32 709 Evacuatie Nederlandse staatsburger uit Libië

Nr. 10 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN DEFENSIE EN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 maart 2012

In antwoord op het verzoek van de vaste commissie voor Defensie van 1 maart jl. treft u onderstaand de stand van zaken aan van de uitvoering van de aanbevelingen van de CTIVD naar aanleiding van de rol van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bij de evacuatieoperatie in Libië. Op 1 november (Kamerstuk 32 709, nr. 8) hebben wij u met een brief reeds bericht over de wijze waarop aan de aanbevelingen gevolg is gegeven. Deze brief bevat een overzicht van alle aanbevelingen en de wijze waarop daaraan invulling is gegeven.

Aanbeveling:

De commissie stelt vast dat de MIVD onvoldoende per bijzondere bevoegdheid heeft gemotiveerd waarom de inzet ervan noodzakelijk, proportioneel en subsidiair wordt geacht. Dit is niet in overeenstemming met de wettelijke vereisten die hiervoor gelden. De commissie beveelt aan om in het vervolg de verzoeken met inachtneming van de voorgaande overwegingen beter te motiveren.

Ten aanzien van één van de verzoeken tot de inzet van een bijzondere bevoegdheid door de MIVD is het de commissie niet duidelijk op welke persoon of organisatie de bijzondere bevoegdheid betrekking heeft. De commissie is van oordeel dat in ieder geval duidelijk moet zijn welke persoon of organisatie onder het bereik van de toestemming valt. Er zal een op het individuele geval toegesneden motivering in het verzoek om toestemming moeten zijn opgenomen. De commissie constateert voorts dat deze inzet van de bijzondere bevoegdheid ten aanzien van één persoon niet is te brengen onder het verzoek tot inzet en daarmee de gegeven toestemming. De commissie beveelt aan de inzet ten aanzien van dit target te staken en de reeds verkregen gegevens conform artikel 43, tweede en derde lid, Wiv 2002 te verwijderen en te vernietigen.

Invulling:

Gegevens waarvan de commissie heeft vastgesteld dat de MIVD deze ten onrechte heeft verwerkt, zijn verwijderd en vernietigd. Wat de motivering van de inzet van de bijzondere bevoegdheden betreft, verwijzen wij naar de reactie van de minister van Defensie naar aanleiding van het toezichtrapport over de inzet van sigint door de MIVD (Kamerstuknummer 29 924, 74), die ik uw Kamer 23 december 2011 heb gestuurd. Op dit moment wordt gewerkt aan de beantwoording van aanvullende vragen van de vaste commissie voor Defensie over sigint (Kamerstuk 29 924, nr. 78).

Aanbeveling:

De commissie stelt vast dat de inzet van een bijzondere bevoegdheid is voortgezet na het moment dat deze volgens de MIVD diende te worden gestaakt. De commissie acht de na het beoogde moment van staken binnengekomen gegevens als onrechtmatig verkregen en zij beveelt de MIVD aan deze conform artikel 43, tweede en derde lid, Wiv 2002 te verwijderen en te vernietigen.

Invulling:

Gegevens waarvan de commissie heeft vastgesteld dat de MIVD deze ten onrechte heeft verwerkt, zijn verwijderd en vernietigd.

Aanbeveling:

De commissie constateert dat aan een bepaalde categorie gegevens door een bepaalde afdeling van de MIVD een voor die categorie ongebruikelijke merking is toegevoegd. De commissie constateert ook dat andere afdelingen van de MIVD deze merking niet toekennen aan deze categorie gegevens. Dit geldt evenzeer voor de AIVD. De commissie beveelt de MIVD aan een duidelijke, interne aanwijzing dienaangaande op te stellen en hierover in overleg te treden met de AIVD.

Invulling:

De merking van de informatie is aangepast overeenkomstig de merking zoals deze elders binnen de MIVD en de AIVD wordt gehanteerd.

Aanbeveling:

De commissie beveelt aan de rol van de MIVD en de AIVD in de standaardprocedure voor de ambtelijke ondersteuning ten behoeve van het besluitvormingsproces van de Ministeriële Kerngroep Speciale Operaties (MKSO) op te nemen. De commissie beveelt aan duidelijk vast te leggen wat van de beide diensten wordt verwacht en waar de coördinatie ligt. De CTIVD constateert voorts dat de coördinator niet bij de onderhavige kwestie betrokken is geweest en is van oordeel dat de rol van de coördinator nadere invulling behoeft.

