Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200621501-20 nr. 321

21 501-20
Europese Raad

nr. 321
BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 juni 2006

Graag bieden wij u hierbij, mede namens de Minister-President, het verslag aan van de Europese Raad te Brussel van 15–16 juni 2006.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

B. R. Bot

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

A. Nicolaï

Verslag van de bijeenkomst van de Europese Raad, Brussel, 15–16 juni 2006

Algemeen

De Europese Raad die op 15 en 16 juni 2006 te Brussel plaatsvond boog zich over drie belangrijke politieke thema’s: ten eerste het versterken van de band tussen de burgers en de Europese Unie gedurende de bezinningsperiode, die een jaar geleden door de Europese Raad was ingesteld; ten tweede de beleidsprioriteiten voor de Europese Unie, vanuit het perspectief van de burger in Europa, met name op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, duurzame ontwikkeling, de Lissabon-moderniseringsstrategie, energie, het externe beleid van de Unie, het vergroten van de openbaarheid van het werk van de Unie en het beter toepassen van de subsidiariteit, alsmede betere en eenvoudiger regelgeving; ten derde de stand van zaken met betrekking tot de ratificatie van het Grondwettelijk Verdrag en het besluit dat uiterlijk in juni 2007 het dan fungerende Duitse voorzitterschap een rapport zal presenteren over de dan bestaande situatie en mogelijke verdere opties, alsmede het voornemen tot een fundamenteel debat over de uitbreiding onder het Finse voorzitterschap. Tevens werden de belangrijke actuele internationale onderwerpen besproken. Voorts werd Slovenië toegelaten tot de eurozone.

Door Nederland en ook andere lidstaten is gepleit voor het geven van prioriteit aan het concrete Europa dat een zichtbaar toegevoegde waarde voor de burger heeft. In functie daarvan kan bezien worden of de EU over het voor het realiseren van die doelstellingen adequate besluitvorminginstrumentarium beschikt teneinde haar beleid doeltreffend, doelmatig en democratisch uit te voeren. Daarbij dient het huidige verdrag maximaal te worden toegepast en worden verdragswijzigingen in de toekomst niet uitgesloten. Voor Nederland zal hierbij echter niet de weg van het Grondwettelijk Verdrag worden gevolgd. Een aantal lidstaten beklemtoonde dat voor hen de ratificatie van het Grondwettelijk Verdrag het uitgangspunt blijft. Weer anderen bekenden over dit onderwerp geen kleur. Men was het er wel over eens de uitkomst van het proces open te houden. Hierbij treft u de conclusies van de Europese Raad aan.

Voorafgaand aan de Europese Raad vond een gedachtewisseling plaats met de voorzitter van het Europees Parlement, de heer Josep Borrell, die zich in zijn interventie vooral richtte op de toekomst van Europa (deze treft u aan in de bijlage bij deze brief).1

De Europese Raad heeft niet plenair gesproken over de kwestie van de zetel van het Europees Parlement. De voorzitter van het Europees Parlement heeft na consultaties met de voorzitter van de Europese Raad en de fractieleiders in het Europees Parlement besloten dit onderwerp niet aan de orde te stellen. En marge van de Europese Raad heeft de minister-president de zetelkwestie wel aan de orde gesteld in onder andere het Benelux-overleg op het niveau van de premiers, in een gesprek met EP-voorzitter Borrell, alsook in contacten met diverse andere leden van de ER, waaronder de voorzitter van de Europese Raad en de Franse president.

Europa aan het werk

De Europese Raad onderschreef de lijst van concrete projecten die de Unie zich tot doel stelt te realiseren in de komende jaren. De agenda van Hampton Court en de Lissabon-moderniseringsagenda moesten met voortvarendheid worden uitgevoerd. Daarbij werden de conclusies over justitie en binnenlandse zaken, inzonderheid de aangekondigde evaluatie van het Haags Programma onder het Finse voorzitterschap, verwelkomd, met bijzondere aandacht voor toepassing van het Schengenacquis, afspraken inzake samenwerking op asielgebied, politiële samenwerking, bestrijding van mensenhandel, alsook de verdere uitvoering van de strategie voor de externe dimensie van justitie en binnenlandse zaken, de uitvoering van de algehele aanpak van migratie en de uitvoering van de actieplannen inzake de terreurbestrijdingsstrategie. Tevens roept de Europese Raad het komende Finse Voorzitterschap op in nauwe samenwerking met de Commissie te bezien welke mogelijkheden er zijn om de besluitvorming en actie op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht op basis van de bestaande verdragen te verbeteren. Voorts benadrukte de Europese Raad het belang van het optreden van de Unie in nood- en crisissituaties. Tevens heeft de Europese Raad het fundamentele belang van duurzame ontwikkeling onderstreept. Ook heeft de Europese Raad stil gestaan bij de Lissabonstrategie en de noodzaak tot het boeken van verdere vooruitgang ter bevordering van banen en groei. Bijzondere aandacht werd besteed aan de externe aspecten van het energiebeleid. Op een aantal van deze onderwerpen wordt hieronder verder ingegaan.

Bezinningsperiode en Grondwettelijk Verdrag

De Europese Raad besloot dat uiterlijk in juni 2007 door het Duitse voorzitterschap een rapport zal worden gepresenteerd over de stand van zaken met betrekking tot het Grondwettelijk Verdrag waarin ook mogelijke toekomstige ontwikkelingen worden verkend. Dit rapport zal de basis vormen voor een verdere bespreking van de wijze waarop het hervormingsproces van de EU kan worden voortgezet. De Europese Raad heeft voorts besloten dat verdere stappen in dat hervormingsproces uiterlijk in het tweede semester van 2008 hun beslag moeten krijgen. De Europese Raad heeft ook afgesproken op 25 maart 2007 te Berlijn een verklaring naar aanleiding van de herdenking van het 50-jarig bestaan van de verdragen van Rome aan te nemen. De discussie over het Grondwettelijk Verdrag weerspiegelde de verschillende uitgangsposities tussen die lidstaten die hebben geratificeerd en de lidstaten die dat niet hebben gedaan. De eersten wensen door te gaan met het ratificatieproces, bij de anderen leefde eerder de wens om andere wegen te verkennen. Consensus bestond echter wel over de wijze waarop in het komende jaar het vertrouwen van de burger in Europa zoveel mogelijk moet worden hersteld, in het bijzonder door ervoor te zorgen dat Europa zich richt op die dingen waar het duidelijk meerwaarde heeft voor de burger en op het verbeteren van het functioneren van de Unie op basis van de bestaande verdragen.

Subsidiariteit

Na twee Europese conferenties over subsidiariteit in Den Haag (november 2005) en St. Pölten (april 2006) verwelkomt het kabinet dat de Europese Raad een aantal belangrijke operationele besluiten heeft genomen om de toepassing van subsidiariteit op ontwerp-EU-wetgeving te verbeteren. Het voornaamste winstpunt is dat de betrokkenheid van nationale parlementen bij de toetsing van de beginselen aanzienlijk wordt versterkt. Ten eerste zal de Commissie alle nieuwe voorstellen en raadplegingsdocumenten rechtstreeks aan de nationale parlementen ter beschikking stellen. Dat bevordert de tijdige en complete aanlevering van informatie op basis waarvan de nationale parlementen zich een oordeel kunnen vormen over de subsidiariteit en proportionaliteit van de voorgestelde (of nog in de maak zijnde) voorstellen. Ten tweede is met de Commissie overeengekomen dat zij de subsidiariteitsen proportionaliteitsoordelen van nationale parlementen zorgvuldig zal overwegen. Dit voorstel, dat door de staatssecretaris voor Europese Zaken op de subsidiariteitsconferentie in St. Pölten is gepresenteerd, was niet bij alle leden van de Europese Raad onomstreden omdat het de indruk wekte vooruit te lopen op de gele-kaartprocedure van het Grondwettelijk Verdrag. Echter, anders dan in het desbetreffende protocol bij het Grondwettelijk Verdrag, wordt de Commissie thans niet verplicht een wetgevingsvoorstel te heroverwegen als nationale parlementen een negatief oordeel over subsidiariteit of proportionaliteit afgeven. Toch beschouwt het kabinet dit besluit van de Europese Raad als een flinke stap in de goede richting om Europese regelgeving en besluitvorming op het juiste niveau te nemen en daarbij de betrokkenheid van de nationale parlementen optimaal te doen zijn.

Openbaarheid

De Europese Raad heeft eveneens vooruitgang geboekt ten aanzien van de transparantie van het functioneren van de EU. De vergaderingen van de Raad over wetgeving die onder de co-decisieprocedure vallen zullen voor het publiek openbaar zijn. De Raad zal daartoe maatregelen nemen. Het kabinet is verheugd over dit besluit waar Nederland samen met een aantal andere lidstaten voor heeft gepleit. Het zal de democratische legitimiteit van de EU ten goede komen en een bijdrage kunnen leveren aan het herstel van vertrouwen van de burger in het Europees bestuur.

Duurzame ontwikkelingsstrategie

De Europese Raad heeft een vernieuwde Europese Duurzaamheidsstrategie aangenomen. Het betreft een herziening van de oorspronkelijke strategie die in 2001 in Göteborg is aanvaard. De Duurzaamheidsstrategie en de Lissabonstrategie vullen elkaar aan en versterken elkaar waar mogelijk. Het kabinet is positief over de herziene strategie omdat deze concrete doelstellingen bevat en een effectief mechanisme voor implementatie en monitoring kent. De Europese Raad zal elke twee jaar de voortgang bespreken en hernieuwde sturing geven op basis van een uitgebreide set indicatoren. De strategie bouwt voort op de acties die de lidstaten ondernemen in het kader van hun nationale duurzaamheidsstrategieën. Met de aanvaarding van deze strategie wordt een politieke impuls gegeven aan het streven naar duurzame ontwikkeling op beleidsterreinen als klimaatverandering, transport en het verlies aan biodiversiteit, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de internationale dimensie.

Energie

De Europese Raad verzocht de voorstellen uit het gezamenlijk document van de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid over de externe betrekkingen op energiegebied nauw te betrekken bij het opstellen van het actieplan inzake Europees energiebeleid, dat in de Voorjaarsraad van maart 2007 zal worden besproken. In de tussentijd zal werk gemaakt moeten worden van het intensiveren van de strategische samenwerking met belangrijke producenten-, doorvoer- en consumentenlanden. Afspraken met Rusland over energie worden voorzien in het kader van het vervolg van de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst, terwijl ook ratificatie van het energiehandvest prioriteit blijft. Nederland heeft specifieke aandacht gevraagd voor de buitenlandspolitieke en veiligheidsdimensie. De Europese Raad concludeerde daarop dat voor het voeren van een effectief extern energiebeleid alle beschikbare instrumenten ingezet moeten worden, inclusief het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid en het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid. Onder de Finse en Duitse voorzitterschappen zal hieraan nadere uitwerking worden gegeven.

Migratie en integratie

Onder het thema migratie werd in de eerste plaats gesproken over de noodzaak dat de Europese Unie een actieve dialoog voert met de oorsprongs- en transitlanden. In dit verband concludeerde de Raad dat bijeenkomsten als de Europees-Afrikaanse ministersconferentie voorzien op 10 en 11 juli in Rabat van groot belang zijn om tot een betere afstemming met de Afrikaanse landen te komen. Ook zal het thema migratie met de ACS-landen in het kader van het Cotonou-akkoord worden aangesneden. Nederland heeft benadrukt dat een migratiebeleid van de Unie bij uitstek een terrein is waar een intensieve Europese samenwerking geboden is.

Op initiatief van het voorzitterschap wisselden de regeringsleiders tijdens hun werkdiner ook van gedachten over integratie van migranten in de diverse lidstaten, waarbij ervaringen werden uitgewisseld.

Grondrechtenagentschap

Het nog op te richten EU-Grondrechtenagentschap kwam niet als zodanig ter sprake ter vergadering, maar wel bij de bespreking over de conclusies van de Europese Raad. Het voorzitterschap wilde in een conclusie de voortgang in de onderhandelingen markeren, alsmede daarbij een oproep doen tot spoedige afronding van de onderhandelingen. Nederland kon deze conclusie accepteren, aangezien daarin duidelijk is verwoord dat op een aantal essentiële onderdelen nog verdere discussie in Raadskader nodig is, alsmede tussen regeringen en parlementen. Overigens valt nog te bezien of de in de conclusies gestelde datum van 1 januari 2007 gehaald zal worden.

EMU-uitbreiding

De Raad, bijeen in de samenstelling van staatshoofden en regeringsleiders, verwelkomde het voorstel van de Commissie over de invoering door Slovenië van de euro. Bespreking door staatshoofden en regeringsleiders is onderdeel van het in het EG-Verdrag vastgelegde besluitvormingsproces in de Raad (Ecofin) over toetreding tot de euro. Nu deze bespreking is afgerond, kan de Raad (Ecofin) van juli as. de noodzakelijke besluiten nemen voor de toetreding van Slovenië tot de Eurozone per 1 januari 2007. Tijdens de discussie in de Europese Raad kwam de wens van enkele lidstaten naar voren om het inflatiecriterium te wijzigen, mede gelet op het feit dat Litouwen zich op grond van dat criterium thans niet kwalificeert voor de invoering van de euro. De Europese Raad had lof voor de convergentie die Litouwen tot nu toe heeft gerealiseerd en moedigde het land aan het op stabiliteit gerichte beleid voort te zetten.

Uitbreiding

Mede in het licht van de ervaringen die in de reflectieperiode zijn opgedaan is door diverse regeringsleiders, alsmede Commissievoorzitter Barroso, gewezen op de noodzaak van een discussie in de Raad over de verdere uitbreiding van de Europese Unie. Daarbij diende in het bijzonder aandacht te worden besteed aan het adequaat functioneren van de Unie evenals het publieke draagvlak voor uitbreiding in de lidstaten. De conclusies die zijn aangenomen benadrukken dat er onder het inkomende Finse voorzitterschap een debat in de Raad moet worden gevoerd, niet alleen over de opnamecapaciteit van de Unie maar ook over de kwaliteit van het uitbreidingsproces. Nederland had zich al geruime tijd sterk ingezet voor opname in de conclusies van de noodzaak om over uitbreiding een fundamentele discussie te voeren. De Commissie stelde een notitie over opnamecapaciteit in het vooruitzicht ten behoeve van de bespreking onder het Finse voorzitterschap.

Kort voor de Europese Raad hadden de Benelux-landen een gezamenlijk memorandum over uitbreiding opgesteld dat door het Luxemburgse Benelux-voorzitterschap was aangeboden aan de lidstaten. Dit document (bijgevoegd)1 werd in de marge van de Europese Raad door veel delegaties verwelkomd als een nuttige bijdrage aan de discussie.

Extern beleid/Westelijke Balkan

De ministers van Buitenlandse Zaken spraken tijdens de Europese Raad over de situatie in en de relaties met Servië, mede in het licht van de onafhankelijkheid van Montenegro en de voortgaande besprekingen over Kosovo. Spanje presenteerde suggesties als «food for thought» over de relaties van de Unie met Servië en om – zoals werd aangegeven – Servië te helpen zichzelf te helpen.

Ministers spraken vervolgens over het SAO waarvan de onderhandelingen met Servië waren opgeschort vanwege het onvoldoende samenwerken met het Joegoslavië-tribunaal (ICTY) en bevestigden dat deze hervat worden zodra samenwerking een feit is. Spanje suggereerde in deze context een werkplan met betrekking tot Servië om het te ondersteunen om het tot volledige samenwerking met het ICTY te brengen. Tevens werd gesproken over publieke diplomatie en mede in dit kader over het belang van mogelijkheden (zoals visafacilitatie voor studenten) om met name de jongere generaties in Servië bekend te maken met het Europese gedachtegoed. Ministers spraken af om de discussie in Raadskader voort te zetten.

In de ER-verklaring werd voorts gewezen op het belang van uitvoering van de zogeheten standaarden voor Kosovo en de voortgezette betrokkenheid van de EU met name op het gebied van politie, rechtstaat en economie. Deze betrokkenheid zal versterkt worden na de beslissing over de status van Kosovo, naar verwachting later dit jaar.

In het kader van het Stabilisatie- en Associatieproces werd door de ER het belang benadrukt van de noodzakelijke hervormingen in Bosnië-Herzegovina, ook voor wat betreft de grondwet.

Over de relaties van de landen met de EU zijn in de verklaring verwijzingen opgenomen naar de zogeheten Thessaloniki-agenda, het pre-toetredings-bijstandsinstrument welke volgend jaar zal worden ingevoerd en praktische vormen van ondersteuning zoals visumfacilitatie waartoe dit jaar een onderhandelingsmandaat zal worden opgesteld in combinatie met een mandaat om over terug- en overname te onderhandelen.

De Europese Raad besloot in de verklaring te onderstrepen dat regionale samenwerking wordt aangemoedigd en initiatieven hiertoe worden verwelkomd.

Tevens nam de Europese Raad verklaringen aan over Iran, Irak, Libanon, het Midden-Oosten vredesproces, Afrika en Oost-Timor.


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.