Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201832670 nr. 132

32 670 Voortgang Natura 2000

Nr. 132 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 maart 2018

Hierbij ontvangt u, op verzoek van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, een reactie op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van State over het schorsen van twee natuurvergunningen waarbij het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is toegepast. In mijn reactie ga ik ook in op de vragen die zijn gesteld over de gevolgen van de uitspraak voor het PAS, voor lopende en toekomstige vergunningen en voor eventuele negatieve gevolgen voor de verbetering van het milieu en op vragen over de versterking van de onderbouwing van het PAS.

Op 9 maart heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) uitspraak gedaan over de gevraagde schorsingen van vijf vergunningen op grond van de Wet natuurbescherming waarbij ontwikkelingsruimte is toegedeeld in de zin van het PAS. De voorzieningenrechter heeft twee vergunningen geschorst. Het gaat om twee vergunningen voor veehouderijen in Gelderland en Noord-Brabant. De uitspraak heeft tot gevolg dat de veestapel op deze bedrijven voorlopig niet mag uitbreiden.

Eerder had de Afdeling in haar verwijzingsuitspraak, waarbij de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie (zie Kamerstuk 32 670, nr. 114), besloten om in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie de natuurvergunningen niet te schorsen omdat er in het systeem sprake is van een buffer. De buffer bestaat doordat een deel van de uit te geven vrije ontwikkelingsruimte (segment 2) is gereserveerd voor de eerste helft van de programmaperiode van zes jaar (60%) en een deel voor de tweede helft daarvan (40%). Zolang die buffer er was, kon het uitdelen van ontwikkelingsruimte volgens de Afdeling geen onomkeerbare gevolgen hebben voor de natuur. In negentien gebieden (op 0,4% van alle hexagonen met stikstofgevoelige habitats) is inmiddels gebruik gemaakt van de ruimte voor de tweede helft van de programmaperiode.

Verder had de Afdeling in de verwijzingsuitspraak aangegeven dat de passende beoordeling van het PAS op onderdelen verbeterd en aangevuld moet worden. De Afdeling is er van uitgegaan dat de nadere onderbouwing geleverd zou zijn voordat de buffer van 40% zou worden uitgegeven. Door de actualisaties van het PAS, is gebleken dat de herberekende 60% ontwikkelingsruimte, beschikbaar voor de eerste helft van de programmaperiode op bepaalde hexagonen is overschreden en de 40% buffer al is aangesproken. Hierdoor is, volgens de voorzieningenrechter, een andere situatie ontstaan dan aangegeven in de verwijzingsuitspraak.

De ontstane situatie geeft, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van vergunningen, waarin ontwikkelingsruimte is toegedeeld voor een activiteit die leidt tot een toename van depositie op een hexagoon waarvoor meer dan 60% van de beschikbare ontwikkelingsruimte in segment 2 is uitgegeven en de vergunde activiteit nog niet of niet volledig is gerealiseerd.

De voorzieningenrechter wijst erop dat verweerders een verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening kunnen doen als de gevraagde nadere onderbouwing van de passende beoordeling van het PAS voorhanden is. Met deze onderbouwing kan ook worden voorkomen dat andere vergunningen worden geschorst.

Aan die verbetering en aanvulling van de passende beoordeling van het PAS wordt volop gewerkt. Het was de bedoeling om voor alle onderdelen de versterking van de onderbouwing af te ronden voor 1 juli 2018, het moment dat de tweede helft van de programmaperiode begint. Ik ga proberen dit proces samen met de andere PAS-partners te versnellen om er voor te zorgen dat we zo snel mogelijk kunnen verzoeken de schorsingen op te heffen.

De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van vergunningen:

  • 1. waarin ontwikkelingsruimte is toegedeeld voor een activiteit die leidt tot een toename van depositie op een hexagoon waarvoor meer dan 60% van de beschikbare ontwikkelingsruimte in segment 2 is uitgegeven en de activiteit geheel is gerealiseerd (d.w.z. de depositie die veroorzaakt kan worden door de vergunde activiteit volledig plaatsvindt);

  • 2. waarin ontwikkelingsruimte is toegedeeld voor een activiteit die een toename van depositie veroorzaakt op uitsluitend hexagonen waarvoor niet meer dan 60% van de ontwikkelingsruimte is uitgegeven;

  • 3. die zonder toedeling van ontwikkelingsruimte zijn verleend.

Voor vergunningen die niet aan bovenstaande voorwaarden voldoen, zal de voorzieningenrechter naar verwachting over gaan tot schorsing van de betreffende vergunningen. Nieuwe vergunningaanvragen voor activiteiten die zorgen voor een stikstofdepositie op hexagonen waarvoor meer dan 60% van de vrije ontwikkelingsruimte is toegedeeld, worden geweigerd. Dit gebeurt overigens al vanaf het moment dat er sprake was van een toedeling van meer dan 60% (17 maart 2017 respectievelijk 1 september 2017).

De uitspraak heeft geen negatieve gevolgen voor de verbetering van het milieu. In ieder geval kunnen vergunningen die zorgen voor een afname van de stikstofdepositie, bijvoorbeeld vanwege het gebruik van een schonere stal, gewoon door gaan omdat daar geen ontwikkelingsruimte voor nodig is. Verder gaat de uitvoering van de bron- en herstelmaatregelen die in het kader van het PAS worden genomen onverminderd door.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten