Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132500-VI nr. 75

32 500 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2011

Nr. 75 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 10 januari 2011

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie1 heeft op 2 december 2010 overleg gevoerd met staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie over:

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 16 juli 2010 met het eerste voortgangsbericht 2010 over de aanpak van kinderpornografie (32 123 VI, nr. 220).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie,

De Roon

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie,

Nava

Voorzitter: De Roon

Griffier: Van Doorn

Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Van Toorenburg, Berndsen, Rouvoet, Gesthuizen, Van der Staaij, Van der Steur, Helder, Arib, Dibi en De Roon,

en staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Ik heet iedereen welkom. De spreektijd in eerste termijn is zeven minuten.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Voorzitter. Het behoeft natuurlijk geen betoog dat dit een dossier is waarvan iedereen de rillingen krijgt. Ik zie veel nieuwe woordvoerders. Er zijn altijd gevechten in alle fracties over wie wat mag doen. Dit dossier betreft dingen waar je het als politicus graag goed in doet en waar je tegelijkertijd eigenlijk niets mee te maken wilt hebben. Vandaag praten wij over de vraag hoe de aanpak kan worden verstevigd en versterkt, zodat wij deze ellende nog verder een halt kunnen toeroepen.

Wij hebben de brief gelezen; het is heel goed dat door het Openbaar Ministerie en de politie sinds 2008 zo voortvarend wordt geïnvesteerd in de verbetering van de aanpak van kinderpornografie. Zo lezen wij over de korpsmonitor en de landelijke database. Er is inderdaad, zoals ook in de brief te lezen is, nog heel veel te doen. Wij zijn ook positief over de punten waar de Taskforce kinderpornografie en kindersekstoerisme nu zijn tanden in heeft gezet, zoals de inzet van voldoende capaciteit om de werkvoorraad verder terug te brengen. Van de staatssecretaris willen wij graag weten of dat ook lukt. De taskforce zet zich ook in voor de identificatie van zogenoemde «barrières». Wat betekent dit nu precies? Ook van belang zijn de daadwerkelijke start van de kinderpornofilter en de pilot over de upload van afbeeldingen. Wat is de huidige stand van zaken en hoe wordt daaraan nu een «extra stimulans» gegeven, zoals in de brief staat vermeld? Het is heel terecht dat het OM een hoge prioriteit aan dit dossier heeft gegeven.

Graag krijgen wij een toelichting op de operationele taken die het Expertisecentrum Kinderporno op zich heeft genomen. Kan de staatssecretaris ook iets meer vertellen over het innovatieve onderzoek? Wij lezen dat de focus is verlegd naar producenten en misbruikers en dat er wordt doorgerechercheerd op verdachten van bezit. Dat kost meer tijd en inzet. Zijn die ook daadwerkelijk beschikbaar? Ook de politie is voortvarend bezig, met het verbeterplan met een uitwerking van 23 actiepunten waaraan hard wordt gewerkt. Valt er al iets meer te zeggen over de voortgang van dat plan? Het CDA vindt dat zeer belangrijk.

Wij lezen dat er heel zorgvuldig wordt omgegaan met het werven en het begeleiden van de selecteurs. Wij kunnen ons heel goed voorstellen dat, als je elke keer deze beelden moet zien en selecteren, je dat niet dagenlang en ook niet onvoorbereid en onbegeleid kunt doen. Wat wordt er gedaan aan de nazorg van mensen die dit een aantal jaren of een bepaalde periode hebben gedaan? Er wordt gesproken over de nazorg van militairen en uitgezonden politieagenten, maar ik kan mij heel goed voorstellen dat enige nazorg voor selecteurs die uiteindelijk een andere betrekking of een ander aandachtsveld hebben gekregen, ook heel belangrijk is.

Kan de staatssecretaris ons begrijpelijk, dus in enigszins normale mensentaal – ikzelf ben een behoorlijke digibeet – uitleggen wat de stand van de dag is ten aanzien van de filters? Men is op zowel Europees als landelijk niveau daarmee bezig. Ook willen wij graag iets weten over de European Financial Coalition. Wij lezen dat Nederland daarin een beperkte rol heeft. Stelt Nederland wel bankgegevens ter beschikking? Tot zover mijn vragen over de brief die de staatssecretaris ons heeft gegeven over de aanpak van kinderporno.

Wij zijn ervan geschrokken dat de instroom van kinderporno nog steeds voortgaat. De afgelopen week zijn wij ook geschrokken van twee berichten in De Telegraaf. In het eerste bericht stond dat de adjunct-directeur van een basisschool serieus verdacht wordt van het in bezit hebben van kinderporno en dat het Openbaar Ministerie verzuimd heeft om de school daarvan in kennis te stellen, uit overwegingen van privacy jegens de adjunct-directeur. Ik begrijp werkelijk niet hoe het mogelijk is dat wij ietwat terughoudend zijn in de aanpak van dit soort zaken als wij echt weten wat er aan de hand is. Kan de staatssecretaris toelichting geven op dit punt? Aanvankelijk hadden wij mondelinge vragen aangemeld, maar dit debat leent zich natuurlijk heel goed voor een bespreking hiervan. Het andere bericht stond gisteren in De Telegraaf. In een tbs-kliniek in Nederland zouden tbs’ers via mobiele telefoons of anderszins toegang tot kinderporno hebben. Het kan toch niet zo zijn dat mensen die in onze instellingen vastzitten, mede omdat zij zich met kinderporno hebben beziggehouden, daartoe nog toegang hebben? Daarbij gaat het ook nog eens om de meest gruwelijke vormen van kinderporno. Wij willen van de staatssecretaris weten hoe hij ervoor zorgt dat wij echt nooit meer met dit soort «Wakker Nederland-nieuws» wakker worden.

De heer Dibi (GroenLinks): Mijn vraag heeft betrekking op de beschikbare man- en vrouwkracht om de daders van kinderporno en de mensen die dat soort rare dingen met elkaar uitwisselen, op te pakken. Er blijven veel zaken liggen en er is een tekort aan man- en vrouwkracht. Het kabinet kiest ervoor om 500 fte beschikbaar te stellen voor de bestrijding van dierenmishandeling en dierenverwaarlozing. Ik begrijp dat dit een prioriteit is, maar kan een bescheiden deel daarvan niet beschikbaar komen voor de aanpak van kinderporno? Die oproep zal ik ook aan de PVV doen en ik ben heel benieuwd hoe het CDA hiertegen aankijkt.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik had al gelezen dat de heer Dibi deze vraag zou stellen aan de PVV. Ik heb geaarzeld of ik hierop zou reageren, maar ik dacht vanochtend in de trein: dat doe ik niet. Die vraag komt terecht. In mijn inbreng heb ik naar de inzet gevraagd. Een actieplan met 23 punten dat werkt, moet natuurlijk voortgaan. Tegelijkertijd weten wij uit de debatten over dierenmishandeling dat mensen die zich met deze zieke vorm van misdrijf bezighouden, heel vaak hun aandacht verleggen naar mensen en ook op deze manier. Ik wil dus niet per definitie zeggen dat het er niets mee te maken heeft. Ik wil een verantwoorde inzet van politie op beide dossiers. Daarom heb ik de staatssecretaris ook gevraagd: hoe zit het met de inzet en de capaciteit? Over die punten hebben wij zorgen.

De heer Dibi (GroenLinks): Natuurlijk is het mooi meegenomen als de animal cops op hun zoektocht naar dierenmishandelaars ook stuiten op kinderpornomateriaal en die informatie kunnen meenemen. Ik geloof in dit debat echter niet in de pindakaasmethode, waarbij de middelen in gelijke mate over alle onderwerpen worden uitgesmeerd. Volgens mij is het ook een kwestie van politieke keuzes durven maken en prioriteiten stellen. Gezien de beschikbare capaciteit voor de bestrijding van kinderporno is het nogal scheef dat er wel 500 animal cops komen. Ik wil niets afdoen aan de animal cops – GroenLinks komt op voor de dierenrechten – maar kunnen wij niet een klein deel van de animal cops beschikbaar stellen voor de noodzakelijke aanpak van kinderporno? Laat ik het scherper zeggen: ik ga hierover misschien een motie indienen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik heb het niet over pindakaas en uitsmeren. Wij zien dat mensen die zich in eerste instantie met dierenleed bezighouden, daarna doorgroeien naar mensenellende. Door hiertegen daadkrachtiger op te treden, voorkom je dingen. Laten wij de staatssecretaris vragen hoe het zit met de inzet, want die is op dit dossier inderdaad heel belangrijk. Van de zaken die in Nederland aangepakt moeten worden, heeft dit beslist prioriteit. Daarom moet daar ook voldoende inzet op zijn. Ik weet alleen niet of je de inzet daarvoor per definitie bij dit onderdeel weg moet halen. Wel wil ik van de staatssecretaris weten hoe hij ervoor zorgt dat hieraan in ieder geval inzet besteed wordt.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): In het verlengde hiervan het volgende. Ik heb het onderwerp al bij de begrotingsbehandeling van V en J aan de orde gesteld en naar ik meen ook bij de behandeling van de politiebegroting. Ik wil straks ook van de staatssecretaris weten hoe hij daartegen aankijkt. Ik herinner mevrouw Van Toorenburg eraan hoe minister Opstelten reageerde, toen ik dit punt aan de orde stelde bij de begrotingsbehandeling en kritische vragen stelde over de 500 animal cops, in het licht van de tekorten voor zo’n schrijnend probleem als kinderporno. De minister zei dat voor de fractie van de ChristenUnie de bestrijding van dierenmishandeling kennelijk niet zo’n hoge prioriteit had. Is de fractie van het CDA bereid om in het licht van de huidige tekorten hoge prioriteit – mevrouw Van Toorenburg zegt nu: een prioriteit – te geven aan dit onderwerp? Wil zij zich samen met ons ervoor inzetten om een deel van de 500 animal cops voor deze taak in te zetten? Dit is immers toch buitengewoon schrijnend.

De voorzitter: Het lijkt mij een beetje dezelfde vraag als die van de heer Dibi. Ik vraag mevrouw Van Toorenburg om een korte reactie.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Laat ik het scherper zeggen: ik wil dat er voldoende capaciteit is om dit op te lossen. Ik ga hier niet zeggen dat die weg moet worden gehaald bij die 500. In Nederland hebben wij gelukkig erg veel politieagenten. Ik vind dat er voldoende mensen op dit schrijnende dossier moeten worden gezet.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Ik ben blij met dit antwoord. Mag ik het zo verstaan: er moet voldoende capaciteit beschikbaar komen om de tekorten weg te werken en om adequaat op de instroom te kunnen reageren?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik vind dat de politie-inzet zo moet worden georganiseerd dat dit een heel hoge prioriteit heeft. Er zijn ook andere prioriteiten – laten wij daar duidelijk over zijn – maar dit heeft wel een bijzonder hoge prioriteit.

Mevrouw Berndsen (D66): Mijn vraag is van een wat andere orde. Ik hoor mevrouw Van Toorenburg zeggen dat mensen die dieren mishandelen, later wellicht ook in staat zijn om mensenleed te veroorzaken. Ik hoor het haar de heer Brinkman nazeggen. Ik ben toch wel benieuwd uit wat voor onderzoeken dat dan blijkt. Ik heb een beetje het gevoel dat dit nu een eigen leven gaat leiden, zonder dat er een wetenschappelijke basis onder ligt.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik snap dat mevrouw Berndsen die vraag stelt. Tijdens het debat over de aanpak van dierenmishandeling zijn ons een aantal rapporten en een aantal stukken aangereikt waaruit dat bleek. Het blijkt ook uit onderzoek naar tbs-gestelden. Als je hun verleden analyseert, zie je dat er met enige regelmaat ernstig dierenleed is veroorzaakt. Er bestaat dus een relatie. Dat is de reden dat ik dit in antwoord op de heer Dibi heb gezegd.

Mevrouw Berndsen (D66): Ik heb hierover nog een laatste opmerking. Wij moeten terughoudend zijn met het leggen van die een-op-eenrelatie, ook in verband met kinderporno. Het is namelijk echt niet bewezen dat er zo’n een-op-eenrelatie bestaat. Ik vind dat eigenlijk geen pas geven.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik heb daarom ook in mijn reactie gezegd dat je dit óók ziet en dat het dus belangrijk is dat wij ook dierenmishandeling aanpakken. Ik heb niet gezegd dat elke dierenmishandelaar een-op-een later in kinderporno gaat handelen of anderszins. Laten wij echter wel de volgorde der dingen willen zien. Er is onderzoek naar gedaan en het is bekend. Ook hiervoor is dus aandacht.

Mevrouw Berndsen (D66): Voorzitter. Over één ding zijn wij het Kamerbreed eens: kinderporno is onacceptabel. Er is sprake van een zeer ernstig delict, waarbij zowel de producenten, de daders, als de gebruikers hun straf niet mogen ontlopen. Ieder kind heeft recht op een veilige thuissituatie. Daarom is het misdadig om een kind in de vertrouwde omgeving te misbruiken. Helaas loopt een misbruikt kind later vaker de kans – ik formuleer het heel voorzichtig – om dader te worden. Daarom is het belangrijk om de vicieuze cirkel te doorbreken. Naast een strafrechtelijke aanpak moeten ook hulpverleningstrajecten worden ingesteld. Kan de staatssecretaris daar wellicht iets over zeggen? Bovendien zullen op basis van onderzoek naar traumaontwikkeling bij kinderen adequate behandelmethodes ontwikkeld moeten worden.

Ik ben blij dat de Kamer via voortgangsbrieven geïnformeerd wordt over de stand van zaken ten aanzien van de aanpak van kinderporno. Wij kunnen constateren dat er zeker vooruitgang wordt geboekt. De ontwikkeling bij het OM heeft ertoe geleid dat het Expertisecentrum Kinderporno voor kwaliteitsverbetering heeft gezorgd. Daarnaast heeft het expertisecentrum door middel van innovatief onderzoek bewerkstelligd dat alléén het bezit van kinderporno al een tbs-maatregel kan opleveren. De fors intensievere aanpak bij de politie heeft geleid tot 10% meer zaken bij het OM. Ook de komende jaren verwacht het OM een toename van de instroom. De politie heeft met het Programma Verbeteren Aanpak Kinderporno een uitstekend verbeterplan opgeleverd. Ik kan uit eigen ervaring meedelen dat kinderporno hoog op de agenda van de Raad van Korpschefs staat. Door middel van een landelijke briefing worden de korpschefs op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen van het programma. De 23 actiepunten zijn voortvarend opgepakt door het team.

Hoewel er hard gewerkt wordt aan het aanpakken van de zogenaamde werkvoorraad blijft de instroom van zaken stijgen. Ik hoor geluiden dat het programma wellicht binnenkort eindigt. Is de staatssecretaris hiervan op de hoogte? Als het programma moet eindigen in verband met het ontbreken van financiële middelen, is de staatssecretaris dan bereid om meer geld ter beschikking te stellen? Immers, het programma heeft stimulerend gewerkt; het heeft er mede toe geleid dat men van elkaar kon leren en dat er verbeterd kon worden. Ook heeft het een behoorlijke kwaliteitsimpuls gegeven. Juist omdat de technologische ontwikkelingen op dit gebied steeds verder gaan en heel divers zijn, blijft het belangrijk om een dergelijk programma te draaien. De financiën zijn natuurlijk altijd een kritisch punt, maar mogen nooit leidend zijn om een dergelijk programma te stoppen. Het succes van het programma is dat het leidt tot meer zaken, maar het programma mag niet aan het eigen succes ten onder gaan. De politie moet het dus wel aankunnen. Ook daarom vraag ik de staatssecretaris om extra recherchecapaciteit toe te kennen. Juist in dit verband – ik zeg het ook nog maar een keer – betreur ik het zeer dat dit kabinet wel 500 animal cops wil aanstellen, maar dat er geen geld is voor extra recherchecapaciteit voor de opsporing van dit soort zeer ernstige delicten.

Eén van de voorstellen uit het verbeterprogramma is het contact maken in chatboxen, om zo achter daders en slachtoffers te komen. Hiermee moet helaas terughoudend worden omgegaan omdat dit veel werk oplevert. Omdat ook de werkvoorraad blijft groeien vanwege de internationale zaken op basis van de creditcardgegevens, kan de recherchecapaciteit dit allemaal niet aan. Hoewel de focus nu meer op het slachtoffer zou moeten komen te liggen, op het seksueel misbruik zelf dus, wordt terughoudend omgegaan met het bekijken van de beelden. Men stopt wanneer er voldoende bewijs is om de dader te pakken, waardoor slachtoffers uit beeld raken. Er moet echt meer gefixeerd worden op het misbruik. Dit is kortom een zorgelijke ontwikkeling. Ik vraag de staatssecretaris met klem om ervoor te zorgen dat er meer capaciteit komt, zowel bij de politie als bij het Openbaar Ministerie. Ook moet de hoge prioriteit blijven bestaan.

Ik spreek mijn enorme waardering en bewondering uit voor al die rechercheurs die dagelijks geconfronteerd worden met vreselijke beelden. Ik heb er zelf niet veel gezien, maar de beelden die ik heb gezien, staan onuitwisbaar op mijn netvlies gegrift.

Wat D66 betreft zal er zowel aan de strafrechtelijke kant als aan de hulpverleningskant gewerkt moeten worden. Het Programma Verbeteren Aanpak Kinderporno moet voorlopig blijven bestaan. Er zal meer geld en capaciteit beschikbaar moeten komen voor de politie en het OM. De prioriteit moet ook onveranderd hoog blijven.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. Als eerste spreek ik mijn respect uit jegens de mensen die hiermee dagelijks zeer intensief bezig zijn. Dat blijkt ook wel uit de brieven die de laatste tijd over dit onderwerp verschenen zijn. Na een periode van verplichtingen elders heb ik dit dossier weer opgepakt. Het is trouwens geen groot genoegen om het onderwerp weer beet te pakken, in het besef van wat daar achter en onder schuilt. Dan besef je eens te meer dat dit voor degenen die dagelijks rechercheren, en die verder in de keten de opsporing en vervolging doen, geen plezierige bezigheden zijn; dan zeg ik het heel vriendelijk. Ik waardeer de manier waarop in deze voortgangsrapportage is geschreven over de begeleiding en de opleiding. Ik waardeer het ook dat er rekening wordt gehouden met de impact die het bekijken van dat soort beelden op de rechercheurs heeft.

De voortgangsrapportage dateert alweer van 16 juli jl. en is van de vorige minister van Justitie. Dat is verklaarbaar en ook niet erg, maar ik ontvang van de staatssecretaris graag, voor zover dat nu mogelijk is, op een aantal punten een soort stand van zaken. In deze voortgangsrapportage worden namelijk enkele dingen aangekondigd die nog dit jaar hun beslag zouden moeten krijgen. Het is goed dat de staatssecretaris zo dadelijk op een aantal punten helderheid geeft.

In de voorbereiding op dit overleg ging ik terug in de geschiedenis van mijzelf. Ik ben blij met wat er in de afgelopen jaren is gebeurd. Dan doel ik niet alleen op de afgelopen kabinetsperiode, maar ook op de jaren daarvoor, waarin het nodige in beweging is gekomen op dit dossier. Ook heb ik het verslag van het algemeen overleg van eind maart erop nagelezen; dan zie ik tot mijn vreugde dat er Kamerbreed een heel groot besef is dat dit onderwerp op alle mogelijke manieren en op alle fronten moet worden aangepakt. Het is bovendien nog niet zo heel lang geleden – ik herinner mij de debatten met mevrouw Sorgdrager, toenmalig minister van Justitie – dat er ook in de Kamer op onderdelen heel weinig bereidheid was om echt alles uit de kast te halen om dit aan te pakken. Daarbij hadden wij discussies over de vraag of het enkelvoudig bezit van kinderporno wel zo laakbaar was en strafrechtelijk moest worden aangepakt. Zo heel lang geleden is dat nog niet. Op dat soort momenten voelde ik mij wel eens een beetje alleen. Ik herinner mij de steun van de SGP-fractie, maar veel verder dan dat kwam het in die fase niet. Sinds dat moment, een jaar of tien geleden, is er natuurlijk het nodige gebeurd en in gang gezet. Daarmee ben ik buitengewoon blij.

De voortgangsrapportage ga ik niet breed behandelen. Ik ga daarover ook geen opvattingen geven, omdat ik niet precies weet wat de stand van zaken is. Op een aantal punten krijg ik graag een update. Allereerst kom ik bij de instroomcijfers. Op pagina 3 van de rapportage staat een mooie tabel, waarvan ik aanneem dat die de kwantitatieve instroom aangeeft. Die tabel stopt bij het eerste kwartaal van 2010. Graag krijg ik de cijfers die al beschikbaar zijn over de ontwikkelingen in het tweede en derde kwartaal. Op pagina 4 staat vermeld dat er afspraken zijn gemaakt met landen waarvan websites geblokkeerd kunnen gaan worden en dat het de bedoeling is om het gebruik van de blacklist nog dit jaar te starten. Is dat inmiddels gebeurd?

Wat is voorts de stand van zaken bij de pilot over het uploaden? Op pagina 4 van de voortgangsrapportage is sprake van een aantal vervolgingen op het punt van het kindersekstoerisme. Op het moment van rapportage waren er vier verdachten aangehouden en had één veroordeling plaatsgevonden. Wat is hierbij de stand van zaken, ook wat betreft de ontwikkelingen ten aanzien van de onlinemeldknop en de televisiezenders zoals Nickelodeon?

Verder heb ik nog een paar specifieke vragen. Op pagina 2 van de voortgangsrapportage staat dat er rond de activiteiten van de taskforce wordt gewerkt aan andere verbeterpunten, waaronder een actievere voorlichting over de recent behaalde verbeteringen in de aanpak. Op wie of wat is de voorlichting over die gerealiseerde verbeteringen nu precies gericht? Het gaat kennelijk niet om voorlichting over de risico’s maar over de behaalde successen. Dat mag, maar ik verneem graag op wie de voorlichting gericht is en met welk doel de voorlichting plaatsvindt.

Op pagina 3 wordt melding gemaakt van de tijdelijke versterking van de forensische ondersteuning bij kinderporno-onderzoeken. Duurt die tijdelijkheid nog voort en wat zijn de plannen op dat punt? Forensische ondersteuning is namelijk een heel belangrijk element in de totale aanpak.

In de voortgangsrapportage wordt ook melding gemaakt van een verwachte hogere instroom en een verdere toename van het aantal zaken bij het OM in 2010 en volgende jaren. Kan de staatssecretaris de nieuwste inzichten geven en aangeven wat er voor met name 2011 wordt verwacht? Ik wil namelijk ook vooruitblikken en niet alleen de achterliggende kwartalen bekijken.

Over de capaciteit heb ik niet voor niets gesproken bij de behandeling van de politiebegroting en de begroting van Veiligheid en Justitie. Dat hangt toch wel degelijk samen met de keuze van het kabinet rond de beschikbare capaciteit. Daarbij ga ik overigens niet de discussie over de 3000 agenten opentrekken. Daar hebben wij nu genoeg over gezegd en de brief daarover wachten wij nog steeds af; dan komt dat wel verder. Over de keuze van het kabinet om 500 beschikbare fte specifiek in te gaan zetten voor de animal cops, moet mij iets van het hart. Het risico bestaat dat wij lacherig doen, telkens als het over de animal cops gaat. Dat is niet de bedoeling en dat is ook niet wat mij voor ogen staat, maar ik moet wel constateren dat, binnen de misdrijven en de vormen van criminaliteit die er te bestrijden zijn, het kabinet één heel expliciete keuze maakt voor het grote probleem van de dierenmishandeling. Daarom was ik wel een beetje onaangenaam getroffen toen de minister in antwoord op mijn vraag of hij wellicht iets meer capaciteit voor kinderporno beschikbaar zou kunnen stellen, meende te moeten concluderen dat de aanpak van dierenmishandeling voor mijn fractie kennelijk niet zo’n hoge prioriteit heeft. Dit heb ik de minister overigens ook zelf gezegd, anders zou ik het hier niet herhalen. Ik zou het omgekeerde kunnen doen. Ik zou nu aan de coalitiefractie en vooral ook de bewindslieden kunnen vragen of zij bereid zijn om extra capaciteit voor de aanpak van kinderporno ter beschikking te stellen, waarbij ik er meteen de volgende claim op leg: als u dat niet doet, vindt u dat kennelijk niet zo belangrijk. Dat is echter niet de manier waarop wij het debat willen voeren, noch over dierenmishandeling noch over kinderporno. Wat de inbreng van de VVD-fractie destijds betreft het volgende. Ik bedoel dat overigens niet flauw. De woordvoerder van toen, de heer Teeven, die hier nu als staatssecretaris zit – in die hoedanigheid spreek ik hem er op aan – signaleerde in het algemeen overleg van maart jl. terecht dat er altijd een concurrentie op aanbod is, en dat daarbinnen de aanpak van kinderporno een hoge prioriteit moet hebben. Ik doe dan ook een klemmend beroep op hem om die inzet mogelijk te maken binnen de bestaande capaciteit, zodat de werkvoorraad ook echt weggewerkt kan worden. Het klinkt gek, maar het is positief als de instroom toeneemt, want het víndt plaats; dan is het goed dat er meldingen komen, zodat wij er iets aan kunnen doen. Dan moeten wij er ook iets aan kúnnen doen. Vandaar mijn klemmend beroep op de staatssecretaris – ik ga overigens geen aantallen noemen – om in de context van die 500 mensen, die kennelijk de ruimte moeten kunnen krijgen om andere dingen méér te gaan doen dan zij nu doen, topprioriteit te geven aan de bestrijding van kinderporno, ook als dat ten koste gaat van het aantal mensen ten behoeve van de prioriteit dierenmishandeling.

De heer Van der Steur (VVD): Ik begrijp de opmerkingen van de heer Rouvoet. Ik vermoed dat het antwoord van de staatssecretaris zal zijn dat er in het regeerakkoord afspraken zijn gemaakt over de animal cops, met als achtergrond dat de afgelopen jaren aan dierenmishandeling helemaal geen prioriteit is gegeven. Om die reden is er in het land ook heel positief gereageerd op die afspraak. Ik vrees dus dat de staatssecretaris zal zeggen dat die afspraak door hem zal worden gehonoreerd. Als ik het mij goed herinner, heeft de heer Rouvoet bij de minister echter wel een beweging in gang gezet met zijn amendement over de RUPS-gelden van 1,2 mln. Stel dat de heer Rouvoet een afweging zou moeten maken tussen de RUPS-gelden en extra geld voor kinderporno en stel dat de staatssecretaris zegt dat er extra geld nodig is, waarvan ik vermoed dat dit zo zal zijn. De VVD zou dan bereid zijn, samen met de heer Rouvoet te werken aan een amendement om datzelfde bedrag, waarover de minister een beweging in positieve zin maakte, niet voor de RUPS maar voor kinderporno te gebruiken. Als andere partijen de VVD daarin willen ondersteunen, zijn wij bereid om een amendement van dezelfde strekking naast het amendement van de heer Rouvoet te leggen.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Dat is creatief, maar het gaat langs het punt heen. In de eerste plaats gaat het niet om 1,2 mln. maar om 2 mln. Dit bedrag is beschikbaar voor de RUPS; het zijn subsidiegelden voor uitstapprogramma’s voor prostituees. Binnen het begrotingsartikel is ruimte te vinden om de noodzakelijke extra programma’s te betalen die straks ook voortvloeien uit het regeerakkoord. Als de coalitie namelijk doorzet wat zij van plan is en waar ik ook vóór ben, namelijk om de minimumleeftijd voor prostitutie te verhogen naar 21 jaar, zullen een heleboel jonge meiden en jonge vrouwen verplicht moeten uitstappen. Die laten wij niet in de illegaliteit verdwijnen. Dat kan ook, omdat daarvoor geld beschikbaar is binnen datzelfde begrotingsartikel. Die 2 mln. moet er gewoon komen om de prostituees die dat willen en straks ook moeten, een fatsoenlijke toekomst te bieden. Dat hoeft dus niet te concurreren met de inzet van politiecapaciteit voor de aanpak van een groot kwaad als kinderporno. Wat daar wel mee concurreert, is dit. Het kabinet heeft ervoor gekozen om van de beschikbare capaciteit aan politiemensen, waar er geen één bij komt, maar waarvan het kabinet zegt «wij gaan voorkomen dat er iemand ontslagen wordt», 500 man af te zonderen en speciaal op te leiden voor het aanpakken van dierenmishandeling. Terwijl de minister heeft betoogd dat er al heel veel gebeurd is in de aanpak van dierenmishandeling, worden er nu 500 mensen extra opgeleid om het extra te doen. Ik wil dat wij ook extra capaciteit gaan inzetten voor de bestrijding van kinderporno. Dat is een groot kwaad. Ik ben ook benieuwd naar het standpunt van de PVV-fractie. Het is wel een kwestie van prioriteiten stellen, en het concurreert dus niet met andere subsidieprogramma’s.

De heer Van der Steur (VVD): Wat de heer Rouvoet over de prioritering en de capaciteit zegt, is natuurlijk allemaal waar, maar als de financiële middelen conform de in het regeerakkoord gemaakte afspraken het niet toelaten, zullen wij wel dekking moeten vinden voor die gedachte en die extra activiteiten. Mijn oplossing is om daar dan ook creatief mee om te gaan, maar ik begrijp dat dit nog niet op ondersteuning van de heer Rouvoet kan rekenen.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Dat klopt; dat heeft de heer Van der Steur goed begrepen. Als zijn boodschap aan de jonge vrouwen die straks door de leeftijdsverhoging uit de prostitutie moeten stappen, is dat zij straks moeten stoppen met prostitutie, ook als zij het zelf niet willen, terwijl er geen uitstapprogramma’s voor hen zijn; als zijn boodschap is: wij hopen dat u een goede baan vindt, maar zet vooral niet op uw cv waar u vandaan komt; dan is mijn boodschap dat wij daarin een andere lijn kiezen. Het geld daarvoor is namelijk gewoon beschikbaar binnen het begrotingsartikel; dat hoeft dus niet te concurreren met politiecapaciteit. De heer Van der Steur moet beschikbare politiecapaciteit en keuzes die hij op aandringen van de PVV-fractie gemaakt heeft ten aanzien van de topprioriteit voor animal cops, niet laten concurreren met normale subsidieprogramma’s binnen de begroting van het ministerie van V en J. Nogmaals: het voorstel is creatief, maar schiet echt langs het punt heen. Ik ben overigens benieuwd naar de prioriteiten van de heer Van der Steur.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter. Ik wil doorgaan op het punt dat zojuist uitvoerig is bediscussieerd. De SP-fractie is er altijd erg voor om goed te luisteren naar de mensen die uiteindelijk het werk moeten doen. Dat zijn in dit geval ook de agenten. Hoewel ik geen woordvoerder politie ben, spreek ik er toch regelmatig een heleboel. Het moet mij dan ook van het hart dat ik geluiden hoor dat zij deze door de politiek opgelegde prioriteit heel belangrijk vinden – dierenmishandeling is immers heel belangrijk om aan te pakken – maar dat zij ook vinden dat er zoveel andere schrijnende zaken zijn. Politiemensen horen natuurlijk van collega’s, of zij worden er zelf mee geconfronteerd, dat bij andere zaken, zoals die waar de heer Rouvoet net op wees, de werkvoorraad enorm is, waardoor deze gewoon op de plank blijven liggen. Ik vind dat wij goed moeten luisteren naar hetgeen agenten en rechercheurs zelf meegeven. Wellicht kan de staatssecretaris daarop reageren.

Dan kom ik bij de brief die op de agenda staat. Ik zal meteen heel eerlijk zijn: ik verwacht ontzettend veel van deze staatssecretaris. Toen hij Kamerlid was en zelf dit onderwerp behandelde, kon de SP het in ieder geval altijd heel goed met hem vinden. Ik verwacht dus veel van hem en ik verwacht een heel goede aanpak. Ik hoop dat hij die verwachting waar zal maken.

Zeker ook omdat dit onderwerp de laatste tijd meerdere malen in de media is geweest, is er forse kritiek op het aantal plankzaken, eufemistisch de «werkvoorraad» genoemd. Het betreft zaken van ernstig kindermisbruik waar de politie en het OM geen capaciteit voor hadden, waardoor ze op de plank zijn blijven liggen. Dat is onacceptabel. Zaken rond seksueel geweld tegen kinderen mogen nooit op de plank blijven liggen en moeten altijd opgepakt worden. Halverwege het jaar bleek uit het jaarbericht van het Openbaar Ministerie dat er te weinig rechercheurs zijn om makers en verspreiders van kinderporno aan te pakken. Mijn vraag sluit aan bij eerder gestelde vragen: wat is de stand van zaken op dit moment? Is het aantal plankzaken inmiddels teruggebracht en hoe groot is de werkvoorraad van vandaag de dag? Het aantal verzoeken aan het Openbaar Ministerie, met name uit het buitenland, om zaken te onderzoeken, is ook gestegen. Een verdere toename van dit soort verzoeken wordt verwacht. Zijn er voldoende middelen? Is er kennis en capaciteit in huis om die verwachte toename aan te kunnen of moeten wij er rekening mee houden dat het aantal plankzaken zal stijgen? Ik ben het ermee eens dat er moet worden doorgerechercheerd op producenten van dit walgelijke misbruik van kinderen; je moet niet stoppen met zoeken zodra je de plaatjes en de bezitters daarvan hebt gevonden, maar ook de makers pakken. Dat doorrechercheren kost natuurlijk ook meer capaciteit. Hoe gaat de staatssecretaris daarmee rekening houden?

In een uitzending van Uitgesproken EO van 23 september jl. was de aanpak van het politiekorps in Twente te zien. Ik was daarvan zeer onder de indruk. In dat korps wordt enorm doorgespeurd op details, waarmee uiteindelijk de kindermisbruikers zelf worden aangepakt. Die aanpak is bewezen effectief. Slachtoffers worden – daar gaat het ons natuurlijk allemaal om – uit het circuit gehaald; dat is natuurlijk het doel. Wat kunnen andere korpsen van deze slachtoffergerichte methode leren? Wij zijn voor iets meer standaardisering van de aanpak op dit dossier. Hoe denkt de staatssecretaris daarover?

Dan kom ik bij het punt van het al dan niet filteren of blokkeren van internet. Dat is een lastige discussie. Voor de SP geldt het adagium «verwijderen, niet filteren», maar als het niet anders kan, moet er gewoon gefilterd kunnen worden. Over filteren was de heer Teeven het als Kamerlid met de SP eens. Eerst alles op alles zetten om kindermisbruik te verwijderen; pas als dat niet kan, overgaan tot filteren en blokkeren. Is dat ook het standpunt van staatssecretaris Teeven? Hoe gaat het in de praktijk vorm krijgen? Welke inspanningen worden geleverd om het misbruik verwijderd te krijgen van internet? Kan de staatssecretaris ook reageren op de kritiek van diverse organisaties? Volgens Bits of Freedom bijvoorbeeld wordt vaak onvoldoende geprobeerd om het misbruik eerst te verwijderen. Graag een reactie daarop.

Op een congres waar ik onlangs was, werd gezegd dat het dankzij de aanpak van de Internet Watch Foundation in het VK heden ten dage in Nederland niet meer nodig zou zijn om te blokkeren, omdat er nog maar 400 sites zijn, en dat de Nederlandse overheid een en ander nu anders zou kunnen aanpakken. Ik begreep daar ook dat er nieuwe technieken gevonden zouden zijn, waardoor niet meer geblokkeerd hoeft te worden en waarmee zowel uploaders als downloaders makkelijker gepakt kunnen worden. Ik hoor daarover graag meer. Indien dit klopt, vraag ik de staatssecretaris of hij van plan is om daarbij gebruik te maken van deep packet inspection.

Er is een wetsvoorstel computercriminaliteit in voorbereiding, waarbij de officier van justitie zelf mag beslissen dat het materiaal van internet wordt verwijderd. De SP is daarover kritisch. Wij vinden dat daar in ieder geval een rechter-commissaris tussen moet zitten. Informatie van internet verwijderen is niet zomaar iets. Ik vraag de staatssecretaris om het conceptwetsvoorstel op dat punt te wijzigen.

De heer Rouvoet heeft al om een update gevraagd van een aantal zaken uit de brief. Hoe zit het nu met de mogelijke continuering van het PVAKP? Daarover zou september dit jaar een besluit worden genomen. Graag krijg ik ook een update ten aanzien van de blacklist en de pilot over het filteren van upload. Mijn laatste punt heeft te maken met preventie. Goed aan deze brief is dat er ook melding in werd gemaakt van een aantal stappen die zijn gezet om nu echt tot preventie te komen, bijvoorbeeld wat betreft het kindersekstoerisme. Worden er op het gebied van preventie ook nog nieuwe ideeën en punten in gang gezet? Het allerbelangrijkste lijkt mij namelijk dat mensen die zo ziek zijn dat zij kinderen misbruiken, uit de samenleving verdwijnen. Daarom moeten wij ervoor zorgen dat zij worden gepakt en gestopt en uiteraard ook worden behandeld.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Ook de SGP-fractie is blij dat wel al snel in deze nieuwe kabinetsperiode opnieuw over de bestrijding van kinderpornografie kunnen spreken. Het onderwerp wordt in de Kamer gelukkig breed beschouwd als een weerzinwekkende zaak, verbonden met afschuwelijk misbruik van kinderen. Om die reden verdient het hoge prioriteit. In de afgelopen periode heeft de Kamer een belangrijke stap gezet, waarbij ook de steun van de VVD-fractie, in de persoon van de heer Teeven, zeer behulpzaam was. Als wij dit belangrijk vinden, moeten we niet telkens een debatje hebben als er weer eens een uitzending is geweest of een krantenknipsel is aangetroffen. Dan moeten we er stelselmatig bovenop zitten, door bijvoorbeeld één keer in het halfjaar een voortgangsrapportage te vragen en daarover een overleg te voeren om te bekijken waar we staan. Ik vertrouw erop dat ook de nieuwe bewindspersoon deze lijn van harte zal steunen en doorgaat met de voortgangsrapportages.

In de afgelopen periode kwam heel sterk naar voren, ook vorig jaar nog in een analyse, dat de bestrijding van kinderpornografie in de praktijk nog te vaak stukloopt op onvoldoende capaciteit. Ik wil dat nadrukkelijk hebben gezegd als serieuze analyse, omdat je natuurlijk makkelijk kunt denken: de Kamer vindt iets belangrijk; er moet iets gebeuren; geef maar wat extra mensen. Dat is een makkelijke reflex, maar dat is hier niet aan de orde. Dit is geen makkelijke reflex. Er ligt een serieuze analyse: er is sprake van een capaciteitstekort bij de politie. We hebben het fenomeen van de plankzaken en we zullen dus alert moeten zijn op voldoende capaciteit bij zowel politie als Openbaar Ministerie om stevig vooruit te kunnen met de bestrijding van kinderpornografie. Vooral omdat we, ondanks een jarenlange inzet, nog niet kunnen zeggen: het gaat zo langzamerhand wel de goede kant op; we zijn er bijna. Integendeel! In de wereld van de productie van kinderpornografie worden zelfs extremere beelden gebruikt, van jongere kinderen, en neemt het aantal internationale vertakkingen toe. Het vraagt een buitengewoon grote inzet om daadwerkelijk vooruitgang te boeken.

Mijn simpele eerste vraag is dus: hoe zit het nu met de capaciteit van politie en OM en wat is de inzet van het kabinet hierop? Dat is ook van belang voor het doorrechercheren. In het blad Blauw van februari 2010 stond een artikel over kinderpornografie, waarin de conclusie werd getrokken dat er nog te weinig bekend is over de wereld van de downloaders en de kindermisbruikers. Als een van de oorzaken werd genoemd dat er nog te weinig zaken zijn die worden doorgerechercheerd. We moeten het niet alleen hebben van de «sukkels», zoals ze in het blad worden genoemd, die tegen de lamp lopen bij het naar de reparateur brengen van hun computer. Natuurlijk, die moeten worden aangepakt, maar je moet ook naar de producenten toe. Je moet dieper in die wereld komen om daadwerkelijk vooruitgang te kunnen boeken bij de bestrijding.

Ik heb nog een aantal concrete punten, die ik kort zal noemen omdat de meeste al zijn genoemd door mijn collega’s. Hoe staat het met het inzicht in de feitelijke strafmaat in kinderpornozaken? Er is een verhoging van de strafmaat geweest, maar is die in de praktijk ook merkbaar? Is daar nu enigszins zicht op?

Er is een nieuwe aanwijzing opsporing en vervolging kinderpornografie aangekondigd, ook in het licht van problemen rond de leeftijdsgrenzen en bewijsproblemen bij zestien- en zeventienjarigen. Wanneer kunnen we die nieuwe aanwijzing verwachten?

Naar het Programma Verbeteren Aanpak Kinderporno is door collega’s al gevraagd. Hoe gaat het daarmee verder? Het is op 3 december 2008 voor twee jaar aangenomen; het zou strikt genomen dus morgen afgelopen zijn. Hoe gaan politie en OM hier gezamenlijk mee verder? Ik mag aannemen dat de inspanning voortgezet wordt, maar ik krijg daar graag duidelijkheid over.

Dit jaar wordt gestart met filteren aan de hand van een blacklist. Is dat intussen gebeurd? Ik sluit me aan bij degenen die zeggen dat aandacht voor de psychische belasting van werknemers die zich bezighouden met kinderpornografie noodzakelijk is. Bij een werkbezoek viel mij op dat zij graag willen dat ook rechters de beelden eens zouden zien en niet alleen zouden afgaan op beschrijvingen in dossiers. Het is voor die mensen frustrerend als zij zich afvragen: weet de buitenwereld wel hoe erg dit is en wat dit echt voor een wereld is? Misschien kan ook dat een aandachtspunt zijn in het contact met de rechterlijke macht.

Werken banken en internetproviders intussen op alle mogelijke manieren mee om de verspreiding en het kopen van kinderporno onmogelijk te maken? Zijn er nog knelpunten? Hoe staat het met de afspraken op dit vlak?

Tot slot horen we graag wat de stand van zaken is ten aanzien van de ontwikkeling van de onlinemeldknop kinderporno. Hier moet ook snel in gehandeld worden.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik herken wat de heer Van der Staaij zegt. Het beeld bestaat dat rechters de dossiers niet zien. Dat wordt wel eens gezegd door de politie. Ik heb echter onlangs nog gesproken met rechters die graag even wilden afkicken van een gruwelijk dossier dat zij helemaal hadden moeten doornemen omdat ze de beelden wél moesten zien. Waar komt het idee vandaan dat rechters de dossiers niet helemaal tot zich nemen? Natuurlijk hoeven ze niet ieder plaatje, hoe gruwelijk ook, te zien. Ze moeten echter wel een beeld krijgen van wat er aan de hand is, en dat gebeurt ook. Op basis waarvan zegt de heer Van der Staaij dus dat rechters de stukken niet echt zien? Ik hoor namelijk dat het wel zo is.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik heb niet gezegd dat ik weet dat het in zoveel procent van de gevallen niet gebeurt door rechters. Ik verwoordde wat ik tegenkwam tijdens een recent werkbezoek aan mensen in de politiewereld die zich hiermee bezighouden. Mevrouw Van Toorenburg heeft mogelijk een ander signaal gekregen: misschien was dat in het verleden wel zo, maar dat is nu verleden tijd en men zit erbovenop en weet heel goed wat het is. Ik ben blij om dat te horen, want dit is heel belangrijk. Ik hoor dat ook graag van de staatssecretaris.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Mijn fractiegenoot Voordewind heeft in september gevraagd hoe dit precies zit. De toenmalige minister van Justitie heeft toen de rechters opgeroepen om het vaker wél te doen. Het probleem zou zijn – misschien mag ik dat in een vraag aan de heer Van der Staaij voorleggen – dat men het risico van verdere verspreiding groot acht omdat die stukken aan het dossier moeten worden toegevoegd. Dat zou de reden zijn waarom het niet verplicht gebeurt. Rechters die wel zelf het beeldmateriaal bekijken en het dus aan het dossier toevoegen, schijnen overigens hogere straffen op te leggen dan rechters die dat niet doen. Misschien kan de heer Van der Staaij in zijn overweging meenemen of dat een dilemma kan zijn. Ik zou er wel voor zijn. Het gebeurt wel, maar niet structureel.

De heer Van der Staaij (SGP): Het risico van verdere verspreiding van het materiaal mag geen belemmering zijn om rechters ervan te laten kennisnemen. Dan zou het meer gezocht moeten worden in praktische waarborgen dat het materiaal bij niet meer mensen komt dan nodig is. Ik steun dus het punt van de heer Rouvoet.

Mevrouw Arib (PvdA): Het is niet de eerste keer dat dit wordt voorgesteld. Er wordt gesuggereerd: als je het niet ziet, vind je het minder erg. Dat zou dan echter ook voor Kamerleden en voor anderen gelden. Ik vind niet dat je mensen moet verplichten om naar kinderporno te kijken om van de ernst ervan doordrongen te raken. Wij pleiten ook voor hogere straffen, maar ik hoef de beelden absoluut niet te zien. Het is ook niet aan ons om rechters dat op te leggen. Bovendien gebeurt het al heel veel.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik vind het wel wat anders als je een beleidsmatige verantwoordelijkheid hebt. Ik ben het helemaal met mevrouw Arib eens dat je in het algemeen doordrongen kunt zijn van de ernst ervan zonder dat je ooit zelf een afbeelding hebt gezien. Ik vind het echter iets anders als je als rechter een concrete straf moet opleggen in een zaak. Dan heb je een andere verantwoordelijkheid dan een medeverantwoordelijkheid voor beleid. Ik ben er dus wel voor. Ik weet niet of je het gedetailleerd in regels moet gaan vastleggen; dat heb ik ook niet bepleit. We moeten echter wel bevorderen dat er daadwerkelijk kennis van het materiaal wordt genomen.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik hoop niet dat politici in toenemende mate rechters gaan voorschrijven hoe zij hun werk precies moeten doen. Volgens mij moet de vraag eerst zijn: wordt de strafmaat nu niet gehanteerd zoals wij hem hebben bedoeld? Straffen rechters die kinderporno niet hebben gezien echt aanzienlijk lager? Als we dat hebben geanalyseerd en het een probleem blijkt te zijn, dan kunnen we het gesprek aangaan met de rechters en de Raad voor de rechtspraak om te bekijken hoe het komt en hoe we het kunnen verbeteren. Maar om nu te zeggen dat rechters die kinderporno niet hebben gezien, lager straffen en de staatssecretaris er dus voor moet zorgen dat rechters naar kinderporno kijken, dat vind ik nattevingerwerk en een heel rare gang van zaken. Ik wil daar namens GroenLinks afstand van nemen.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik weet niet of dit een interruptie is aan mijn adres. Dit is inmiddels een reactie op stellingen die mogelijk door iemand zouden kunnen worden betrokken naar aanleiding van de discussie die hier is ontstaan. Ik krijg liever een interruptie op mijn eigen bijdrage.

De voorzitter: Ik denk dat u gelijk hebt, mijnheer Van der Staaij. Ik geef nu het woord aan de heer Van der Steur voor zijn inbreng in eerste termijn.

De heer Van der Steur (VVD): Voorzitter. Omdat dit onderwerp voor mij nieuw was en ik vind dat je als Kamerlid geïnformeerd moet zijn over de onderwerpen waarover je spreekt, heb ik afgelopen maandag een werkbezoek afgelegd bij de Politie Hollands Midden. Daar was ook een van de mensen van de Nationale Recherche bij, die bij dit onderwerp nauw is betrokken. Ik ben bijzonder onder de indruk geraakt van de gedrevenheid, de professionaliteit, het leergierige vermogen en de samenwerking met moderne technologie en met bedrijven waarmee de kinderpornografie in brede zin in Nederland wordt aangepakt, mede dankzij het programma waarover we vandaag spreken. Ik ben wel doordrongen van het feit dat er grote regionale verschillen zijn in de aanpak. Twente en Hollands Midden zijn goede voorbeelden van korpsen waar de aanpak structureel en met veel prioriteit plaatsvindt. Er zijn echter regio’s waar dat minder het geval is, naar ik heb begrepen. Vooruitlopend op de nationale politie leent dit onderwerp zich misschien voor een nationale aanpak.

Het eerste doel van de aanpak die wij allemaal bepleiten, is het voorkomen van misbruik van jongeren. Dat is een lastig concept, omdat een groot deel van de kinderporno afkomstig is uit het buitenland, maar ook een groot deel in Nederland wordt geproduceerd. Ik kom zo meteen nog terug op de manier waarop, ook in relatie tot het internetfilter. Het tweede doel zou moeten zijn het voorkomen van de productie van kinderporno en dus ook het onmogelijk maken van het op internet beschikbaar krijgen en via internet beschikbaar stellen van kinderporno. Het derde doel is natuurlijk het opsporen en bestraffen van degenen die kinderporno ontvangen en ernaar kijken. Dat heeft extra urgentie gekregen sinds de conferentie van afgelopen vrijdag waarop de staatssecretaris zelf spreker was. Daar heeft de Amerikaanse hoogleraar Quayle een groot overzicht gegeven van de bestaande onderzoeken naar de vraag of iemand die kinderporno bekijkt, ook geneigd is om tot actie over te gaan. Er zijn grote verschillen tussen de gepresenteerde rapporten. Er is vooral een groot verschil tussen onderzoek dat is gedaan aan de hand van arrestaties en onderzoek op basis van informatie van betrokkenen zelf. In het laatste geval geeft bijna 60%, en in één geval zelfs 84%, van het aantal mensen die zijn gepakt met kinderporno aan, eerder al neigingen te hebben gehad om daadwerkelijk tot handelingen over te gaan. Gemiddeld kun je zeggen dat 30% van het aantal mensen dat kinderporno ontvangt en ernaar kijkt, dader zou kunnen zijn of worden. Dat geeft voor de VVD-fractie de enorme urgentie van dit onderwerp aan. In theorie kan een op de drie mensen in Nederland die kinderporno ontvangen een misbruiker zijn of worden. Daar ligt een belangrijke taak voor de politiek om ervoor te zorgen om hieraan, binnen de middelen die er zijn – dat zeg ik alvast maar, om alle interrupties tegen te gaan – prioriteit te geven.

Dan het punt van mevrouw Arib. Het was een beetje een merkwaardig moment, maar ik werd tijdens het werkbezoek op een gegeven ogenblik uitgenodigd om even rond te kijken. Ik heb toen voor het eerst in mijn leven daadwerkelijk kinderporno gezien. Ik ben diep onder de indruk van de mensen die die gruwelijkheden dag in, dag uit moeten bekijken. Ik vind het dan ook ongelooflijk belangrijk dat we die mensen alle nazorg, begeleiding en coaching geven die ze nodig hebben. Het is onmenselijk werk om te doen, maar ze doen het omdat ze weten dat misschien het 60 000ste plaatje of het 500ste filmpje een kind laat zien dat in Nederland nog vandaag slachtoffer is van kinderporno. Het doorrechercheren, waarover ook mevrouw Gesthuizen sprak, is van essentieel belang. Het is echter zo onmenselijk om het van mensen te vragen, en strafrechtelijk vaak ook niet nodig, dat de technologische ontwikkeling van groot belang is. Er zijn twee belangrijke stappen gezet in de afgelopen jaren. De eerste is dat er een veel makkelijker manier is gekomen om de films en plaatjes te vergelijken en te bekijken. De tweede is, en die is heel belangrijk, dat er op dit moment een programma vergaand in ontwikkeling is waarmee de bekende films en plaatjes worden gefilterd uit het materiaal dat bij mensen in beslag wordt genomen. Dat scheelt ongelooflijk veel tijd en werk. We kunnen door de versnelde invoering van dat systeem, dat nog niet in een definitieve fase is, een enorme slag maken in de capaciteit, omdat het bekende materiaal, waarvan iedereen al weet dat het er is, niet meer bekeken hoeft te worden. Daardoor kan men zich richten op het nieuwe, onbekende materiaal, waarmee men dan vervolgens aan de slag kan. Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om deze technologische ontwikkelingen met voorrang te laten plaatsvinden? Vindt hij ook dat dit vraagt om een nationale aanpak, die ook wordt beoogd met de nationale politie?

De heer Dibi (GroenLinks): De heer Van der Steur wilde interrupties voorkomen, maar ik kan het niet laten om een vraag te stellen over de politieke keuzes van onder andere de VVD. De heer Van der Steur zei zojuist dat dit onderwerp enorm urgent is voor de VVD. Dat geloof ik direct, maar dat moet ook terugkomen in de afweging waar je geld naartoe stuurt en capaciteit aan besteedt. Dat zie ik op dit moment niet. Ik begin toch weer over de animal cops. Ik wil er niet lacherig over doen, maar het aantal beschikbare fte’s voor de aanpak van dierenmishandeling staat in schril contrast tot de beschikbare capaciteit voor die van kinderporno. Is de heer Van der Steur bereid om met de oppositie samen te werken om te bekijken hoe we geld kunnen vrijmaken om de capaciteit op orde te krijgen? Misschien vinden we het een beetje bij de animal cops en een beetje elders. Is de VVD bereid om daar in ieder geval naar te kijken in de komende dagen?

De heer Van der Steur (VVD): Die discussie hebben wij meermalen met elkaar gevoerd, ook bij de begrotingsbehandeling. Ik vind eigenlijk dat we het politieke spel over de animal cops hier niet moeten voeren. Ik ben wel bereid om iets anders doen. Dat heb ik al gedaan in mijn interruptie van de heer Rouvoet. Ik heb gezegd: kunnen wij met elkaar, binnen de kaders die er zijn en binnen het regeerakkoord – daarvan kunnen we vinden wat we ervan vinden – in die extra capaciteit voorzien op een andere manier, die niet allerlei discussies losmaakt over het regeerakkoord? Ik bespeur dat die behoefte er is, ook in mijn contacten met de mensen op de werkvloer. Wie weet heeft de staatssecretaris daar zelf ook ideeën over. Ik ga op de animal cops in het kader van dit onderwerp niet in. De heer Dibi weet wat de standpunten daarover zijn; hij kan zelf ook lezen. De heer Dibi is intelligent genoeg om te concluderen dat een regeerakkoord een regeerakkoord is. Als GroenLinks had meegedaan aan de regering hadden er ongetwijfeld ook dingen in het regeerakkoord gestaan waar anderen het mee oneens waren geweest. Dan had de heer Dibi hier ook gezeten en had hij dezelfde antwoorden gegeven als ik. Ik ga er dus niet meer op in. Mijn oproep is echter wel, …

De voorzitter: Moment, mijnheer Van der Steur. Ik onderbreek u, want er is nog een interventie van mevrouw Berndsen, en daarna nog een van de heer Rouvoet.

Mevrouw Berndsen (D66): De heer Van der Steur heeft zich goed op de hoogte gesteld. Ik denk dat hij in zijn contacten ook merkt dat het programma in een duidelijke behoefte voorziet en een behoorlijke verbetering brengt in de aanpak van kinderporno. Is hij met mij van mening dat het programma zou moeten voortduren in de komende jaren? Is de VVD-fractie ook bereid om daarvoor extra geld ter beschikking te stellen?

Ik vind het erg makkelijk om hier te zeggen dat de capaciteitsverdeling binnen de bestaande kaders dan maar aan de orde moet komen, want we kunnen volgende week weer een ander overleg hebben – we hebben het al over cybercrime gehad – maar er is gewoon onvoldoende capaciteit bij de politie. Die 3000 komen er niet extra bij, dus binnen de bestaande capaciteit moeten er keuzes worden gemaakt. Wat wil de heer Van der Steur laten schieten ten faveure van de capaciteit voor bijvoorbeeld kinderporno?

De heer Van der Steur (VVD): Ik begrijp de opmerking van mevrouw Berndsen. Ik voel ook met haar standpunt mee: we moeten binnen de capaciteit keuzes maken. Ik vind het prima om aan de staatssecretaris voor te leggen of hij daar de mogelijkheden toe ziet. Ik vind het ook prima om, als hij daar geen mogelijkheden toe ziet, met elkaar te bekijken waar wij op een verantwoorde wijze het extra geld kunnen vinden als het nodig is. Daarbij merk ik wel op dat we, als we ervoor kunnen zorgen dat het ICT-programma en het andere programma snel worden ingevoerd, al een enorme slag maken op de capaciteit. Dat heb ik ook duidelijk te horen gekregen. Het scheelt echt honderden manuren aan opsporing en onderzoek. We hebben echter wel te maken met een vrij problematische financiële positie. Binnen dat kader zullen we moeten doen wat we kunnen. Ik ben ervan overtuigd dat de staatssecretaris, gegeven zijn opvattingen en ideeën over dit specifieke onderwerp, er alles aan zal doen om dit te doen. Daarover gaat ook de vraag die ik stel: ziet de staatssecretaris er mogelijkheden toe, is er ergens nog ruimte en is het echt nodig? Want wat de VVD betreft zou dit programma, als het mogelijk is, zeker moeten worden voortgezet, ook gegeven de afschuwelijke plankvoorraden.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Dit is toch net één slag te makkelijk. Ik vraag me ook af waarom de heer Van der Steur wat betreft het beschikbaar stellen van capaciteit het ene type criminaliteit, namelijk dierenmishandeling, een serieus onderwerp vindt, terwijl hij spreekt over een politiek spel bij de noodzaak om beschikbare capaciteit te zoeken en te vinden voor een zaak als de bestrijding van kinderporno. Het moet allemaal kennelijk binnen de beschikbare capaciteit. Dat is een keuze van dit kabinet. We moeten het doen met het huidige aantal politiemensen. Daarbinnen moet een keuze worden gemaakt. De heer Van der Steur moet het dan niet gek vinden dat wij hem nu vragen om meer te doen dan de vraag bij de staatssecretaris neer te leggen of deze mogelijkheden ziet om er nog iets aan te doen. De vraag aan de VVD-fractie is dan, gelet op het standpunt van de woordvoerder van de VVD-fractie in het vorige debat dat er altijd concurrentie op aanbod is, of zij met ons wil zoeken en tegen de staatssecretaris wil zeggen dat er binnen de beschikbare capaciteit specifiek meer aandacht, en dus extra rechercheurs, moet komen voor kinderporno. Er moeten mensen opgeleid worden. En of hij ze bij de animal cops weghaalt of elders is vers twee. De heer Van der Steur moet echter aangeven of zijn fractie met ons deze boodschap aan de staatssecretaris wil afgeven.

De heer Van der Steur (VVD): Volgens mij heb ik die boodschap al aan de staatssecretaris afgegeven, ook in mijn interruptie op de heer Rouvoet. De vraag is of het kan, maar als de keuze zou gaan tussen het helpen van volwassen mannen en vrouwen om de prostitutie te verlaten en de aanpak van kinderporno, dan is die keuze voor de VVD-fractie niet zo moeilijk te maken. Als het binnen de capaciteit zou moeten, dan is dat een afweging waarvan ik mijn fractie wel zou kunnen overtuigen. De problematiek is echter weerbarstig. Het vorige kabinet heeft de laatste jaren een heel behoorlijke extra inspanning gedaan, daarin breed gesteund door de Kamer. Dat is misschien nog niet genoeg. Er is nog steeds voorraad over om aan te pakken, maar er is in de afgelopen jaren gelukkig wel ontzettend veel gedaan. Wat de VVD betreft, moet die inspanning worden voortgezet. Daarbij zal de genoemde afweging moeten worden gemaakt. Op dit moment heb ik echter niet het overzicht om te kunnen zeggen: we halen het daarvandaan.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): De heer Van der Steur duikt. Hij duikt welbespraakt, maar hij duikt wel.

De heer Van der Steur (VVD): Ik deel de welbespraakte conclusie van de heer Rouvoet niet, maar dat zal u niet verbazen, voorzitter.

Ik ondersteun de vraag van mevrouw Van Toorenburg over de kwestie waar we recentelijk mee werden geconfronteerd, van de directeur van een basisschool die nog twee jaar na zijn eerste aanhouding kon doorwerken. De VVD-fractie wil van de staatssecretaris weten hoe dit soort dingen kan worden voorkomen. Hetzelfde geldt voor de beschikbaarheid van kinderpornomateriaal in tbs-inrichtingen of gevangenissen.

Een van de frustraties van degenen die ik afgelopen maandag heb gesproken, is dat er een heel lange tijd zit tussen de eerste arrestatie en de vervolging. Ik heb inmiddels begrepen dat het Openbaar Ministerie een positieve stap heeft gezet door speciale kinderpornozittingen te houden. De afgelopen week was er een waarbij vijf verdachten terechtstonden en fikse straffen zijn geëist van twaalf maanden cel en een proeftijd van vijf jaar. Het is belangrijk om dat te doen. Voor de zekerheid wil ik nog van de staatssecretaris weten of er nog taakstraffen kunnen worden opgelegd voor het bezit van kinderporno. Daar is de VVD-fractie, net als in de vorige kabinetsperiode, geen voorstander van.

Ik sluit me aan bij de opmerking van mevrouw Gesthuizen over het filteren van internet. Ik heb begrepen dat het merendeel van de ernstigste gevallen, vooral de binnenlandse gevallen, wordt verspreid via peer-to-peernetwerken: van de ene gebruiker naar de andere. Dat is dus niet via een website waarop je plaatjes kunt kopen. Als dat juist is, heeft zo’n internetfilter heel weinig functie. Je lost het probleem er niet mee op. De VVD heeft wat dat betreft hetzelfde standpunt als de SP. Als het helpt en nodig is, moeten we het in uiterste noodzaak wel doen, maar ik vraag me af wat de effectiviteit ervan is.

De Financial Coalition Against Child Pornography in Amerika zorgt voor een grote instroom van zaken die in Nederland worden doorgerechercheerd, omdat creditcardmaatschappijen informatie verstrekken ten behoeve van het opsporen van verdachten van het ontvangen van kinderporno. Zou de European Coalition diezelfde rol niet ook moeten vervullen? Daar heeft de VVD op dit moment nog te weinig inzicht in.

Mevrouw Helder (PVV): Voorzitter. Er zal geen misverstand over bestaan dat men Kamerbreed blij is met de intensievere aanpak van kinderporno. Het is een afschuwelijk onderwerp en het is goed dat het wordt besproken. Uit de brief van de voormalige minister van Justitie blijkt dat het aantal rechercheonderzoeken is gestegen en dat er nog veel onderzoeken op de plank liggen. Collega-Kamerleden hebben daar terecht aan gerefereerd. De instroom blijft stijgen en die houdt gelijke tred met de inspanningen van de politie. Dat baart ons zorgen, ook omdat een deel van de instroom komt door buitenlandse rechtshulpverzoeken. Is er een verschil in prioriteit? Krijgen we ook hulp uit het buitenland? Ik vraag dat ook in verband met de capaciteitsdruk.

In de brief van de minister lees ik ook dat de onlinemeldknop, waarmee direct melding kan worden gedaan van een confrontatie met seksueel misbruik of ongewenst gedrag, in ontwikkeling is. Hoe snel kan die ontwikkeling worden afgerond? De PVV is ook voorstander van zo’n knop. Wanneer kan die in werking zijn?

Uit de Korpsmonitor Kinderporno blijkt dat de totstandkoming van structurele regionale dan wel bovenregionale samenwerking veelbelovend is. In het rapport staat ook dat die samenwerking nog niet voldoende is. Is de staatssecretaris bereid om in het kader van de nieuw te vormen nationale politie de aanpak te centraliseren, zodat sturing en monitoring op centraal niveau plaatsvinden? Dan is er geen versnipperde aanpak. Nog niet zo lang geleden bleek uit een uitzending van EenVandaag dat de aanpak in Twente zeer succesvol is. Vanwege de ernst van het onderwerp zou een centrale aanpak zeer positief kunnen zijn. Ik denk dat daarmee ook voor een deel aan de capaciteitsdruk wordt beantwoord. Ik wijs nog op pagina 3 van de Korpsmonitor Kinderporno, waar staat dat de aanpak niet eenduidig is. Dat zou hiermee verholpen worden.

Ik ga in op de taakstraffen. Gelukkig is er inmiddels een nota van wijziging van de minister en de staatssecretaris waarin wordt geregeld dat de gecombineerde taakstraf niet meer mogelijk is bij zedenmisdrijven. Het lijkt mij wenselijk dat er ook geen voorwaardelijke straf kan worden opgelegd in dit soort zaken. Is de staatssecretaris bereid om ook dit aan te passen?

Mevrouw Berndsen (D66): Mevrouw Helder staat een eenduidige aanpak voor. Dat is natuurlijk hartstikke goed; daar is juist dat programma voor ontwikkeld. Is mevrouw Helder ook bereid om extra geld ter beschikking te stellen om dit programma te continueren?

Mevrouw Helder (PVV): De financiële mogelijkheden zijn beperkt. Het programma is succesvol en het moet voortgezet worden. Collega Van der Steur zei dat ook. We moeten echter niet voorbijgaan aan de beperkte financiële ruimte. Ik zou willen bekijken of er ergens anders door middel van een efficiëntieslag geld voor te vinden is.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Mevrouw Helder sprak terecht over het probleem van de instroom, over het aantal meldingen, over wat er blijft liggen en over het belang van het onderwerp. Is zij met mij en anderen van mening dat dit reden moet zijn om tegen de staatssecretaris te zeggen dat het van belang is dat er extra rechercheurs beschikbaar komen binnen de huidige capaciteit om deze zaken op te sporen?

Mevrouw Helder (PVV): We zouden ook moeten bekijken of we hulp uit het buitenland kunnen krijgen. Daarom heb ik die vraag gesteld. Hoe gaat dat op dit moment? Wordt er een verzoek neergelegd en moet daaraan met onze huidige binnenlandse capaciteit worden gewerkt? Komt er hulp uit het buitenland? Daarnaast is er een enorme overhead bij de politie, heb ik begrepen. We zouden eens moeten bekijken of daarin gesneden kan worden en of daar geld gevonden kan worden voor eventuele extra capaciteit.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Ik neem aan dat mevrouw Helder op zichzelf niet wil tornen aan het systeem van buitenlandse rechtshulpverzoeken, maar het is natuurlijk niet altijd iets wat over de grenzen heen gaat. We hebben ook te maken met onze eigen problematiek. Ik proef een begin van een positief antwoord als mevrouw Helder zegt: zoek binnen de overhead. We hebben te maken met een bepaalde capaciteit aan politiesterkte. Ik zou het zeer toejuichen als mevrouw Helder binnen die capaciteit wel de noodzaak onderschrijft van het meer opleiden van politiemensen tot rechercheur specifiek voor het onderwerp kinderporno.

Mevrouw Helder (PVV): Ik wil niet voor mijn beurt spreken. Ook in het WGO zijn er dingen over gezegd. Binnen de bestaande mogelijkheden moet altijd bekeken worden of er ruimte is om iets anders in te kleden. Laat ik het zo zeggen: ik zal er altijd positief naar kijken, maar het moet ook kunnen. Er zijn beperkte financiële middelen, maar daarbinnen kan er altijd gekeken worden. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik zomaar extra rechercheurs ter beschikking kan stellen.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik ben naar dit debat gekomen om een aantal vragen te stellen aan de staatssecretaris, maar mijn grote missie was eigenlijk om een beroep te doen op de PVV, omdat zij zo’n belangrijke stem heeft in de beschikbare capaciteit. Is mevrouw Helder bereid om een klein, bescheiden deel van de 500 animal cops beschikbaar te stellen voor de aanpak van kinderporno?

Mevrouw Helder (PVV): Ik zag de bui al hangen. De heer Dibi wil de indruk wekken dat de PVV meer waarde hecht aan animal cops voor het tegengaan van dierenmishandeling dan aan de aanpak van kinderporno. Dat is natuurlijk beslist niet het geval. Er is meerdere malen gezegd: die animal cops zijn ook belangrijk omdat de aanpak van dierenmishandeling ook vaak kindermishandeling tegengaat. Er zijn rapporten waaruit dat blijkt. Aan de ene kant kom ik de heer Dibi dus in zekere zin tegemoet. Aan de andere kant is het niet zo simpel dat we kunnen zeggen: we strepen er tien animal cops van af en hebben dus tien agenten meer om de kinderporno aan te pakken. Ook voor de PVV is het zeer belangrijk dat kinderporno wordt aangepakt, maar als we er tien poppetjes bij zetten is het probleem niet opgelost. Ik wil het ook zoeken in het snijden in de overhead, in hulp uit het buitenland en in automatisering. Er kan op heel veel andere punten wel degelijk nog een slag worden gemaakt. Dat blijkt ook uit de korpsmonitor, die zeer duidelijk is op dat punt. Laten we dat nu eerst eens doen. Maar nogmaals: wij vinden beslist niet dat dierenmishandelaars eerder moeten worden aangepakt en zwaarder moeten worden gestraft dan mensen die zich schuldig maken aan kinderporno.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik begrijp de suggestie van mevrouw Helder om te snijden in de overhead en om automatisering te laten bijdragen aan de aanpak. Wij zijn echter politici. Wij maken hier de keuzes. Wij bepalen waar we het geld naartoe sturen en hoeveel fte we beschikbaar stellen voor welke vormen van criminaliteit. Ik wil echt niet doen alsof de PVV de aanpak van kinderporno niet belangrijk vindt. Ik weet dat de PVV die aanpak belangrijk vindt. Ik heb de heer Brinkman er heel veel over gehoord in de afgelopen jaren. Als ik echter twee zaken afweeg tegen elkaar, dan vind ik dat de balans is doorgeslagen naar één vorm van criminaliteit, terwijl we vandaag allemaal hebben geconstateerd dat de werkvoorraad stijgt, dat er sprake is van een stijgende instroom en dat politieagenten zelf zeggen dat ze meer capaciteit nodig hebben.

Mevrouw Helder (PVV): De heer Dibi mag het mij 100 keer vragen. Dan krijgt hij 99 keer hetzelfde antwoord, en de 100ste keer ben ik misschien de tekst een beetje kwijt vanwege het herhalen.

De heer Dibi (GroenLinks): Dan ga ik door.

Mevrouw Helder (PVV): Ongetwijfeld. Daar hebt u ook vierenhalf jaar de tijd voor en die tijd zult u ongetwijfeld gebruiken. Dat zou ik ook doen als ik in uw schoenen stond. Ik blijf echter bij mijn eerdere antwoord. Er kan zeker nog een slag worden gemaakt binnen de capaciteit.

De voorzitter: Mevrouw Helder, u valt nu echt in herhaling. Ik geef het woord aan mevrouw Gesthuizen, die ook een vraag wilde stellen.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Mevrouw Helder had natuurlijk ook bij de bestrijding van dierenmishandeling kunnen bekijken of er efficiënter gewerkt had kunnen worden. Waarom heeft zij dat niet gedaan?

Mevrouw Helder (PVV): Dat heeft mevrouw Helder zeker wel gedaan, met anderen. Daar werd niet efficiënter in gewerkt; er werd helemaal niet in gewerkt. Die zaken bleven gewoon op de plank liggen. Die kwamen bij de dierengeleiders en daar gebeurde vrij weinig mee, zelfs niets, tot ze bij de AID op het bordje kwamen.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Mevrouw Helder zegt: die zaken blijven op de plank liggen. Dat is nu juist de discussie die we hier voeren. Juist ook bij de aanpak van kindermisbruik, van mensen die kinderen verkrachten, daarvan afbeeldingen menen te moeten maken en die verspreiden, blijven zaken op de plank liggen. Mevrouw Helder maakt een keuze en deels is dat natuurlijk zeker terecht. Zij kiest ervoor om dierenmishandeling aan te pakken. Dat is prima; daar heeft niemand kritiek op. Maar er was een achterstand. Als nu blijkt dat er nog steeds een forse achterstand is en er nog steeds heel veel plankzaken liggen, is zij dan bereid om de handreiking van de heer Dibi, de heer Rouvoet en anderen aan te nemen?

Mevrouw Helder (PVV): Ik begin bij de laatste vraag van mevrouw Gesthuizen. Ik verwijs naar het antwoord dat ik zojuist aan de heer Dibi heb gegeven. Over zaken van dierenmishandeling heb ik niet gezegd dat die ook op de plank blijven liggen; ik heb gezegd dat die vrijwel allemaal op de plank blijven liggen. Daarbij heb ik gezegd dat de aanpak van dierenmishandeling ook preventief werkt op de aanpak van kindermishandeling.

Mevrouw Berndsen (D66): Ik ben bang dat mevrouw Helder creatief aan het boekhouden is als zij zegt dat de dekking wellicht kan worden gevonden in het terugbrengen van de overhead bij de politie. Dat heeft de minister namelijk al gedaan. Hij heeft al 200 mln. ingeboekt voor de nationale politie. Daarbij was met name het terugdringen van de overhead een van de dekkingen.

Mevrouw Helder (PVV): Ik heb snijden in de overhead als een van de punten genoemd. Ik heb daarnaast gesproken over hulp uit het buitenland. Ik heb ook verwezen naar automatisering, die mogelijk kan zorgen voor verlichting van de capaciteitsdruk. Ik zou in herhaling vallen als ik dat rijtje nog een keer zou opnoemen.

Voorzitter, ik ga verder met mijn betoog. Ik vind dat verdachten van kinderporno altijd preventief gehecht moeten worden en moeten blijven totdat er een vonnis in eerste aanleg is. Er moet ook een wettelijke verschijningsplicht ter zitting komen voor verdachten van kinderporno. Ze kunnen al wel naar de zitting worden gebracht, maar er zou echt een wettelijke verschijningsplicht voor dit soort zaken moeten zijn. De reden daarvoor is dat verdachten van kinderporno graag anoniem blijven en niet duidelijk zichtbaar in de zittingszaal willen zitten. In de regel is daar namelijk pers en zeker publiek bij aanwezig. De vorige minister van Justitie heeft aangegeven dat punt op zijn wishlist te zullen zetten, maar dat vinden wij natuurlijk onvoldoende. Is de staatssecretaris bereid om voor dit soort zaken een wettelijke verschijningsplicht in het Wetboek van Strafrecht op te nemen? Verdachten die al preventief zijn gehecht, kun je makkelijk naar de zitting brengen; dat vergt dus geen capaciteit.

Ik vat mijn vragen aan de staatssecretaris gemakshalve samen. Hoe wordt omgegaan met uit het buitenland afkomstige rechtshulpverzoeken en Nederlandse zaken? Is er verschil in prioriteit? Kunnen we hulp uit het buitenland krijgen? Is de staatssecretaris bereid om in het kader van de nieuw te vormen nationale politie de aanpak van kinderporno te regelen? Is de staatssecretaris voornemens ervoor te zorgen dat in de toekomst niet meer uitsluitend een voorwaardelijke straf in dit soort zaken kan worden opgelegd? Voelt de staatssecretaris ervoor om verdachten van kinderporno preventief in hechtenis te nemen en te houden tot een vonnis in eerste aanleg, om zo de verschijningsplicht te realiseren dan wel te vergemakkelijken?

Mevrouw Arib (PvdA): Voorzitter. Kinderporno moet worden uitgebannen. Daarbij gaat het om de aanpak van producenten, verspreiders, vaak via internet, en afnemers. Er is al veel wet- en regelgeving. Waar het nu om gaat, heeft een aantal collega’s al duidelijk aangegeven: er moet voldoende capaciteit zijn om het probleem daadwerkelijk aan te pakken, ook op Europees niveau. Kijkend naar de afgelopen debatten kan ik met trots zeggen dat de Kamer dit probleem heeft geagendeerd en, met de steun van de vorige minister, heel veel voor elkaar heeft gekregen. Ik ga ervan uit dat de staatssecretaris kinderporno ook als prioriteit beschouwt. Zeker de laatste tijd gaat er veel aandacht naar problemen die zichtbaar zijn. Dat is natuurlijk legitiem en terecht, maar de problemen die in het verborgene plaatsvinden, moeten evenveel aandacht krijgen. Daar valt ook kinderporno onder.

Vandaag praten we over de voortgangsrapportage. Er is veel in gang gezet. Ik noem de korpsmonitor en de taakuitbreiding van de rapporteur mensenhandel met het onderwerp kinderpornografie. Ook is de European Financial Coalition tot stand gekomen. De uitbreiding van het Meldpunt Kinderporno heeft gelukkig ook plaatsgevonden. Het gaat nu om de vraag of hetgeen wij met elkaar hebben afgesproken en hetgeen nog in de steigers staat, straks in de praktijk gaat werken. Mijn indruk is dat, zeker omdat een aantal zaken nu in gang is gezet, de instroom van kinderpornozaken zal toenemen. Dat horen we ook van de politie. De instroom neemt toe en de beelden worden gruwelijker en gewelddadiger. Alle lovenswaardige inspanningen ten spijt overtreft dus de instroom van nieuwe zaken nu al de afhandeling daarvan. De voorzitter van de Taskforce kinderporno en kindersekstoerisme stelde maandag nog dat de politie de strijd tegen producenten van kinderporno verliest als er niet meer rechercheurs bij komen. Hij wijst bijvoorbeeld op de toename van kinderporno in Nederland en op het grotere aantal dvd’s dat wordt aangetroffen. De voorzitter vraagt om 75 extra agenten om de zaken die op de plank liggen, te kunnen wegwerken. Dat is nog los van wat nodig is als de instroom nog meer toeneemt. Mijn fractie pleit dus voor extra capaciteit, en u mag raden waar zij die van wil betalen: van de animal cops; er is al het nodige over gezegd. Wij willen graag dat er een prioriteit wordt gesteld en dat dit niet alleen met de mond wordt beleden, maar dat ook daadwerkelijk middelen worden vrijgemaakt.

Ik heb op 23 september mondelinge vragen gesteld over de werkvoorraad, waar op dit moment eigenlijk nog steeds niet zo veel aan wordt gedaan. Vorig jaar waren er zo’n 900 plankzaken en dit jaar zijn het er 600. Hoe kan het dat wij elke keer dit probleem weer aankaarten en dat er nog steeds plankzaken blijven liggen? Ik wil inzicht krijgen in het soort zaken waarover het gaat. Gaat het om ernstige dingen? Gaat het om verkrachtingen? Hoe komt het dat bijvoorbeeld de regio Twente, waarover ik mondelinge vragen stelde, wel in staat is om de daders op te sporen en op te pakken en andere regio’s niet? In het televisieprogramma van de EO naar aanleiding waarvan ik mijn mondelinge vragen stelde, kwam Defence for Children met het bericht dat er meldingen zijn van seksueel misbruik en van kinderporno waarmee eigenlijk niets wordt gedaan. Dat vind ik heel ernstig. Ik vraag de staatssecretaris dus om in de volgende voortgangsrapportage precies aan te geven wat er aan de werkvoorraad wordt gedaan. Ik wil graag een uitsplitsing naar het type zaken. Het mag absoluut niet uitmaken waar een slachtoffer woont. Als je misbruikt wordt in Twente, dan heb je kans dat de dader wordt opgepakt en dat je als slachtoffer wordt opgespoord en wordt geholpen. Als je elders woont, is dat echter niet het geval. Dat mag niet gebeuren. Ik wil in de volgende voortgangsrapportage, die wij eigenlijk deze maand hadden moeten krijgen, lezen hoeveel slachtoffers van seksueel misbruik per regio worden getraceerd en hoeveel zaken per regio worden opgelost. Daar hebben we namelijk geen zicht op, en alleen op basis daarvan kunnen we bekijken hoe het komt dat er verschillen zijn tussen verschillende politiekorpsen.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Ik hoor mevrouw Arib zeggen dat er aan de werkvoorraad niet zoveel wordt gedaan. Ik vermoed dat ze iets anders bedoelt.

Mevrouw Arib (PvdA): Ja.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Ik zou dat misverstand graag uit de weg willen hebben.

Mevrouw Arib (PvdA): Het ligt niet aan de rechercheurs; het ligt niet aan de politie.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Ziet mevrouw Arib met mij dat de instroom en het aantal meldingen maar blijven stijgen en dat de inspanningen van de politie ook stijgen, maar er desondanks een plus op de werkvoorraad komt? Anders zou er een vervelende indruk blijven hangen.

Mevrouw Arib (PvdA): Dat is absoluut niet de bedoeling. Het is goed dat de heer Rouvoet dit zegt. Ik ben het helemaal met hem eens. De politie doet inderdaad haar best en werkt heel hard. Daar heb ik ontzettend veel waardering voor. Ook bij het opsporen van daders en slachtoffers blijkt dat de inspanningen van de selecteurs kinderporno ontzettend belangrijk zijn. Zij worden geconfronteerd met afschuwelijke beelden en schijnen daar enorm veel psychische last van te hebben. Het verloop is ook heel groot. Het is zaak dat juist voor de mensen die binnen de politie dit soort werk doen, de beloning in overeenstemming komt met de zwaarte van het werk.

Een ander punt waarvoor mijn collega’s aandacht hebben gevraagd en waarnaar wij in eerdere debatten ook nadrukkelijk hebben gevraagd, is het filteren en blokkeren van kinderporno op internet. Wij hebben de vorige minister er uiteindelijk met veel argumenten van kunnen overtuigen dat die mogelijkheid er moet komen. We hebben zelfs gepleit voor een wettelijke plicht of regeling voor internetproviders. De minister heeft hun gevraagd om dat te doen in goed overleg. Er is ook een soort samenwerking tussen de internetproviders en het meldpunt om tot afspraken te komen over het blokkeren en filteren van de sites. Wat is de stand van zaken daaromtrent? In het vorige debat, in maart van dit jaar, heeft de vorige minister namelijk gezegd dat het een kwestie van een paar weken zou zijn om tot afspraken te komen. Ik heb nog niets gezien. Misschien kan de staatssecretaris meer informatie geven. Ook de meldknop voor onlinemisbruik wordt genoemd in de voortgangsrapportage. Ook daarvan wil ik graag de stand van zaken weten.

En dan een terugkerend probleem, namelijk de motie-Gerkens/Arib over de vergewisplicht van exploitanten van pornosites. Na een lange discussie hierover in de Kamer hebben wij een motie ingediend, die is aangenomen. De vorige minister heeft ons toen beloofd dat hij hierop terug zou komen en het zou regelen. Die motie betrof de leeftijd van de modellen of actrices. De pornoproducenten moeten er zeker van zijn dat het om achttienjarigen gaat en niet om minderjarigen.

Ik moet afronden, maar ik noem nog het punt kindersekstoerisme. Dat is een groot probleem. Er zijn nog steeds mensen die misbruik maken van armoede en slechte sociale en economische omstandigheden in derdewereldlanden. Er zijn afspraken met allerlei reisbureaus. Mijn fractie pleit voor een soort meldplicht voor reisbureaus die bepaalde risico’s zien. We pleiten ook voor een reisverbod voor types van wie men weet dat ze naar allerlei landen gaan om minderjarigen te misbruiken.

Tot slot noem ik de schooldirecteur die in het bezit was van kinderporno. Ik begrijp absoluut niet hoe dat kan. Binnen het onderwijs is iedereen verplicht om een vog te overleggen. Onderwijsinstellingen zijn verplicht om een verklaring omtrent het gedrag te vragen. Ik vraag me af waarom dat in dit geval niet is gebeurd. Misschien is het wel gebeurd, maar was dit niet te voorzien.

De heer Van der Steur (VVD): Het gaat om iemand die in functie was, gearresteerd werd en vervolgens in functie bleef. In die situatie vraag je niet opnieuw een vog. De essentiële vraag is of de Kamer en de staatssecretaris vinden dat in dit soort gevallen het Openbaar Ministerie informatie zou moeten verstrekken aan de school over een verdachte. Daar zit een privacypunt.

Mevrouw Arib (PvdA): We weten niet precies hoe het is gegaan, maar je zou van mensen die met kinderen werken van tevoren moeten weten of zij zich eerder aan kinderen hebben vergrepen. Het kan best zijn dat deze man het voor het eerst doet, maar dan moet de school hem uit zijn functie zetten. Dat is het minste wat je kunt doen, ook om andere kinderen te beschermen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Mevrouw Arib gaat in op het internationale aspect en de vog. Eergisteren heeft mijn collega Çörüz in het AO over de JBZ-raad aan de orde gesteld dat wij graag een soort internationale vog willen voor deze delinquenten. Artsen die in Nederland gruwelijke missers begaan en niet langer mogen werken als arts, komen op een zwarte lijst, die ook naar het buitenland gaat. We zouden iets vergelijkbaars kunnen creëren voor mensen die met kinderen werken, een soort vog-systeem in internationaal verband. Deelt de PvdA deze wens en kunnen we daarin samen optrekken?

Mevrouw Arib (PvdA): Ik had een apart blokje over de JBZ-raad, maar dat heb ik overgeslagen. Als er één onderwerp is dat zich niet binnen landsgrenzen afspeelt maar internationaal, dan is het kinderporno en mensenhandel. Ik vind het dus zeker belangrijk om ook op internationaal niveau tot concrete afspraken te komen. Daarvan is dit idee een voorbeeld. Ik zou dat dus van harte ondersteunen.

Ik rond af met een onderwerp waarover collega Berndsen bij interruptie iets heeft gezegd, namelijk het feit dat er voortdurend een verband wordt gelegd tussen dierenmishandeling en kinderporno. Is de staatssecretaris misschien in staat om het bestaan van dit verband te bevestigen of te ontkennen? Wel graag aan de hand van onderzoeken, anders gaan zaken een eigen leven leiden.

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Heel veel is al gezegd. Ik wil daaraan toevoegen dat GroenLinks ontzettend veel respect heeft voor de mensen bij politie en justitie die dit slopende werk moeten doen. Ik spreek ook mijn lof uit voor het vorige kabinet. In de vorige kabinetsperiode is kinderporno hoog op de agenda komen te staan. Dat kwam deels door een aantal mensen die hier zitten en deels door de staatssecretaris, die nu aan de andere kant zit. Het gevolg daarvan is wel dat de instroom enorm toeneemt. Doordat het onderwerp hoger op de agenda staat bij politie en justitie is er veel meer aandacht voor en zijn er veel meer zaken die moeten worden behandeld. Daarom begin ik toch weer met de capaciteit; ik kan het niet laten. Het is het eerste van mijn drie punten.

Er is een tekort aan capaciteit. Veel zaken blijven liggen en dan is het aan politici om keuzes te maken. Ik verwijs ook naar de reactie van minister Opstelten tijdens de begrotingsbehandeling van Veiligheid en Justitie. Hij zei eigenlijk tegen de oppositie: iedereen die kritiek heeft op de animal cops, vindt dierenmishandeling niet belangrijk. Als ik dat doortrek, zou ik nu gewoon moeten concluderen dat VVD, CDA en PVV en de staatssecretaris, als zij niets doen aan het op peil krijgen van de beschikbare capaciteit, kinderporno minder belangrijk vinden dan dierenmishandeling. Dat is de enige conclusie die ik dan kan trekken. Als dit debat dus als uitkomst heeft dat we de capaciteit niet op orde krijgen, dan zal dat mijn conclusie zijn in tweede termijn. Ik kondig ook al aan dat ik een VAO wil gaan aanvragen. Ik hoor graag van de staatssecretaris hoeveel capaciteit er nu beschikbaar is en hoeveel erbij zou moeten om al die zaken wel te behandelen.

Mijn tweede punt is het internetfilter. Justitie is al enkele jaren met internetproviders bezig om dat filter voor elkaar te krijgen. Theoretisch zou dat moeten leiden tot een filter dat verdachte afbeeldingen herkent, blokkeert en doorspeelt aan het Meldpunt Kinderporno, maar zo eenvoudig werkt het helaas niet in de praktijk. Er zijn allerlei onderzoeken, waaronder een onderzoek van het WODC, waaruit blijkt dat zo’n internetfilter niet zomaar voor elkaar te krijgen is. Ik heb vandaag het gerucht gehoord dat de staatssecretaris inmiddels van de makers van het internetfilter heeft gehoord dat het niet werkt. Ik wil graag weten of dat gerucht klopt. Ik zie gefronste wenkbrauwen; misschien klopt het gerucht niet. Ik ben echter wel benieuwd naar de effectiviteit en de doelmatigheid van het filter. Laat duidelijk zijn dat GroenLinks elke maatregel steunt die ertoe leidt dat kinderporno goed, effectief en snel wordt aangepakt. Als het internetfilter daartoe leidt, dan zult u mij dus niet horen piepen, maar de twijfels groeien wel als ik Bits of Freedom hoor, en nu dit gerucht. Is het internetfilter wel zo effectief? Zo niet, kunnen we dan dat bedrag van € 500 000 tot 1 mln. niet inzetten voor het tekort aan capaciteit?

Mijn derde punt is het kindersekstoerisme. Dat blijft een raar punt. Ik vraag me af of de staatssecretaris ook in gesprek is met andere landen. Ik ben bijvoorbeeld wel eens in Marokko. Daar zie je het gewoon voor je ogen gebeuren. Niet elke toerist die geld geeft aan een kind wil meteen allerlei dingen uitspoken met dat kind, maar er zijn plekken waar mensen samenkomen om kinderen te lokken. Kinderen weten ook waar die plekken zijn. Ik krijg wel eens de indruk dat een aantal landen, waaronder Marokko, dat een beetje gedoogt, er geen prioriteit van maakt. Hoe kijkt de staatssecretaris daartegenaan? Krijgt hij dezelfde signalen of weet hij dat er heel duidelijke afspraken over zijn gemaakt?

Mijn laatste opmerking is dat ik blij ben met de toezegging van CDA en VVD dat zij op zichzelf bereid zijn om te bekijken waar mogelijk geld te vinden is om de capaciteit op peil te krijgen. Ik hoop wel dat het geld dan niet alleen van de uitstapprogramma’s voor prostituees komt. Het kan ook elders vandaan komen. De open houding van in ieder geval het CDA en de VVD, en ik denk ook van de PVV, waardeer ik wel. Ik hoop dat we in dit debat nog tot iets kunnen komen.

De voorzitter: We zijn toe aan het antwoord van de staatssecretaris. Ik sta twee interrupties toe per fractie.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. Ik dank de leden voor hun gemotiveerde en soms gepassioneerde inbreng. Ik denk dat de slachtoffers het verdienen. Ik denk ook dat de mensen die dit werk doen het verdienen; een aantal sprekers heeft dat terecht opgemerkt. Het is moeilijk werk om te doen en om lang vol te houden. Het verdient onze steun. Net als in voorgaande kabinetsperioden wordt de aanpak van het onderwerp in de Kamer van SP tot PVV – ik kijk naar de opstelling in de Kamer – gesteund. We moeten wel vaststellen dat dit ook de verdienste is van het vorige kabinet, dat dit onderwerp inderdaad goed op de agenda heeft gezet. Het is een uitdaging voor de minister en voor mij om hier voortvarend mee door te blijven gaan. De aansporingen van de Kamer zijn dus niet aan dovemansoren gericht. Wij zullen het zeker doen. Overigens vallen de opsporing en de vervolging van kinderpornografie onder de verantwoordelijkheid van de minister. De onderwerpen slachtoffers en privacy horen bij mij. De minister is vandaag in de JBZ-raad, maar omdat het kabinet vindt dat overleggen met de Kamer zo veel mogelijk door moeten gaan, zal ik vandaag ook spreken over onderwerpen die de minister aangaan. Ik maak eerst een aantal algemene opmerkingen, waarna ik individuele vragen zal beantwoorden. Daarbij zal ik beginnen bij mevrouw Berndsen en de heer Van der Staaij, omdat zij dit overleg iets eerder moeten verlaten.

Dit kabinet maakt zich, net als voorgaande kabinetten, sterk voor slachtoffers, en niet in de laatste plaats voor de kinderen die slachtoffer worden van dit soort misdrijven. Als ik terugkijk op het jaar 2009 en de maatregelen die in gang zijn gezet, kan ik concluderen dat met de aanpak van kinderporno goede vorderingen zijn gemaakt, mede door het bij de politie in gang gezette Programma Verbeteren Aanpak Kinderporno. Wat die vorderingen betreft, kan ik een aantal zaken noemen.

Ik begin met het gereedkomen van de eerste politiemonitor kinderporno. Dat is een feitelijk monitorverslag over het jaar 2008 en een goede weergave van productiecijfers en analyses van good practices en bad practices. Een aantal woordvoerders sprak over individuele regiokorpsen waar het heel goed gaat. Korpsen vergelijken hun ervaringen op dit moment met elkaar en proberen van elkaar te leren. Een analyse van de werkprocessen is ook heel belangrijk: hoe kunnen we het sneller doen? De heer Van der Steur sprak over de automatisering. Ik noem ook de inrichting van de kinderporno-organisatie binnen de politie. Door de vorige bewindspersoon was toegezegd dat het in december 2010 zou gebeuren, maar de tweede politiemonitor kinderporno wordt afgerond in de eerste maanden van 2011.

Er is een apart plan van aanpak van het verbeterprogramma ten aanzien van het terugdringen van de werkvoorraad kinderpornozaken. Dit plan ziet enerzijds op de tijdelijke inzet van bovenregionale recherchecapaciteit, waarmee vorig jaar is gestart, en anderzijds op de tijdelijke uitbreiding van de digitale recherchecapaciteit met 7 fte’s. Dat is door het vorige kabinet toegezegd en nagenoeg gerealiseerd. De uitvoering van dit plan heeft in een jaar tijd geleid tot een vermindering van de werkvoorraad met ongeveer 300 zaken.

De brief van de vorige minister is van afgelopen zomer. De eerste vraag die ook bij mij opkwam, is: waar staan we nu, na het derde kwartaal van 2010? Ik heb de laatste stand van zaken opgevraagd en ben daar niet positief over. Ik kan daar niet positief over zijn; een aantal woordvoerders denkt dat ook al te weten. Mevrouw Arib zei het al: we zijn eigenlijk terug bij af. De werkvoorraad is in het derde kwartaal van 2010 gegroeid en er zijn op dit moment 991 zaken in voorraad. Er was een enorme verbetering – aan het eind van het tweede kwartaal was de werkvoorraad teruggelopen tot 605 zaken – maar in het derde kwartaal van 2010 is de voorraad gegroeid tot 991. De Kamer vraagt zich af hoe dat komt. Dat heb ik me uiteraard ook afgevraagd. De ijver en het harde werken van politiemensen en officieren van justitie in Nederland, bestaan ook elders in de wereld. Soms hebben we dat zelf aangezwengeld door onze best practices in de bestrijding van kinderporno te exporteren. Daar hebben anderen van geleerd. Dat leidt er ook toe dat andere landen zaken in hun onderzoeken tegenkomen. Soms is dat omdat creditcardmaatschappijen in Nederland zijn gevestigd, maar soms gaat het ook om bijvangst in buitenlandse onderzoeken naar verspreiders en misbruikers. Dat betekent dat inspanningen elders onze eigen inspanningen verdringen, omdat er in het derde kwartaal van 2010 359 rechtshulpverzoeken uit het buitenland zijn gekomen, die weer de nodige investeringen vragen van onze politie. Soms zijn dat geen rechtshulpverzoeken waarin alleen om onderzoekshandelingen wordt gevraagd, maar constateert het buitenland dat onderzoek hier te lande verder moet worden gedaan. Dan worden zaken daadwerkelijk overgedragen aan Nederland en wordt de strafvervolging niet in het buitenland voortgezet met een rechtshulpverzoek. Het is een van de redenen voor de stijging van de werkvoorraad. Een aantal woordvoerders heeft daar specifiekere vragen over gesteld, waar ik straks op zal antwoorden.

Ik zal nu iets zeggen over de ontwikkelingen binnen de proeftuin kinderporno in Rotterdam, het zogenaamde Proeftuin Zambezi-project. In deze tuin worden onder andere ervaringen opgedaan met innovatieve, digitale, tactische opsporingsmiddelen en preventieve maatregelen in een gecontroleerde laboratoriumsetting aan de hand van concrete zaken die zijn afgesloten. De vraag is daarbij hoe men het digitaal beter kan doen. Daarnaast, en dat zal ons in de toekomst helpen om een grote berg aan zaken te beheersen, wordt daar ook gewerkt aan alternatieve afdoeningen, bijvoorbeeld de verplichte hulpverlening voor mensen die kijken naar kinderpornoafbeeldingen: hoe kun je het bij die kijkers niet meteen in een strafzaak gieten, maar daar anders mee omgaan, zeker bij first offenders? We proberen die mensen er via verplichte hulpverlening van af te krijgen. Ook dat is een manier om het aantal strafzaken te beperken. Het gaat erom dat we het probleem beperken en dat kunnen we op een aantal manieren doen. Een aantal woordvoerders vroeg wat we doen aan preventie. Dit is een manier van preventie. Ik zie de heer Van der Staaij kritisch kijken; we kijken uiteraard ook naar repressie, kan ik hem zeggen.

Mijn volgende punt is de taakuitbreiding van de nationaal rapporteur mensenhandel per 1 oktober. Zij gaat zich ook bezighouden met het onderwerp kinderpornografie. Zij werkt op dit moment aan een eerste rapportage over dit onderwerp. In mijn tekst staat dat die begin 2011 klaar is, maar zij heeft mij gisteren verteld dat het later zal zijn, namelijk aan het begin of in de loop van de zomer van 2011.

Dan is er de instelling van de Taskforce kinderporno en kindersekstoerisme op 6 november van het vorige jaar. Deze taskforce is inmiddels gestart met de inventarisatie van knelpunten. Daarvoor is op bestuurlijk niveau nog een oplossing nodig, maar een van de concrete producten die de taskforce op dit moment oplevert is het barrièremodel kinderporno. In het barrièremodel wordt een bezoek afgelegd bij een first offender-downloader thuis. Er wordt gevraagd: kan ik die computer even zien? Er bestaat dan dus niet de indruk dat de persoon een verspreider is, maar er wordt wel het voorstel gedaan om op het aanbod voor hulpverlening in te gaan. Dat model wordt nu verder ontwikkeld. Het is een manier om meer door te rechercheren op de werkelijke zaken, iets waarnaar politie en Openbaar Ministerie ook vragen, en om de first offender-gebruikers wellicht op een andere manier te kunnen helpen. Het is dus een heel concreet preventiemodel.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik dank de staatssecretaris. Het wordt er voor mij alleen niet duidelijker op. Ik dacht zojuist te kunnen begrijpen dat er wordt gekeken naar de meest effectieve manier om first offenders aan te pakken. Dat vind ik heel goed. Als je denkt dat straffen minder goed helpt bij bepaalde mensen en als je denkt dat gedwongen hulpverlening wel effectief is voor ze, lijkt het mij wenselijk om dat te doen. Nou begrijp ik dat het niet gedwongen is, maar dat er wordt verzocht om mee te werken. Nu weet ik het even niet meer.

Staatssecretaris Teeven: We zijn het barrièremodel aan het ontwikkelen. De bedoeling is wel dat er een hulpverleningstraject komt om aan te bieden. Mevrouw Gesthuizen zegt dat straffen niet helpt. Zover is het kabinet nog niet.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Dat heb ik ook niet gezegd.

Staatssecretaris Teeven: We hebben te maken met een enorme instroom. Je kunt het aantal plankzaken laten groeien. Wij proberen echter om via het barrièremodel op een andere manier met de first offenders om te gaan. Sommige zullen vrijwillig meewerken. Anderen zullen dit alleen onder dwang doen. We zijn hier nog niet mee klaar. De ontwikkelingen zijn nog gaande. Dit staat nog in de kinderschoenen. Sommige mensen zullen vrijwillig meewerken, terwijl andere niet willen meewerken. Je kunt dan kijken naar een gedwongen setting, maar als mensen niet vrijwillig meewerken, kun je ook overgaan tot opsporing en vervolging.

Dit zijn enkele voorbeelden die bevestigen dat in de afgelopen jaren hard is gewerkt aan de verbetering van de aanpak van kinderporno. Een aantal jaren was het allemaal nog in ontwikkeling, maar nu breekt een periode van oogsten aan, vooral door de ingezette verbeteringsmaatregelen voor de aanpak van kinderporno.

Hiermee kom ik op een ander belangrijk onderwerp, dat een aantal Kamerleden in algemeenheid aan de orde heeft gesteld: het filteren en blokkeren van websites. Ook gisteren, bij de voorbespreking van de JBZ-raad, is dit onderwerp aan de orde geweest. Toen merkten Kamerleden op dat blokkeren niet leidt tot verwijderen. Dat is op zich wel waar, maar ik wil nog wel even het geheugen opfrissen. Blokkeren was er met name op gericht om te voorkomen dat internetsurfers per ongeluk op een kinderpornografische website zouden belanden. Dan ging het ook nog om sites die we niet konden verwijderen doordat we er niet bij konden komen. Dat was indertijd het probleem. De afgelopen tijd is door verschillende betrokken partijen, isp’s en het Meldpunt kinderporno in een werkgroep Filteren en Blokkeren van het platform internetveiligheid hard gewerkt aan de realisatie van afspraken om het blokkeren van kinderpornowebsites te implementeren.

De partijen zijn het over een aantal zaken eens geworden, zoals de criteria voor een zwarte lijst, de mogelijkheid om klachten over die lijst te uiten – dit is vanuit het oogpunt van privacy van belang – de wijze waarop de klachten zouden worden behandeld, verschillende uitvoeringstechnische en beveiligingsaspecten, de wijze van blokkering en de organisatie.

Het Meldpunt kinderporno heeft als onafhankelijke expertorganisatie een rapportage over de inhoud en de omvang van de zwarte lijst van websites met afbeeldingen van seksueel misbruik opgesteld. Daaruit blijkt dat de omvang van het aantal commerciële websites met afbeeldingen van seksueel misbruik met kinderen in 2010 drastisch is afgenomen ten opzichte van de start van de initiatieven. Op dit moment zijn er nagenoeg geen kinderpornowebsites over om te blokkeren. Hierover is zeer onlangs een brief gestuurd aan de minister van Veiligheid en Justitie. Deze brief is op het departement binnengekomen in de laatste dagen van november.

De uitkomst van het platform internetveiligheid is dus dat er op dit moment geen kinderpornowebsites zijn om te blokkeren. Ik begrijp dat ook wereldwijd het aantal professionele websites met kinderpornografisch materiaal die voor blokkering in aanmerking komen, sterk is afgenomen. Dit is een goed bericht, maar we moeten niet meteen victorie kraaien. Ik denk namelijk dat de afname tijdelijk is. Ook kun je je afvragen hoe het materiaal nu wordt aangeboden. Die vraag zal ook bij de Kamerleden opkomen. Het is goed om nader te overleggen met betrokken partijen om te bekijken hoe we nu verder gaan. De heer Van der Steur zei in zijn bijdrage dat het materiaal nu peer-to-peer en niet meer via websites wordt aangeboden. Dit vraagt om een andere aanpak. Het streven is om de Kamer hierover in de volgende voortgangsbrief nader te informeren. Eerder is toegezegd om de Kamer nog deze maand een voortgangsrapportage te sturen. Ik zou dit echter willen verschuiven naar begin februari 2011. Dat uitstel nodig is, heeft te maken met de vorming van een nieuw kabinet en met de oriëntatie die nu plaatsvindt op een aantal onderwerpen, bijvoorbeeld rondom de capaciteit. De doorstart van het Programma Verbeteren Aanpak Kinderpornografie is naar mijn mening hard nodig.

Mevrouw Helder heeft gesproken over het wetsvoorstel dat bedoeld is om taakstraffen bij gewelds- en zedenmisdrijven af te schaffen. Ook mevrouw Arib heeft hierover gesproken. In zijn algemeenheid zeg ik hierover dat we ook de repressieve kant niet moeten vergeten. De minister en ik hebben een nota van wijziging op het wetsvoorstel naar de Kamer gestuurd. Wij hebben namelijk geen behoefte aan combinatiestraffen voor de plegers van dit soort feiten, of hun overtreding nu een zeer lichte vorm van het bekijken van kinderporno betreft – wat al onwenselijk is en ontmoedigd moet worden – dan wel of het zware feiten betreft. Bij combinatiestraffen wordt een taakstraf gecombineerd met een voorwaardelijke straf. Het kabinet is van oordeel dat het beter is dat bij sommige first offenders niet 140 uur taakstraf wordt gevorderd door het OM en gevonnist door de rechter, maar dat langdurige voorwaardelijke gevangenisstraffen met bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Vandaar ook de noodzaak om het betreffende wetsvoorstel (32 319, nr. 2) snel in te voeren. In het geval van vermogende verdachten is het goed om hen ook via boetes harder aan te pakken. Het kabinet denkt dat die aanpak repressief zijn vruchten kan afwerpen. Dit is de reden voor de aanscherping van het wetsvoorstel dat het afschaffen van taakstraffen bij gewelds- en zedenmisdrijven beoogt.

De heer Dibi (GroenLinks): Komt de staatssecretaris nog terug op het internetfilter of is dit onderwerp al afgerond?

Staatssecretaris Teeven: Bij de beantwoording van de individuele vragen kom ik hierop terug.

Omdat mevrouw Berndsen eerder weg moet, zal ik haar vragen eerst behandelen. Zij heeft mij gevraagd om iets te zeggen over de hulptrajecten voor misbruikte kinderen. Mevrouw Berndsen zei dat een misbruikt kind een grotere kans heeft om dader te worden. Dit onderwerp gaat de minister van VWS in het bijzonder aan. Ik zal hierover met haar spreken en zal de Kamer daarover in een volgende voortgangsrapportage nader informeren. Ik kan over dit belangrijke onderwerp op dit moment nog niet veel meer zeggen. Dit is ook een van onze redenen om de volgende voortgangsrapportage iets uit te stellen.

Ik kom met een reactie op een opmerking van mevrouw Berndsen. Mijn reactie zal veel interrupties uitlokken. Alle woordvoerders hebben vragen gesteld over de capaciteit om kinderporno op te sporen en te bestrijden. We hebben in een eerder stadium de bovenregionale rechercheteams toegevoegd. Dit heeft ertoe geleid dat in de afgelopen periode 71,5 fte hebben gewerkt aan de bestrijding van kinderporno. Dit getal heeft betrekking op de capaciteit van zedenrechercheurs die bezig zijn met de opsporing en bestrijding van kinderporno, maar ook op de capaciteit van de bovenregionale rechercheteams, die 37 fte ter beschikking hebben gesteld.

Hoe zou je de aanpak van kinderporno kunnen verbeteren? Mevrouw Gerkens, voormalig lid van de SP-fractie, en ondergetekende zijn op een congres geweest in Nunspeet, anderhalve week geleden. Toen is dit ook aan de orde geweest. Ik heb toen gesproken met de politie. Er werd een getal genoemd dat mij niet vreemd voorkomt. Wil je een enorme klap maken, dan zou je moeten denken aan een uitbreiding met misschien wel 75 fte. Dit betekent dus een verdubbeling van het aantal mensen dat zich ermee bezighoudt. Ik moet wel zeggen dat de zedenrechercheurs die in Nederland bij de afzonderlijke regiokorpsen actief zijn, natuurlijk niet allemaal bezig zijn met de aanpak van kinderporno. Zij zijn ook bezig met de reguliere zaken op het terrein van de jeugd- en zedenpolitie. Dat is ook zinvol werk, zoals mevrouw Arib zei.

Ik heb opgemerkt dat ik dit probleem goed zie en dat het onder mijn aandacht is gebracht. Deze opmerking mag niet zo vertaald worden dat ik vandaag de toezegging doe dat er 75 fte aan rechercheurs bijkomt. De heer Dibi zag ik al verwachtingsvol kijken. Laat ik helder zijn: ik deel de urgentie die de voltallige Kamer bij dit onderwerp heeft geuit. Het is noodzakelijk om te komen tot uitbreiding van capaciteit. Wij denken ook dat dit onderwerp een landelijke aanpak verdient. Dit betekent niet dat al die rechercheurs op dezelfde plek in het land moeten zitten, maar wel dat er een landelijke aansturing moet zijn. Het vorige kabinet heeft hierop natuurlijk al stappen gezet door de installatie van de landelijke officier. Maar in de praktijk heeft de landelijke officier nog niet altijd een totaalbeeld. In de regio’s komen heel veel zaken op. Ten aanzien van de landelijke projectleider zijn veel verbeteringen gemaakt, maar er zijn zeker nog slagen te maken. Daarvoor is extra capaciteit nodig. Anders blijven we een beetje achteruitlopen, zeker aangezien je mag verwachten dat de instroom van zaken vanuit het buitenland eerder toe- dan af zal nemen.

Mevrouw Berndsen (D66): Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat een doorstart van het programma nodig is. Komt hij hier nog op terug? Ik heb hierover een vraag gesteld omdat ik had gehoord dat het programma wellicht beëindigd zou worden. Ik hoor de staatssecretaris nu echter zeggen dat een doorstart nodig is. Gaat de staatssecretaris ook bevorderen dat het programma wordt voortgezet?

Staatssecretaris Teeven: Het antwoord is: ja. Wij willen dat dit doorgaat. Ik zeg zelfs meer. Ik zie er de urgentie van dat er meer mensen bij moeten. Een aantal Kamerleden zal mij nu vragen hoeveel mensen dit betreft en wanneer zij komen. In het kader van de vorming van een nationale politie zijn wij aan het bekijken hoe we mensen kunnen groeperen en hoe we zaken soms landelijk kunnen organiseren. Dit onderwerp is niet iets wat kan wachten totdat de nationale politie is gevormd. Dit betekent dat je andere dingen soms moet laten liggen, zeker als je de repressieve aanpak, door opsporing en vervolging, wilt intensiveren. Ik spreek uit dat het kabinet nadrukkelijk bereid is om te investeren op capaciteit. Wij vinden dit heel erg belangrijk. Zoals het bij de Kamer onder de aandacht is gebracht, is het ook bij ons onder de aandacht gebracht, door de politie en het Openbaar Ministerie. Tegelijkertijd betekent dit dat iets anders wellicht wat minder moet worden gedaan. De minister en ik willen ons hierop echt even oriënteren. Wij zijn hiermee bezig. Ik hoop dat de Kamer ons deze tijd gunt.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Ik wil met de staatssecretaris tot een concrete afspraak komen. In het regeerakkoord staat een afspraak over de animal cops. Hiervoor hebben we een vergelijkbare afspraak gemaakt. Dat voornemen is nog niet concreet uitgewerkt. De minister heeft mij en daarmee de Kamer toegezegd dat hij bij gelegenheid van de suppletoire wet die in januari naar de Kamer gestuurd zal worden – daarin gaat het om de capaciteit en om de financiën voor de plannen voor 2011 – een uitwerking zal geven van de invulling van de animal cops. Hij zal ook aangeven waar hun inzet en hun opleiding eventueel ten koste gaan van andere taken. Ik waardeer de wijze waarop de staatssecretaris de Kamer bejegent en waarop hij haar gevoel van urgentie onderstreept. Kan hij bij gelegenheid van de suppletoire wet ook tot een nadere invulling komen van de extra benodigde inzet voor de aanpak van kinderporno, gezien het aantal zaken dat op dit moment op de plank ligt?

Staatssecretaris Teeven: Ik kan de heer Rouvoet zeggen dat ik van de politie heb gehoord dat de vermeerdering van het aantal basisplaatsen ook in een groeimodel tot stand kan komen, tot en met 2013. Het kan dus ook in fasen, van drie keer 25 extra plaatsen. Ik kan de concrete vraag van de heer Rouvoet beantwoorden door hem toe te zeggen dat ik deze vraag met de minister ga bespreken. Op korte termijn komen wij daarop terug bij de Kamer. Vanuit het oogpunt van de slachtoffer heeft dit de hoogste prioriteit. Daar hoeft de heer Rouvoet mij niet van te overtuigen.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Waardering en dank daarvoor. Als in januari de suppletoire wet met toelichting op dit soort punten komt, zoals is toegezegd door de minister, dan zou dit concreet kunnen worden vertaald in een operationalisering in een door de staatssecretaris toezegde voortgangsrapportage begin februari. Dan kunnen wij er vroeg in het voorjaar over spreken. Dat zou ons in staat stellen om een adequaat oordeel te geven over de vraag of het met een groeimodel mogelijk is. Ik wil deze ruimte aan de staatssecretaris geven. Ik wil de informatie eind januari bij gelegenheid van de suppletoire wet krijgen en wil zo mogelijk een vertaling daarvan krijgen in de voortgangsrapportage in februari. Hierin kan het aantal mensen worden vermeld. Ik zou dit zeer toejuichen.

Staatssecretaris Teeven: Ik heb het verzoek van de heer Rouvoet begrepen, maar ik ga mij op dit moment niet vastleggen op termijnen, omdat ik mij wil verstaan met de minister en omdat er ook een aantal andere onderwerpen speelt. Ik wil wel zeggen dat als je praat over extra capaciteit en over urgentie in de Kamer, je ook moet kijken naar preventie. Wij kijken nadrukkelijk ook naar andere preventiemodellen. Ik hoop dat ook daarvoor straks steun komt uit de Kamer, als het er echt op aankomt. Je moet ook bekijken of we mensen die zich hiermee bezighouden langduriger uit de samenleving kunnen verwijderen. Misschien worden zij er niet beter van, maar misschien zijn ze wel wat langer uit de samenleving. In die zin moet het wetsvoorstel ter afschaffing van taakstraffen voor gewelds- en zedenmisdrijven gezien worden. Als wij met zijn allen vinden dat er urgent meer capaciteit voor opsporing en vervolging moet komen, dan moet er aan het einde van de justitiële keten wel een reactie volgen. Ik spreek ook met politiemensen in het veld. Het opleggen van 140 uur taakstraf na een langdurig politieonderzoek is niet het idee dat sommige Kamerleden hebben, en ik in ieder geval niet, bij een passende straf.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb waardering voor het antwoord van de staatssecretaris. Over de wet komen we nog te spreken, maar nu gaat het even over de capaciteit. Ik wil concretiseren wat de staatssecretaris zojuist heeft gezegd. Hij zei dat we nu eigenlijk terug bij af zijn. Er liggen 991 zaken en de politie meldt de staatssecretaris dat, willen we op termijn al die zaken kunnen behandelen en willen we een grote klap kunnen maken, we dan misschien wel een verdubbeling nodig hebben van fte. Volgens mij is de toezegging van de staatssecretaris dat er een groeimodel gaat ontstaan op termijn en dat hij zelf met de minister gaat bespreken waar de capaciteit vandaan komt. In ieder geval doet de staatssecretaris de toezegging dat hij ervoor gaat zorgen dat de capaciteit op orde komt. Dat is voor mij belangrijk, omdat ik dan niet nog een motie hoef in te dienen. De staatssecretaris luistert al heel erg naar de Kamer.

Staatssecretaris Teeven: De capaciteit op orde brengen is iets anders dan ik heb gezegd. De heer Dibi vraagt mij eigenlijk om een garantie. Die geef ik niet. Ik heb nadrukkelijk gezegd dat de regering de problemen ziet, ook de problemen in het veld van politie en Openbaar Ministerie. Wij zien ook dat de toestroom zal toenemen en dat de plankzaken ook zullen toenemen als je blijft doorwerken met de huidige capaciteit. Wij denken wel dat je door innovatie enige verbetering kunt brengen. Wat de heer Van der Steur daarover zei, is juist. Ik geef de Kamer vandaag geen garantie dat de capaciteit op orde komt, zeker niet aan de vooravond van de vorming van de nationale politie. Bovendien ligt op dit moment de vraag op tafel wat in Nederland landelijk gaat gebeuren en wat regionaal.

De heer Dibi (GroenLinks): Die garantie hoef ik ook niet. De staatssecretaris hoeft niet toe te zeggen dat er 71 fte of 75 fte bijkomen, zodat er op termijn, in 2013, sprake is van een verdubbeling. Ik wil wel graag horen dat we iets doen aan de capaciteit. Ik vraag de staatssecretaris daarom om toe te zeggen aan de Kamer dat aan de capaciteit en aan de werkvoorraad die nu blijft liggen, iets gaat veranderen in positieve zin.

Staatssecretaris Teeven: Die toezegging heb ik volgens mij al gedaan. Soms ben ik misschien iets te duidelijk, maar volgens mij ben ik niet onduidelijk geweest. Ik heb gezegd dat dit de inzet van de regering is. Het mes zal wat ons betreft aan twee kanten snijden. Het gaat daarom om preventieve maatregelen bij first offenders en om repressie bij de hardnekkige lieden die zich hiermee bezighouden.

De heer Van der Staaij (SGP): Het is goed nieuws dat de staatssecretaris duidelijk zegt dat er een extra impuls komt om de capaciteitsproblemen aan te pakken. Ik neem aan dat we in de voortgangsrapportage zowel informatie krijgen over de plannen met betrekking tot de politie, als informatie over de plannen met het Openbaar Ministerie. We moeten natuurlijk zien te voorkomen dat het knelpunt zich verplaatst van de politie naar het Openbaar Ministerie.

Staatssecretaris Teeven: Het is terecht dat de heer Van der Staaij dit vraagt, maar ik heb begrepen dat er op dit moment geen knelpunten zijn bij het Openbaar Ministerie om zaken weg te werken. Dat is het probleem niet. Daar is voldoende capaciteit. Het knelpunt zit bij de politie.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik ben het hier helemaal mee eens. Als je het knelpunt nu gaat aanpakken, moeten we ook bekijken of het knelpunt zich niet zal verplaatsen naar het Openbaar Ministerie en of daar capaciteit is om de groei op te vangen.

Staatssecretaris Teeven: Daar gaan we zeker naar kijken. Zelfs al krijgen wij veel meer instroom van zaken, dan is het geen probleem om die zaken weg te werken. Je kunt er natuurlijk ook voor kiezen – dat past bij het totale beleid van het kabinet – om te bekijken wat we niet gaan doen of waar we wat minder strafrechtelijk op gaan inzetten in het totale veld. Op die manier maak je OM-capaciteit weer beschikbaar. Soms moet je keuzes maken. Als je iets heel belangrijk vindt, doe je iets anders misschien eens wat minder. De ene keer zal de heer Van der Staaij dit leuk vinden, de andere keer niet. We zouden ons kunnen afvragen hoe wij in de toekomst met kansspelen omgaan en hoe we die strafrechtelijk gaan bekijken. Dat is iets anders en daarover zullen kabinet en Kamer nog praten. Je zou ten aanzien van deze zaken bijvoorbeeld wat minder strafrechtelijke inzet kunnen plegen. De heer Van der Staaij heeft hier ook ideeën over. Ik laat dit op mij afkomen.

De heer Van der Staaij heeft gesuggereerd dat ook rechters moeten kennisnemen van kinderporno, om van de ernst ervan doordrongen te raken. De vorige minister heeft dit besproken met de rechterlijke macht. Het OM zorgt ervoor dat in de dossiers belangrijk schokkend materiaal wordt opgenomen. Het risico van verdere verspreiding is geen reden om het niet in het dossier te stoppen. Verder heeft de politie voorlichting gegeven aan rechter-commissarissen en rechters. Als je dit materiaal ziet – ik spreek uit ervaring – en als je de vervolging van daders van dit soort misdaden hebt gedaan, dan ben je wel geneigd om hogere straffen te eisen. Laat ik dat zeggen vanuit het perspectief van het Openbaar Ministerie. Soms was ik na het zien van het materiaal wel eens geneigd om met een iets zwaardere eis te komen.

De heer Van der Staaij heeft verder gevraagd of de toezending tweemaal per jaar van de voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer kan worden voortgezet. Ik kan bij dezen toezeggen dat de toezending van de voortgangsrapportage wordt gecontinueerd, met een frequentie van tweemaal per jaar. De eerstvolgende voortgangsrapportage sturen wij in februari 2011.

De heer Van der Staaij heeft gevraagd of na verhoging van de strafmaat een tendens naar hogere straffen waarneembaar is. Hier zijn we op dit moment naar aan het kijken, maar het is nog kort geleden dat we dit hebben gedaan. Zo staat het ook in de voortgangsrapportage: er is sprake van een algemene tendens om zwaarder te straffen in dit soort zaken. Tegelijk constateer ik dat er een tendens is om voor sommige lichte zaken – mevrouw Helder sprak daar ook over – nog steeds taakstraffen op te leggen. Het gaat dus wel twee kanten op.

Ik ga verder met de beantwoording van de vragen van mevrouw Van Toorenburg. Zij heeft gevraagd of het terugdringen van de werkvoorraad met de inzet van de tijdelijke maatregelen lukt. Ik heb daar iets over gezegd. In het tweede kwartaal van dit jaar zijn er 300 zaken minder dan een jaar geleden. De werkelijkheid is minder aardig, doordat er op dit moment 991 zaken op de plank liggen. Dat is met name te wijten aan de grote toevoer.

Mevrouw Van Toorenburg heeft gevraagd om de focus te verleggen van downloaders naar kindermisbruikers en de producenten van kinderporno. Ze heeft gevraagd of de inzet die hiervoor nodig is, beschikbaar is. De meeste aandacht bij het verbeteren van de aanpak van kinderporno gaat nu primair uit naar het terugdringen van de werkvoorraad en de uitvoering van maatregelen die beter, slimmer en sneller werken mogelijk maken. Ik onderschrijf nog steeds met alle andere partners in het veld de wens en de noodzaak om de focus in de opsporing verder te verleggen van downloaders naar misbruikers en producenten. Op dit moment is de politie echter substantieel meer capaciteit kwijt aan het verwerken van het werkaanbod van grotendeels downloadzaken. Om de focusverlegging van de grond te krijgen is onder andere de doorstart van het Programma Verbeteren Aanpak Kinderpornografie van de politie hard nodig. Er moet meer gebeuren en dit moet sneller gebeuren. We hebben gesproken over het verbeterprogramma. Dit wordt nog drie jaar gecontinueerd. Dit verbeterprogramma kent al een uitbreiding van capaciteit van twee fte naar zes fte. De heer Rouvoet heeft hierover ook gesproken. Dit is echter iets anders dan waar wij zojuist over spraken: de noodzakelijke bijna-verdubbeling van 71 fte naar 140 fte à 150 fte. De definitieve besluitvorming over de voortzetting van het verbeterprogramma vindt later deze maand plaats in de Board Opsporing van de Raad van Hoofdcommissarissen. De intentie is om er de komende jaren mee door te gaan.

Mevrouw Van Toorenburg heeft net als andere woordvoerders vragen gesteld over de nazorg aan de mensen die het moeilijke opsporingswerk doen. Het kwam erop neer dat deze mensen goede zorg en begeleiding moeten krijgen. Dit is bij de bestrijding van kinderporno al jaren aan de orde. Wij zullen dit bespreken met de politie. Wij gaan dit intensiveren, dus ik kan mij voorstellen dat het probleem hardnekkiger wordt. Wij zullen over concrete zaken in dit verband rapporteren in de volgende voortgangsrapportage. We bespreken dit dus met politie en Openbaar Ministerie.

Een volgende vraag van mevrouw Van Toorenburg – ook de heer Van der Steur en mevrouw Arib hebben hierover opmerkingen gemaakt – was wat de European Financial Coalition (EFC) is en of Nederland hiervoor bankgegevens ter beschikking stelt. De EFC is een publiek-privaat samenwerkingsverband op EU-niveau met als doel het aanpakken van commerciële kinderpornowebsites. De EFC heeft zich in de eerste fase, van maart 2009 tot september 2010, vooral gericht op het verzamelen van de good practices. Ik had het daar al over in nationaal verband. Daadwerkelijke opsporingsonderzoeken zijn nog niet gestart. Nederland heeft nog geen bankgegevens ter beschikking gesteld aan het EFC. Momenteel wordt bezien hoe Nederland mee kan doen aan een meer operationele EFC. Daaraan hebben we echt behoefte. Ook hierover volgt nadere informatie in het eerstvolgende voortgangsbericht. Mevrouw Helder heeft hierover ook een opmerking gemaakt.

Mevrouw Van Toorenburg en de heer Rouvoet hebben vragen gesteld over de pilot voor het uploaden en downloaden. Het Programma Verbeteren Aanpak Kinderpornografie heeft het onderdeel «upload» nu goed uitgezocht. Samen met externe deskundigen is een veilige methodiek ontwikkeld. Ik verwacht dat de pilot heel snel van start gaat, in combinatie met LeaseWeb, waarbij de plaatjes met de ip-adressen gecombineerd worden. Hierbij speelt wel een praktisch probleem. Als in geselecteerde plaatjes die je digitaal probeert te verbinden een kleine wijziging wordt aangebracht, matcht het ogenblikkelijk niet meer. Dat is wel een hindernis. Er wordt nu naar gekeken of dit op een of andere manier technisch kan worden opgelost.

Mevrouw Toorenburg, mevrouw Berndsen en mevrouw Arib hebben gesproken over een adjunct-directeur van een school. Dit onderwerp wordt op dit moment strafrechtelijk onderzocht. Dit is voor mij een reden dat ik echt niet kan ingaan op deze zaak. Ik zie dat de heer Dibi hierom moet glimlachen, maar dit is wel het antwoord van de regering op dit moment. Ik denk dat het logisch is dat ik dit antwoord geef, ook gelet op wat ik hierover tijdens de begrotingsbehandeling heb opgemerkt. Ik beloof wel dat ik de zaak zal laten nagaan. Ik zal hierover een mening vormen. De minister of ik zal deze mening delen op het moment dat het mogelijk is.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Dat snap ik. Wij zullen de laatsten zijn om te zeggen dat we ons in lopende strafzaken moeten mengen. Stel echter dat een directeur van een basisschool morgen ernstig wordt verdacht van het in bezit hebben van kinderporno. Zegt de staatssecretaris ons vandaag toe dat de school in zo’n geval daarover wordt geïnformeerd?

Staatssecretaris Teeven: Ook dit is onderdeel van het beraad dat ik nog zal hebben met de minister. Dit gaat ook de minister nadrukkelijk aan. Het voorstel van mevrouw Van Toorenburg klinkt heel sympathiek, maar er zitten wel wat haken en ogen aan in de sfeer van verdenking. Een verdenking is wat mij betreft nog iets anders dan ernstige bezwaren. Ik zou mij kunnen voorstellen dat als op enig moment bij het Openbaar Ministerie bekend is dat er ernstige bezwaren bestaan tegen een bepaalde verdachte met betrekking tot de verdenking rond een bepaald feit, je dit in overweging zou kunnen nemen. Ik ga dit bespreken en neem het mee terug. De Kamer hoort hier nog van.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik klier nog even door. Deze staatssecretaris is ook verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de executieketen, namelijk het gevangeniswezen. Laat het duidelijk zijn dat als een personeelslid in een gevangenis wordt verdacht van ontucht of anderszins van een zedendelict, hij als standaardmaatregel op een plaats wordt gepositioneerd waar hij geen schade kan berokkenen. Dat is beleid, omdat we willen voorkomen dat juist mensen die in een kwetsbare situatie zitten, slachtoffer worden. Wij willen de staatssecretaris vragen om dit beleid ook toe te passen op andere plaatsen waar kwetsbaren zitten. Op dezelfde daadkrachtige manier als in het gevangeniswezen zou moeten worden opgetreden in het onderwijs en dergelijke kwetsbare omgevingen.

Staatssecretaris Teeven: In het gevangeniswezen heeft de overheid nog een verantwoordelijkheid. Daar is zij werkgever. In de tbs-sector heeft de staatssecretaris bijvoorbeeld ook een aanwijzingsbevoegdheid. In het onderwijs is de situatie wezenlijk anders. Daar moet de weging tussen verdenking en ernstige bezwaren nadrukkelijker plaatsvinden. Het idee van mevrouw Van Toorenburg klinkt sympathiek. Wij staan er ook niet afwijzend tegenover, maar ik wil het eerst wel onderzoeken.

Mevrouw Arib (PvdA): Volgens mij geldt in het onderwijs wel een meldplicht voor seksueel misbruik. De staatssecretaris zegt dat hij hierop in een brief terugkomt. Ik zou willen zien dat daarin ook aan het onderwijs aandacht wordt besteed. Het voorbeeld is nog onder de rechter, waardoor de staatssecretaris er nog weinig over kan zeggen. Misschien is dit later wel mogelijk. Ook VWS is bezig met een wetsvoorstel voor een verplichte meldcode voor kindermishandeling en kindermisbruik. Ik zou graag een integrale benadering willen, zodat wij niet per commissie iets nieuws bedenken.

De voorzitter: Voor alle duidelijkheid meld ik dat ik heb begrepen dat al is toegezegd dat dit in een volgende voortgangsrapportage zal worden gemeld.

Staatssecretaris Teeven: Ik ga geen brief toezeggen, maar zal dit wel meenemen. Het is namelijk de bedoeling van dit kabinet om de Kamer zo weinig mogelijk te vermoeien met brieven waarin wij nauwelijks iets melden. Wij zullen het daarom melden in een voortgangsrapportage. Ik heb toegezegd dat deze er snel komt. Hij had er eigenlijk al moeten zijn.

Ik ga verder met de vragen van de heer Rouvoet. Zijn vraag over de stand van zaken van de aanpak van kindersekstoerisme is ook gesteld door mevrouw Gesthuizen en mevrouw Arib.

Op 13 januari 2010 zijn de campagne tegen kindersekstoerisme en de nationale internethotline gelanceerd. De vorige minister noemde dan altijd het adres van de website; dat doe ik niet. Op 13 januari 2010 heeft de toenmalige minister van Justitie met de voorzitter van de ANVR een intentieverklaring ondertekend, waarin beiden de intentie uitspreken om waar mogelijk samen te werken in de bestrijding van kindersekstoerisme. Uiteraard gaat dit kabinet voort op de ingezette lijn. Sinds 13 januari 2010 zijn op de nationale internethotline 27 meldingen binnengekomen, waarvan inmiddels vijftien zijn doorgezet naar de KLPD. Ook dat is weer instroom. Bij Meld Misdaad Anoniem zijn vanaf deze datum elf meldingen binnengekomen. Daarnaast zijn er dit jaar bij het team Jeugd en Zeden van de Koninklijke Marechaussee op Schiphol – daar komt men ook in aanraking met dit onderwerp – veertien meldingen binnengekomen. De Koninklijke Marechaussee op Schiphol heeft in 2010 al drie aanhoudingen gericht, primair vanwege het bezit, de invoer, de doorvoer en de uitvoer van kinderporno. In één geval heeft dit inmiddels tot een veroordeling geleid. Het kabinet gaat dus nadrukkelijk voort op de lijn die het vorige kabinet heeft ingezet.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Zijn dit de cijfers tot nu? Of gaat het om de cijfers tot en met het tweede kwartaal?

Staatssecretaris Teeven: Dit zijn de cijfers tot en met 1 oktober, tot en met het derde kwartaal.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik heb gezegd dat het misschien goed zou zijn om een meldplicht in te stellen. Als er meldingen worden gedaan, ga ik ervan uit dat hierop niet vrijblijvend wordt gereageerd.

Op dit moment is bekend dat in landen als Marokko, Thailand en de Filipijnen de problematiek van kindersekstoerisme groot is. We zien ook een verschuiving naar andere landen. Hoe wordt daarmee omgegaan? Deze landen zijn nog niet in beeld als landen waar sekstoerisme plaatsvindt. Ik ben bang dat de daders heel slim zijn en landen gaan uitzoeken waar minder bewustwording is.

Staatssecretaris Teeven: De Koninklijke Marechaussee monitort landen, zeker in het kader van dit onderwerp. Zowel bij inkomende reisbewegingen als bij uitgaande reisbewegingen wordt bekeken wanneer mensen spullen in hun koffer hebben die betrekking hebben op dit onderwerp. Verder wordt er een analyse gedaan bij in- en uitgaande reisbewegingen, om te bekijken welke landen nog meer in aanmerking komen dan Sri Lanka, Cambodja en Thailand, de landen die al jaren worden genoemd.

De heer Rouvoet heeft gevraagd of ik nog iets kan zeggen over de cijfers van het Openbaar Ministerie met betrekking tot kinderporno. Bij het Openbaar Ministerie stromen ieder jaar gemiddeld rond de 400 zaken in vanwege overtreding van Artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht. In 2009 zijn er om precies te zijn 440 zaken ingestroomd bij het OM. Het OM heeft in 2009 in totaal 354 verdachten gedagvaard. Begin 2011 zijn cijfers over 2010 beschikbaar.

Mevrouw Van Toorenburg heeft gevraagd of meer kan worden verteld over het innovatief onderzoek dat het expertisecentrum van het OM verricht. In de voortgangsbrief van 16 juli is als voorbeeld hiervan de aanpak van de bekende Sliedrechter zaak genoemd. Innovatief onderzoek richt zich verder op de zaken met virtuele kinderporno. Er is nog weinig jurisprudentie op het gebied van virtuele kinderporno. Vanuit het expertisecentrum wordt bezien welke zaken als try-out voor de rechter kunnen worden gebracht. Dit is de stand van zaken.

Gevraagd is naar toegang tot kinderporno in de tbs-kliniek. In een landelijk ochtendblad werd een incident gemeld dat in het verleden heeft gespeeld. Daar zijn ook maatregelen tegen genomen. Ik kan toezeggen dat ik op 9 december over het tbs-beleid sowieso een gesprek heb met de directeuren van alle tbs-klinieken. Dit is een van de onderwerpen die ik zelf op de agenda zal plaatsen. Ik wil nadrukkelijk aan de orde stellen dat dit onwenselijk is en dat dit ook de behandeling van mensen in een tbs-kliniek kan beïnvloeden. Dit punt wordt begin december opgenomen met tbs-klinieken.

Gevraagd is of de samenwerking van het Meldpunt Kinderporno met een aantal zenders, onder andere Nickelodeon, met betrekking tot de onlinemeldknop van de grond komt. In de voortgangsbrief van 16 juli is daarover reeds gemeld dat Nickelodeon positief staat tegenover het plaatsen van de onlinemeldknop bij misbruik op de website. Het Meldpunt Kinderporno voert hierover verdere gesprekken, ook met andere relevante partners. Indien gewenst kan over de voortgang hiervan worden gerapporteerd in de volgende voortgangsbrief. Ik zie dat de heer Rouvoet ja knikt.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Dat is misschien een iets te optimistische inschatting, maar die gun ik hem wel.

In de vorige voortgangsrapportage stond dat Nickelodeon en andere zenders wel wilden meewerken, maar dat nog een aantal technologische stappen moest worden gezet voordat de meldknop klaar is voor gebruik. Daar ging mijn vraag naar de stand van zaken over. Zijn we al zover? Dan kunnen we ermee van de kant.

Staatssecretaris Teeven: Over de technologische aanpassingen voert het Meldpunt Kinderporno op dit moment gesprekken, ook met andere relevante partners dan Nickelodeon. Ik zal hierover nader berichten in de brief van februari. Ik dacht dat u hiermee instemde door ja te knikken. Ik constateer dat u nu knikt. Dank u.

De voorzitter: Omdat de heer Dibi bijna weg moet, wil ik hem de gelegenheid geven om een vraag te stellen.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden, zeker die over de capaciteit gaan. Ik heb nog een vraag over het internetfilter. De staatssecretaris sprak over een brief van betrokkenen. Die brief ken ik niet. Ligt die al bij de Kamer of kan die naar de Kamer gezonden worden? Bij dat filter geldt ook dat er altijd sprake is van «overblocking». Ook sites waarop geen sprake is van kinderporno worden dan geblokkeerd. Ik vind de onterechte beschuldiging van kinderporno ook ernstig en zou niet willen dat zaken zonder tussenkomst van de rechter gecensureerd kunnen worden. Hoe kijkt de minister hiertegen aan bij de totstandkoming van het internetfilter? Komt dit filter nog of klopt het dat dit eigenlijk zo lek is als een mandje?

Staatssecretaris Teeven: We zijn nog niet klaar met de ontwikkeling van het internetfilter. Inderdaad zijn er technische problemen mee. We zullen de brief die ik een aantal dagen geleden ontvangen heb aan de Kamer toezenden. Dan kan de Kamer zelf kennis nemen van de inhoud van de brief met betrekking tot de praktische problemen die zijn ontstaan rondom de blokkering van websites. Ik deel de zorgen van de heer Dibi over het onderwerp privacy en het internet. Deze zorgen heb ik ook tijdens de begrotingsbehandeling al uitgesproken. Als je ten onterechte wordt beschuldigd van kinderporno, is dat bijzonder zorgwekkend. Op dit moment zoekt de regering naar het goede evenwicht, zeker als het gaat om de filters. Een filter kan een goed werkend middel zijn. Daarom leg ik het niet op voorhand opzij. Ik heb van de Kamer vandaag ook niet begrepen dat ik dat moet doen.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik dank voor het antwoord. Ik kijk uit naar de brief en ben gerustgesteld. Laat duidelijk zijn dat als het effectief en doelmatig is, het een extra middel is in de strijd tegen kinderporno. Dan steunen wij het allemaal van harte.

Staatssecretaris Teeven: Over de voortgang van de forensische ondersteuning is ook een aantal vragen gesteld. De heer Rouvoet bedoelt waarschijnlijk de digitaal specialisten. Deze maken deel uit van de bestaande extra inzet, de twee tot zes fte van de BRT’s. Dit wordt niet apart geëvalueerd. We verwachten hierin medio volgend jaar meer inzicht te hebben. Ik denk dat het zelfs wel iets eerder mogelijk is. Ik wil de toezegging doen dat we ernaar streven om hier eerder duidelijkheid over te geven.

Mevrouw Gesthuizen heeft een opmerking gemaakt over Bits of Freedom. Er zou te weinig moeite worden gedaan om websites weg te halen. Dit is een lastig punt. Zowel de politie als het particuliere meldpunt nemen contact op over websites waar wij kennis over krijgen via onderzoek of via meldingen. Weghalen van websites in landen die niet willen meewerken kunnen we niet. Laten we daar eerlijk over zijn. De meeste websites die in Nederland weggehaald konden worden, zijn steeds weggehaald. Dat kan ik wel bevestigen.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Mijn verhaal was misschien niet helemaal duidelijk. Ik wil wat meer weten over de keuzes, praktisch en principieel, die deze staatssecretaris zal en misschien wel moet maken. We zijn terughoudend met blokkeren, mede om de reden die de heer Dibi heeft aangegeven. We vinden ook dat we moeten kijken naar wat er achter de te blokkeren websites zit. We willen mensen in de kraag vatten en denken niet dat het probleem voorbij is zodra de website weg is en we het niet meer kunnen zien. Ik heb begrepen dat er, mede door het werk van de Internet Watch Foundation, nog maar weinig te blokkeren is. Tevens wordt gesproken over nieuwe methodes. Ik heb daarbij ook gevraagd naar «deep packet inspection». Hoe denkt de staatssecretaris daarover? Als wij niet meteen kiezen voor blokkeren, maar op een andere manier te werk gaan, namelijk door het internetverkeer echt te bekijken, dan kun je heel gericht te werk gaan. Maar ook daaraan kleven privacynadelen, waarover de kritiek van allerlei organisaties gaat. Ik kijk hier vrij genuanceerd naar. Als je kinderporno wilt aanpakken, moet je de bestrijding daarvan bovenaan je lijstje hebben staan. Ik hoor graag hoe de staatssecretaris hierover denkt.

