wordt in de toelichting bij artikel 3.61 zowel op die stoffen als op straling ingegaan.

157

Waarom is in artikel 4.2 het aantal m2 gesteld op 18? Hoe verhoudt zich dit getal tot de zogenaamde Van Dameenheden uit het verleden en de kamers in verpleeghuizen van 16m2 (oude norm) die bij scheiden wonen zorg apart verhuurd gaan worden?

Het betreft een minimum eis voor de oppervlakte van ten minste één verblijfsruimte in een zelfstandige woonfunctie, om tafel en stoelen in te kunnen plaatsten. Van Dameenheden waren feitelijk geen geheel zelfstandige woonfuncties maar wooneenheden, ook al hadden zij een eigen huisnummer. Er werd gebruik gemaakt van een woonkamer of een keuken die met andere eenheden werd gedeeld (gezamenlijke ruimte). Een verpleeghuis valt niet onder de woonfunctie, maar onder de gezondheidszorgfunctie. De gezondheidszorg hanteert hierbij eigen uitgangspunten.

158

Kunt u aangeven wat de effecten zijn op de brandveiligheid van het beperken van de verplichte doormelding door brandmeldinstallaties?

Onderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) laat zien dat het veiligheidsniveau door de vermindering van de plicht tot doormelden niet afneemt. De brandweer kan daar zijn waar ze echt nodig is en behoudt gemotiveerde medewerkers.

159

Stelt artikel 4.21 dat na de invoering van het Bouwbesluit alle deuren bij nieuwbouw verplicht 2.3 meter hoog moeten zijn?

De in de vraag bedoelde eis is ongewijzigd overgenomen uit het huidige Bouwbesluit 2003. De eis heeft betrekking op de minimaal benodigde vrije hoogte van de in artikel 4.22 van het voorliggende ontwerpbesluit genoemde doorgangen. Voor zover in zo´n doorgang een deur wordt aangebracht, wat niet altijd vereist is, zal die deur zijn afgestemd op de hoogte van de doorgang.

160

Mag het hoogteverschil, volgens artikel 4.27 en 6.50, niet meer dan 2 cm zijn? Is een groter hoogteverschil met een rolstoel niet haalbaar? Betekent dit dat er extra constructies nodig zijn voor het weglopen van water?

Een hoogteverschil van meer dan 2 cm is voor rolstoelgebruikers een ernstige beperking van de toegankelijkheid van gebouwen. Dit maximum van 2 cm hoogteverschil is al sinds 1992 in het Bouwbesluit opgenomen. Het ligt dan ook niet in de rede te verwachten dat het voorliggende ontwerpbesluit tot het aanbrengen van extra constructies noopt.

161

Indien deuren vergroot worden tot 2,3 meter vanwege lange mensen, moet de liften dan ook niet ingesteld worden op langere mensen en groter zijn dan 2,05 meter?

De liftindustrie werkt internationaal, waarbij Nederland een relatief klein marktaandeel is. Zij heeft zich rond 2003 met succes tot in Brussel verzet tegen een grotere deurhoogte bij liftkooien voor alleen de Nederlandse markt.

162

Op welke wijze draagt het beperken van bouwactiviteiten op werkdagen bij aan de flexibilisering van de werktijden in de bouw (bijvoorbeeld op zaterdagen)?

Het in de vraag bedoelde artikel 8.4 van het voorliggende ontwerpbesluit heeft uitsluitend betrekking op het beperken van geluidhinder ten gevolge van het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Dat artikel maakt het in beginsel mogelijk om bouw- en sloopwerkzaamheden op elk gewenst moment uit te voeren. Zie het tweede lid dat het uitvoeren van die werkzaamheden ook op andere dagen en tijdstippen dan op werkdagen tussen 7.00 uur en 19.00 uur mogelijk maakt. Overigens bevat de redactie van het eerste lid van artikel 8.4 van het voorliggende ontwerpbesluit een onvolkomenheid. Dat eerste lid wekt namelijk de indruk dat het artikel betrekking heeft op het uitvoeren van alle bouw- en sloopwerkzaamheden terwijl alleen de bouw- en sloopwerkzaamheden zijn bedoeld die met geluidhinder gepaard gaan. Die onvolkomenheid zal worden weggenomen.

163

Wat is de inhoud van de aangekondigde Energieprestatienorm voor Maatregelen op Gebiedsniveau (EMG) en wanneer zal deze volgens verwachting geïntegreerd worden in de huidige EPC-systematiek?

De EMG is een rekenmethode voor de bepaling van de bijdrage van gebiedsmaatregelen aan de energieprestatie van een gebouw. Onder gebiedsmaatregelen worden verstaan collectieve maatregelen zoals restwarmtelevering, warmtekoudeopslag, collectieve warmtepompen en dergelijke. De EMG is van toepassing vanaf het moment van inwerkingtreding van het nieuwe Bouwbesluit.

164

Is het waar dat in de betreffende NEN-norm de prestatie van de levering van duurzame warmte uit biomassa in de energieprestatienormering nog niet opgenomen is? Waarom niet? Wanneer zal dit gebeuren?

De prestatie van de levering van duurzame warmte uit biomassa is inderdaad nog niet opgenomen in de betreffende normbladen (NEN 7120 Energie Prestatie Gebouwen EPG en NVN 7125 Energieprestatienorm Maatregelen op Gebiedsniveau EMG). De reden hiervoor is dat de formulering van de duurzaamheidcriteria nog niet is afgerond; dit gebeurt in het kader van de uitvoering van de motie Van den Berge c.s. (32 357, nr. 27).

Door gebruik te maken van het gelijkwaardigheidsbeginsel is het overigens nu al mogelijk om de energieprestatie van duurzame warmte uit biomassa in de EPC-berekening te waarderen.

165

Is het waar dat in de betreffende NEN-norm de prestatie van de levering van duurzame warmte uit biomassa in de energieprestatienormering nog niet opgenomen is? Waarom niet? Wanneer zal dit gebeuren?

Zie mijn antwoord op vraag 164.

166

Voorziet de EPG-norm in alle gevallen in een getrapte eis, zodat er een minimale eis aan isolatie van de schil van de woning gesteld wordt, niet alleen in geval van stadswarmte en collectieve warmte koude systemen, maar ook voor gebouwgebonden apparaten zoals HR++ ketels en zonnepanelen?

Nee. De getrapte eis wordt in het Bouwbesluit geregeld en geldt alleen indien gebiedsmaatregelen met de EMG-rekenmethode worden berekend.

167

De invloed van gebouwautomatisering, regelingen en gebouwbeheer is duidelijk vastgelegd in de norm NEN-EN 15232. De integrale regeling van zonwering wordt hierin aangegeven als noodzakelijk om de hoogst mogelijke energie-efficiëntie te behalen (Klasse A). Wordt met slechts het stellen van een adviesnorm voldoende bereikt?

De energieprestatie van een gebouw is vastgelegd in wet- en regelgeving (Bouwbesluit). De bepalingsmethode (voor nieuwbouw) voor die energieprestatie is vastgelegd in het normblad NEN 7120 (Energieprestatie van gebouwen). In de NEN 7120 (blz. 431) wordt voor bepaalde onderdelen van deze norm verwezen naar de NEN-EN 15232. Mede op basis van de NEN-EN 15232 zijn binnen NEN 7120 tal van regelingen, waaronder geautomatiseerde zonwering, gewaardeerd. NEN en NEN-EN sluiten dus op elkaar aan. Zo is er bijvoorbeeld in de NEN 7120 bij utiliteitsgebouwen een onderscheid in de waardering tussen handbediende zonwering en zonwering met een automatische regeling.

168

Waarom is er ook sprake van thermische isolatie bij inwendige scheidingsconstructie (artikel 5.3)?

Deze eis is nodig om warmteverlies te beperken bij een scheidingconstructie (binnenwand) tussen een onverwarmde ruimte en een voor personen bedoelde verwarmde ruimte.

169

Waarom moet iedereen een berekening maken indien het bevoegd gezag toch geen eisen aan de uitkomsten kan verbinden (zie nota van toelichting bij artikel 5.9)? Is deze berekening dan niet slechts extra overbodige administratielast die moet verdwijnen? Wat betekent het verder dat gevoegd gezag een gesprek kan aangaan naar aanleiding van de berekening? Is dit niet in strijd met de een loketgedachte van de Wabo en leidt dit niet tot extra oponthoud bij het verlenen van de vergunning?

De berekening dient te worden overlegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. De reikwijdte van deze verplichting is beperkt tot te bouwen woningen en kantoorgebouwen. Dat zijn in de regel grotere gebouwen, waarbij substantiële materiaalstromen in het geding zijn en waar milieuwinst is te behalen. Zie verder mijn antwoord op vraag 37.

Het is niet strijdig met de één-loketgedachte. De aanvrager hoeft nog steeds maar één vergunning aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft aan op welke activiteiten zijn aanvraag betrekking heeft en overlegt afhankelijk daarvan de gevraagde berekening. De controle op aanwezigheid van een correcte berekening zal in de regel niet tot noemenswaardig oponthoud leiden bij het verlenen van de vergunning.

170

Is het mogelijk om artikel 6.24 onder te brengen onder afdeling 6.1 en samen te voegen met artikel 6.3? Of zijn er andere redenen om dit artikel onder te brengen bij afdeling 6.6?

Artikel 6.24, dat in het voorliggende ontwerpbesluit in afdeling 6.6 is opgenomen, bevat voorschriften over vluchtrouteaanduidingen in bouwwerken. Ik acht die afdeling de beste plaats voor die voorschriften. Afdeling 6.6 bevat namelijk voorschriften over vluchten bij brand en vluchtrouteaanduidingen zijn een voorziening ten behoeve van het vluchten. Artikel 6.3, dat is opgenomen in afdeling 6.1 «Verlichting», bevat voorschriften over de noodverlichting. De voorschriften over vluchtrouteaanduidingen hebben weliswaar in bepaalde opzichten een relatie met de voorschriften over noodverlichting maar die relatie is naar mijn oordeel niet zodanig dat overheveling van de voorschriften over vluchtrouteaanduiding naar artikel 6.3 nodig is. Overigens zijn de vigerende voorschriften over noodverlichting en vluchtrouteaanduidingen ook niet in één artikel opgenomen en mij is niet gebleken dat dit in de uitvoeringspraktijk tot misverstanden of onduidelijkheden heeft geleid.

171

Waarom wordt de verlichtingssterkte van de noodverlichtingsinstallatie versterkt van 1 lux (huidige en Europese norm) naar 2 lux (artikel 6.2 en 6.3)? Waarom worden eisen hoger gesteld dan de Europese eisen die bij noodverlichting uitgaan van 1 lux?

De verhoging van 1 naar 2 lux vloeit voort uit het advies van de Adviescommissie Praktijktoepassing Brandveiligheidsvoorschriften. In overleg met NEN wordt bezien of aanpassing gewenst is.

172

Ziet u reden om, mede naar aanleiding van conclusies van de Gezondheidsraad over de schadelijkheid van asbest, de regels omtrent de concentratie van asbestdeeltjes aan te scherpen?

Nee, zie ook mijn antwoord bij vraag 177.

173

Bij de bouw van bijvoorbeeld tijdelijke bouw moet er voor het storten van hemelwater van het dak op het terrein naast een vergunning ex Wabo ook een vergunning ex Wet milieubeheer komen. Kan dit niet in een keer worden afgehandeld (zie artikel 6.18 lid 5)?

Het één-loket principe voorziet er in dat de vergunningaanvrager daar in de praktijk geen last van heeft omdat op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan worden volstaan met één vergunningaanvraag die door het bevoegd gezag in één keer behandeld moeten worden.

174

Enige jaren geleden moest het glazenwasserbakje vervangen worden door bewassing met een hoogwerker. Is het nu weer toegestaan om een glazenwasserbakje te gebruiken (artikel 6.54)?

Ter uitvoering van Europese regelgeving is het arbeidsomstandighedenbeleid van het kabinet gericht op het terugdringen van het gebruik van ladders en zogenoemde bootsmansstoeltjes als werkplek. Glazenwasserbakjes en hoogwerkers zijn juist zeer gewenst om fysieke belasting en valgevaar te voorkomen. Glazenwasserbakjes zijn dan ook niet verboden en ook nooit verboden geweest.

175

Is het volgens artikel 7.4 toegestaan om een kerstboom binnen neer te zetten in kerken en in andere gebruiksruimten?

Bij het plaatsen van een kerstboom gaat het om aankleding van de ruimte. Op grond van artikel 7.3, eerste lid, van het voorliggende ontwerpbesluit kan een kerstboom ook in een kerk of andere gebruiksruimte worden neergezet, mits de kerstboom niet meer dan een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert of voldoet aan één van de andere in dat artikellid opgenomen criteria.

176

Betekent artikel 7.13 lid 2 dat alle slingers en vlaggen onderspannen moeten worden met metaaldraad?

Nee. Artikel 7.13, tweede lid, heeft uitsluitend betrekking op grotere oppervlakken textiel, folie of papier die horizontaal worden toegepast. Dat artikellid zal bijvoorbeeld dus wel van toepassing zijn op een zeer grote vlag die horizontaal wordt opgehangen maar in de regel niet op slingers.

177

Waarom wordt bij artikel 7.17 niet aangesloten bij het advies over asbest van de Gezondheidsraad?

In het nieuwe Bouwbesluit wordt aangesloten op het advies van de Gezondheidsraad over asbest. In de brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan de Tweede Kamer van 15 februari 2011 als reactie op het advies van de Gezondheidsraad van juni 2010, geeft hij aan dat het maximaal toelaatbaar risico (MTR) regelmatig wordt gebruikt als grondslag voor de berekening van de eventuele wettelijke milieunormen. Het MTR mag niet worden overschreden. In het Bouwbesluit is dat MTR als grenswaarde overgenomen.

178

Waarom wordt bij het bemalen van bouwputten e.d. geen rekening gehouden met schade aan omliggende gebouwen (artikel 8.6)? Klopt het dat wel schade toegestaan is die nog geen gevaar geeft voor veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid?

Artikel 8.6 heeft geen betrekking op het voorkomen van schade door het bemalen van bouwputten en dergelijke. Het onttrekken van grondwater en het voorkomen en vergoeden van eventuele daarmee samenhangende schade is geregeld in de Waterwet. Artikel 8.6 heeft een ander motief, namelijk het borgen van de kwaliteit van funderingen en daarmee de veiligheid van omliggende bouwwerken («belendingen»).


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Dijksma, S.A.M. (PvdA), voorzitter, Beek, W.I.I. van (VVD), Staaij, C.G. van der (SGP), Koopmans, G.P.J. (CDA), Bochove, B.J. van (CDA), Aptroot, Ch.B. (VVD), ondervoorzitter, Smilde, M.C.A. (CDA), Jansen, P.F.C. (SP), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Brinkman, H. (PVV), Raak, A.A.G.M. van (SP), Thieme, M.L. (PvdD), Dibi, T. (GL), Heijnen, P.M.M. (PvdA), Elissen, A. (PVV), Monasch, J.S. (PvdA), Schouw, A.G. (D66), Marcouch, A. (PvdA), Boer, B.G. de (VVD), Hennis-Plasschaert, J.A. (VVD), Lucassen, E. (PVV), Verhoeven, K. (D66) en Grashoff, H.J. (GL).

Plv. leden: Dam, M.H.P. van (PvdA), Burg, B.I. van der (VVD), Dijkgraaf, E. (SGP), Sterk, W.R.C. (CDA), Bruins Slot, H.G.J. (CDA), Steur, G.A. van der (VVD), Knops, R.W. (CDA), Dijk, J.J. van (SP), Slob, A. (CU), Klaveren, J.J. van (PVV), Vacature (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Gent, W. van (GL), Kuiken, A.H. (PvdA), Fritsma, S.R. (PVV), Vermeij, R.A. (PvdA), Pechtold, A. (D66), Wolbert, A.G. (PvdA), Nieuwenhuizen-Wijbenga, C. van (VVD), Taverne, J. (VVD), Bontes, L. (PVV), Hachchi, W. (D66) en Voortman, L.G.J. (GL).