Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2010-2011
Kamerstuk 32418 nr. 5

Gepubliceerd op 26 januari 2011

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier Bijlagen



32 418 Wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte

Nr. 5 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 25 januari 2011

I ALGEMEEN

1. Inleiding

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen over het wetsvoorstel van de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, de PVV, het CDA, de SP, D66, de ChristenUnie en de SGP. Op deze vragen en opmerkingen ga ik hieronder in, waarbij ik voor de beantwoording soortgelijke vragen heb samengenomen.

De leden van de VVD-fractie zijn nog niet overtuigd dat de huidige wettelijke waarborgen tegen onredelijk hoge incassokosten tekort zouden schieten. Zij nodigen de regering uit de ernst van de problematiek, die naar de mening van de regering tot deze aanpassing van de wet noopt, nader te onderbouwen en te kwantificeren waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen consumenten en bedrijven.

Voor de totstandkoming van dit wetsvoorstel is al verscheidene keren met uw Kamer over het onderwerp van de incassokosten gecommuniceerd. In december 2006 heeft de vaste commissie voor Financiën gevraagd te reageren op berichtgeving in het RTL nieuws over de kostenberekening door incassobureaus bij het incasseren van vorderingen. Deze vragen zijn door mijn voorganger bij brief van 29 maart 2007 beantwoord (Kamerstukken II 2006/07, 30 928, nr. 7). Vervolgens heeft mijn voorganger bij brief van 7 maart 2008 verslag gedaan van een overleg met het bedrijfsleven over de vraag of wettelijke maatregelen voor de incassokosten moeten worden getroffen. Er is toen aangegeven dat het aantal incidenten niet zodanig is dat een nadere wettelijke regeling nodig is om consumenten te beschermen. Ook is aangegeven dat de ontwikkelingen nauwlettend zouden worden blijven gevolgd (Kamerstukken II 2007/08, 30 928, nr. 16).

Tijdens een Algemeen Overleg op 11 november 2008 is het rapport van de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden/ MOgroep W&MD «Incassokosten, een bron van ergernis!» aan de orde gekomen. Tijdens het overleg heeft een meerderheid van de Kamer om een wettelijke regeling voor de incassokosten gevraagd (Kamerstukken II 2008/09, 24 515, nr. 144). Mijn voorganger heeft daarom nadere regelgeving voor incassokosten toegezegd. Met dit wetsvoorstel wordt daaraan uitvoering gegeven. Voorafgaand aan de indiening van het wetsvoorstel is geconsulteerd over een ambtelijk voorontwerp. In de reacties op het consultatiedocument is steun uitgesproken voor regulering van de incassokosten. Vanzelfsprekend zijn verschillende geluiden geuit over hoe deze regeling zou moeten worden vormgegeven en welke tarieven zouden moeten worden gehanteerd. Ik ga daarop later in deze nota nog in bij een vraag van de leden van de fractie van de ChristenUnie over de opmerkingen en aanbevelingen die zijn gemaakt tijdens de consultatie.

Op grond van artikel 96 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dienen incassokosten redelijk te zijn. Met de voorgestelde regeling wordt aan schuldeisers en schuldenaren op voorhand duidelijkheid gegeven over de redelijkheid van de incassokosten door de maximale hoogte van de incassokosten vast te leggen. Hierdoor is het niet langer nodig om enkel vanwege onduidelijkheid of onvrede over de hoogte van de incassokosten het aan te laten komen op een gerechtelijke procedure, waarin de rechter de incassokosten toetst aan de eisen van art. 6:96 BW (dubbele redelijkheidstoets). Schuldenaren hadden daar voorheen nog wel eens belang bij omdat zij meenden dat de incassokosten onredelijk hoog waren, maar niet duidelijk was hoe hoog deze dan wel mochten zijn. Met dit wetsvoorstel en de daarop te baseren algemene maatregel van bestuur (amvb) wordt die duidelijkheid wel geboden.

Het doel van de regeling, namelijk duidelijkheid scheppen, is zowel voor consumenten als voor bedrijven van belang. Voor beide groepen geldt dat artikel 6:96 BW op dit moment onzekerheid meebrengt over de toegestane incassokosten. Vervolgens geldt voor beide groepen dat deze onzekerheid wordt weggenomen door de vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten te normeren. Wel is daarbij onderscheid gemaakt in de uitwerking.

Er is voor gekozen om de incassokosten te normeren voor vorderingen tot € 25 000. Deze grens sluit aan bij de nieuwe competentiegrens van de kantonrechter (vgl. Kamerstukken 32 021). Daardoor zal de nieuwe regeling vrijwel alle kantonzaken bestrijken, met uitzondering van de zaken die specifiek tot de competentie van de kantonrechter behoren – zoals huurzaken – en waarvan de vordering meer dan € 25 000 bedraagt.

De leden van de VVD-fractie vragen of onder het begrip «vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte» die kosten worden bedoeld die zowel voor als na afloop van een gerechtelijke procedure worden gemaakt om een vordering te incasseren.

Onder het begrip «vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte» van artikel 6:96 lid 2 onder c BW worden de kosten bedoeld die worden gemaakt om een vordering te incasseren voordat het tot een geding komt, de buitengerechtelijke incassokosten.

Indien de zaak voor de rechter komt, komen daar vanaf het moment van dagvaarden de proceskosten bij, zoals griffierechten of kosten voor het salaris van een gemachtigde. De partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld kan in de kosten worden veroordeeld. Dit is geregeld in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Ook is daarin een regeling opgenomen omtrent de nakosten. Dit zijn kosten die worden gemaakt nadat het vonnis is gewezen. Voor de nakosten kan worden gedacht aan het nasalaris van een advocaat en kosten gemoeid met de betekening van het vonnis. Op grond van artikel 237 lid 4 Rv worden de nakosten op verzoek van de partij in het voordeel van wie een kostenveroordeling is uitgesproken, begroot door de rechter. De rechter geeft daarvoor een bevelschrift af. Deze kosten vallen niet onder artikel 6:96 lid 2 onder c BW en dus ook niet onder de regeling in het wetsvoorstel.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering staat tegenover een scheiding tussen de incassokosten van consumenten en die voor bedrijven en of de regering bereid is de regeling dienovereenkomstig aan te passen. Ook de leden van de fracties van de PVV en het CDA vragen naar de toepasselijkheid van de regeling op betalingsverplichtingen tussen bedrijven, waarbij zij wijzen op de contractsvrijheid van bedrijven en de herziening van de richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (COM (2009) 126 def). Ook de leden van de fracties van de ChristenUnie en D66 vragen hoe deze richtlijn wordt betrokken bij de Nederlandse wetgeving.

In het wetsvoorstel is gekozen voor een regeling van incassokosten voor consumenten en bedrijven. Het wetsvoorstel biedt een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur de maximale vergoeding voor de incassokosten vast te leggen. Aanvankelijk was gekozen voor een dwingendrechtelijke regeling waarbij de hoedanigheid van de schuldenaar en schuldeiser niet van belang was. Het wetsvoorstel voorzag voor consumenten noch bedrijven in een mogelijkheid om af te wijken van de regeling. Naast de maximale incassokosten die zouden gelden, zou ook een aanmaning (met een termijn van 14 dagen om de vordering alsnog te voldoen) zijn vereist voordat de incassokosten in rekening zouden kunnen worden gebracht.

Op dit moment wordt de Europese richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand herzien (herschikking van richtlijn nr. 2000/35/EG middels een Voorstel voor een richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (COM (2009) 126 def)). Op korte termijn wordt de tekst van de herziene richtlijn formeel vastgesteld. De ontwerprichtlijn heeft betrekking op handelstransacties zowel tussen bedrijven onderling als tussen bedrijven en de overheid. Op basis van de ontwerprichtlijn hebben schuldeisers recht op een vergoeding van € 40 voor de eigen invorderingskosten als de schuldenaar te laat betaalt en is dit bedrag verschuldigd zonder dat er een aanmaning dient te worden verstuurd. Om strijd met toekomstige Europese regelgeving te vermijden, dient er in de voorgestelde Nederlandse regeling over de incassokosten geen aanmaning te worden voorgeschreven met betrekking tot handelstransacties als bedoeld in de richtlijn. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de implementatie van de Europese richtlijn via een afzonderlijk traject zal plaatsvinden.

In het verslag is door vrijwel alle fracties steun uitgesproken voor een regeling die consumenten beschermt tegen onredelijk hoge incassokosten. Een aantal fracties heeft twijfels geuit over de wenselijkheid van een dwingende regeling voor handelstransacties. Er is daarbij gewezen op de contractsvrijheid van bedrijven.

Gezien de Europese ontwikkelingen en de in het verslag gemaakte opmerkingen heb ik besloten het wetsvoorstel op dit punt aan te passen. In het oorspronkelijke wetsvoorstel is opgenomen dat van de regels in de amvb niet ten nadele van de schuldenaar kan worden afgeweken. Ik pas deze zinsnede middels een nota van wijziging zo aan, dat dit verbod om af te wijken alleen geldt als de schuldenaar een consument is. De consument wordt in de nota van wijziging aangeduid als een natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een bedrijf of beroep. Voor deze formulering is aangesloten bij artikel 6:236 BW over de zwarte lijst van bedingen in algemene voorwaarden. Dit betekent dat de regeling bij vorderingen op een schuldenaar die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, van regelend recht is.

In het geval dat de schuldenaar geen consument is, kunnen partijen overeenkomen af te wijken van de wettelijke regeling voor incassokosten. Wanneer partijen niets regelen met betrekking tot de incassokosten, is de wettelijke regeling met een maximale vergoeding voor incassokosten zoals opgenomen in de amvb van toepassing. De regeling heeft daarom ook nog steeds een rol ten aanzien van (kleine) bedrijven die nalatig zijn in de nakoming van een vordering. Het is alleen mogelijk dat zij een hogere vergoeding voor de incassokosten moeten voldoen dan opgenomen in de amvb, indien zij dat zijn overeengekomen met de schuldeiser. Vanzelfsprekend blijft de norm van art. 6:96 BW gelden dat de incassokosten redelijk dienen te zijn en in redelijkheid dienen te zijn gemaakt.

Bedrijven kunnen ook de wettelijke regeling van toepassing verklaren door daarnaar te verwijzen in hun algemene voorwaarden. Verder verwacht ik dat de wettelijke maximale vergoeding voor incassokosten als leidraad kan dienen wanneer bedrijven afspraken maken over de vergoeding voor incassokosten. Zo zou de wettelijke regeling ertoe kunnen leiden dat een beding in de algemene voorwaarden dat in grote mate afwijkt van de regeling in de amvb doordat veel hogere incassokosten worden gevraagd, als onredelijk bezwarend kan worden beschouwd (vgl. artikel 6:233 BW).

Middels de nota van wijziging wordt ook voorgesteld om een verplichting om de schuldenaar aan te manen voordat incassokosten verschuldigd worden, in de wet op te nemen. Gelet op het bovenstaande zal deze eis alleen worden gesteld indien de schuldenaar een consument is (voorgestelde lid 5 van artikel 6:96 BW). De aanmaning dient te worden verstuurd na het intreden van het verzuim. Een schuldenaar is in verzuim wanneer de termijn voor nakoming van de verbintenis is verstreken, dan wel indien de schuldenaar in gebreke is gesteld en betaling is uitgebleven (vgl. artikel 6:82 en 83 BW). Uit het vereiste dat het verzuim moet zijn ingetreden, vloeit voort dat de vordering waarover de vergoeding voor incassokosten wordt berekend, opeisbaar moet zijn. Bij de aanmaning moet het bedrag dat als vergoeding voor de incassokosten in rekening wordt gebracht, worden vermeld. Dit bedrag moet in overeenstemming zijn met de maximale vergoeding die voorgeschreven wordt in de amvb. Aan de consument wordt een termijn van 14 dagen geboden om alsnog de vordering te voldoen zonder dat de incassokosten verschuldigd worden. Om er zeker van te zijn dat de aanmaning is ontvangen en vervolgens de termijn van 14 dagen gaat lopen, kan de schuldeiser kiezen voor aangetekende verzending van de aanmaning.

In het – middels nota van wijziging – voorgestelde zesde lid van artikel 6:96 BW is opgenomen dat wanneer de schuldeiser meerdere vorderingen op de consument heeft en hij deze wil incasseren middels één aanmaning, hij de vergoeding voor de incassokosten moet berekenen aan de hand van het totaal van de hoofdsommen van die vorderingen.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom is gekozen voor een uitwerking van nadere dwingendrechtelijke regelgeving in een amvb in plaats van in de wet. Zij vragen of de regering de zorgen van de leden deelt dat minder makkelijk kennis kan worden genomen van de toepasselijke regeling als deze is uitgewerkt in een amvb. Ook door de leden van de SP-fractie wordt gevraagd hoe de regering de maximum incassokosten breed bekend gaat maken om de wet en de daarin geboden duidelijkheid kracht bij te zetten.

Voorts vragen de leden van de fractie van de VVD of de regering voornemens is met betrekking tot de amvb gebruik te maken van een voorhangprocedure. Ook de leden van de SP-fractie en de leden van de PvdA-fractie vragen of de regering bereid is de aangekondigde amvb naar de Kamer te sturen, waarbij wordt gevraagd op welke punten het ontwerpbesluit na de consultatieronde is gewijzigd.

In artikel 6:96 BW is bepaald dat incassokosten redelijk dienen te zijn. Deze norm wordt verder ingekleurd door bij amvb te bepalen wat redelijke kosten zijn voor vorderingen tot € 25 000. Het ligt niet voor de hand om een dergelijke regeling in de wet op te nemen. Het opnemen van deze uitwerking in een amvb lijkt in dit geval het meest geschikt. Daarmee wordt voorkomen dat voor een eventuele aanpassing van de rekenwijze voor de vergoeding van de incassokosten wederom het gehele wetgevingsproces – met de daarbij behorende tijd – doorlopen zou moeten worden.

Er is geen reden om aan te nemen dat van de regels minder makkelijk kennis kan worden genomen wanneer zij zijn opgenomen in een amvb in plaats van in de wet. Zowel een wet als een amvb worden bekendgemaakt in het Staatsblad. De regeling is eenvoudig raadpleegbaar via www.overheid.nl. Bovendien zal ik er zorg voor dragen dat er voldoende bekendheid wordt gegeven aan de nieuwe regels, bijvoorbeeld via Postbus 51 en de website ConsuWijzer. Ook zal ik nagaan of aan de regeling aandacht kan worden geschonken op de website van de Raad voor de rechtspraak.

Het wetsvoorstel voorziet niet in een voorhangprocedure. Omdat verschillende fracties in dit verslag hebben gevraagd om inzage in het concept-besluit, heb ik het concept-besluit als bijlage bij deze nota gevoegd.1) Op deze manier kunnen de leden van de fracties kennis nemen van de voorgestelde regeling. De wijze waarop de maximale incassokosten in de concept-amvb worden berekend, is niet gewijzigd ten opzichte van het consultatiedocument. Wel is de regeling omtrent het optellen van meerdere vorderingen op een schuldenaar om de incassokosten te berekenen, komen te vervallen. Daarvoor in de plaats wordt voorgesteld in de wet te bepalen dat indien de aanmaning – die aan de consument zal moeten worden verstuurd voordat incassokosten verschuldigd worden – betrekking heeft op meer dan een vordering, de hoofdsommen van deze vorderingen voor de berekening van de incassokosten bij elkaar dienen te worden opgeteld (vgl. voorgestelde leden 5 en 6 van art. 6:96 BW).

De leden van de PvdA-fractie en de SP-fractie vragen of de dubbele redelijkheidstoets blijft bestaan. Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie of het minimumbedrag van € 40 als een redelijk bedrag wordt ervaren door de consument en of er gevallen denkbaar zijn dat dit bedrag onredelijk kan worden genoemd. De leden vragen wat in het laatste geval de consequentie zou moeten zijn voor de hoogte van de incassokosten.

In artikel 6:96 BW is bepaald dat redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor vergoeding in aanmerking komen. Er is hier sprake van een dubbele redelijkheidstoets. Deze dubbele redelijkheidstoets houdt in dat incassokosten in omvang redelijk moeten zijn en in redelijkheid gemaakt moeten zijn. In de voorgestelde regeling komt men niet meer toe aan een toets van de omvang de kosten voor vorderingen tot € 25 000. Er wordt namelijk uitgegaan van vaste maximale kosten waarmee de redelijkheidsnorm van artikel 6:96 BW wordt ingekleurd. Incassokosten die het maximum niet te boven gaan, worden als redelijke kosten beschouwd. Dit heeft als voordeel dat een gang naar de rechter om vast te stellen of de kosten redelijk zijn, wordt voorkomen. Voor de schuldenaar en de schuldeiser staat vast hoeveel maximaal aan incassokosten mag worden gevraagd. Dit schept rechtszekerheid. Vanzelfsprekend dienen er wel daadwerkelijk incassohandelingen te worden verricht en kosten te worden gemaakt. Anders komt men aan een recht op vergoeding van de incassokosten niet toe.

Schuldeisers mogen altijd een lager bedrag aan incassokosten in rekening brengen dan in de regeling is opgenomen. De regeling bepaalt namelijk welk bedrag ten hoogste in rekening mag worden gebracht. Verder is vastgelegd welk bedrag in ieder geval mag worden gevraagd voor kleine vorderingen. Dit is gedaan omdat kleine vorderingen niet buitengerechtelijk kunnen worden geïnd, wanneer de incassokosten alleen als een percentage van de hoofdsom zouden worden berekend. Voor vorderingen met een hoofdsom tot € 266,67 mag daarom als vergoeding voor de incassokosten (maximaal) € 40 worden gevraagd. Het bedrag van € 40 sluit aan bij het bedrag van € 37 dat op grond van het rapport Voor-werk II voor vorderingen tot € 250 mag worden gevraagd. Ook kan worden gewezen op het incassoadvies dat door verschillende partijen die actief zijn op de incassomarkt, namelijk de Vereniging van Credit Management (VVCM), het Verbond van Credit Management Bedrijven (VCMB), de Vereniging van Incasso-advocaten (VIA) en de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG), is opgesteld. In het incassoadvies wordt voor vorderingen op consumenten voorgesteld dat er in ieder geval een bedrag van € 45 aan incassokosten mag worden gevraagd. Verder wordt, zoals hierboven al aangegeven, in Europees verband voorgesteld dat er bij handelstransacties recht is op een vergoeding van € 40 voor de eigen invorderingskosten als te laat wordt betaald.

Een consequentie van een forfaitair systeem is dat in het ene geval de daadwerkelijke kosten hoger kunnen zijn dan de kosten die worden vergoed en dat een andere keer de daadwerkelijke kosten juist lager kunnen uitvallen. Daar staat tegenover dat wel altijd duidelijk is hoeveel maximaal aan incassokosten mag worden gevraagd, zodat daarover rechtszekerheid bestaat.

Op basis van de voorgestelde regeling geldt bovendien dat een consument die niet op tijd heeft betaald, dient te worden aangemaand voordat incassokosten in rekening mogen worden gebracht. Deze schuldenaar kan dus niet worden overvallen door € 40 aan incassokosten. Als hij binnen 14 dagen na de aanmaning de vordering alsnog voldoet, laat de wet niet toe dat er incassokosten in rekening worden gebracht.

De leden van de fracties van de PvdA, de PVV, het CDA en de SP hebben vragen over de verschuldigdheid van incassokosten bij meer (deel)vorderingen of termijnen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering de mening deelt dat het onwenselijk is als elke maand € 40 in rekening kan worden gebracht als de schuldenaar elke maand te laat betaalt. Zij willen weten of de regering bereid is om in de wet of in de amvb een regeling op te nemen die stapeling van incassokosten voorkomt. Ook vragen de leden in te gaan op de voorbeelden die de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR) in een brief van 5 november 2009 heeft genoemd van problemen die zich voordoen bij het overschrijden van de termijn van een deelbetaling.

De leden van de PVV-fractie vragen hoe het minimumbedrag van € 40 wordt gehanteerd wanneer meerdere vorderingen of termijnen voldaan moeten worden en een gedeelte wordt betaald en de incassokosten worden berekend over het gedeelte dat betaald wordt. Zij vragen of bij deelbetalingen telkens het minimumbedrag in rekening mag worden gebracht.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de voorgestelde methodiek om de vergoeding van de incassokosten te berekenen ertoe kan leiden dat een schuldenaar die maandelijks een deel van zijn vorderingen voldoet meer incassokosten in rekening gebracht kan worden dan die enkele maanden niets betaalt en alle openstaande vorderingen in één keer voldoet. Zij vragen of dat een onwenselijk uitvloeisel van het wetsvoorstel is.

De leden van de SP-fractie vragen of de verplichting om vorderingen van één schuldenaar samen te voegen absoluut is. Voorts vragen deze leden of iedere verschuldigde maandelijkse termijn apart in rekening mag worden gebracht of dat deze termijnen moeten worden opgespaard. Ook vragen zij of wanneer een deurwaarder die vier vorderingen heeft op een debiteur, vier keer de kosten van dagvaarding en griffierechten in rekening mag brengen.

De LOSR heeft gereageerd op de internetconsultatie over het voorontwerp van de regeling voor incassokosten. In het concept-besluit was bepaald dat wanneer een schuldeiser verscheidene vorderingen op dezelfde schuldenaar had, voor de berekening van de incassokosten de vorderingen bij elkaar moesten worden opgeteld wanneer deze vorderingen gelijktijdig werden voldaan. De LOSR heeft erop gewezen dat de regeling nadelig kan werken bij kleine deelbetalingen en erg ingewikkeld wordt. Wanneer een schuldenaar per maand aflost, zou het bedrag dat aan incassokosten verschuldigd is, hoger zijn dan wanneer hij de achterstand laat oplopen en meerdere vorderingen in één keer aflost.

De regeling in het voorontwerp waarnaar de LOSR verwijst, is geschrapt. Het kwam de eenvoud van de regeling niet ten goede om voor de berekening van de incassokosten aan te sluiten bij een moment dat in de toekomst zou liggen, namelijk het moment dat de vorderingen worden voldaan. Er wordt een regeling voorgesteld voor het versturen van een aanmaning aan de schuldenaar als deze consument is. Wanneer de aanmaning betrekking heeft op meer dan één vordering, worden de hoofdsommen voor de berekening van de incassokosten bij elkaar opgeteld (vgl. voorgestelde zesde lid van artikel 6:96 BW).

De schuldeiser mag in beginsel voor elke opeisbare vordering incassohandelingen verrichten en voor de kosten die hij daarbij maakt een vergoeding van de schuldenaar vragen. De schuldeiser is wel verplicht de schade die hij lijdt zoveel mogelijk te beperken (vgl. art. 6:101 BW). Het kan dus voorkomen dat het niet redelijk is dat hij met betrekking tot elke aparte opeisbare vordering incassokosten in rekening brengt maar dat hij de incassohandelingen voor de verschillende vorderingen moet combineren als deze alle tegelijkertijd opeisbaar zijn, waardoor ook niet voor elke (deel)vordering apart incassokosten in rekening kunnen worden gebracht. Indien de schuldenaar een consument is, zal op basis van de voorgestelde wettelijke regeling na het intreden van het verzuim eerst een aanmaning moeten worden verzonden. De consument heeft daardoor nog 14 dagen de tijd om de vordering te voldoen zonder dat incassokosten verschuldigd worden. Wanneer de schuldeiser voor meer (deel)vorderingen één aanmaning gebruikt, zal hij de vorderingen bij elkaar moeten optellen om de incassokosten te berekenen. In beginsel kan een schuldeiser voor elke opeisbare (deel)vordering die kleiner is dan € 266,67 ter vergoeding van de incassokosten het minimumbedrag van € 40 in rekening brengen. Het uitgangspunt is de opeisbaarheid van de (deel)vordering. Alleen waneer de schuldeiser één aanmaning gebruikt om meerdere (deel)vorderingen te innen, zal hij op basis van de voorgestelde wettelijke regeling de hoofdsommen bij elkaar dienen op te tellen, waardoor het totaalbedrag boven het bedrag van € 266,67 uit kan komen.

Onderdeel van een incassobeleid van de schuldeiser kan zijn dat hij incassohandelingen gaat verrichten zodra de vordering opeisbaar is en de schuldenaar in verzuim is. Dit kan er inderdaad toe leiden dat een schuldenaar die stelselmatig betaalt net nadat de termijn van 14 dagen na aanmaning is verstreken, meer incassokosten kwijt is, dan een schuldenaar die na maanden een aantal vorderingen ineens betaalt. Daarbij moet worden bedacht dat schuldenaren er in het algemeen bij gebaat zijn als zij hun schulden niet laten oplopen. Zo zal wettelijke rente over het verschuldigde bedrag in rekening worden gebracht. Bij duurovereenkomsten kan het niet-betalen van de periodiek verschuldigde bedragen bovendien gevolgen hebben voor het voortbestaan van de overeenkomst (bijv. huurcontracten en telefoonaansluiting). De gevolgen van beëindiging van dergelijke overeenkomsten is voor betrokkene vaak ingrijpend en brengt weer extra kosten mee. Tijdige incassohandelingen kunnen ertoe bijdragen dat de schuldenaar eerder gaat betalen. Zelfs als hij wel incassokosten over de vordering is verschuldigd, is bij net iets te late betaling in elk geval voorkomen dat de rente over de vordering hoog oploopt.

Met het uitbrengen van een dagvaarding door een deurwaarder vangt de gerechtelijke procedure aan. Een schuldeiser mag geen misbruik van recht maken. De kans is groot dat wanneer een schuldeiser bij vier vorderingen op dezelfde debiteur vier dagvaardingen laat uitbrengen, de rechter de kosten hiervan tenminste deels voor rekening van de schuldeiser laat. Omdat het in dit voorbeeld gaat om gerechtelijke kosten, staat deze vraag los van het wetsvoorstel dat ziet op de buitengerechtelijke incassokosten.

De leden van de PvdA-fractie geven aan dat zij problemen hebben met de voorgestelde trapsgewijze opbouw van de berekening van de incassokosten. Het doel van het voorstel moet mede gericht zijn op het tegengaan en verhelpen van schulden, niet op het vergroten van de schulden, aldus de leden. De leden vragen zich af of de invulling van de eerste categorie het doel van het wetsvoorstel voorbij schiet. Zij roepen de regering op het voorstel op dit punt te herzien. Ten slotte geven de leden in overweging een regeling op te nemen waarin de schuldeiser verplicht wordt een gratis betalingsherinnering te sturen alvorens hij overgaat tot een vorm van incasseren die kosten met zich meebrengt voor de schuldenaar.

Ook de leden van de SP-fractie vragen of schuldeisers verplicht zijn een aanmaning te sturen en welke termijnen gelden voor het in rekening brengen van de incassokosten. Zij vragen voorts welke regels gelden om te voorkomen dat een tweede aanmaningsbrief erg kort op de eerste wordt verzonden.

Ik lees vraag van de leden van de PvdA-fractie of met de invulling van de eerste categorie het doel van het wetsvoorstel voorbij wordt geschoten zo, dat zij het percentage van 15% dat wordt gebruikt om de incassokosten over de eerste € 2 500 van de hoofdsom van de vordering te berekenen, te hoog vinden. Met de regeling wordt beoogd zowel voor de schuldenaar als de schuldeiser een redelijke vergoeding voor de incassokosten vast te stellen. Een percentage van 15% is in de praktijk niet ongebruikelijk. Ook merk ik op dat er andere specifieke regelingen zijn voor personen met betalingsproblemen, zoals de schuldsaneringsregeling.

Met het voorschrift dat met betrekking tot vorderingen op consumenten eerst een aanmaning moet worden verstuurd voordat incassokosten verschuldigd worden, wordt tegemoet gekomen aan de zorgen van de fracties van de PvdA en de SP op dit punt. De consument kan dus niet door het incassobedrag worden overvallen. De consument-schuldenaar krijgt 14 dagen de tijd om de vordering alsnog te voldoen voordat incassokosten in rekening kunnen worden gebracht. Een tweede aanmaning binnen twee weken is niet nodig, omdat de schuldenaar wettelijk 14 dagen heeft om alsnog te betalen.

De leden van de PVV-fractie vragen of het rapport Voor-werk II nog enige betekenis zal hebben voor vorderingen boven € 25 000. Voorts vragen deze leden hoe tot de scheidslijn van vorderingen tot € 25 000 is gekomen. Zij vragen of deze scheidslijn recht doet aan het onderscheid dat wordt gemaakt tussen kleine en middelgrote bedrijven.

De voorgestelde nieuwe regeling is bindend voor vorderingen waarbij de schuldenaar een consument is. Dit betekent dat ook wanneer het tot een geding komt, de rechter de buitengerechtelijke incassokosten zal vaststellen conform de wettelijke regeling. Voor vorderingen op consumenten tot € 25 000 verliest het rapport Voor-werk II daarom zijn betekenis. Ik kan mij voorstellen dat het rapport voor hogere vorderingen op consumenten zijn functie kan behouden. Van belang voor de vraag of het rapport voor dergelijke hogere vorderingen zijn functie behoudt, is dat het rapport is opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak. Het rapport bevat aanbevelingen hoe rechters kunnen omgaan met het toekennen van buitengerechtelijke incassokosten. Ook wordt het rapport buiten de rechter om gebruikt als leidraad om de incassokosten te berekenen. Het rapport bevat geen bindende wettelijke regels. Het is daarom aan de rechter en aan partijen op de incassomarkt welke waarde zij in de toekomst aan het rapport zullen toekennen.

Voor vorderingen op bedrijven zal de voorgestelde wettelijke regeling van regelend recht zijn. Dit betekent dat wanneer de wettelijke regeling van toepassing is omdat partijen daar niet van hebben afgeweken, het rapport Voor-werk II niet langer van betekenis is. Wanneer door partijen is afgeweken van de wettelijke regeling kan het rapport zijn functie behouden. Wederom is hierbij van belang dat rapport Voor-werk II geen wettelijke regeling is en daarmee niet is voorgeschreven hoe schuldeisers en rechters er in de praktijk mee om zullen gaan.

De leden van de PVV-fractie vragen naar de scheidslijn van € 25 000. Voor deze grens is aangesloten bij het wetsvoorstel waarin onder meer wordt voorgesteld de competentiegrens van de kantonrechter tot dit bedrag te verhogen (Kamerstukken 32 021). Deze competentiegrens is voorgesteld door de commissie-Deetman, die onder andere tot dat bedrag is gekomen door te kijken naar de bedragen die zijn gemoeid met de consumentenkoop. Door ook in dit wetsvoorstel te kiezen voor deze grens wordt beoogd zoveel mogelijk consumentenzaken onder de regeling te laten vallen. Zoals hierboven aangegeven, is de regeling van regelend recht met betrekking tot transacties tussen bedrijven. Kleine bedrijven zullen vaker dan grotere bedrijven als schuldenaar te maken hebben met vorderingen tot € 25 000. Door te bepalen dat bedrijven voor vorderingen tot € 25 000 alleen met hogere incassokosten dan de wettelijke maxima kunnen worden geconfronteerd indien zij dit overeenkomen, wordt ook bescherming geboden aan deze bedrijven.

De leden van de fractie van de PVV spreken de zorg uit dat de voorgestelde kostenstructuur een prikkel tot vroegtijdige betaling van de debiteur ontbeert. Zij menen dat er meer recht aan crediteuren wordt gedaan als er een kostenstructuur wordt ingevoerd die inspanning voor het gehele traject veronderstelt, door middel van een onderliggende staffel.

Naar mijn mening zal de voorgestelde regeling juist tijdige betaling stimuleren. De consument wordt middels de aanmaning de kans geboden het verschuldigde bedrag alsnog te voldoen, zonder dat incassokosten worden verschuldigd. Op grond van de regeling is duidelijk wat er aan incassokosten in rekening mag worden gebracht. Ook de rechter zal de incassokosten overeenkomstig de wettelijke regeling bepalen. De dreiging van een gerechtelijke procedure, waarbij de schuldenaar als hij verliest in de kosten van het geding wordt veroordeeld, zal een stimulans zijn voor de debiteur om tijdig te betalen. Het nieuwe systeem biedt de schuldenaar een kans zijn vordering alsnog binnen 14 dagen te voldoen, maar doet hij dat niet, dan zal de schuldenaar veel te verliezen hebben.

De leden van de fracties van het CDA, de ChristenUnie en D66 stellen vragen over een verdere regulering van de incassomarkt.

De leden van de CDA-fractie vragen of de incassomarkt ook niet kan worden gereguleerd middels een vergunningstelsel of een (verplicht) keurmerk, vergezeld van een duidelijke en toegankelijke klachtenregeling en effectieve handhaving. Zij geven aan dat een keurmerk mogelijk veel administratieve lasten mee zou brengen en vragen of de regering een inschatting van de lasten kan geven.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke aanvullende maatregelen worden overwogen om naast het voorkomen van onredelijke incassokosten ook de kwaliteit van de betrokken organisaties en het toezicht hierop te verbeteren.

De leden van D66 vragen naar de wenselijkheid van aanvullende certificering.

Ik juich initiatieven om te komen tot een verantwoorde incassopraktijk toe. Beroepsverenigingen, zoals de Nederlandse Vereniging van Incasso-ondernemingen (NVI), kunnen daarin een belangrijke rol vervullen. Om verantwoord gedrag binnen de incassopraktijk te bewerkstelligen, heeft zelfregulering voordelen boven wettelijke regulering, zoals een vergunning of een verplicht keurmerk. Door zichzelf vrijwillig aan een keurmerk te binden, kan een ondernemer zich onderscheiden op de incassomarkt. Hij kan dan laten zien dat hij bij de uitoefening van zijn vak bepaalde kwaliteitseisen in acht neemt. Deze mogelijkheid valt weg als een keurmerk wettelijk verplicht wordt gesteld voor alle ondernemers op de incassomarkt. Ook zal bij een vrijwillige keuze om een keurmerk te dragen, de ondernemer eerder bereid zijn de gedragsregels die aan het keurmerk verbonden zijn na te leven. Hij heeft zich er immers zelf aan gebonden. Daarnaast geeft regulering door middel van een verplicht keurmerk meer regeldruk. Gedacht kan worden aan een bedrag van circa € 1 100 als kosten voor een ondernemer verbonden aan een keurmerkverlening. Ik verwacht dat de regulering van de incassokosten een belangrijke stap is om malafide praktijken in de incassobranche tegen te gaan.

Een wettelijk keurmerk geeft de schuldenaar bovendien geen garantie op het punt van de gehanteerde incassokosten. Een schuldeiser kan immers ook zelf zijn vordering op de schuldenaar innen. De voorgestelde wettelijke regeling voor de incassokosten geldt juist los van de vraag wie de vordering incasseert, dat wil zeggen zowel als de incassohandelingen door de schuldeiser zelf worden verricht, bijvoorbeeld door een interne incassoafdeling, als wanneer een derde voor de incasso van de vordering wordt ingeschakeld. Daarmee biedt de regeling een waarborg voor redelijke incassokosten ongeacht of de incassoactiviteiten worden uitbesteed.

Er is voor gekozen de incassohandelingen niet nader te regelen. De vergoeding van de incassokosten is niet gekoppeld aan de verrichte incassohandelingen. Door enkel aan te sluiten bij het verschuldigde bedrag wordt de vrijheid van schuldeisers om te bepalen welke incassohandelingen zij (laten) verrichten en op welk moment intact gelaten. Op deze wijze kunnen zij het incassotraject zelf zo efficiënt mogelijk inrichten. Een verdere regulering van de incassobranche acht ik op dit moment niet noodzakelijk.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering te bevestigen dat over een schuld van € 25 000 maximaal € 1 025 incassokosten in rekening mag worden gebracht. Voorts vragen zij of er ook een limiet geldt voor het in rekening brengen van buitengerechtelijke incassokosten boven de € 25 000.

Het klopt dat bij een schuld van € 25 000 maximaal € 1 025 als vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten in rekening mag worden gebracht. Dit volgt uit de rekenwijze die in de memorie van toelichting is opgenomen (15% over de eerste € 2500; 10% over de volgende € 2500; 5% over de volgende € 5 000 en 1% over de volgende € 15 000 van de hoofdsom van de vordering).

Voor vorderingen met een hoofdsom van ten hoogste € 25 000 is voorgeschreven hoeveel de incassokosten maximaal kunnen bedragen. Wanneer de schuldenaar een consument is, kan daar niet van worden afgeweken. Als de schuldenaar geen consument is, maar handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is afwijking alleen mogelijk als dat is overeengekomen. Voor vorderingen met een hogere hoofdsom zijn geen maximale incassokosten vastgelegd. Dit betekent dat voor deze vorderingen de norm die in artikel 6:96 BW is neergelegd, niet verder is ingekleed. Wel dienen de incassokosten nog steeds aan het vereiste te voldoen dat zij redelijk zijn. De omvang van de kosten moet redelijk zijn en de kosten moeten in redelijkheid zijn gemaakt.

De leden van de fracties van het CDA, de SGP en D66 vragen hoe groot de regering de kans acht dat door het wetsvoorstel sneller wordt overgestapt naar gerechtelijke trajecten die voor de schuldenaar vele malen kostbaarder zijn, waarbij ook de hoogte van het griffierecht van belang is. Er zou ook een extra belasting voor het gerechtelijk apparaat worden gevormd.

Ik verwacht niet dat het wetsvoorstel leidt tot een toename van het aantal incassozaken dat voor de rechter komt met daarbij een extra belasting van het gerechtelijk apparaat. Door het vastleggen van de maximale incassokosten hoeft over de hoogte van de incassokosten niet (langer) te worden geprocedeerd. Doordat er geen onredelijk hoge incassokosten in rekening worden gebracht, hoeft de schuldenaar wanneer hij de schuld zelf inhoudelijk niet betwist, het niet aan te laten komen op een gerechtelijke procedure om de rechter de incassokosten te laten matigen. Ook de rechter zal de incassokosten conform de wettelijke regeling bepalen. Er valt voor een schuldenaar in het nieuwe systeem niets te winnen maar wel veel te verliezen. De dreiging van een gerechtelijke procedure zal een stimulans zijn de vordering te voldoen. De schuldenaar zal immers de proceskosten, waaronder de griffierechten van de schuldeiser, moeten dragen. Daarnaast mag de schuldeiser niet rauwelijks dagvaarden. Hij zal wel daadwerkelijk moeten hebben geprobeerd de vordering buiten rechte te innen, voordat hij naar de rechter kan stappen.

De leden van de CDA-fractie geven aan dat zij het er volledig mee eens zijn dat de incassokosten dienen te worden beteugeld en transparanter moeten zijn. Zij vragen zich wel af of te lage incassokosten een uitnodiging kunnen vormen om betalingsverplichtingen (te) laat na te komen. Ook vragen zij of de regering meer voorbeelden kan geven van handelingen die verricht worden voorafgaand aan het geding en die vervolgens als kosten op grond van artikel 241 Rv in rekening gebracht kunnen worden.

De regeling schept duidelijkheid voor de schuldenaar hoeveel hem aan incassokosten in rekening kan worden gebracht. Zoals hierboven aangegeven zijn er geen voordelen voor de schuldenaar om de voldoening van zijn vordering uit te stellen. Aan hem wordt een termijn van 14 dagen geboden om de vordering alsnog te voldoen, zonder dat incassokosten verschuldigd zijn. Daarna zal hij de incassokosten moeten betalen.

De leden van de CDA-fractie verwijzen naar incassohandelingen die «van kleur verschieten» zodra het tot een geding komt. Ter zake van verrichtingen waarvoor de bepalingen omtrent de proceskosten een vergoeding plegen in te sluiten (art. 237–240 Rv), wordt geen vergoeding als incassokosten toegekend. Hierbij kan worden gedacht aan handelingen zoals het maken van een analyse van de zaak, het bestuderen van de feiten en het doen van een schikkingsvoorstel (vgl. HR 14 januari 2005, NJ 2007, 482, rov. 3.9). In het wetsvoorstel is geregeld dat voor vorderingen tot € 25 000 waarvoor in de amvb de maximale incassokosten zijn gegeven, de incassokosten niet meer van kleur verschieten. De vergoeding voor incassokosten blijft gelijk, ongeacht of het traject buitengerechtelijk wordt afgedaan of de zaak aan de rechter wordt voorgelegd.

De leden van de CDA-fractie en de ChristenUnie-fractie vragen naar het rapport Voor-werk II. Zij vragen de regering nader toe te lichten welke verschillen optreden bij verschillende hoogtes van een vordering, tussen het systeem gebaseerd op het rapport Voor-werk II en de nieuwe, op dit wetsvoorstel gebaseerde amvb en waarom voor een ander wettelijk systeem is gekozen dan het systeem van het rapport Voor-werk II.

De leden van de CDA-fractie wijzen daarbij op de opmerking van de Vereniging van Incasso en Procesadvocaten dat de prikkel voor schuldenaren om op tijd te voldoen mogelijk te klein blijft bij dit wetsvoorstel.

Ik heb in de regeling gekozen om de incassokosten te berekenen als een percentage van het verschuldigde bedrag. Het percentage wordt lager naarmate de hoofdsom hoger wordt. Door het gebruik van percentages wordt de vergoeding voor de incassokosten automatisch aangepast aan het bedrag van de vordering. De staffel voor incassokosten in kantonzaken in het rapport Voor-werk II kent een andere rekenwijze waarbij steeds één bedrag gekoppeld is aan vorderingen die een bepaalde waarde bestrijken, bijvoorbeeld vorderingen van € 0 tot en met € 250, vanaf € 250 tot en met € 500 etc. Zo is onder het rapport Voorwerk-II voor zowel een vordering van € 510 als een vordering van € 1 000 de vergoeding voor de incassokosten € 150, terwijl de vergoeding bij de voorgestelde procentuele berekening € 76,50 respectievelijk € 150 bedraagt. Daarnaast zal de vergoeding voor de incassokosten onder het rapport Voor-werk II € 75 bedragen voor een vordering van € 499 terwijl deze € 150 bij een vordering van € 501 bedraagt. Bij een procentuele berekening komen dergelijke verschillen niet voor waardoor een dergelijke rekenwijze meer gepast lijkt.

Wel kunnen schuldeisers zelf bepalen welk bedrag aan incassokosten op welk moment van het incassotraject is verschuldigd, zolang de wettelijke maximale incassokosten daarmee niet worden overschreden.

De leden van de fractie van het CDA en van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering nader in te gaan op de gevolgen voor niet-btw-plichtige ondernemingen.

Er wordt in de voorgestelde regeling geen onderscheid gemaakt in verschillende hoogtes van incassokosten voor het geval de schuldeiser een btw-plichtige ondernemer is en wanneer de ondernemer dat niet is. Wanneer een schuldeiser een derde inschakelt om incassohandelingen te verrichten, zoals een deurwaarder of een incassobureau, brengt deze voor zijn diensten btw in rekening bij de schuldeiser. De meeste ondernemers kunnen deze belastingkosten verrekenen. Als de schuldeiser niet btw-plichtig is, kan hij de btw niet verrekenen en zal dit een extra kostenpost voor hem zijn. Het rapport Voor-werk II kent een apart incassotarief voor het geval de btw niet kan worden verrekend. Op grond van het rapport dient de schuldeiser gemotiveerd te stellen en zonodig te bewijzen dat hij de omzetbelasting niet kan verrekenen.

In de voorgestelde wettelijke regeling voor de incassokosten wordt dit onderscheid niet gemaakt. Hiervoor is in de eerste plaats gekozen ter bevordering van de eenvoud en hanteerbaarheid van de regeling. De schuldeiser kan zelf beslissen op welke manier hij de vordering int; of hij dat zelf doet of een derde inschakelt en daardoor btw verschuldigd is. De schuldenaar staat daar buiten. Het past niet om deze kosten dan bij de schuldenaar in rekening te brengen. Daarnaast behoeft de schuldenaar niet te weten of de schuldeiser wel of niet btw-plichtig is. Omdat de regeling met name is bedoeld om duidelijkheid over de incassokosten in het buitengerechtelijke traject te brengen, zijn discussies over de vraag welk tarief van toepassing moet zijn omdat btw wel of niet verrekend kan worden, niet gewenst. Daarnaast gaat het besluit uit van een forfaitaire vergoeding, waarbij geabstraheerd is van de kosten van de daadwerkelijk door de schuldeiser verrichte incassohandelingen. Er is daarom gekozen voor één berekenwijze van de incassokosten, waarbij wordt aangesloten bij de hoofdsom van de vordering. Bij transacties tussen bedrijven kan wel een afwijkende regeling worden overeengekomen.

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat Zweden haar regelgeving specifiek heeft ingericht om spoedige betalingen te bevorderen en problematische schulden te voorkomen. De leden vragen of de regering inzicht kan verschaffen in de oplossingen waar in Zweden voor is gekozen en vragen wat Nederland mogelijk van (nog) andere landen kan leren of overnemen.

In Zweden is er een aantal regelingen die specifiek zien op het incasseren van schulden. Dit betreft een incassowet (Inkassolagen (1974:182)) waarin onder meer is bepaald dat er in beginsel een vergunning is vereist voor het incasseren van schulden voor een derde of van schulden die zijn overgenomen. De vereisten voor de vergunning zijn uitgewerkt in een verordening (Inkassoförordning (1981:956)). Op basis van een wet over de vergoeding voor incassokosten (Lag om ersättning för inkassokostnader m.m. (1981:739)) kan alleen om een vergoeding van incassokosten worden gevraagd, als dat niet later dan op het moment dat de oorspronkelijke hoofdsom verschuldigd werd, is overeengekomen. In een verordening is de maximale vergoeding voor de incassokosten uitgewerkt (Förordning om ersättning för inkassokostnader m.m. (1981:1057)).