Invulling:

De aanbeveling om de rol van de MIVD en de AIVD ten behoeve van het besluitvormingsproces voor dergelijke operaties vast te leggen is inmiddels opgevolgd. De minister-president heeft dit in het plenaire debat van 29 maart 2011 toegezegd. Bij elke militaire operatie, ook die waartoe in MKSO-verband wordt besloten, is de minister van Defensie verantwoordelijk voor het doen opstellen van een dreigingappreciatie door de MIVD. De directeur MIVD is verantwoordelijk voor de afstemming van deze dreigingappreciatie met het hoofd AIVD, zodat informatie van de AIVD ook kan worden betrokken bij het analyseproces. De minister-president als voorzitter van de MKSO wordt ambtelijk inmiddels mede ondersteund door de coördinator. Daarmee wordt voor de besluitvorming over operaties in MKSO-verband invulling gegeven aan de informerende en adviserende rol van de coördinator aan de minister-president.

Aanbeveling:

De commissie constateert dat in het traject na het mislukken van de evacuatiemissie de MIVD en de AIVD grotendeels onafhankelijk van elkaar activiteiten hebben ontplooid en dat in feite sprake is geweest van gescheiden trajecten. De commissie is van oordeel dat de communicatie tussen beide diensten in dit opzicht te laat en te langzaam op gang is gekomen. Het verdient aanbeveling dat in een crisissituatie als de onderhavige van meet af aan op het niveau van de dienstleiding contact wordt gezocht en wordt onderhouden. De commissie constateert dat de diensten elkaar in de onderhavige kwestie onvoldoende vooraf op de hoogte hebben gesteld van elkaars activiteiten.

De commissie stelt vast dat de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de diplomatieke inspanningen om de gevangen genomen Nederlandse militairen vrij te krijgen heeft gelegen bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. De commissie constateert dat voor de MIVD het uitgangspunt dat het diplomatiek spoor niet mag worden doorkruist leidend is geweest bij zijn inspanningen. De AIVD heeft in ieder geval aanvankelijk deze afstemming niet gezocht. De commissie is van oordeel dat de AIVD waar mogelijk zijn activiteiten had moeten afstemmen met het ministerie van Buitenlandse Zaken teneinde iedere mogelijke doorkruising van een reeds lopend diplomatiek traject te voorkomen.

Invulling:

De afstemming tussen de MIVD en AIVD over te nemen maatregelen en acties na een incident zal in het vervolg nadrukkelijker worden gecoördineerd door de eerstverantwoordelijke minister(s).

Aanbeveling:

De commissie komt tot de conclusie dat de activiteiten van de diensten inzake de evacuatiemissie meer hadden moeten worden afgestemd en gecoördineerd ten behoeve van het diplomatieke proces, dit zowel wat betreft de diensten onderling als gezamenlijk in samenspraak met het ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor de afstemming tussen de MIVD en de AIVD onderling ziet de commissie in het bijzonder een rol weggelegd voor de coördinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het is de commissie gebleken dat de coördinator bij de onderhavige kwestie niet betrokken is geweest. De commissie is van oordeel dat de rol van de coördinator nadere invulling behoeft.

Invulling:

In algemene zin is de rol van de coördinator vastgelegd in de WIV 2002 (artikel 4, lid 3 onder b). Het gaat daarbij om de bestuurlijke en voorwaardescheppende coördinatie van de uitvoering van de taken van de diensten en niet om de coördinatie van de operationele afstemming. Ten aanzien van de samenwerking in het algemeen tussen de MIVD en AIVD onderstrepen wij dat de diensten op veel terreinen samenwerken. Er bestaat een regulier en intensief contact. Niettemin verrichten beide diensten de nodige inspanningen om de samenwerking verder te versterken. In het bijzonder wordt de samenwerking geïntensiveerd door overlegstructuren en communicatielijnen te verbeteren en door werkafspraken te maken over specifieke aandachtsgebieden. Deze samenwerking en de verdeling van taken geschieden in nauwe afstemming met de Secretaris-generaal van Algemene Zaken, tevens coördinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In een operationeel afstemmingsproces, waar het in de aanloop naar en de afwikkeling van deze evacuatieoperatie om ging, ligt de verantwoordelijkheid bij de ministers van Defensie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De minister van Defensie, J. S. J. Hillen

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J. W. E. Spies

Naar boven