Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 mei 2017
In vervolg op mijn brief d.d. 17 maart jl. (Kamerstuk 32 670, nr. 113) wil ik uw Kamer informeren over het feit dat de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State op 17 mei 2017 twee verwijzingsuitspraken1 heeft gedaan in enkele pilotzaken over de programmatische aanpak stikstof en in enkele
procedures over de algemene vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor
het weiden van vee en gebruik van meststoffen nabij Natura 2000-gebieden. De Afdeling
bestuursrechtspraak vraagt het Hof van Justitie van de Europese Unie door middel van
prejudiciële vragen om uitleg over de bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn.
Bij de pilotzaken gaat het om beroepen tegen vergunningen voor veehouderijen, waarbij
ten aanzien van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden een beroep is gedaan
op de depositieruimte van het programma aanpak stikstof. De prejudiciële vragen in
de pilotzaken betreffen in essentie de toelaatbaarheid van een systeem als de programmatische
aanpak stikstof in het licht van de door de Habitatrichtlijn voorgeschreven passende
maatregelen om verslechtering van de kwaliteit van Natura 2000-gebieden te voorkomen
en in het licht van de door de richtlijn voorgeschreven specifieke toets van projecten
met mogelijk significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. In de verwijzing
naar het Hof geeft de Afdeling aan dat zij het aannemelijk acht dat de programmatische
aanpak stikstof op grond van de richtlijn toelaatbaar is, maar zij ziet zich genoodzaakt
om de vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen, omdat het Europese regelgeving
betreft, en dat de vragen als zodanig niet eerder door dat Hof zijn beantwoord. Het
gaat onder meer om de vraag of bij vergunningverlening voor de beoordeling van de
effecten van een activiteit die stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied veroorzaakt
een beroep kan worden gedaan op de ecologische onderbouwing die aan het programma
ten grondslag ligt.
Maar ook gaat het om de vraag of in die onderbouwing rekening kan worden gehouden
met toekomstige positieve natuureffecten van in het programma opgenomen maatregelen
en van de autonome daling van stikstofdepositie. Verder vraagt de Afdeling naar de
toelaatbaarheid van een vrijstelling van de vergunningplicht voor activiteiten die
een stikstofdepositie veroorzaken die een bepaalde grenswaarde niet overschrijdt,
waarvoor voor de onderbouwing daarvan eveneens wordt aangesloten bij die van het programma.
In de procedures over de algemene vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht
voor het weiden van vee en gebruik van meststoffen stelt de Afdeling enkele vragen
over de toelaatbaarheid van een dergelijke vrijstelling in het licht van de Habitatrichtlijn
en over het juridische karakter van de vrijgestelde activiteiten.
Eerst nadat het Hof van Justitie de vragen heeft beantwoord, zal de Afdeling bestuursrechtspraak
einduitspraak kunnen doen in de bij haar voorliggende zaken. Vanwege de grote gevolgen
voor de economie en de Natura 2000-gebieden in Nederland heeft de Afdeling het Hof
van Justitie verzocht de vragen met voorrang te behandelen, zo mogelijk voor 1 juli
2018.
De Afdeling heeft besloten geen voorlopige voorziening te treffen. De Afdeling is
van oordeel dat de verdeling van de ontwikkelingsruimte over de eerste en tweede helft
van de PAS-periode (die loopt van 2015–2021) in combinatie met de uitvoering van bron-
en herstelmaatregelen ervoor zorgen dat activiteiten die tot 1 juli 2018 toestemming
krijgen op grond van het programma aanpak stikstof naar verwachting geen onomkeerbare
gevolgen voor de natuur zullen hebben. Ook in de procedures over beweiden en bemesten
is geen voorlopige voorziening getroffen, omdat ook daar geen onomkeerbare effecten
worden verwacht; de Afdeling wijst er daarbij op dat de provincies zo nodig in specifieke
gevallen beperkingen kunnen stellen aan het weiden van vee en het gebruik van meststoffen,
als dat noodzakelijk is in het licht van de doelstellingen van de betrokken Natura
2000-gebieden.
De Afdeling geeft op enkele punten al een inhoudelijk oordeel ten aanzien van het
programma aanpak stikstof 2015–2021. Zij geeft onder meer aan dat de onderbouwing
van het programma op onderdelen moet worden verbeterd of aangevuld. Dat wordt thans
ter hand genomen.
Het is van groot belang om de programmatische aanpak onverkort door te zetten, de
in het programma opgenomen bron- en herstelmaatregelen uit te voeren, de onderbouwing
te verbeteren en het programma met regelmaat te actualiseren zodanig dat daarin steeds
de beste beschikbare kennis is verwerkt.
Daarbij wordt de hand gehouden aan de voorziene systematiek van monitoring en bijsturing.
Dat is essentieel in het licht van de noodzakelijke aanpak van de stikstofdepositie
van de daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden en het nu en in de toekomst mogelijk
maken van economische activiteiten die bijdragen aan de stikstofbelasting.
De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam