Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132623 nr. 40

32 623 Actuele situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten

Nr. 40 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 juni 2011

In aanvulling op de brief van 25 maart jl. over de situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten (Kamerstuk 32 623, nr. 16) informeren wij u – mede namens het kabinet – over de verdere invulling van de Nederlandse inzet in de Arabische wereld en in het bijzonder over de financiële ondersteuning van het transitieproces. Deze brief dient tevens ter uitvoering van de moties van de leden Pechtold en Timmermans (Kamerstuk 32 623, nr. 9) en van het lid Voordewind c.s. (Kamerstuk 32 502, nr. 16). Daarnaast heeft de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) op 15 juni jl. advies uitgebracht over de (financiële) toereikendheid van het huidige Nederlandse en EU-beleid in de Arabische regio. Het kabinet neemt de reactie op dit advies zo veel mogelijk mee in deze brief. De formele regeringsreactie treft u in de bijlage aan.1

Essentie

Het kabinet wil een duurzame transitie in de Arabische regio ondersteunen die leidt tot:

  • democratisering, in het bijzonder eerlijke en vrije verkiezingen

  • opbouw van de rechtsstaat en bescherming van de mensenrechten, met bijzondere aandacht voor gendergelijkheid, vrijheid van de media (inclusief internet), religieuze vrijheid, bescherming van minderheden en LGTB-rechten

  • economische groei mede door opbouw van de economische infrastructuur inclusief bevordering van werkgelegenheid.

Het kabinet hanteert hierbij de volgende uitgangspunten:

  • doeltreffende inzet via multilaterale en bilaterale kanalen

  • vraaggestuurde aanpak

  • intelligente conditionaliteit, geënt op bovengenoemde drieslag

  • geen nieuwe structuren, maar – binnen de bestaande budgettaire kaders -herijking van bestaande structuren.

  • adequate (inter)nationale coördinatie

Het kabinet zal:

  • in EU-verband blijven pleiten voor verbeterde markttoegang voor producten, in het bijzonder ook agrarische, uit de Arabische regio

  • in EU-verband toezien op naleving «meer voor meer»-principe

  • bijzondere aandacht blijven houden voor rechtmatige, effectieve en efficiënte besteding van EU-gelden in de regio

  • via EU-mobiliteitspartnerschap migratiestromen beter beheren, bevorderen kennismigratie, uitwisseling studenten en onderzoekers, restrictieve migratiebeleid EU handhaven en bijdragen aan versterking Europese grensbewaking,

  • als grote donor en aandeelhouder actief bijdragen aan de strategie ontwikkeling door de VN, Wereldbank en IMF, pleiten voor een geïntegreerde aanpak met intelligente conditionaliteit

  • ondersteunen mandaatsuitbreiding EBRD

  • op een andere wijze invulling geven aan de «Mediterrane Dialoog» en de «Istanbul Cooperation Initiative»

  • inzetten op bescherming in de regio

  • afspraken maken over terugkeer van niet tot Nederland toegelaten vreemdelingen

  • eind 2011 een conferentie over internetvrijheid organiseren

  • invulling geven aan de verklaring die minister Rosenthal en minister Clinton ondertekenden over de rol en positie van vrouwen in transitieprocessen

  • druk blijven uitoefenen op regimes die hun bevolking gewelddadig onderdrukken, onder andere in de Mensenrechtenraad

  • bezoeken bewindspersonen intensiveren

  • politieke partijen die deelnemen aan het politieke proces beoordelen op de mate waarin zij voldoen aan democratische en rechtsstatelijke beginselen

  • behoedzaam blijven voor de mogelijke risico’s die samenhangen met de aanwezigheid van radicale islamitische groeperingen

  • nieuwe bilaterale middelen beschikbaar stellen voor de ondersteuning maatschappelijk middenveld (MATRA-Zuid)

  • een deel van het bedrijfsleveninstrumentarium openstellen voor de regio (PSI)

