Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132735 nr. 24

32 735 Mensenrechten in het buitenlands beleid

Nr. 24 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 juni 2011

Graag bied ik u hierbij deze brief aan over buitengerechtelijke executies, zoals toegezegd aan de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken tijdens het Algemeen Overleg van 14 juni 2011.

Zoals ik reeds opmerkte tijdens dit Algemeen Overleg Mensenrechten, kan over het verbod op buitengerechtelijke executies geen twijfel bestaan. Op politiek niveau heeft Nederland altijd en met kracht stelling genomen tegen dit soort dodelijk geweld. Er bestaat een belangrijk en uitgebreid juridisch kader dat opzettelijke levensberoving dan wel buitengerechtelijke executie verbiedt.

Nederland heeft zich, vaak samen met de Europese Unie, uitdrukkelijk tegen de doodstraf, en tegen buitengerechtelijke, standrechtelijke (summary) of willekeurige executies uitgesproken. Zo hebben Nederland en andere EU-lidstaten op 21 december 2010 de resolutie over buitengerechtelijke, standrechtelijke (summary) of willekeurige executies van de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties ge-cosponsord. In deze verklaring veroordeelt de Algemene Vergadering nogmaals sterk alle buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies die nog steeds plaatsvinden over de hele wereld (A/C.3/65/L.29/Rev.1).

Wat betreft buitengerechtelijke executies in het Israëlisch-Palestijnse conflict wijs ik op uitspraken van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken over de buitengerechtelijke executies van Sheikh Yassin en zijn opvolger Abdel Aziz Rantisi in 2004. De Nederlandse regering heeft deze veroordeeld (zie bijv. Kamerstuk 23 432, nr. 157). Voorts wijs ik op de verklaring van de Europese Raad van 16 juni 2006 over het vredesproces in het Midden-Oosten (21 501-20, nr. 321). De Europese Raad herhaalt hierin de Europese veroordeling van buitengerechtelijke executies. Het standpunt van de regering is ook verwoord in haar antwoord op vragen van het lid Karimi (GroenLinks) aan de minister van Buitenlandse Zaken (vergaderjaar 2000–2001, aanhangsel nr. 1564), en van het lid Peters (GroenLinks; vergaderjaar 2006–2007, aanhangsel nr. 892).

Buitengerechtelijke executies hebben zich daarnaast op grote schaal voorgedaan in andere landen in de regio, zoals Algerije, Irak en Soedan, aldus onderzoeken van de VN en van mensenrechtenorganisaties. De regering heeft daar ook stelling tegen ingenomen. De regering deelt de zorgen van de VN-rapporteur voor buitengerechtelijke executies, Christof Heyns, en andere VN-rapporteurs zoals neergelegd in VN-verklaringen over de recente gebeurtenissen in de Arabische wereld, onder andere Jemen, Libië, Syrië en Tunesië, waarbij mogelijk ook sprake is geweest van buitengerechtelijke executies.

Bij de beoordeling of sprake is van buitengerechtelijke executies is van belang welk recht van toepassing is op een bepaalde situatie. In geval sprake is van een gewapend conflict is het humanitair oorlogsrecht van toepassing, dat in artikel 147 van de Vierde Geneefse Conventie opzettelijke levensberoving ten aanzien van door de Conventie beschermde personen tot een ernstige schending maakt. Dit verbod is herhaald in artikel 85 van Aanvullend Protocol I bij de Geneefse Conventies. Het misdrijf is nadien ook opgenomen in het Statuut voor het Internationaal Strafhof, en het is eveneens strafbaar gesteld in de Wet Internationale Misdrijven.

Tijdens gewapend conflict zijn er situaties waarin dodelijk geweld rechtmatig is. Of er sprake is van een buitengerechtelijke executie ten tijde van een gewapend conflict vereist een feitelijk oordeel dat in eerste instantie de verantwoordelijkheid is van de partijen betrokken in dat conflict. Zij hebben zicht op de feiten en omstandigheden die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat sprake is van een dergelijke executie. Als er een vermoeden is van onrechtmatige levensberoving of buitengerechtelijke executies dan behoort strafrechtelijk onderzoek te worden gedaan en, indien aan de orde, strafvervolging plaats te vinden.

Het Israëlische rechtssysteem biedt de mogelijkheid om dit soort vragen voor te leggen aan de nationale rechter. In dat verband wijs ik op de uitspraak over «targeted killings» van het Israëlische Hooggerechtshof uit december 2006 (Public Committee Against Torture in Israel & Palestinian Society for the Protection of Human Rights and the Environment vs the State of Israel et.al., HCJ 769/02, 13 December 2006).

Voor situaties waarin de rechten van de mens het uitgangspunt zijn, wijs ik op de bestaande verdragsverplichtingen die de doodstraf verbieden zoals het Tweede Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. Voor staten die de doodstraf nog niet hebben afgeschaft geldt het vereiste dat deze pas ten uitvoer mag worden gelegd na een procedure die voldoet aan alle vereisten van het recht op een eerlijk proces, zoals onder andere opgenomen in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. Waar de doodstraf nog steeds bestaat pleit de Europese Unie overigens al jaren voor een moratorium op de uitvoering daarvan.

De minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal