Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132700 nr. 6

32 700 Wijziging van de Wet op het notarisambt in verband met de invoering van een informatieplicht ten aanzien van gegevens betreffende de bijzondere rekening, bedoeld in artikel 25 van die wet (informatieplicht derdengeldenrekening notariaat)

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 7 september 2011

1. Inleiding

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van 2 mei 2011 van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie. Ik dank de verschillende kamerfracties voor hun vragen met betrekking tot het wetsvoorstel, die ik hierna zal beantwoorden. Voor een zo inzichtelijk mogelijke beantwoording, is deze thematisch geordend.

2. Ambtsgeheim, geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht – algemeen

De leden van diverse fracties stellen nadere vragen over het ambtsgeheim van de notaris. In antwoord op een algemene vraag van de leden van de PvdA-fractie over de reikwijdte van het ambtsgeheim, kan ik antwoorden dat het ambtsgeheim van de notaris van toepassing is op al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheid als zodanig kennis neemt. Het ambtsgeheim strekt zich derhalve uit over de gehele dienstverlening van de notaris en de reikwijdte ervan is niet afhankelijk van de vraag of in het kader van deze dienstverlening een notariële akte tot stand komt.

Het voorliggende wetsvoorstel bevat een tweeledige uitzondering op het ambtsgeheim ten aanzien van gegevens betreffende de derdengeldenrekening, vast te leggen in de Wet op het notarisambt (Wna). Bij de figuur van de wettelijke uitzondering, is het de (formele) wetgever die een afweging maakt tussen het maatschappelijk belang dat gemoeid is met het ambtsgeheim en andere zwaarwegende maatschappelijke belangen. De wetgever bepaalt vooraf dat, wanneer en onder welke voorwaarden een algemene uitzondering geldt op het ambtsgeheim en de daaraan verbonden geheimhoudingsplicht. Daarnaast is er de figuur van de buitenwettelijke uitzondering, volgens welke op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad in individuele gevallen de aanwezigheid van zeer uitzonderlijke omstandigheden doorbreking van de geheimhoudingplicht van de notaris kan rechtvaardigen. Deze jurisprudentie van de Hoge Raad ziet op situaties die in beginsel vallen onder de werking van het beroeps- of ambtsgeheim, terwijl bij een wettelijke uitzondering de reikwijdte van een beroeps- of ambtsgeheim als zodanig wordt beperkt en een bepaalde categorie van gevallen reeds op voorhand van de geheimhoudingsplicht wordt uitgezonderd. De vraag van de leden van de PvdA-fractie of het wetsvoorstel de jurisprudentie van de Hoge Raad doorkruist, moet derhalve ontkennend worden beantwoord. In de gevallen waarop de voorgestelde informatieplicht ziet, wordt reeds op grond van de wet een algemene uitzondering gemaakt op de werking van het ambtsgeheim. Daardoor kan in die gevallen niet meer worden toegekomen aan toepassing van de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de doorbreking van de uit het ambtsgeheim voortvloeiende geheimhoudingsplicht op grond van zeer uitzonderlijke omstandigheden in individuele gevallen.

In antwoord op de vervolgvraag van voornoemde leden kan ik melden dat het voor de toepassing van de voorgestelde wettelijke informatieplicht geen rol speelt of de notaris eventueel zelf verdacht is van het plegen van strafbare feiten. Dezelfde leden vragen zich af of een verdergaande doorbreking van de geheimhoudingsplicht is overwogen in geval van een dergelijke verdenking. Het is reeds vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat indien een notaris zelf verdacht wordt van het plegen van ernstige strafbare feiten die de kern raken van zijn werk als notaris, dit voldoende rechtvaardiging vormt voor het doorbreken van de geheimhoudingsplicht. Een wettelijke voorziening is daarom niet nodig. Ik wil in dit verband wijzen op mijn recente brief aan uw Kamer inzake de positie van geheimhouders in het Wetboek van Strafvordering.1

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeveel gevallen de rechter (achteraf) heeft geoordeeld dat er geen omstandigheden waren die zelfstandige doorbreking van de geheimhouding door de notaris rechtvaardigden en dat informatieverstrekking daarmee onrechtmatig was. Het is mij niet bekend hoe vaak dit zich precies voordoet, maar het is een zeer uitzonderlijke situatie. Notarissen zullen gezien de aard van de geheimhoudingsplicht die op hen rust, uiterst terughoudend zijn om welbewust en uit eigen beweging deze plicht te doorbreken op grond van zeer uitzonderlijke omstandigheden. De mogelijkheid dat achteraf door de rechter wordt vastgesteld dat een beslissing van de notaris tot doorbreking van de geheimhoudingsplicht onrechtmatig was, speelt hierbij eveneens een belangrijke rol. Rechterlijke toetsing vindt in de regel plaats in gevallen waarin doorbreking van de geheimhouding door het openbaar ministerie wordt gevorderd of een notaris weigert informatie te verstrekken aan derden op grond van zijn ambtsgeheim. In die gevallen loopt de notaris niet het risico dat hij aansprakelijk wordt gehouden voor een eventuele doorbreking van de geheimhouding – het is dan immers de rechter die tot een eventuele doorbreking besluit.

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie naar meer voorbeelden van zeer uitzonderlijke omstandigheden waaronder de waarheidsvinding prevaleert boven het belang van geheimhouding. Een voorbeeld van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarbij het belang van de waarheidsvinding een doorbreking van de geheimhoudingsplicht kan rechtvaardigen, is de situatie waarin de geheimhouder – arts, advocaat of notaris – zelf wordt verdacht van een ernstig strafbaar feit. Het gaat dan bijvoorbeeld om de notaris die een crimineel samenwerkingsverband met cliënten vormt bij het plegen van valsheid in geschrifte.2 In zijn recente arrest van 5 juli 20113 oordeelt de Hoge Raad dat in geval van het onderzoek naar de mogelijk onnatuurlijke dood van een patiënt in een zorginstelling, doorbreking van de geheimhoudingsplicht van een arts was toegelaten. Bij beantwoording van de vraag of zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen, kan volgens de Hoge Raad tevens het bestaan van een verdenking dat er zich een ernstig strafbaar feit heeft voorgedaan, ook zonder dat deze verdenking reeds op de geheimhouder zelf rust, relevant zijn wanneer dat een gedegen, objectief en zo volledig mogelijk onderzoek eist, dat zowel in het belang van nabestaanden als in het belang van de maatschappij is.

De leden van de SP-fractie stellen dat de huidige uitleg van het verschoningsrecht te strikt is en dat er onduidelijkheid bestaat voor de notaris omdat hij zelf moet bepalen over welke stukken of informatie de geheimhoudingsplicht zich uitstrekt. Zij vragen of de regering het niet onwenselijk vindt dat, na invoering van de voorgestelde informatieplicht, in andere gevallen dan informatie betreffende de derdengeldenrekening de uiterste terughoudendheid bij de doorbreking van de geheimhouding door de notaris blijft voortbestaan en hij zich zekerheidshalve op zijn verschoningsrecht zal beroepen, zeker als een op die weigering volgende procedure lang duurt. De leden vragen hoe hiervoor een oplossing zal worden geboden. De geheimhoudingsplicht van de notaris strekt zich uit over al hetgeen dat aan hem in zijn hoedanigheid als notaris is toevertrouwd. De reikwijdte van het ambtsgeheim is derhalve ruim en strekt zich, behoudens wettelijke uitzonderingen, uit over zijn gehele dienstverlening als notaris. Een functie van wettelijke (algemene) uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht is om de geheimhouder, in casu de notaris, duidelijkheid te geven over de gevallen waarin hij niet aan zijn geheimhoudingsplicht is gebonden. Ook bij de in het voorliggende wetvoorstel opgenomen informatieplicht is dit het geval. Ik kan daarom de veronderstelling dat er over de vraag welke stukken of informatie er onder de geheimhoudingsplicht vallen voor de notaris onduidelijkheid zou bestaan, niet bevestigen.

Buiten het bereik van wettelijke uitzonderingen is de geheimhouder echter gebonden aan zijn geheimhoudingsplicht, behalve in zeer uitzonderlijke omstandigheden als in de rechtspraak erkend. Dat een geheimhouder uiterst terughoudend zal zijn om eigenstandig de aanwezigheid van een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid aan te nemen en voldoende rechtvaardigingsgrond aanwezig te achten voor doorbreking van zijn geheimhoudingsplicht, is een logische consequentie van de bijzondere aard van deze buitenwettelijke uitzonderingsgrond, waarvan de toepassing afhankelijk is van de omstandigheden van het individuele geval. Deze terughoudendheid en zorgvuldigheid van de geheimhouder maakt dat ten aanzien van de toepassing van de buitenwettelijke uitzondering en de beoordeling van de vraag of er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van de geheimhoudingsplicht rechtvaardigen, het zwaartepunt in het systeem bij de rechter ligt. Deze oordeelt uiteindelijk of doorbreking van de geheimhoudingsplicht gerechtvaardigd is, of toetst een eventuele beslissing tot doorbreking van de geheimhouding door de notaris. Dit acht ik vanwege het zwaarwegend maatschappelijk belang en de waarborgfunctie van het ambtsgeheim een wenselijke situatie.