  • financiële middelen beschikbaar stellen voor technische assistentie op die terreinen waar PSI zich op richt

  • wanneer opportuun economische missies intensiveren

  • beschikbaar stellen expertise over waterbeheer, voedselzekerheid

  • beschikbaar stellen expertise over opbouw rechtsstaat

  • verzoeken van UNOCHA of IFRC tot noodhulp overwegen

Algemeen

De afgelopen maanden hebben de ontwikkelingen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten de internationale agenda gedomineerd. Terwijl na de omwentelingen in Tunesië en Egypte wordt gewerkt aan politieke en economische hervormingen, zijn de gebeurtenissen in Libië, Syrië, Jemen en Bahrein reden voor grote zorg. In landen als Marokko, Jordanië en Oman wordt zonder regimewisseling gewerkt aan hervormingen. Tegen deze achtergrond van transitieprocessen, werkt de internationale gemeenschap aan antwoorden en instrumenten om de politieke en maatschappelijke hervormingsprocessen zo goed mogelijk te ondersteunen. In deze brief wordt de Nederlandse inzet geschetst, zowel multilateraal als bilateraal, om een duurzame transitie in de Arabische regio te ondersteunen.

Multilateraal

Europese Unie

Op 25 mei jl. presenteerden de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger (HV) de mededeling «A new response to a changing neighbourhood», waarin beleidsvoornemens zijn geformuleerd ten aanzien van de nabuurschapspartners. Over de Nederlandse appreciatie van deze voorstellen bent u reeds op 15 juni jl. geïnformeerd. De Commissie constateert dat er behoefte is aan een grotere flexibiliteit en meer maatwerk in de bilaterale betrekkingen tussen de Unie en de zestien individuele nabuurschapspartners (waaronder de tien buren uit het Zuiden). Uitgangspunt daarbij is «meer voor meer»: hoe effectiever het hervormingsproces in het partnerland is, hoe sterker de toenadering tot de Unie kan zijn. Ook de AIV onderschrijft dit principe. Keerzijde van de medaille is wat Nederland betreft dat tegenvallende hervormingsresultaten integratie belemmeren en de aanspraak op steun aanzienlijk doen verminderen. Nederland bepleit in dit kader «intelligente conditionaliteit», met bijzondere aandacht voor gendergelijkheid, vrijheid van de media (inclusief internet), religieuze vrijheid, bescherming van minderheden en LGTB-rechten en terugkeer.

Nederland is bereid welwillend te kijken naar de mogelijkheden voor de uitwisseling van groepen als studenten, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, academici en zakenlieden, maar handhaaft het overige restrictieve beleid terzake. De instroom van kansarmen die naar de Unie afreizen, moet worden tegengegaan, zij die illegaal in de EU verblijven zullen moeten terugkeren.

De financiële middelen van de EU voor de Arabische regio zijn als volgt:

Bestaand

Uit de schenkingsmiddelen voor het Europese Nabuurschapsbeleid (ENPI) is tot 31 december 2013 nog € 4 miljard beschikbaar aan «bestaande» middelen voor de zuiderburen. Hiervan is € 200 miljoen direct toe te rekenen aan Nederland (Nederland draagt immers circa 5% bij aan de EU-begroting).

Nieuw

Voorts heeft de RBZ van 20 juni jl. besloten voor de periode 2011–2013 tot maximaal € 1,2 miljard aan extra middelen beschikbaar te stellen voor het gehele nabuurschapsbeleid. Hiervan kan tot € 800 miljoen ter beschikking komen aan de Zuidelijke buurlanden. Van dat bedrag is € 40 miljoen direct toerekenbaar aan Nederland.

Leningen

De Europese Raad besloot voorts in maart 2011 dat € 1 miljard extra aan EIB-leningen aan de Zuidelijke buurregio zou worden vrijmaakt. Wanneer het plafond is opgehoogd, betekent dit dat er de komende drie jaar € 5,8 miljard kapitaal beschikbaar is voor leningen aan de regio. € 290 miljoen is toerekenbaar aan Nederland.

Voor Egypte is vanuit het nabuurschapsbeleid € 449 miljoen gereserveerd voor de periode 2011–2013. Ruim € 22 miljoen daarvan is toerekenbaar aan Nederland (5%). In de periode 2007–2010 werd € 618 miljoen besteed in Egypte vanuit het nabuurschapsbeleid. Daarvan is bijna € 31 miljoen toerekenbaar aan Nederland.

Internationale financiële instellingen (IFI’s)

De recente G8-top op 26 en 27 mei jl. heeft geleid tot de «Deauville Partnership» verklaring over de Arabische lente. Hierin committeert de G8 zich aan steun voor de transitieprocessen, inclusief duurzame en inclusieve groei. Vooral het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de multilaterale ontwikkelingsbanken wordt gevraagd om de regio bij te staan. Nederland kan, zoals ook door de AIV bepleit, onder andere via de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD), de Europese Investeringsbank (EIB), het IMF en de Wereldbank, deze plannen beïnvloeden. De IFI’s richten zich in eerste instantie vooral op Tunesië en Egypte. De WB is vanwege de veiligheidssituatie en daardoor het gebrek aan mogelijkheden om effectief te kunnen opereren momenteel niet actief in Algerije, Jemen, Syrië en Libië.

De EBRD zal vóór 31 juli a.s. voorstellen presenteren over mogelijke uitbreiding van het mandaat naar de regio. Nederland is evenals de AIV voorstander van een dergelijke uitbreiding van het mandaat van de EBRD. Er is een gerede kans dat de EBRD een verzoek aan donoren zal richten ten behoeve snelle, voorbereidende activiteiten in de betrokken landen.

De in de tabel genoemde bedragen worden als leningen gegeven om de meest urgente economische noden in Egypte, Tunesië en andere landen in de regio te lenigen. Als belangrijke aandeelhouder van Wereldbank, Afrikaanse Ontwikkelingsbank, IMF en EIB draagt Nederland substantieel bij aan deze leningen. Anders dan bij de EU, kan de absolute en relatieve positie van Nederland bij de IFI’s – Nederland is bijvoorbeeld bij de Wereldbank met 2% van het kapitaal de dertiende aandeelhouder – niet direct worden vertaald in een exacte toerekening van het Nederlandse financiële bijdrage.

Organisatie

Regionaal

Tunesië

Egypte

Wereldbank

 

USD 1,5 miljard

USD 4,5 miljard

Afrikaanse ontwikkelingsbank

 

USD 500 miljoen

 

IMF

Tot USD 35 miljard waarvan:

USD 20 miljard

EIB

€ 5,8 miljard aan leningen (periode 2011–2013)

 

EU (nabuurschapsbeleid)

Bestaand geld: € 4 miljard (2011–2013)

Intensivering: max. € 800 mln extra (2011–2013)

 

Verenigde Naties (VN)

De VN heeft zich vanaf het begin een actieve houding aangemeten ten aanzien van de omwentelingen in de Arabische wereld. Nederland draagt, als top-10 donor van de VN-ontwikkelingsorganisaties, met kernbijdragen en noodhulpfondsen bij aan de wederopbouw en humanitaire noden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. De precieze bijdrage van Nederland aan de Arabische regio via de VN-fondsen en programma’s is niet direct toerekenbaar omdat Nederland geen speciale voorwaarden aan zijn bijdragen verbindt. UNDP, OHCHR, UNICEF, WFP, FAO, UNHCR en andere VN-organisaties passen momenteel hun programma’s aan aan de nieuwe situatie in de regio. UNDP heeft een «Strategy of Response to Transformative Change Championed by Youth in the Arab Region» opgesteld en zal zich concentreren op verbetering van bestuur, economische ontwikkeling (vooral banen voor jongeren) en coördinatie van de VN inspanningen. Tunesië en Egypte zullen met UNDP samenwerken op het gebied van verbetering van bestuur en de VN zal de verkiezingsprocessen in deze twee landen ondersteunen. UNDP hoopt ook in andere landen de dialoog aan te kunnen gaan over vreedzame hervormingen. OHCHR zal daarnaast enkele kantoren openen in de regio, inclusief een regionaal kantoor in Cairo. Nederland houdt nauwlettend in de gaten dat voldoende middelen worden vrijgemaakt voor VN-programma’s in de regio.

NAVO

Binnen het kader van de bestaande structuren wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn om de samenwerking met de landen van de «Mediterrane Dialoog» en de «Istanbul Cooperation Inititative» op een andere wijze in te vullen. Voor de inzet van de NAVO in Libië wordt verwezen naar de verschillende brieven die uw Kamer reeds ontving.

Bilateraal

De uitgangspunten en prioriteiten van het regeerakkoord, de brief van 25 maart jl. , de Focusbrief ontwikkelingssamenwerking en de Terugkeerbrief die op korte termijn naar de Tweede Kamer wordt toegezonden vormen het kader van de Nederlandse bilaterale inzet in de Arabische regio. Dit geldt ook voor het verzoek om binnen het OS-beleid en -budget een status aparte te creëren voor landen in de regio (motie Pechtold/Timmermans, Kamerstuk 32 623, nr. 9).

Bezoeken

Staatssecretaris Knapen bracht op 15 maart jl. een bezoek aan Tunesië waar hij sprak over de humanitaire situatie aan de grens met Libië en steun uitsprak voor het transitieproces. Op 30 mei jl. bracht minister Rosenthal een bezoek aan Tunesië waar hij sprak met de interim-regering en het maatschappelijk middenveld, steun betuigde aan het transitieproces en de humanitaire situatie aan de grens met Libië besprak. Op 18 juni ontving minister Rosenthal zijn Egyptische ambtgenoot. De Marokkaanse minister van Buitenlandse Zaken evenals de Algerijnse minister van Buitenlandse Zaken zijn voornemens in het najaar Nederland te bezoeken. Daarnaast bracht de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur op 18 en 19 mei jl. een bezoek aan Egypte en sprak daar onder andere over de vrijheid van godsdienst in een democratische rechtsstaat. Langs diplomatieke weg is er intensief contact de landen in de regio, met name Tunesië en Egypte.

Markttoegang

Nederland staat inmiddels bekend als actief pleitbezorger van verbeterde markttoegang voor producten uit de Arabische regio. Nederland heeft daarin het initiatief genomen en zoekt actief naar partners opdat de internationale coördinatie zo goed mogelijk verloopt. Zo lanceerden Nederland en Denemarken een gezamenlijk initiatief voor een Euro-Mediterrane economische ruimte, een initiatief dat de AIV als constructief kwalificeert. Het openstellen van de Europese markten is van wezenlijk belang voor economische ontwikkeling en het creëren van werkgelegenheid en staat inmiddels prominent op de EU-agenda.

Internetvrijheid

Ook pleit Nederland voor internetvrijheid die in diverse landen in de Arabische regio ernstig wordt beperkt. Vrije toegang tot internet is niet alleen van groot belang voor het kunnen genieten van mensenrechten zoals de vrijheid van meningsuiting, maar ook voor maatschappelijke en politieke stabiliteit, vrije handel, economische ontwikkeling en innovatie. Het kabinet is van plan in de tweede helft van 2011 een ministeriële conferentie over internetvrijheid te organiseren.

Gender

Het kabinet onderkent – net als de AIV – het belang van deelname van vrouwen aan transitieprocessen, waaronder verkiezingen. Dit is een belangrijke voorwaarde voor de duurzaamheid en stabiliteit van democratische staatsvormen.

Om deze reden hebben minister Rosenthal en minister Clinton besloten te gaan samenwerken ter versterking van de politieke participatie van vrouwen in deze democratische transitieprocessen. Hiertoe ondertekenden zij tijdens het bezoek van de minister aan de VS op 21 april jl. een verklaring. In opvolging hiervan leverde Nederland een bijdrage aan een intern Amerikaans overheidsseminar waar deelnemers werden bijgepraat over de Nederlandse ervaringen met de uitvoering van VNVR 1325. De uitvoering van deze resolutie staat centraal in het Nederlandse beleid genderbeleid. De Nederlandse ambassades in de regio zijn op 1 juni jl. geïnformeerd over de implicaties van deze resolutie en geïnstrueerd in hun contacten met lokale autoriteiten daar aandacht aan te besteden.

Nederlandse initiatieven in de Mensenrechtenraad

Conform de toezegging aan uw Kamer (Kamerstuk 2010–2011, 26 150, nr. 98), heeft Nederland actief gepleit voor een thematische zitting van de Mensenrechtenraad (MRR) over de Arabische regio. De Raad heeft vooralsnog niet besloten tot een dergelijke zitting. Nederland heeft het Amerikaanse initiatief om het optreden van Syrië door de VN-Mensenrechtenraad veroordeeld te krijgen, actief gesteund. Het is, zoals ook de AIV stelt, van groot belang sterke druk op het regime te blijven uitoefenen om de gewelddadige onderdrukking van de protesten te beëindigen. Inmiddels is deze veroordeling een feit en heeft de MRR een «fact-finding»-missie van het Hoge Commissariaat voor de Mensenrechten bevolen. Daarnaast heeft Nederland tezamen met een aantal EU-lidstaten campagne gevoerd om de verkiezing van Syrië in de MRR te voorkomen. Syrië heeft kort daarop zijn kandidatuur ingetrokken, ten gunste van Koeweit. Daarnaast heeft Nederland het initiatief genomen om, in reactie op de ontwikkelingen in Jemen, tijdens de 17e zitting van de MRR een verklaring over Jemen te laten aannemen die oproept tot een interactieve dialoog met Jemen tijdens de 18e zitting.

Gevolgen voor de nationale veiligheid in brede zin

Bij de beleidskeuzes zijn ook de gevolgen van de ontwikkelingen in de regio voor de nationale veiligheid in ogenschouw genomen. Uitgaande van de situatie in de afgelopen maanden lijken deze gevolgen beperkt te zijn. Het kabinet blijft echter alert op potentiële risico’s in termen van onder meer hogere en fluctuerende olieprijzen, (im)migratiestromen en extremistische groeperingen die proberen te profiteren van de onzekere situatie. De Nederlandse inspanningen voor democratisering, rechtsstaatopbouw en economische groei dragen bij aan de stabiliteit in de regio en aan de beperking van deze potentiële risico’s voor de nationale veiligheid.

Bilaterale financiële steun

In aanvulling op de substantiële bedragen die Nederland via multilaterale kanalen bijdraagt, zal ook een bilateraal programma worden opgezet waarmee Nederland op specifieke en gerichte wijze kan bijdragen aan de ontwikkelingen in de regio.

Het kabinet kondigde eerder aan een nieuwe faciliteit te openen naar analogie van het Matra-programma, gericht op zowel sociale en economische elementen, als op het ondersteunen van een inclusief democratiseringsproces en de ontwikkeling van de rechtsstaat. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat deze activiteiten moeten aansluiten bij – en dienen als aanvulling op – de internationale inspanningen. Multilateraal waar mogelijk, bilateraal waar nodig. Door de aard en schaal van de ontwikkelingen en problemen in de regio is het kabinet realistisch over de mate waarin Nederland bilateraal kan bijdragen aan een oplossing. De impact van de programma’s van de EU en de internationale gemeenschap, inclusief de IFI’s en de VN, is immers groter dan die van lidstaten afzonderlijk. Bovendien zijn handelspolitiek, visumbeleid en ontwikkelingshulp beleidsterreinen waar de EU exclusieve of gedeelde bevoegdheden heeft.

Hoewel EU-fondsen en die van andere internationale actoren de hulp van kleinere spelers in kwantitatieve zin overtreffen is het om een aantal redenen toch zinvol om ondersteuning vanuit Nederland te bieden. Een eigen bilateraal instrumentarium is om strategische redenen interessant, omdat het makkelijker is om de mensenrechtensituatie en het democratiseringsproces te bespreken wanneer Nederland zelf ook bijdraagt aan het verbeteren van de situatie. Hiermee wordt de eis van conditionaliteit versterkt. Daarnaast creëert een eigen instrumentarium eigen (strategische) netwerken die gebruikt kunnen worden om Nederlandse belangen te behartigen. Tenslotte heeft een aantal landen soms expliciete voorkeur voor samenwerking met Nederland vanwege een specifieke Nederlandse expertise of omdat Nederland als een meer neutrale partner wordt gezien.

2011

Teneinde snelle projecten mogelijk te maken, is voor de resterende maanden van 2011 ervoor gekozen via herprioritering binnen de bestaande centrale programma’s € 7,7 miljoen beschikbaar te stellen voor de Arabische regio. Deze gelden waren aanvankelijk niet geoormerkt voor de Arabische regio. Voor de selectie van projecten gelden de gebruikelijke criteria van de verschillende fondsen.

Programma

Bedrag

Stabiliteitsfonds

€ 1,5 miljoen

Mensenrechtenfonds

€ 1,5 miljoen

Wederopbouw centraal

€ 1,5 miljoen

Fonds Ontwikkeling Pluriformiteit en Participatie (FOPP)

€ 1,2 miljoen

Vrouwenemancipatie

€ 2 miljoen

2012–2015

Daar waar Nederland in EU-verband pleit voor herijking van bestaande instrumenten in plaats van het creëren van nieuwe structuren, geldt op nationaal niveau hetzelfde adagium. Ook is het belangrijk focus aan te brengen in de inzet. In plaats van een nieuwe faciliteit op te zetten, stellen wij vanaf 2012 daarom een aantal bestaande instrumenten voor de regio open. Hiertoe zijn uit de HGIS-middelen additionele fondsen beschikbaar gesteld. Zoals ook de AIV stelt, beschikt Nederland reeds over passende beleidsinstrumenten ter versterking van het maatschappelijk middenveld.

Jaar

HGIS-middelen

2012

€ 7,5 miljoen

2013

€ 10 miljoen

2014

€ 12,5 miljoen

2015

€ 15 miljoen

Omdat de onrust in de Arabische regio zowel politieke als sociaaleconomische oorzaken kent, stelt Nederland twee succesvolle instrumenten open voor activiteiten in de regio: MATRA en een deel van het bedrijfsleven instrumentarium. Deze programma’s zijn alle vraaggestuurd. Na evaluatie van de inzet van deze instrumenten, zal worden bezien hoe de Nederlandse inzet na 2015 kan worden vormgegeven. Ten aanzien van de bestaande centrale fondsen geldt dat zij meer toegespitst zullen worden ingezet in de regio, zoals dat ook voor 2011 het geval is.

MATRA in de Arabische regio (MATRA-Zuid)

MATRA is in 1993 in het leven geroepen in reactie op de omwenteling in Midden- en Oost-Europa eind jaren tachtig. Centrale doelstelling was het bevorderen van actief burgerschap, een sterk maatschappelijk middenveld en een transparante overheid teneinde pluriformiteit en democratie te bevorderen. Uit de verschillende evaluaties blijkt dat MATRA een succesvol – en relatief kosteneffectief – instrument is voor het begeleiden van transitieprocessen en het ondersteunen van politieke hervormingen. Om deze reden heeft het kabinet besloten, onder de naam MATRA-Zuid, middelen beschikbaar te stellen voor de Arabische regio. Het budget voor MATRA-Zuid is additioneel aan het voor de komende jaren voorziene budget voor het bestaande MATRA-programma. In tegenstelling tot MATRA voor Zuidoost-Europa is er van toetredingsperspectief in de Arabische regio geen sprake. De systematiek van de twee MATRA-programma’s is echter wel dezelfde, waarbij de nadruk primair ligt op het lokale maatschappelijk en culturele middenveld, maar ook steun aan (semi)overheden en de rechterlijke macht (zoals training van rechters) is mogelijk. Grootschalige steun aan overheden dient vanwege de financiële omvang door IFI’s en de EU te gebeuren.

Het budget wordt gedelegeerd aan de Nederlandse ambassades in de doellanden. MATRA-Zuid wordt in principe opengesteld voor alle landen in de Arabische regio, behalve voor de twee partnerlanden – Jemen en de Palestijnse Gebieden – voor welke de reguliere OS-budgetten toereikend zijn om indien nodig meer op transitieprocessen te richten.

Egypte komt nadrukkelijk wel in aanmerking voor deze nieuwe middelen. Daarnaast, zoals hierboven reeds is gesteld, ontvangt Egypte via multilaterale kanalen aanzienlijke bedragen.

In Jemen vindt sinds 2010 al een actieve ombuiging plaats naar een conflictsensitiever programma, waarin meer dan voorheen met maatschappelijke organisaties wordt gewerkt. De hulp aan Jemenitische overheidsinstellingen is begin april opgeschort. Aan deze aanbeveling van de AIV was dus reeds voor verschijning van het advies voldaan. Noodhulp en hulp via particuliere maatschappelijke organisaties gaat in principe door, maar wordt bemoeilijkt door de huidige situatie.

Het is van belang focus aan te brengen in de inzet en versnippering zo veel mogelijk tegen te gaan. Tegelijkertijd wil het kabinet op voorhand geen landen uitsluiten. Om deze reden heeft het kabinet besloten het instrumentarium in principe open te stellen voor alle landen in de regio. De daadwerkelijke beschikbaarstelling van fondsen is van tevoren moeilijk aan te geven. Dit is immers vanwege de conditionaliteit afhankelijk van de ontwikkelingen in de regio. In eerste instantie zal Nederland nu vooral inzetten op Egypte en Tunesië omdat deze landen de meeste vorderingen maken in hun transitieproces en de meeste absorptiecapaciteit hebben. Een tweede categorie betreft landen als Marokko en Jordanië. Hier hebben geen omwentelingen plaatsgehad maar wordt gewerkt aan hervormingen.

De AIV constateert terecht dat in landen waar een transitie veel moeilijker te bewerkstelligen is, steun aan het hervormingsproces juist hard nodig is. Wanneer de omstandigheden het toelaten zal de steun in die landen worden begonnen dan wel verhoogd. De situatie in landen als Libië en Syrië leent zich vooralsnog slecht voor het steunen van het maatschappelijk middenveld.

Ten aanzien van Libië is, gezien de uitzonderlijke omstandigheden en de Nederlandse betrokkenheid bij de internationale inspanningen om de crisis in Libië op te lossen, de Nederlandse inzet erop gericht dat de relevante internationale organisaties post-conflict plannen ontwikkelen. Het Nederlandse kabinet heeft een pool van deskundigen die op korte termijn inzetbaar zijn en netwerk aan strategische partners die reeds actief zijn in de regio en hierin een rol kunnen spelen. Daarnaast heeft Nederland, zoals ook de AIV stelt, niche-capaciteit op het gebied van SSR en Rule of Law. Onze ambitie is op grond van deze expertise een bijdrage te leveren aan een post-Qaddafi Libië, binnen de kaders van een gecoördineerde internationale inzet.

Voor ondersteuning van politieke partijontwikkeling zal een budget worden overgedragen aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en opgenomen in de toekomstige Wet financiering politieke partijen. Het kabinet onderkent net als de AIV het belang om politieke partijen te steunen en zal hiertoe middelen beschikbaar stellen.

Net als bij het bestaande MATRA zullen jonge diplomaten uit de regio in Nederland diplomatieke trainingen kunnen volgen en zullen ambtenaren trainingen kunnen volgen op het gebied van onderwerpen die relevant zijn voor het transitieproces.

Bedrijfsleven instrumentarium

Ontwikkeling van de private sector, evenals economische diplomatie, zijn speerpunten van het regeerakkoord. Tegelijkertijd streeft de EU naar een verbeterde markttoegang voor producten uit de regio. Nederland neemt hierin met een aantal andere lidstaten het initiatief. Het ontwikkelen van de private sector, vooral het MKB, is van cruciaal belang als motor van de economische groei en het creëren van werkgelegenheid. In contacten met collega’s uit de desbetreffende landen stelt het kabinet dit steeds nadrukkelijk aan de orde.

Om deze redenen zal het «Private Sector Investeringsprograma» (PSI) – dat ook kansen biedt voor het Nederlandse bedrijfsleven – worden uitgebreid met landen uit de regio die aan de criteria daarvoor voldoen (Algerije, Irak, Jordanië, Syrië en Tunesië)1. Voor deze landen zal een sub-programma worden ingericht dat specifiek zal worden afgebakend tot een aantal kansrijke sectoren, waaronder de agro-sector. Het bedrijfsleven instrumentarium is kostenintensiever dan MATRA, waardoor dat aandeel op het totaalbedrag relatief groot is.

Doel van PSI is het stimuleren van duurzame economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden. Het programma genereert werkgelegenheid, inkomen en kennis en draagt bij aan het versterken van de lokale private sector. Het programma levert hiermee een bijdrage aan zelfredzaamheid en duurzame armoedebestrijding. Het biedt financiële ondersteuning aan ondernemers die willen investeren in opkomende markten. Bedrijven die pilot-investeringen willen plegen en die willen samenwerken met een lokaal bedrijf uit een van de betreffende landen en daartoe een joint venture willen opzetten worden ondersteund. Bedrijven die gebruikmaken van het programma behoren vrijwel zonder uitzondering tot het midden- en kleinbedrijf (MKB). PSI verkleint de risico's voor het bedrijf dat een investering doet, door een financiële bijdrage in de investeringslasten. Het is de bedoeling dat na afloop van het project vervolginvesteringen worden gerealiseerd.

Het PSI is een succesvol programma dat zich de afgelopen tien jaren heeft bewezen in het creëren van werkgelegenheid in veel van de landen waar het operationeel is. Meer dan de helft van de bedrijven die met hulp van PSI gestart zijn, groeien door na afronding van het project met toename van omzet en werkgelegenheid.

Daarnaast zal jaarlijks een bedrag worden gereserveerd voor technische assistentie op die terreinen waar PSI zich op richt, ter versterking en ondersteuning van de effectiviteit van PSI. Voor wat betreft landbouw is er reeds in een aantal landen in de Arabische regio de afgelopen jaren ervaring opgedaan op het gebied van kennisoverdracht en technische assistentie. Uitbreiding van technische assistentie kan op deze ervaring voortborduren. Het reguliere bedrijfsleven instrumentarium onder auspiciën van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie blijft beschikbaar voor de Arabische regio.

Tot slot, deze brief geldt mede ter uitvoering van de eerdergenoemde moties en het advies van de AIV. Het kabinet voert hiermee een geïntegreerd beleid. Over de voortgang van de programma’s zullen wij de Kamer nader informeren.

De minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

H. P. M. Knapen


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
1

PSI staat open voor OESO DAC-landen (op «upper middle income countries» na). PSI stond al open voor Jemen,

Palestijnse Gebieden, Egypte en Marokko. Concreet zal PSI beschikbaar worden gesteld voor Algerije,

Irak, Jordanië, Syrië en Tunesië. Libanon, Libië en Oman komen niet in aanmerking voor PSI omdat volgens de

OESO DAC-lijst behoren tot de groep «upper middle income countries».