Staatssecretaris Teeven: Dit onderwerp speelt natuurlijk ook op tal van andere terreinen, zoals bij het auteursrecht en bij kansspelen. Ik denk dat over de aanpak van kinderporno de meeste consensus bestaat. Als mevrouw Gesthuizen dat verstaat onder genuanceerd, ben ik het ermee eens. Kamerbreed bestaat hierover overeenstemming met de regering. Dit laat onverlet dat er nog veel technische uitwerkingsproblemen zijn, zeker ook met de «deep packet inspection». Ik zeg toe dat ik op dit onderwerp in de volgende voortgangsrapportage zal ingaan. Dit onderwerp speelt ook op andere terreinen, zoals bij het auteursrecht en bij kansspelen. We moeten soms zeggen dat een bepaald optreden bij bijvoorbeeld kinderporno en auteursrecht wel proportioneel is, maar dat het bij kansspelen niet meer proportioneel is. Dit willen wij in het kabinet wel even wegen.

Mevrouw Gesthuizen (SP): En met de Kamer, hoop ik.

Staatssecretaris Teeven: Jazeker. Maar ik wil graag eerst met de minister spreken en met de andere leden van het kabinet. Daarna komen wij uiteraard naar de Kamer.

Mevrouw Gesthuizen heeft verder gesproken over standaardiseren en wees op de aanpak in Twente. Dit is in het laatste overleg met de Kamer naar aanleiding van een tv-uitzending al besproken. Toen is vastgesteld dat dit een belangrijk punt is. Dit is de belangrijkste reden dat er een programma binnen de politie is gestart, dat nog moet worden voortgezet. Standaardisatie is hier een heel belangrijk deel van. Dit heeft ook te maken met de best practices.

Mevrouw Gesthuizen heeft een vraag gesteld over het wetsvoorstel rond computercriminaliteit. Zij heeft gevraagd of ik bereid ben om het conceptwetsvoorstel zodanig aan te passen dat de rechter-commissaris toetst op de verwijdering van materiaal dat rechtmatig is. Ik geef op deze vraag een wat procedureel antwoord. Dit wetsvoorstel wordt nog bezien in de boezem van het kabinet. Wij zullen de Kamer hierover volgend jaar berichten.

Wat is de uitsplitsing van de zaken in binnenland en buitenland? Ik kan hiervan een schatting geven. In de rapportage zal ik dit meenemen. Hier wordt gezegd dat ongeveer 800 zaken uit het buitenland komen en 190 uit Nederland. Ik merk hierbij op dat sommige zaken in Nederland zijn opgestart, maar soms een buitenlandse component krijgen en dan retour komen.

Ik kom bij de vragen van de heer Van der Steur. Hij heeft gevraagd naar de resultaten van de proeftuin kinderporno «Zambezi» tot op heden. Wij hebben de realisatie van het plan van aanpak van de digitale wasstraat en de start van een experimentmethode in mei 2010 samen met het NFI opgepakt. We hebben het plan van aanpak voor het Kennis- en expertisecentrum voor intelligente data-analyse voor het schetsen van een profiel van een verdachte van kinderporno op semiautomatische wijze. Het gaat hierbij zowel om het type verdachte (producent of downloader) als om de activiteiten van de verdachte. Dit kan snel inzicht geven in het profiel van de dader. Het initiatief «Niets doen is geen optie» wordt nog gestart. Dit heeft te maken met de mogelijkheid van deelname een hulpverleningstraject.

We hebben verder te maken met de oplevering van het softwareprogramma dat automatisch grafisch materiaal op gegevensdragers kopieert. Dit programma is inmiddels in productie genomen in de politiekorpsen Rotterdam en Haaglanden en in het bovenregionaal rechercheteam Noord- en Oost-Nederland. Ook is een start gemaakt met de beschrijving van het juridisch kader in relatie tot kinderpornografie. Dit document wordt permanent gevoed met nieuwe ontwikkelingen in jurisprudentie. Dit document is digitaal benaderbaar. De jurisprudentiedatabank is begin 2010 beschikbaar gekomen via de kennissite van het Openbaar Ministerie.

Is de kijker naar kinderporno geneigd om ook zelf misbruik te plegen? De heer Van der Steur en anderen hebben hierover vragen gesteld. Nationaal is er nog onvoldoende onderzoek verricht naar het verband tussen downloaden en misbruiken. Bureau Beke heeft hiernaar vorig jaar in opdracht van de Politieacademie onderzoek verricht. Vervolgonderzoek is dringend noodzakelijk. Een voortzetting van het verbeterprogramma is onderzoek dan ook een onderdeel.

Een bijzonder onderwerp dat aan de orde kwam in de termijn van de Kamer is de wettelijke verschijningsplicht voor verdachten van kinderpornografie. Mevrouw Helder heeft er terecht op gewezen dat nu al de mogelijkheid bestaat om een bevel tot medebrenging te geven. De rechter zal daartoe overgaan op het moment dat het belang van het onderzoek ter zitting daar om vraagt. Bij kinderporno is hiervan al snel sprake, omdat een rechter een oordeel moet vellen over de persoon van de dader voordat hij tot een vonnis komt. Ook onderwerpen als ontoerekeningsvatbaarheid kunnen een rol spelen bij deze verdachte. Ik ben bereid om te bezien of het zinvol is om op een gestandaardiseerde wijze vorm te geven aan de verschijningsplicht. Ik wil dit wel eerst overleggen met de Raad voor de rechtspraak en het Openbaar Ministerie. Mijn voorkeur heeft het om dit op vrijwillige basis te regelen, zonder dat daarvoor wetgeving is.

Mevrouw Helder heeft ook nog gevraagd of verdachten van kinderporno niet langer in preventieve hechtenis moeten worden gehouden. Of dit gebeurt, is een zaak van de individuele rechter. Het kabinet vindt net als de Kamer dat dit een ernstige vorm van misdrijf is. Vaak komt voorlopige hechtenis wel aan bod, als zaken maar ernstig genoeg zijn.

Ik ga verder met de vragen van mevrouw Arib. Zij heeft gevraagd naar de uitkomst van mijn overleg met Defence for Children over de meldingen die zij binnenkrijgt van ouders over zaken die de politie niet heeft opgepakt. Het is kwalijk als meldingen niet worden opgepakt. Conform de toezegging hierover van de minister tijdens het vragenuurtje van 28 september heeft op 5 oktober, net voor het aantreden van het nieuwe kabinet, een gesprek plaatsgevonden op het ministerie tussen medewerkers van het departement en Defence for Children. Hieruit is naar voren gekomen dat de meldingen die Defence for Children binnenkrijgt, meldingen over kinderrechtschending in brede zin zijn. Het kunnen ook meldingen van vreemdelingrechtelijke aard zijn, die niet gaan over kinderporno of seksueel misbruik. Defence for Children kon tijdens het gesprek ook niet expliciet een politieregio benoemen die nalatigheid kon worden verweten met betrekking tot het opvolgen van meldingen. Geconcludeerd kan worden dat de weergave in de uitzending van Uitgesproken EO op 23 september 2010 niet juist was. In deze uitzending werd de suggestie gewekt dat ouders zich bij Defence for Children beklaagden over meldingen van kinderporno en seksueel misbruik waarmee de politie niks deed. Als dit niet gebeurt, is dit inderdaad kwalijk, maar de feiten waren anders dan ze werden gesuggereerd.

Mevrouw Arib vraagt verder om detaillering van de cijfers, bijvoorbeeld per regio en per soort zaak. Ik wil deze vraag verbinden aan een de vraag uit de Kamer om een landelijke aanpak. Gaat mevrouw Arib ermee akkoord dat ik landelijke cijfers produceer en geen cijfers die zijn uitgesplitst naar woonplaats? We hebben te maken met de situatie dat dit soort zaken vermoedelijk meer landelijk geregeld gaat worden. Ik denk dat mevrouw Arib ook meer behoefte heeft aan nauwkeurige landelijke cijfers dan aan cijfers die zijn uitgesplitst per regio.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik vraag dit omdat gebleken is dat Twente door actief te zijn veel meer zaken aan de orde heeft gesteld en veel meer slachtoffers heeft weten op te sporen. Het is belangrijk om te weten waarom het in Twente wel lukt en in Noord-Holland en Flevoland niet, om maar een voorbeeld te noemen

Staatssecretaris Teeven: Er zijn meer regio’s die goede resultaten behalen, zoals Rotterdam Rijnmond, Midden en West Brabant en Gelderland-Zuid. Ik kijk even naar de projectcoördinator op de publieke tribune. Ik zie dat hij voorzichtig ja knikt. Dit wil niet zeggen dat andere regio’s niets doen. Zij behalen op andere manieren resultaat. Wel hebben we vandaag geconcludeerd dat een landelijke aansturing en landelijke aanpak de voorkeur verdienen. Ik wil niet spreken van mosterd na de maaltijd, maar zou toch meer willen inzetten op landelijke cijfers. Dat lijkt mij op dit moment belangrijker.

Is er een verband tussen dierenmishandeling en kindermishandeling? Dit onderwerp wordt binnenkort op een congres behandeld in Studiecentrum Kerckebosch. Het departement gaat dit volgen. Als er een verband is, moeten we er erg voorzichtig mee zijn. Het gaat het kabinet een paar slagen te snel om te stellen dat altijd als er sprake is van dierenmishandeling er ook sprake is van kindermishandeling. Wij zeggen niet dat er geen verband bestaat. In onderscheiden zaken is dit verband er. Maar het gaat een tikje te snel om aan te nemen dat dit verband er altijd is.

Mevrouw Arib heeft ook gesproken over een «internationale verklaring omtrent het gedrag». Gisteren heb ik tegen de heer Çörüz en anderen tijdens het AO JBZ-raad gezegd dat ik dit en marge van de JBZ-raad aanstaande vrijdag zelf zal bespreken. Ik wil bekijken hoe hiermee wordt omgegaan in andere landen. Uitwisseling van informatie kan nu al plaatsvinden in het kader van het kaderbesluit voor uitwisseling van informatie uit strafregisters.

Er zijn nog vragen gesteld over een bijkomende straf van een reisverbod in het kader van de aanpak van kindersekstoerisme. Ik kan mevrouw Arib toezeggen dat ik de sanctie van een reisverbod, bijvoorbeeld bij een veroordeling voor kindersekstoerisme, nader zal uitwerken. Er komt heel veel wetgeving aan. Ik zoek naar een geschikt moment om deze wetgeving te implementeren. Maar het kabinet is zeker bereid om hiernaar te kijken. Dat had mevrouw Arib waarschijnlijk ook wel verwacht op grond van eerdere uitlatingen.

Mevrouw Arib heeft een vraag gesteld over een vergewisplicht voor pornoproducenten met betrekking tot de leeftijd van modellen. Hierover heeft mevrouw Arib met mijn voorgangers uitvoerig gesproken. Mevrouw Arib kent mijn standpunt. Dat komt overeen met het standpunt van de vorige minister van Justitie. Ik denk dat dit instrument niet effectief is.

De voorzitter: Ik constateer dat er behoefte is aan een tweede termijn. Elke woordvoerder krijgt een minuut om vragen te stellen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Voorzitter. Ik constateer dat de staatssecretaris verder gaat met de zaken die het vorige kabinet heeft opgepakt, samen met de volledige Kamer. De urgentie wordt dus gedeeld. Wij zijn zeer blij dat er alles aan gedaan wordt om te bekijken hoe de capaciteit op de goede manier kan worden ingezet en om door te gaan met de verbeterplannen bij de politie. Wij zien dat de staatssecretaris aan de slag gaat met wat wij hebben aangetroffen in een tbs-instelling. We vragen om zodra het mogelijk is antwoord te krijgen op onze schriftelijke vragen over de school en de directie.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. Ik heb waardering voor de reactie van de staatssecretaris, met name ten aanzien van de capaciteit. We zien de voortgangsrapportage graag tegemoet. Ik heb nu geen concrete vraag meer, maar wil de staatssecretaris het volgende meegeven. Ik zou graag zien dat bij de voorstellen voor capaciteitsuitbreiding – ik heb goed gehoord wat de staatssecretaris daarover heeft gezegd – een relatie wordt gelegd met de werkvoorraad van bijna 1000 zaken. Ik wil inzichtelijk krijgen wat daarvoor nodig is en wat er gevonden kan worden om aan die werkvoorraad een einde te maken. Ik hoop vurig dat er op voorhand geen heilige huisjes zijn bij de afwegingen over de capaciteitsuitbreiding.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter. Ik hoop dat in de voortgangsrapportage die wij in februari 2011 zullen krijgen, expliciet aandacht wordt besteed aan het onderwerp preventie. Ik hoop dat de stand van zaken en een overzicht van zaken die nog ontwikkeld kunnen worden daarin worden opgenomen.

De heer Van der Steur (VVD): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de woorden van waardering die de staatssecretaris heeft gekregen. De beantwoording was helder. Ik proef bij de staatssecretaris de urgentie die alle partijen ook hebben. Ik heb het voorbeeld van de directeur genoemd. Het gaat natuurlijk niet om het voorbeeld, maar om het beleid van het Openbaar Ministerie. Ik zou graag in de toegezegde rapportage willen lezen wat het beleid van het Openbaar Ministerie is ten aanzien van dit soort gevallen en ten aanzien van de informatieverstrekking aan scholen. We zijn ook zeer benieuwd naar de oplossingen voor het capaciteitsprobleem.

Mevrouw Helder (PVV): Voorzitter. Ook ik dank de staatssecretaris voor zijn duidelijke antwoorden. Eén vraag van mij is volgens mij niet beantwoord, namelijk hoe wordt omgegaan met uit het buitenland afkomstige rechtshulpverzoeken. Zit er een verschil in prioriteit tussen deze zaken en Nederlandse zaken? Ik stel deze vraag in verband met het vraagstuk van de capaciteit.

Mevrouw Arib (PvdA): Voorzitter. Ik dank voor de beantwoording van de vragen. Ik heb waardering voor de staatssecretaris. Hij deelt het gevoel van urgentie en is bereid om naar de capaciteit te kijken. Dat er meer zaken zijn, heeft er ook mee te maken dat er heel veel gebeurt en dat de politie hard werkt. Dan komen er meer meldingen. Ik ben ook blij met de toezegging van de staatssecretaris dat hij het reisverbod nader wil uitwerken. Ik kijk met spanning uit naar wat de staatssecretaris hierover gaat zeggen.

Ik ben minder blij met de wijze waarop de staatssecretaris de motie-Gerkens/Arib ziet. De vorige minister hebben we kunnen overtuigen van het invoeren van de vergewisplicht. Hij heeft gezegd dat hij dit zou uitzoeken en dat hij met voorstellen komt. Als deze staatssecretaris het niet wil doen, ligt het weer bij de Kamer. Dan moeten wij een amendement indienen op de Kaderwet Prostitutie. Ik hoop dat de partijen die ons indertijd hebben gesteund, dat nu ook zullen doen.

Ik rond af met een idee voor preventie. In Duitsland bestaat een project waarbij mensen die rare gevoelens hebben voor kinderen, via internet – misschien zou het Meldpunt Kinderporno hier een rol bij kunnen spelen – met een link gelijk kunnen worden doorverwezen naar de hulpverlening. Dit schijnt ontzettend goed te werken. Misschien is het goed om in het kader van preventie te bekijken hoe het in Duitsland werkt en of wij daarvan iets kunnen leren.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. Ik dank de leden voor hun bijdrage in tweede termijn. Ik spreek mijn dank uit voor de vriendelijke woorden van nagenoeg alle Kamerleden. We delen de urgentie. Dat is een goede zaak. Dit betekent namelijk dat we verder komen. De mensen die in het veld werkzaam zijn, zien dit ook.

Over de zaak die speelt op een school zullen wij de Kamer berichten zodra dit mogelijk is. De heer Van der Steur heeft gevraagd naar het beleid van het Openbaar Ministerie bij dit soort onderwerpen. Ik zeg toe dit ik dit zal bespreken met het Openbaar Ministerie, om te kijken of er ruimere mogelijkheden zijn, rekening houdend met de privacy van mensen die nog niet veroordeeld zijn. Je moet altijd een afweging maken. Het beleid moet proportioneel zijn. Nogmaals, ik zeg toe dat ik met het Openbaar Ministerie zal spreken om te bekijken wat het beleid is geweest bij deze zaak.

De heer Rouvoet heeft gesproken over de werkvoorraad van bijna 1000 zaken. Hij waarschuwde voor heilige huisjes. In het regeerakkoord – en daar houdt ook deze staatssecretaris zich aan – is gesproken over 500 animal cops. Geen enkele regering in Nederland – mevrouw Helder zal het hiermee eens zijn – kan het zich permitteren dat we 500 animal cops hebben, als die niet de hele dag aan het werk zijn. Het geld voor de 500 animal cops heeft een oormerk gekregen, maar dit betekent tegelijkertijd wel dat zij niet met de armen over elkaar moeten zitten. Deze regering zal geen opsporingscapaciteit ongebruikt laten die op zich wel gelabeld is. Ik zie de heer Rouvoet hierover nadenken. Dat is misschien ook goed, want we komen er een andere keer nog wel op terug.

De preventieaanpak heeft onze directe aandacht, zeg ik tegen mevrouw Gesthuizen.

Mevrouw Helder heeft gevraagd wat prioriteit heeft, de zaken uit het buitenland of de zaken uit het binnenland. Dit hangt van de zaak af en van de zwaarte van een zaak die uit het buitenland komt. Ook een zaak uit het buitenland kan natuurlijk impact hebben op slachtoffers hier te lande. Zo is het vaak in de praktijk. Dit heeft te maken met de zwaarte van de zaak, maar in dit soort zaken soms ook met de bekendheid van de dader. Als je twee zware zaken binnenkrijgt, waarbij sprake is van een bekende dader, althans van een daderindicatie – dit vraagt relatief weinig opsporingscapaciteit – dan zal eerder zo’n zaak worden gekozen dan een zaak met een volledig onbekende dader waarop heel veel opsporingscapaciteit moet worden ingezet.

Mevrouw Arib en ik zijn het eens. Wij zullen ons op het departement beraden over de opmerkingen die mevrouw Arib maakte over Duitsland en de meldlink. Wij nemen dit mee in de tweede voortgangsrapportage.

De voorzitter: Ik dank de leden voor hun inbreng en de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Ik sluit dit algemeen overleg.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Rouvoet (ChristenUnie), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), Çörüz (CDA), Koopmans (CDA), De Roon (PVV), voorzitter, Brinkman (PVV), Vermeij (PvdA), ondervoorzitter, Van Raak (SP), Thieme (PvdD), Gesthuizen (SP), Dibi (GroenLinks), Van Toorenburg (CDA), Berndsen (D66), Van Nieuwenhuizen (VVD), Schouw (D66), Marcouch (PvdA), Van der Steur (VVD), Recourt (PvdA), Hennis-Plasschaert (VVD), Helder (PVV) en Taverne (VVD).

Plv. leden: Slob (ChristenUnie), Dijkgraaf (SGP), Bouwmeester (PvdA), Van Bochove (CDA), Sterk (CDA), Dille (PVV), Elissen (PVV), Smeets (PvdA), Kooiman (SP), Ouwehand (PvdD), Karabulut (SP), Smilde (CDA), Pechtold (D66), Van der Burg (VVD), Hachchi (D66), Spekman (PvdA), De Liefde (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Azmani (VVD), Bontes (PVV), Dijkhoff (VVD) en Voortman (GroenLinks).