Ten aanzien van de lengte van de procedure met betrekking tot doorbreking van de geheimhoudingsplicht, waarvoor de leden van de SP-fractie in dit verband aandacht vragen, heb ik in mijn brief aan uw Kamer4 reeds gemeld, dat ik het onwenselijk acht dat de opsporing in de praktijk niet zelden een jaar lang moet wachten voordat het definitief duidelijk wordt of kennis kan worden verkregen van de inhoud van stukken die in beslag zijn genomen bij een advocaat, notaris of arts. Het is in ieders belang, ook dat van de geheimhouder, dat hierover in een strafrechtelijk onderzoek binnen afzienbare tijd duidelijkheid komt. De lange tijdsduur wordt veroorzaakt doordat voor de beroepsmogelijkheid tegen de beslissing van de rechter-commissaris is aangesloten bij de algemene beklagprocedure over inbeslagneming van artikel 552a Sv. Ik zal onderzoeken in hoeverre kan worden voorzien in een aparte beroepsprocedure voor beoordeling van de toepassing van het verschoningsrecht in het Wetboek van Strafvordering die minder tijd vergt.

3. Inperking van het ambtsgeheim

De leden van de SP-fractie vragen of het ambtsgeheim niet verder zou moeten worden ingeperkt. In ditzelfde verband vragen de leden van de D66-fractie om een reactie op het standpunt van het Openbaar Ministerie dat de voorgestelde regeling een eerste stap moet zijn naar een verdergaande beperking van de geheimhouding. Anderzijds vragen de leden van de VVD-fractie in een reactie op de stelling dat het betoog van de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) dat een vergelijkbare inperking van het beroepsgeheim van de advocaat zou leiden tot een alsmaar verdergaande aantasting van het beroepsgeheim en dat de jurisprudentie reeds voldoende mogelijkheden biedt om de geheimhouding te doorbreken, evenzeer kan worden betrokken op de positie van de notaris en de voorliggende regeling omtrent de derdengeldenrekening van de notaris. Deze leden vragen om een nadere toelichting op de verhouding van de regeling in dit wetsvoorstel tot de geheimhoudingsplicht en de afweging daaromtrent.

Verdergaande inperkingen van de werking van het notariële ambtsgeheim dan nu reeds van de zijde van de regering zijn voorgesteld, zijn wat mij betreft naar de huidige inzichten niet aan de orde. Een ambts- of beroepsgeheim dient het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking kan wenden tot de geheimhouder. Om deze vrije toegang tot de bijstand en diensten van onder meer notarissen en advocaten voor de burger te waarborgen, rust op hen een ambts- of beroepsgeheim. Een beroeps- of ambtsgeheim werpt naar zijn aard bij het waarborgen van de vertrouwelijkheid van hetgeen aan de geheimhouder als zodanig is toevertrouwd, een drempel op voor het verkrijgen van informatie die door geheimhouding wordt beschermd, ook als het gaat om opsporing. Gezien het zwaarwegende maatschappelijk belang dat met een beroeps- of ambtsgeheim gemoeid is, zijn zowel de wetgever als de rechter uiterst terughoudend bij beslissingen tot doorbreking van de geheimhouding. Telkens als uitzondering op de geheimhouding wordt overwogen zal een zorgvuldige afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van de bescherming van de vertrouwelijkheid tussen notaris en cliënt enerzijds en het belang dat gemoeid is met doorbreking van de geheimhouding anderzijds. Bij het overwegen van een wettelijke uitzondering dient de vraag aan de orde te komen of de verwachte meerwaarde van een dergelijke ingreep, ten behoeve van bijvoorbeeld de opsporing van strafbare feiten, nog wel in redelijke verhouding staat tot de inbreuk op de waarborgfunctie van het beroeps- of ambtsgeheim die het gevolg is. Op de wetgever rust in dit opzicht de verantwoordelijkheid om te waken voor een zodanige aantasting van het beroeps- of ambtsgeheim dat daardoor de waarborgfunctie ervan wordt uitgehold en de rechtsbescherming en de rechtszekerheid van burgers wezenlijk wordt geschaad.

Een nieuwe wettelijke uitzondering op het ambtsgeheim dient gezien het voorgaande zeer zorgvuldig te worden afgewogen. Wat betreft de omvang en inhoud van de voorgestelde wettelijke uitzondering op de geheimhoudingsplicht van de notaris ben ik van mening dat hetgeen nu voorligt noodzakelijk en proportioneel is, en het resultaat is van een zorgvuldige afweging van belangen. Met de voorgestelde regeling wordt een passend evenwicht bereikt tussen het maatschappelijk belang dat is gediend met de notariële geheimhouding enerzijds en de belangen van een correcte heffing en effectieve inning van belastingen en een effectieve bestrijding van financieel-economische criminaliteit anderzijds. Met betrekking tot de derdengeldenrekening van de notaris zijn bijzondere factoren aanwezig die de voorgestelde inperking van het ambtsgeheim rechtvaardigen. Ik licht deze factoren en de afweging die gemaakt is omtrent de voorgestelde beperking op de geheimhouding nader toe. Voordat de Hoge Raad in het arrest Van Olst/Ontvanger5 vaststelde dat informatie betreffende de derdengeldenrekening valt onder de bescherming van het ambtsgeheim, konden o.a. de Belastingdienst en opsporingsinstanties vaak probleemloos over deze informatie beschikken doordat deze desgevraagd door notarissen werd verstrekt, in de veronderstelling dat deze informatie niet onder hun geheimhoudingsplicht viel. Uiteindelijk heeft het arrest van de Hoge Raad daarover uitsluitsel gegeven. Met het voorliggende wetsvoorstel wordt de verstrekking van deze informatie ten dele en onder bepaalde voorwaarden weer mogelijk gemaakt en zo worden de gevolgen van het arrest enigszins gematigd. De centrale rol die de notaris en zijn derdengeldenrekening vervullen bij tal van vermogenstransacties maken enerzijds dat de voorgestelde beperkte informatieplicht een belangrijke bijdrage kan leveren aan de bestrijding van belastingontduiking en -fraude en de bestrijding van financieel-economische criminaliteit door informatie beschikbaar te maken over de financiële afwikkeling via de notaris van vermogensrechtelijke transacties. Anderzijds wordt met de doorbreking van de geheimhouding betreffende gegevens inzake de derdengeldenrekening niet rechtstreeks geraakt aan hetgeen in het kader van de juridische advisering tussen de notaris en zijn cliënt wordt gewisseld. Hierdoor heeft de voorgestelde uitzondering op de geheimhoudingsplicht een belangrijke beperking in reikwijdte en in effect. Bovendien levert het een duidelijke en ook voor de burger begrijpelijke afbakening tussen datgene dat onverminderd door het ambtsgeheim beschermd wordt, namelijk de inhoudelijke dienstverlening en advisering door de notaris, en hetgeen waarvan in bepaalde gevallen door de Belastingdienst en opsporingsinstanties kennis kan worden genomen, namelijk informatie over de financiële afwikkeling van transacties via de notaris.

Anders dan in het voorliggende wetsvoorstel, zou doorbreking van de geheimhouding ten behoeve van de verstrekking van de informatie zoals waarop wordt gedoeld door de leden van de SP-fractie, alsmede door het Openbaar Ministerie in het citaat dat wordt aangehaald door de leden van de D66-fractie, de vertrouwelijkheid van de relatie tussen cliënt en notaris in de kern raken. Het zou dan kunnen gaan om informatie over welke gesprekken op welke data hebben plaatsgevonden, wie daarbij aanwezig waren en welke documenten daarbij op tafel lagen. Een dergelijke ingrijpende wettelijke inperking van de geheimhouding is echter naar mijn mening alleen al niet aan de orde vanwege de te verwachten positieve effecten van de hier voorgestelde verstrekking van de gegevens betreffende de financiële transacties, in aanvulling op de eerder aan uw Kamer voorgelegde maatregelen ter bevordering van de integriteit en kwaliteit van het notariaat in het reeds door uw Kamer aanvaarde wetvoorstel naar aanleiding van de evaluatie van de Wet op het notarisambt6 en de al bestaande meldingsplicht met betrekking tot ongebruikelijke transacties op grond van de Wwft. In het kader van al deze genoemde maatregelen is voorzien in een uitzondering op de geheimhoudingsplicht. Reeds nu op voorhand te veronderstellen dat het geheel van voorgestelde maatregelen niet het gewenste effect zou sorteren, voorts ervan uit te gaan dat nog verdergaande maatregelen dat effect dan wél in afdoende mate zouden sorteren en dat bovendien de meerwaarde daarvan zou opwegen tegen de aantasting van het algemene rechtsbeginsel van de geheimhouding die met verdere inperkingen van het ambtsgeheim gepaard zou gaan, zou naar mijn oordeel in elk geval prematuur zijn.

Wat betreft de toepassing van de buitenwettelijke uitzondering staat in geval van een concrete verdenking van strafbare feiten reeds nu de weg open van toetsing door de rechter van de vraag of er in een gegeven geval zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn die een doorbreking van de geheimhouding rechtvaardigen. Indien hiertoe wordt overgegaan, zijn er geen beperkingen in het soort informatie waarvan kennis kan worden genomen en kan dus ook van meer dan alleen de geldstromen worden kennis genomen. Zoals ik in de eerdergenoemde brief aan uw Kamer heb aangegeven, zijn zeer uitzonderlijke omstandigheden in de zin van deze jurisprudentie niet op voorhand beperkt tot gevallen waarin de geheimhouder, in casu de notaris, zelf verdachte is. Ik acht ook deze bestaande mogelijkheid tot doorbreking van de geheimhouding afdoende en zie geen noodzaak om in te grijpen in hetgeen volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad over dit onderwerp.

De leden van de VVD-fractie en van de D66-fractie verzoeken om een reactie op het standpunt van de KNB in de brief aan uw Kamer van 20 april 2011 dat eventuele maatregelen ter inperking van het ambtsgeheim die verder zouden gaan dan hetgeen nu is vervatin het voorliggende wetsvoorstel en het voornoemd wetvoorstel naar aanleiding van de evaluatie van de Wet op het notarisambt, zouden leiden tot afbreuk van de functie van de notaris in het rechtsverkeer en uiteindelijk de rechtsbescherming van de burgers in de kern zouden aantasten. Zoals reeds moge blijken uit hetgeen ik hiervoor heb uiteen gezet, zijn verdergaande maatregelen wat mij betreft niet aan de orde. Ik onderschrijf dan ook het standpunt van de KNB. Ik verheug mij overigens in het feit dat de KNB nogmaals haar steun uitspreekt voor het voorliggende wetsvoorstel.

4. De derdengeldenrekening van de notaris en van de advocaat

Naar aanleiding van de opmerkingen in het advies van het College van procureurs-generaal ten aanzien van de derdengeldenrekening in de advocatuur hebben diverse fracties vragen. Ik zal ter inleiding in het navolgende eerst een korte toelichting geven op de onderscheidenlijke geheimhoudingsplichten van de notaris en de advocaat en op het gebruik en de functie van hun derdengeldenrekeningen. Hierbij zal ik ingaan op de vragen van de leden van de D66-fractie of deze geheimhoudingsplichten wezenlijk van elkaar verschillen en of de geheimhoudingsplicht van een notaris mogelijk minder zwaar weegt. Het is van maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking tot een notaris of advocaat kan wenden. Om deze vrije toegang tot de bijstand en diensten van notarissen en advocaten voor de burger te waarborgen, rust op de notaris en de advocaat een ambtsgeheim respectievelijk beroepsgeheim. Dit ambtsgeheim en dit beroepsgeheim zijn beide in de rechtspraak als algemeen rechtsbeginsel erkend en hebben eenzelfde juridische werking. Op beide is hetzelfde stelsel van waarborgen van toepassing dat bestaat uit een geheimhoudingsplicht, een daaruit voortvloeiend verschoningsrecht dat in de wet op diverse plaatsen is vastgelegd, en een afgeleide geheimhoudingsplicht voor eenieder die uit hoofde van zijn beroep, functie of werkzaamheid kennis neemt van vertrouwelijke informatie. Ook bij de toepassing van de in de jurisprudentie ontwikkelde buitenwettelijke mogelijkheid van uitzondering op de geheimhoudingsplicht in zeer uitzonderlijke omstandigheden, wordt geen onderscheid gemaakt tussen het ambtsgeheim van de notaris en het beroepsgeheim van de advocaat in die zin dat voor de doorbreking van het ambtsgeheim van de notaris er een andere, lichtere toets zou gelden dan wanneer het beroepsgeheim van de advocaat in het geding zou zijn.

Onverminderd het voorgaande, zijn er tussen het ambt van notaris en het beroep van advocaat enkele kenmerkende verschillen in functie en aard van de werkzaamheden, die wat betreft de geheimhouding hun weerslag kunnen hebben in de afweging van belangen omtrent eventuele wettelijke uitzonderingen op de geheimhouding. De notaris bekleedt een publiek ambt en zijn optreden heeft, naast het geven van juridisch advies, in het belang van het rechtsverkeer en ter waarborging van de rechtszekerheid een centrale en in belangrijke mate instrumentele functie bij het verrichten van private rechtshandelingen van veelal vermogensrechtelijke aard. Hij dient daarbij een onafhankelijke en onpartijdige positie in te nemen. De advocaat geeft juridisch advies aan rechtzoekenden om hun rechtspositie te kunnen bepalen, zo nodig een verdediging voor te bereiden en hij treedt ten behoeve van zijn cliënt in rechte op om diens belangen te behartigen en diens rechten te waarborgen. Daarbij moet hij ook vrijelijk tegen de overheid kunnen optreden en daarom onafhankelijk van die overheid zijn. Overigens wordt de vertrouwelijkheid tussen de advocaat en zijn cliënt mede beschermd door het recht op een eerlijk proces zoals dat is neergelegd in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in artikel 14 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

De leden van de PVV-fractie vestigen de aandacht op het in het advies van het College van procureurs-generaal gesignaleerde risico van verplaatsing van de problematiek naar de derdengeldenrekeningen van advocaten en vragen of het voornemen bestaat om op dit punt een wijziging van de Advocatenwet op te nemen in de reeds aangekondigde nota van wijziging op een wetsvoorstel dat thans aan uw Kamer voorligt.7 Ook de leden van de CDA-fractie spreken de verwachting uit dat de regering binnen afzienbare tijd met voorstellen komt ten aanzien van de derdengeldenrekening van de advocatuur. De hiervoor beschreven verschillen in functie en aard en context van de onderscheidenlijke werkzaamheden van de notaris en de advocaat hebben ook hun weerslag in het gebruik en de functie van hun onderscheidenlijke derdengeldenrekeningen. De derdengeldenrekening van de notaris vervult een centrale rol in zijn dienstverlening en is nauw verbonden met de aard van de diensten die deze veelal verricht. Het gebruik van de derdengeldenrekening van de notaris voor de financiële afhandeling van de overdracht van een onroerend goed biedt cliënten van de notaris extra zekerheid. De notaris kan controleren of de te betalen koopsom daadwerkelijk beschikbaar is gesteld. De derdengeldenrekening van de notaris wordt daarom over het algemeen intensief gebruikt voor de financiële afwikkeling van notariële transacties, waaronder onroerendgoedtransacties. Het veelvuldig gebruik van de derdengeldenrekening verhoogt echter de kans op misbruik van die rekening, ook zonder dat de notaris zich daarvan bewust is. Het is daarom wenselijk dat de Belastingdienst en opsporingsinstanties de mogelijkheid krijgen om in bepaalde gevallen inzicht te krijgen in de geldstromen die via de derdengeldenrekening van notarissen verlopen. Advocaten hoeven voor hun dagelijkse werkzaamheden in de praktijk slechts beperkt gebruik te maken van een derdengeldenrekening. Advocaten mogen hun derdengeldenrekening slechts gebruiken voor gelden die niet zijn bestemd voor de advocaat zelf, die in directe relatie staan tot de dienst die door hem wordt verleend en bestemd zijn voor zijn cliënt of enige andere derde. Veel advocaten maken in de praktijk nooit of slechts zelden gebruik van hun derdengeldenrekening.

Recent heeft de algemene raad van de NOvA besloten tot de introductie van een centrale stichting derdengelden, conform een model dat al in Frankrijk wordt gehanteerd. De huidige, bij verordening verplicht gestelde, individuele stichting derdengelden zal verdwijnen en advocaten worden verplicht om derdengelden te laten storten op een rekening die wordt beheerd door de centrale stichting. Derdengelden mogen door advocaten dan niet op de eigen kantoorrekening of op de rekening van een eigen stichting derdengelden worden gestort. Het bestuur van de centrale stichting zal het betalingsverkeer op de rekening(en) van de centrale stichting controleren op oneigenlijk gebruik en op ongebruikelijke transacties in de ruimste zin van het woord. Het bestuur van de stichting voorziet vervolgens de dekens en diens ondersteuning van informatie. Met behulp van deze informatie wordt toezicht op advocaten uitgeoefend met betrekking tot de derdengelden die in het kader van hun dienstverlening aan de centrale stichting derdengelden van de NOvA worden toevertrouwd.

Het voornemen van de NOvA tot het instellen van een centrale stichting derdengelden wordt door mij onderschreven. Dit biedt versterkte mogelijkheden om toezicht uit te oefenen op derdengelden die verlopen via de advocatuur en dit kan een wezenlijke bijdrage leveren aan het voorkomen van bijvoorbeeld witwastransacties. De informatie die door het bestuur van de stichting wordt verzameld, zal gebruikt worden bij het toezicht op advocaten. Een bijkomend voordeel is dat met deze stichting de administratieve lasten voor advocaten kunnen worden verminderd. Het ligt voor de hand dat de advocatuur de instelling en inrichting van de centrale stichting zelf ter hand neemt, nu hiervoor nadere regeling bij verordening volstaat.

Tot een aanpassing van de Advocatenwet behoeft op dit punt dan ook niet te worden overgegaan. Met de centralisering van de derdengeldenrekeningen in de advocatuur, het beheer van die rekening(en) door de NOvA en het versterkt toezicht dat daarmee mogelijk is, wordt gekomen tot een afzonderlijke, passende oplossing voor de derdengeldenrekening in de advocatuur waarmee mogelijk misbruik afdoende kan worden voorkomen en bestreden. Een verdergaande regeling om te komen tot een uitzondering op de geheimhouding ten aanzien van de derdengeldenrekening van de advocatuur, vergelijkbaar met de in dit wetsvoorstel opgenomen regeling voor het notariaat, is derhalve niet noodzakelijk en een daarmee gepaard gaande beperking van het beroepsgeheim van de advocaat kan worden vermeden. Ik ga er daarbij van uit dat er zich, mede als gevolg van de plannen van de NOvA, geen noemenswaardige verplaatsing van geldstromen van de derdengeldenrekeningen van notarissen naar die van de NOvA zal voordoen. Overigens bestaat er nu al een uitzondering op het beroepsgeheim van de advocaat ten behoeve van het toezicht, inclusief het financieel toezicht, dat door de dekens van de lokale orden van advocaten wordt uitgeoefend.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de mogelijkheid van centralisering van de notariële derdengeldenrekeningen, in navolging van de advocatuur. Vanwege de omvang en intensiteit van het gebruik notariële derdengeldenrekeningen zou een centralisering, in tegenstelling tot de situatie bij de advocatuur, praktische bezwaren met zich brengen wat betreft het centrale beheer van de rekeningen, de toegang tot en het gebruik van de rekeningen door de notarissen, de daarmee gepaard gaande extra administratieve lasten, alsmede wat betreft het toezicht daarop. In het kader van het toezicht op de derdengeldenrekeningen van notarissen door het Bureau Financieel Toezicht (BFT) zijn voorts geen indicaties naar voren gekomen die aanleiding geven om een centralisering van (het beheer van) de derdengeldenrekeningen van notarissen te overwegen.

De leden van de VVD-fractie informeren naar de financiële dekking voor een gebruiker van een derdengeldenrekening in geval van een faillissement van de bank en naar de mogelijkheden van de KNB om ter beperking van het risico van rechthebbenden bij verordening nadere regels te stellen omtrent eventuele eisen aan banken waar een derdengeldenrekening kan worden aangehouden. Voorts vragen deze leden of op deze wijze het toezicht kan worden vereenvoudigd. De huidige regeling van het depositogarantiestelsel garandeert bij banken aangehouden bedragen tot een bedrag van € 100 000 per persoon per bank. Deze regeling geldt eveneens voor elke rechthebbende van tegoeden op een door een notaris aangehouden derdengeldenrekening bij een in Nederland gevestigde financiële instelling. De regelgeving van de Europese Unie en de nationale regelgeving inzake het depositogarantiestelsel bevatten geen bepalingen die het aan de KNB zouden verbieden nadere voorschriften te geven over de keuze van financiële instellingen die in aanmerking komen voor het aanhouden van een derdengeldenrekening. Voor zover een eventuele beperking van de mededinging in dit verband niet verder gaat dan noodzakelijk en proportioneel is, zie ik hiervoor dan ook geen beletsel. Ik acht dit evenwel een kwestie waarvan de beoordeling van de opportuniteit in eerste instantie is voorbehouden aan de KNB en betrokken private partijen. Uit het oogpunt van toezicht sluit ik eventuele voordelen van concentratie van derdengeldenrekeningen bij één of meer banken niet op voorhand uit, maar mijn inschatting is dat de effecten in dit opzicht beperkt zouden zijn.

De leden van de D66-fractie vragen of dit wetsvoorstel zorgt voor een verplaatsing van het probleem omdat het aan de notaris toevertrouwen van gelden niet wettelijk is voorgeschreven. Het is juist dat een partij die betrokken is bij een bij de notaris te verrichten transactie niet verplicht is om eventuele daarmee samenhangende betalingen eveneens via de notaris te laten lopen. Dit geldt zowel voor gevallen waarin de tussenkomst van de notaris wettelijk is voorgeschreven, zoals de overdracht van een onroerende zaak, als gevallen waarin daartoe geen verplichting bestaat. Het is echter wel een zeer gebruikelijke gang van zaken de financiële afwikkeling via de onafhankelijke notaris te laten verlopen aangezien dit een belangrijke zekerheid biedt aan partijen. Hoewel het dus mogelijk is dat de financiële afwikkeling tussen partijen buiten de notaris om geschiedt, ligt dit niet voor de hand. Indien dit zich toch voordoet, is dit als dermate ongebruikelijk te beschouwen dat dit aanleiding geeft voor nader onderzoek door de notaris. Dit kan ertoe leiden dat geconcludeerd wordt dat er sprake is van een ongebruikelijke transactie in de zin van de Wwft, die dan als zodanig gemeld dient te worden bij het daartoe aangewezen meldpunt, of dat er sprake is van een situatie waarin de notaris zijn diensten moet weigeren. Het gebruik van de derdengeldenrekening van een advocaat in samenhang met de dienstverlening door een notaris, zal in strijd zijn met de beroepsregels van de advocaat en kan eveneens aanleiding geven tot het melden van een ongebruikelijke transactie op grond van de Wwft. Ik acht daarom de kans niet groot dat het wetsvoorstel zal leiden tot een toename van de financiële afwikkeling van notariële transacties buiten de derdengeldenrekening van de notaris om. Indien gebruik wordt gemaakt van een bankrekening van een derde is er geen sprake van een situatie waarin informatie omtrent betalingen wordt beschermd door een bijzonder ambts- of beroepsgeheim. De problematiek die dit wetsvoorstel beoogt te adresseren, is in die gevallen dan ook niet aan de orde.

Eveneens met het oog op eventuele verplaatsing van geldstromen vragen de leden van de CDA-fractie naar de situatie in de overige landen van de Europese Unie. Vooraf wil ik erop wijzen dat indien de tussenkomst van de (Nederlandse) notaris wettelijk is voorgeschreven, bijvoorbeeld bij de overdracht van een in Nederland gelegen onroerend goed of de vestiging van een hypotheekrecht op dat onroerend goed, het uitwijken naar het buitenland voor partijen niet mogelijk is. Bovendien volgt uit het «Reglement beperking uitbetaling derdengelden» van de KNB dat gelden op de derdengeldenrekening als hoofdregel moeten worden uitbetaald op een Nederlandse bankrekening. Uit de reacties die door tussenkomst van de KNB van de notariële beroepsorganisaties vanuit een aantal lidstaten is gekomen, komt naar voren dat het nog al eens gebruikelijk is dat de notaris over een afzonderlijke derdengeldenrekening beschikt die onder zijn ambtsgeheim valt. Wat betreft de mogelijkheid van doorbreking van de geheimhoudingsplicht blijkt dat uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht voorkomen ten behoeve van de belastingautoriteiten, meestal in de vorm van fiscale aangifteverplichtingen en in relatie tot de bestrijding van fraude en witwassen, alsmede ten behoeve van opsporing en strafvervolging, eventueel na een rechterlijke tussenkomst.

5. Inhoud van de wettelijke regeling – algemeen

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of een notaris zaken actief aan de kaak kan stellen, bijvoorbeeld indien hij het ernstige vermoeden heeft dat de hem toevertrouwde gelden uit criminele activiteiten afkomstig zijn. Op de notaris rust de verplichting ingevolge artikel 16 Wwft om ongebruikelijke transacties te melden bij het daarvoor bestemde meldpunt, de Financial Intelligence Unit (FIU)-Nederland. Op deze wijze en door middel van het weigeren van zijn diensten kan een notaris voorkomen dat op hem een verdenking van strafrechtelijke deelneming gaat rusten.

De leden van de SP-fractie vragen of de voorgestelde wettelijke regeling ten aanzien van opsporingsonderzoeken veel tijd kan besparen en vragen of dit kan leiden tot een efficiëntere inzet van bijvoorbeeld de financiële recherche. Het is ook mijn indruk dat de verruiming van de mogelijkheden tot opsporing van financieel-economische criminaliteit zal bijdragen aan de efficiëntie en effectiviteit van deze opsporing. Onderzoeken kunnen door de beschikbaarheid van informatie over de financiële afwikkeling van notariële transacties wellicht bekort worden of leiden tot resultaten die anders niet bereikt hadden kunnen worden. De precieze gevolgen hiervan voor de snelheid van onderzoeken en de inzet van capaciteit zijn moeilijk in te schatten. Overigens kan verkregen informatie ook aanknopingspunten opleveren voor nieuwe onderzoeken.

De leden van de SGP-fractie informeren naar de rechtsmiddelen die een notaris heeft om zich te verzetten tegen een verzoek om of vordering van informatie. In ditzelfde verband vragen de leden van de VVD-fractie of het denkbaar is dat een notaris niet hoeft te voldoen aan een informatieverzoek. Allereerst wil ik erop wijzen dat het ambtsgeheim strekt tot de bescherming van de belangen van de cliënt, niet van de belangen van de notaris. De vraag naar de rechtmatigheid van de gegevensverstrekking en het daaraan ten grondslag liggende verzoek kan door de cliënt van de notaris aan de orde worden gesteld in het kader van bezwaar en beroep als belastingplichtige tegen de beslissing van de Belastingdienst waarbij de desbetreffende gegevens zijn gebruikt, of als verdachte bij de rechter in het kader van het strafproces. In de huidige praktijk heeft verzet door de notaris zelf tegen een doorbreking van de geheimhouding veelal als achtergrond dat deze bevreesd is om achteraf aansprakelijk te worden gesteld voor het eventueel onrechtmatig verstrekken van informatie. Indien verstrekking van informatie wordt verlangd op grond van een wettelijke uitzondering, zoals is voorzien in het voorliggend wetsvoorstel, of op grond van het oordeel van de rechter(-commissaris) dat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van de geheimhouding in het individuele geval rechtvaardigen, is deze vrees echter niet terecht.

Tegen een informatieverzoek in het kader van fiscale controle, staat op zichzelf voor de notaris dan ook geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel open. Bovendien worden de verplichtingen van de notaris in de voorliggende wettelijke regeling uitputtend vastgelegd, zodat er over de inhoud van de wettelijke informatieverplichting geen onduidelijkheid kan bestaan. In bijzondere omstandigheden bestaat de mogelijkheid om zich tot de burgerlijke rechter te wenden. Redelijkerwijs moet er dan sprake zijn van een kennelijk onrechtmatig verzoek om informatieverstrekking. In geval van een vordering tot verstrekking van gegevens met betrekking tot de derdengeldenrekening in het kader van opsporing van strafbare feiten dient de notaris in beginsel zijn medewerking te verlenen. Indien de notaris van oordeel is dat Openbaar Ministerie en politie geen kennis zouden mogen nemen van de verstrekte gegevens, dan kan hij daartegen beklag aantekenen bij de rechtbank op grond van artikel 552a Sv. Hij is daar echter niet toe verplicht, ook niet vanuit het oogpunt van aansprakelijkheid.

Voorts vragen de leden van de SGP-fractie of de notaris zich kan beroepen op het feit dat hij wettelijk verplicht is tot het verstrekken van informatie en zodoende op geen enkele manier aansprakelijk kan worden gesteld. Ook de leden van de VVD-fractie vragen of de notaris mag afgaan op het verzoek van de Belastingdienst en niet behoeft te toetsen of deze zich op terechte gronden tot de notaris wendt. Ik kan zonder meer bevestigen dat de notaris in beginsel mag uitgaan van de rechtmatigheid van een verzoek om of vordering van informatie, met dien verstande dat de notaris bij het voldoen aan het verzoek of de vordering uiteraard de nodige zorgvuldigheid dient te betrachten in de zin dat hij zich ervan vergewist dat er daadwerkelijk sprake is van een verzoek of vordering in de zin van de voorgestelde wettelijke regeling. Op de notaris rust echter geen enkele verplichting om nog zelfstandig onderzoek te doen naar de redenen die aan een dergelijk verzoek of vordering ten grondslag liggen. De leden van de SGP-fractie vragen in dit verband of de uitzondering ten behoeve van de Belastingdienst niet zo kan worden vormgegeven dat de bewijslast bij de Minister van Financiën komt te liggen. Dit volgt reeds uit de voorliggende regeling. De notaris zal zijn bevrijd van zijn geheimhoudingsplicht in geval van een verzoek of vordering, ongeacht de inhoudelijke gronden waarop dit verzoek of deze vordering is gedaan. Een eventueel door de rechter vastgestelde onrechtmatigheid van het verzoek of de vordering zal ertoe leiden dat de aldus verkregen informatie onrechtmatig is verkregen, maar dit zal niet kunnen leiden tot enige aansprakelijkheid van de notaris.

In ditzelfde verband wijzen de leden van de D66-fractie op het feit dat het aan de notaris als geheimhouder is om te beoordelen of de verstrekking van (afschriften van) bepaalde stukken mogelijk is, zonder dat daarmee andere gegevens worden verstrekt dan die zijn uitgezonderd van de geheimhouding. Deze leden vragen of de notaris aansprakelijk kan worden gesteld indien later door de rechter wordt geoordeeld dat de opgevraagde stukken niet mochten worden verstrekt aan het Openbaar Ministerie. Voor zover de notaris informatie verstrekt waartoe hij op grond van de voorgestelde wettelijke regeling verplicht is, al dan niet door de afgifte van (afschriften van) stukken, is hij, zoals hiervoor is uiteengezet, niet aansprakelijk. Indien hij echter informatie verstrekt die niet van geheimhouding is uitgezonderd, handelt hij daarmee logischerwijze in strijd met zijn geheimhoudingsplicht. De kans dat de notaris dit in het kader van de hier aan de orde zijnde informatieverstrekking ongewild zou doen en als gevolg daarvan aansprakelijk zou kunnen worden gesteld, acht ik evenwel gering. Ten aanzien van een informatieverzoek dat wordt gedaan in het kader van fiscale controle, wordt in de voorliggende regeling exact aangeduid welke gegevens inzake de derdengeldenrekening dienen te worden verstrekt. De gegevens die verstrekt dienen te worden op een vordering in het kader van een strafvorderlijk onderzoek staan niet op voorhand vast – dit is afhankelijk van de strafvorderlijke bevoegdheid die wordt aangewend, maar met dien verstande dat de gevorderde gegevens alleen betrekking kunnen hebben op (het gebruik van) de derdengeldenrekening van de notaris. Bij de vordering dient aan de notaris nauwkeurig te worden aangegeven welke informatie er op welke grondslag wordt verlangd (vgl. artikel 126nd, derde lid, Sv). Ook hier geldt vervolgens dat een eventueel later vastgestelde onrechtmatigheid van de vordering ertoe kan leiden dat de aldus verkregen informatie op onrechtmatige wijze in het kader van opsporing is verkregen, waarvoor de verantwoordelijkheid bij het Openbaar Ministerie zal komen te liggen.

Ook de leden van de PvdA-fractie en de SP-fractie hebben vragen naar aanleiding van het feit dat de informatieplicht ziet op de verstrekking van bepaalde gegevens, en niet op de verstrekking van bepaalde stukken. Zij vragen naar een toelichting hoe de verstrekking van informatie in de praktijk dient plaats te vinden. Een van de redenen waarom de informatieplicht ziet op de verstrekking van bepaalde gegevens met betrekking tot de derdengeldenrekening en niet op de verstrekking van (afschriften van) bepaalde stukken als zodanig, is gelegen in de noodzaak om de bescherming van gegevens die ook in de toekomst niet zijn uitgezonderd van de geheimhoudingsplicht afdoende te waarborgen. Voorkomen dient te worden dat met de verstrekking van (afschriften van) stukken de toegestane verstrekking van gegevens zijn wettelijke begrenzing overschrijdt. Op de notaris rust de plicht om van de geheimhoudingsplicht uitgezonderde gegevens te verstrekken. Het ligt hierbij het meest voor de hand dat hij dit zal doen door middel van een schriftelijke verklaring. Het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst zouden dit kunnen faciliteren door hiertoe formulieren op te stellen. Dit is iets dat door hen met de KNB overlegd zou kunnen worden. In de memorie van toelichting is de mogelijkheid voor de notaris open gelaten om bij wijze van alternatief aan zijn informatieplicht te voldoen door (afschriften van) stukken over te leggen die de gevraagde gegevens bevatten, mits daaruit geen andere gegevens naar voren komen dan die zijn uitgezonderd van de geheimhouding. In het geval van een vordering om informatie in het kader van opsporing is dit afhankelijk van de strafvorderlijke bevoegdheid die wordt uitgeoefend. Het kan zijn dat uit bepaalde stukken als zodanig geen andere informatie blijkt dan mag worden verstrekt. De notaris zou in overige gevallen eventuele informatie die niet is uitgezonderd van de geheimhoudingsplicht uit te verstrekken afschriften kunnen weglaten, of deze informatie onleesbaar kunnen maken.

De leden van de VVD-fractie vragen of de persoon op wie de door de notaris verstrekte gegevens betrekking hebben, naderhand van die verstrekking op de hoogte wordt gesteld. De leden van de SP-fractie willen in ditzelfde verband weten of de notaris verplicht kan worden om de verstrekking van informatie voor zijn cliënt te verzwijgen. Ook de leden van de D66-fractie informeren naar een plicht tot geheimhouding voor de notaris en vragen wat de gevolgen zijn voor de notaris indien hij zijn cliënt zou informeren. Indien er een informatieverzoek wordt gedaan, is er blijkbaar aanleiding voor (nader) onderzoek. Ik ga ervan uit dat een notaris in het belang van dat onderzoek passend en prudent om zal gaan met zijn wetenschap van het informatieverzoek. In geval van een informatieverzoek in het kader van fiscale controle bestaat er geen wettelijke verplichting voor de notaris om daarover tegen zijn cliënt te zwijgen. In geval van een vordering tot verstrekking van gegevens in het kader van opsporing van strafbare feiten, dient de notaris op grond van artikel 126bb, vijfde lid, Sv, geheimhouding te betrachten over al hetgeen hem ter zake van de vordering bekend is.

De leden van de VVD-fractie hebben in het licht van de bescherming van de privacy vragen over de mogelijkheid van doorgifte, de bescherming, en de bewaartermijn van informatie die door de notaris wordt verstrekt. De leden van de D66-fractie vragen in ditzelfde verband wat er gebeurt met de opgevraagde gegevens indien een onderzoek op niets uitloopt en wat de consequentie is van het gegeven dat er geen (van de notaris) afgeleide geheimhoudingsplicht geldt. Voor de gegevens die door de notaris worden verstrekt geldt het wettelijk regime dat van toepassing is op gegevens die in het kader van de heffing en inning van belastingen worden verkregen dan wel bij opsporing worden vergaard. De belastingwetgeving kent een strenge geheimhoudingsplicht die zich uitstrekt tot al hetgeen bekend wordt bij de uitvoering van deze wetgeving en deze informatie kan, behoudens uitzonderingen bij wettelijk voorschrift, alleen in dat kader worden gebruikt. Voor zover de Belastingdienst op grond van een wettelijk voorschrift gegevens verstrekt aan andere bestuursorganen gaat het daarbij veelal om geaggregeerde informatie zoals de hoogte van het fiscale inkomen en niet om het soort gegevens dat aan de notaris wordt gevraagd in het kader van lopende onderzoeken. Informatie kan wel worden opgevraagd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, waarbij het toegestane gebruik dan is beperkt tot dat onderzoek. De belastingwetgeving kent geen vaste bewaartermijn voor informatie. Informatie wordt ingevolge de Archiefwet 1995 na verloop van tijd geselecteerd voor vernietiging dan wel overbrenging naar het Algemeen Rijksarchief. Op de in het kader van een strafvorderlijk onderzoek vergaarde gegevens zijn de regels voor verstrekking, bewaring en vernietiging van persoonsgegevens van de Wet politiegegevens van toepassing, alsmede de bepalingen van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

6. Informatieverzoek in het kader van fiscale controle (voorgestelde artikel 25, achtste lid, Wna)

De leden van de PvdA-fractie stellen enkele vragen met betrekking tot de uitzondering ten behoeve van fiscale controle, met name in relatie tot de opsporing van fiscale delicten. Ook de leden van de SP-fractie vragen naar de relatie tussen het voorgestelde achtste lid van artikel 25 Wna en het voorgestelde negende lid, in relatie tot strafbare feiten in het fiscale bereik. De voorgestelde uitzondering in het nieuwe achtste lid ziet op de situatie van reguliere fiscale controle, enigszins vergelijkbaar met het begrip toezicht, door de inspecteur of ontvanger op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de Algemene douanewet. Zoals ik hiervoor reeds heb aangegeven, is voor het uitoefenen van de bevoegdheden in die wetten tot het inwinnen van informatie geen verdenking van een strafbaar feit vereist. Wanneer er echter eenmaal sprake is van een concrete verdenking van het begaan van een fiscaal delict, zal door buitengewone opsporingsambtenaren van de Belastingdienst, waaronder de opsporingsambtenaren van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD), kunnen worden overgegaan tot opsporing. Daarbij kunnen opsporingsbevoegdheden worden aangewend en voor zover het daarbij gaat om bevoegdheden op grond van het Wetboek van Strafvordering, is de ruimere uitzondering van het voorgestelde negende lid van toepassing. In de fiscale context kan dus bij reguliere controle gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid van het achtste lid, en indien deze controle leidt tot een verdenking van een strafbaar feit, bijvoorbeeld van belastingontduiking, kan vervolgens bij de opsporing bij de toepassing van bevoegdheden op grond van het Wetboek van Strafvordering gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het voorgestelde negende lid. Wat deze leden bepleiten is dus mogelijk op grond van de voorliggende regeling.

De leden van de SGP-fractie vragen naar de keuze voor gebruikmaking van het bepaalde in het voorgestelde achtste lid, onder a, van artikel 25 Wna, dan wel het in dat lid bepaalde onder b. Het onderscheid tussen het bepaalde onder a en onder b is louter van technische aard. Het heeft te maken met het aanknopingspunt waarover de Belastingdienst in een concreet geval beschikt. In beide typen gevallen dienen uiteindelijk dezelfde gegevens boven tafel te komen. Bij het bepaalde onder a heeft de Belastingdienst kennis van een bepaalde handeling of transactie, maar ontbreken de overige gegevens, terwijl bij toepassing van het bepaalde onder b juist de kennis omtrent een specifieke betaling of ontvangst het aanknopingspunt is voor de Belastingdienst en de aanleiding vormt om een informatieverzoek te doen naar de overige daarmee samenhangende gegevens.

De leden van de VVD-fractie vragen naar wat onder «de omvang van de betalingen» moet worden verstaan en of ook de onderliggende bescheiden hieronder vallen. Onder de omvang van de betalingen dient te worden verstaan de hoogte van de gedane betalingen naar en van de derdengeldenrekening, eventueel uitgesplitst naar de verschillende betalingen. Onderliggende bescheiden vallen niet onder dit begrip.

Voornoemde leden vragen voorts hoe specifiek het «onderlinge verband» tussen de op basis van het voorgestelde achtste lid verstrekte gegevens door de notaris dient te worden aangegeven. Het aangeven van het onderlinge verband dient zeker te stellen dat duidelijk is wie de betaling heeft ontvangen dan wel heeft gedaan en wie van welke bankrekening gebruik heeft gemaakt. Voorts dient de rol van de betrokkenen bij betalingen die zijn verricht over de derdengeldenrekening te worden aangeduid. Hierbij gaat het om de aanduiding van de aard van de bij de notaris verrichte transactie, bijvoorbeeld de overdracht van een onroerende zaak en de vestiging van een hypotheekrecht op die zaak, en de rol van de betrokkenen bij de betalingen in dat verband, bijvoorbeeld wie van de verstrekte namen de koper, de verkoper en de hypotheekverstrekker was.

De leden van de VVD-fractie vragen verder naar de typen gevallen met een verhoogd risico op belastingontduiking of -fraude en vragen of hiervoor criteria bestaan. Het gebruik van de term verhoogd risico in de memorie van toelichting duidt niet op bepaalde typen gevallen, maar steunt op beoordeling van de feitelijke situatie in het voorliggende geval. In een specifieke situatie is nog niet sprake van verdenking maar is wel sprake van feiten en omstandigheden die per saldo een gerede aanwijzing vormen voor het willen instellen van nader onderzoek. Die feiten en omstandigheden kunnen liggen in het subject, de persoon waarop het nader onderzoek is gericht als ook in het object, de transactie, de betaling, etc. Signalen van mogelijke onregelmatigheid kunnen van diverse oorsprong zijn. Te denken valt hierbij aan uit andere onderzoeken verkregen inlichtingen, eerder aangiftegedrag, onwaarschijnlijke inkomens- en bestedingspatronen, betrokkenheid bij dubieuze praktijken, het zich voordoen van ondoorzichtige (keten)transacties of een onwaarschijnlijke prijsstelling. De aanwezigheid van een verhoogd risico is voorts veelal afhankelijk van een complex samenstel van feiten en omstandigheden die vooral in hun onderlinge samenhang bezien, nopen tot nader onderzoek.

Verder vragen deze leden wat verstaan moet worden onder «gerede aanleiding» bij een informatieverzoek in het kader van fiscale controle door de Belastingdienst. De leden van de SP-fractie vragen of er een bepaald financieel belang moet zijn om van de in het voorgestelde achtste lid voorziene bevoegdheid gebruik te kunnen maken. De fiscale controle door de Belastingdienst is te beschouwen als een vorm van toezicht, waarvoor geldt dat voor de aanwending van de controlebevoegdheden geen verdenking noodzakelijk is. Gezien de bijzondere context en gevolgen van een informatieverzoek aan een notaris, waarbij ingevolge dit wetsvoorstel de geheimhouding van bepaalde gegevens kan worden doorbroken, dient terughoudendheid te worden betracht bij het uitbrengen van dergelijke informatieverzoeken. Daartoe bevat het wetsvoorstel de voorwaarde van machtiging vooraf door de Minister van Financiën. De hiermee gepaard gaande interne goedkeuringsprocedure voor verzoeken van de Belastingdienst biedt de garantie dat pas verzoeken aan notarissen zullen worden gedaan indien daartoe een gerede aanleiding bestaat. Met de aanduiding «gerede aanleiding» wordt gedoeld op de situatie waarin de omstandigheden van het concrete geval voldoende rechtvaardiging vormen voor het doen van een informatieverzoek bij de notaris. Dit is bijvoorbeeld het geval indien op grond van de feitelijke omstandigheden van het geval een verhoogd risico van belastingontduiking of -fraude kan worden aangenomen, zoals dat hiervoor is beschreven. Voorts dient met het oog op het belang van het concrete onderzoek een informatieverzoek bij de notaris te zijn aangewezen, omdat de gegevens die van de notaris verkregen worden van belang kunnen zijn voor het onderzoek en deze gegevens niet of moeilijk op een andere wijze verkregen kunnen worden. Ten slotte zal het gewicht van de zaak van belang zijn bij de afweging omtrent het doen van een informatieverzoek. De omvang van het financieel belang dat in het geding is, kan hierbij een rol spelen, hoewel die omvang niet in alle gevallen bij voorbaat vast zal staan.

De leden van de SGP-fractie vragen in dit verband of niet in de wet zelf zou moeten worden vastgelegd dat het bij een informatieverzoek aan de notaris gaat om een uiterst middel dat gebruikt kan worden in specifieke omstandigheden. Op de voorwaarden die gelden voor het gebruik van de uitzonderingsmogelijkheid ben ik zojuist ingegaan. Ik ben van mening dat de nadere invulling die aan de concrete toepassing van de mogelijkheid tot het doen van een informatieverzoek is gegeven in de toelichting bij het wetsvoorstel, tezamen met het in de voorgestelde wettekst opgenomen vereiste van een machtiging van de Minister van Financiën, voldoende waarborgen vormen voor een zorgvuldig gebruik van de in het wetsvoorstel voorziene mogelijkheid tot het doen van een informatieverzoek aan de notaris.

De leden van de VVD-fractie merken op dat binnen de Belastingdienst een procedure zal worden uitgewerkt om een restrictief gebruik van de mogelijkheid tot het doen van een informatieverzoek aan de notaris te waarborgen. Zij vragen hoe deze procedure eruit zal gaan zien. Het is inderdaad de bedoeling dat van de nieuwe mogelijkheid van het doen van een informatieverzoek aan een notaris restrictief gebruik wordt gemaakt. Het voorliggend wetsvoorstel voorziet in dit verband in het vereiste van voorafgaande machtiging door de Minister van Financiën. Een en ander houdt in dat een interne procedure binnen de Belastingdienst wordt ingericht waarbij informatieverzoeken aan notarissen centraal zullen worden beoordeeld en uitgaan. Hiermee wordt gewaarborgd dat dergelijke verzoeken niet lichtvaardig zullen worden gedaan, aangezien elk verzoek eerst intern verantwoord dient te worden. Tegelijkertijd zal ervaring worden opgebouwd met dergelijke verzoeken, waardoor een goed overzicht zal ontstaan van de aard en het aantal gevallen waarin informatie wordt gevraagd. Dit zal bijdragen aan een goed afgewogen beoordeling en een consequente gedragslijn.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de noodzaak van afspraken tussen de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie in het kader van de voorgestelde informatieplicht, naar voorbeeld van de afspraken over de keuze tussen fiscaalrechtelijke sanctionering en de inzet van de strafrechtelijke pluk-ze-maatregel. De voorgestelde informatieplicht ziet op de wijze waarop onderzoeksbevoegdheden bij fiscale controle onderscheidenlijk opsporing ingezet kunnen worden. Dit staat los van de keuze omtrent de wijze van sanctioneren van de feiten die vervolgens bij het onderzoek geconstateerd worden.

7. Vordering van informatie op grond van een bevoegdheid op grond van het Wetboek van Strafvordering (voorgestelde artikel 25, negende lid, Wna)

De leden van de D66-fractie vragen naar aanleiding van het oordeel van de Raad van State of de regering zou willen overwegen om in de wettekst op te nemen dat de mogelijkheid tot het doen van een vordering tot het verstrekken van informatie beperkt is tot de opsporing van financieel-economische criminaliteit en vragen in dat verband of te verstrekken gegevens ook relevant kunnen zijn voor andere soorten van onderzoek. Het begrip financieel-economische criminaliteit is geen juridisch gedefinieerd of vast omlijnd begrip. Alleen al om die reden zou het begrip zich niet lenen voor een gebruik in het kader van een wettelijke restrictie. In de toelichting op het wetsvoorstel is onder het begrip financieel-economische criminaliteit, naast (belasting)fraude en witwassen, mede begrepen: corruptie, het verbergen van door criminele activiteiten verkregen gelden en de financiering van terrorisme. Naar mijn inzicht zal het daar bij het gebruik van de voorgestelde wettelijke uitzondering in verreweg de meeste gevallen om gaan. Niettemin is het denkbaar dat informatie met betrekking tot de derdengeldenrekening relevant is voor de (financiële aspecten van) andere vormen van criminaliteit. De opsporing daarvan is evenwel niet per definitie van geringer maatschappelijk belang en die gevallen zouden daarom niet op voorhand moeten worden uitgesloten. Een restrictieve doelbinding die het gebruik van het voorgestelde negende lid van artikel 25 Wna beperkt tot de opsporing van financieel-economische criminaliteit is in het licht van het voorgaande naar mijn oordeel niet noodzakelijk of aangewezen.

De voornoemde leden vragen om een nadere toelichting op de waarborgen die van toepassing zijn op het gebruik van het voorgestelde negende lid van artikel 25 Wna. Op het gebruik van de bevoegdheden tot het vorderen van informatie op grond van het Wetboek van Strafvordering zijn de waarborgen van toepassing die daartoe in dat Wetboek zijn opgenomen. Deze waarborgen verschillen onderling en zijn in zwaarte afhankelijk van de mate van ingrijpendheid van de strafvorderlijke bevoegdheid die wordt aangewend. Zo is voor toepassing van artikel 126nd Sv – dat o.a. ziet op het vorderen van gegevens over een transactie – een vordering van de officier van justitie nodig. Daarnaast moet sprake zijn van onderzoek naar een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan (artikel 67 Sv), en moet in het belang van het desbetreffende onderzoek verstrekking van de gevorderde gegevens nodig zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen, in het licht van het pleidooi van de KNB in haar advies om de informatieplicht ten behoeve van opsporing te beperken tot de verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, of er in de wettelijke voorziening geen koppeling kan worden aangebracht met artikel 67 Sv, met in aanvulling daarop nog enkele specifieke delicten. Uit de koppeling in het voorgestelde artikel 25 Wna, negende lid, met bevoegdheden in het Wetboek van Strafvordering die kunnen dienen tot het vorderen van informatie, volgt reeds dat er in de meeste gevallen sprake dient te zijn van een verdenking in de zin van artikel 67 Sv. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven wordt voorts in het Wetboek van Strafvordering voor een enkele bevoegdheid of delict op deze hoofdregel uitzondering gemaakt. Gezien dit wettelijke kader is een afzonderlijke regeling op dit punt in de voorliggende bepaling juridisch niet noodzakelijk of wenselijk. Overigens geldt voor de opsporingsbevoegdheid die bij uitstek zal worden toegepast om gegevens over transacties die verlopen via de derdengeldenrekening van de notaris op te vragen – artikel 126nd Sv – het vereiste van een misdrijf waarvoor toepassing van voorlopige hechtenis mogelijk is (artikel 67 Sv). Teneinde in alle denkbare gevallen de zorgvuldigheid te waarborgen waarmee het vorderen van gegevens van de notaris plaatsvindt, zal het Openbaar Ministerie in samenspraak met de KNB een aanwijzing opstellen over informatieverstrekking, waarin onder meer zal worden bepaald dat de officier van justitie ook in het geval waarin dit op grond van de wet niet nodig is toestemming zal moeten geven voor de vordering van gegevens van de notaris.

8. Toezicht door het Bureau Financieel Toezicht (BFT)

De leden van de SP-fractie merken met instemming op dat het BFT in het kader van het wetsvoorstel naar aanleiding van de evaluatie van de Wet op het notarisambt8 de bevoegdheid krijgt om de dossiers van notarissen in te zien. Deze leden vragen zich echter af wat er principieel op tegen is als het BFT de mogelijkheid krijgt aangifte te doen tegen derden van mogelijke strafbare feiten indien het daar bij het doen van het toezicht op stuit. Zoals eerder opgemerkt, dient het ambtsgeheim van de notaris dient het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking tot een notaris kan wenden. Gezien dat doel is het aangeven van cliënten reeds op zichzelf een wezenlijke inbreuk op het ambtsgeheim. In verband met de wettelijke uitzondering op de geheimhoudingsplicht van de notaris ten behoeve van het toezicht door het BFT, is de afgeleide geheimhoudingsplicht voor (personen bij) het BFT een cruciale waarborg ter eerbiediging van het ambtsgeheim en de vertrouwelijkheid tussen notaris en cliënt. De voorziene bevoegdheid van het BFT om de notariële geheimhouding te doorbreken is daarom uitsluitend bestemd voor gebruik ten behoeve van de uitoefening van het toezicht op de notaris en in het verlengde daarvan, van de uitoefening van het tuchtrecht bij het indienen van een klacht bij de tuchtrechter. Een speciale, aanvullende uitzondering op de geheimhoudingsplicht voor het BFT ten behoeve van aangifte tegen cliënten, zou ernstig afbreuk doen van die waarborgfunctie. Het BFT verkeert straks in de zeer uitzonderlijke positie dat het in beginsel toegang heeft tot alle vertrouwelijke informatie die zich bij de notaris bevindt, op de personen die betrokken zijn bij het toezicht rust dan ook een afgeleide geheimhoudingsplicht. Doordat deze afgeleide geheimhoudingsplicht gelijk is aan die van de oorspronkelijke geheimhouder, zou aangifte tegen cliënten door het BFT in materiële zin gelijk staan aan aangifte tegen cliënten door de notaris zelf. Aangezien de notaris zelf op grond van zijn geheimhoudingsplicht in beginsel gehouden is zich van het doen van aangifte tegen zijn cliënten te onthouden of zich van een plicht daartoe te verschonen, zou een algemene bevoegdheid tot het doen van zo’n aangifte door het BFT oneigenlijk zijn en inhoudelijk strijdig zijn met het eerder genoemde doel van het ambtsgeheim. Ik wil in dit verband nog wijzen op de eerdere bespreking van dit onderwerp ter gelegenheid van de behandeling van voornoemd wetsvoorstel door uw Kamer.9

Daarnaast is de toegevoegde waarde van een bevoegdheid van het BFT om tegen cliënten aangifte te doen, relatief beperkt. Het zal vrij uitzonderlijk zijn indien (uitsluitend) op basis van het dossier van de notaris voldoende aanknopingspunten zouden blijken die aangifte tegen een cliënt wegens het plegen van een mogelijk strafbaar feit rechtvaardigen. Als dit al het geval zou zijn, is de gerede kans aanwezig dat de notaris daaraan willens en wetens heeft meegewerkt en met zijn malafide cliënt heeft samengespannen. Een notaris zal in dergelijke gevallen immers zijn diensten moeten weigeren, dan wel een melding doen van een ongebruikelijke transactie bij de FIU-Nederland. In geval van actieve betrokkenheid van de notaris bij mogelijke malversaties, kan het BFT wel aangifte doen tegen de notaris. Indien in het kader van een eventueel daarop volgend strafrechtelijk onderzoek door de rechter wordt besloten tot doorbreking van de geheimhouding, kan de cliënt van de notaris eveneens strafrechtelijk worden aangepakt. Concluderend ben ik onveranderd van oordeel dat de meerwaarde van hetgeen de leden van de SP-fractie bepleiten tamelijk beperkt is, terwijl de prijs die daarvoor zou moeten worden betaald in termen van aantasting van het ambtsgeheim aanzienlijk is en op principiële bezwaren stuit.

Voorgenoemde leden vragen voorts naar de capaciteit bij het BFT in relatie tot de nieuwe rol in het kader van het toezicht op het notariaat, en vragen naar de aantallen onderzoeken door het BFT. Bij de formatie en de begroting van het BFT heeft in het kader van de voorgenomen uitbreiding van het toezicht op de notarissen tot het algemene toezicht een uitbreiding plaatsgevonden van 8 voltijdseenheden (fte’s). Het BFT geeft in zijn jaarverslag aan hoeveel onderzoeken het jaarlijks uitvoert. Op basis van actuele gegevens worden naar schatting jaarlijks circa 150 onderzoeken in het kader van het financieel toezicht op grond van de Wna uitgevoerd en 50 onderzoeken in het kader van de Wwft. Binnen de beschikbare financiële middelen acht de regering de capaciteit van het BFT voldoende voor een stevig toezicht gebaseerd op analytisch en risicogericht onderzoek. Dit is eerder toegelicht bij de behandeling van het wetsvoorstel naar aanleiding van de evaluatie van de Wet op het notarisambt in uw Kamer. Voorts wijs ik op de beleidsreactie op het evaluatierapport van de commissie Kuijl waarin nader wordt ingegaan op de komende taken van het BFT en de daarvoor benodigde middelen.10

9. Voorbereiding van het wetsvoorstel

De leden van de SP-fractie vragen naar de vertraging in de voorbereiding van het wetsvoorstel die zich sinds de consultatie van het ambtelijk voorontwerp in 2008 heeft voorgedaan. De voornaamste reden hiervoor hangt samen met de in het advies van het College van procureurs-generaal opgeworpen vraag naar een soortgelijke regeling of andere bijzondere voorziening voor de derdengeldenrekening in de advocatuur. Dit leidde tot een herbezinning op de reikwijdte van het voorliggende wetsvoorstel en raakte tevens aan het bredere onderwerp van het toezicht op de advocatuur, inclusief het toezicht op de naleving van de Wwft. Het vinden van een zorgvuldige en passende oplossing aangaande de derdengeldenrekening in de advocatuur en de beantwoording van de vraag of het voorliggende wetsvoorstel zou moeten worden uitgebreid met een soortgelijke regeling daarover, hing samen met de besluitvorming ten aanzien van de voornoemde andere onderwerpen. Bovendien biedt mijns inziens de recente besluitvorming door uw Kamer over de algemene maatregelen ter bevordering van de kwaliteit en integriteit van het notariaat in dat wetsvoorstel de gelegenheid tot een compleet en afgewogen oordeel over de in het thans voorliggende wetsvoorstel voorgestelde aanvullende inperking van de notariële geheimhoudingsplicht.

De leden van de VVD-fractie vragen om een toelichting op het feit dat het Adviescollege administratieve lasten (Actal) niet om advies is gevraagd. De administratieve lasten die voorvloeien uit dit wetsvoorstel zijn dermate gering dat op basis van een tussen het ministerie en Actal gesloten convenant voorlegging aan Actal voor advies achterwege kon blijven.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven


X Noot
1

Brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 8 april 2011, Kamerstukken II 2010/11, 32 250, nr. 12.

X Noot
2

Zie Hoge Raad 14 juni 2005, LJN: AT4418 en Hoge Raad 30 oktober 2007, NJ 2008, 115.

X Noot
3

LJN: BP6141.

X Noot
4

Zie noot 1, blz. 2.

X Noot
5

Hoge Raad 18 december 1998, NJ 2000, 341.

X Noot
6

Voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het notarisambt naar aanleiding van de evaluatie van die wet, alsmede regeling van enkele andere onderwerpen in die wet en wijziging van de Wet op het centraal testamentenregister en van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Kamerstukken 32 250).

X Noot
7

Voorstel van wet tot aanpassing van de Advocatenwet, de Wet op de rechtsbijstand en de Wet tarieven in burgerlijke zaken in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde (Kamerstukken 32 382).

X Noot
8

Zie noot 2, blz. 2.

X Noot
9

Memorie van toelichting, Kamerstukken II 2009/10, 32 250, nr. 3, pp. 8 en 15–16; nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II 2009/10, 32 250, nr. 6, pp. 10–11.

X Noot
10

Brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 april 2011 met een beleidsreactie op het evaluatierapport Bureau Financieel Toezicht en het evaluatieonderzoek inzake de tuchtrechtelijke handhaving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme en haar voorlopers, Kamerstukken II 2010–2011, 29 911, nr. 47.