Deze Zweedse regelgeving is van toepassing op alle schuldenaren, dat wil zeggen zowel op schulden van natuurlijke personen zoals consumenten, als op schulden van rechtspersonen, zoals bedrijven.

In het onderhavige wetsvoorstel wordt regulering van de vergoeding voor incassokosten voorgesteld. Dit sluit aan bij het Zweedse systeem, waar de maximale incassokosten wettelijk zijn vastgelegd. Ik heb er niet voor gekozen om voor de toegang tot het verrichten van incassodiensten een vergunning verplicht te stellen. Voor de redenen om hier af te wijken van het Zweedse systeem, verwijs ik naar het antwoord op de vraag die u heeft gesteld over het reguleren van de incassomarkt middels een verplicht keurmerk.

Naar aanleiding van de vraag of er in het buitenland regels zijn over de incassokosten die tot voorbeeld kunnen dienen voor Nederland, kan worden meegedeeld dat er in Oostenrijk een recht op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (naast de wettelijke rente) bestaat als deze in verhouding staat tot de vordering. Vervolgens zijn maximumbedragen vastgesteld die incasso-instellingen aan hun opdrachtgevers en aan schuldenaren in rekening mogen brengen. De relatief hoge wettelijke rente van 4% vormt een prikkel om tijdig te voldoen. In Portugal bestaan geen specifieke regels over incassokosten. In het VK moeten incassokosten transparant en redelijk zijn; zij moeten noodzakelijk en proportioneel zijn. In Finland is er een wettelijke regeling voor de incassokosten. De schuldenaar moet redelijke incassokosten vergoeden, ongeacht of de vordering wordt geïnd door de schuldeiser of een incassobureau. De redelijkheid van de incassokosten wordt onder andere beoordeeld aan de hand van de hoogte van de vordering en de omvang en efficiëntie van de incassoactiviteiten. Voor vorderingen op consumenten zijn de maximale incassokosten gereguleerd. Zo mag voor een vordering tot € 250 niet meer dan € 190 aan incassokosten worden gerekend. Voorts dienen professionele incasseerders in het bezit te zijn van een vergunning. Dat geldt niet voor de schuldeiser die zelf de vordering incasseert.

Voor regelgeving over incassokosten zal moeten worden aangesloten bij de specifieke omstandigheden van een land. Er zal moeten worden gekeken welke problemen specifiek moeten worden aangepakt en welke regeling het beste past binnen het wettelijk systeem. Het is dan ook van belang voor Nederland een regeling voor de incassokosten te treffen, die een oplossing biedt voor de problemen die in Nederland spelen met betrekking tot de incassokosten.

De leden van de CDA-fractie vragen aandacht voor het marktaandeel van de gerechtsdeurwaarders op de incassomarkt. De leden merken verder op dat ook als het gaat om buitengerechtelijke incassowerkzaamheden de toegang tot de Gemeentelijke Basisadministratie van persoonsgegevens (GBA) door gerechtsdeurwaarders zou worden gebruikt. Zij vragen of hierdoor sprake is van oneerlijke concurrentie.

Van een oneigenlijke concurrentie is in mijn ogen geen sprake. Het is juist de gerechtsdeurwaarder wiens optreden aan allerlei beperkende wettelijke regels is gebonden. De door hem uit te oefenen publiekrechtelijke macht – als openbaar ambtenaar met staatsmacht bekleed – legt een bijzondere verantwoordelijkheid op zijn schouders die verder gaat dan uitsluitend een efficiënte en snelle incasso, zoals de Commissie Van der Winkel in haar advies «Noblesse oblige» aan de Staatssecretaris van Justitie in 2009 terecht heeft geconstateerd.

Als de gerechtsdeurwaarder gelden int voor derden, dan doet hij dat anders dan de overige partijen op de incassomarkt als nevenwerkzaamheid. Desondanks is hij gebonden aan de bepalingen van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) en aan de verordeningen van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG). Hij heeft dus geen volledige vrijheid om zijn onderneming naar eigen inzicht in te richten en is ook pas bevoegd de nevenwerkzaamheden te verrichten indien de ambtelijke verrichtingen daartoe de gelegenheid bieden (artikel 20 Gdw). De strengere regels voor gerechtsdeurwaarders en het strikte toezicht daarop door het Bureau Financieel Toezicht dienen ter waarborging van de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarders en de bijzondere positie die in het rechtsbestel door gerechtsdeurwaarders wordt ingenomen.

Uit hoofde van zijn bijzondere ambtelijke taak heeft de gerechtsdeurwaarder toegang tot informatie die niet voor iedereen beschikbaar is. Het gaat hierbij met name om informatie uit de GBA en om sofinummers. Deze informatie mag alleen worden gebruikt voor het (ambtelijke) doel waarvoor de gegevens zijn opgevraagd. Het is de gerechtsdeurwaarder in beginsel niet toegestaan de uit de GBA verkregen gegevens te gebruiken ten behoeve van de uitoefening van niet ambtelijke werkzaamheden, waaronder ook de incassowerkzaamheden als bedoeld in artikel 20 Gdw. Doen gerechtsdeurwaarders dat wel, dan zijn zij daar tuchtrechtelijk op aanspreekbaar. Voorts geldt ten opzichte van de vertrouwelijke informatie een geheimhoudingsplicht.

De CDA-fractieleden en de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het wetsvoorstel ook zal gaan gelden voor het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). In dat verband wordt ook gevraagd waarom het CJIB geen lid is van de Nederlandse Vereniging van Incasso-ondernemingen (NVI). Ook de leden van de SGP-fractie vragen of dit wetsvoorstel ook betrekking heeft op de inning van verkeersboetes en andere boetes die de overheid oplegt. Indien dat niet het geval is vragen de leden hoe de normen die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen zich verhouden tot de normen die gelden voor genoemde boetes.

De regeling voor de buitengerechtelijke incassokosten zal van toepassing zijn op uit overeenkomst voortvloeiende verbintenissen tot betaling van een geldsom. Boetes die worden geïncasseerd door het CJIB vloeien niet voort uit een overeenkomst. De regeling zal dan ook niet van toepassing zijn op de punitieve inningstaken van het CJIB. Bovendien kent het CJIB eigen regelingen voor de incassokosten. Zo kan met betrekking tot het incasseren van geldboeten die bij vonnis of arrest dan wel in een strafbeschikking zijn opgelegd worden gewezen op het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten. Voor de sancties op verkeersovertredingen gelden de voorschriften in het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994.

De NVI richt zich op incassobedrijven in de private sector. Het CJIB is een uitvoeringsinstantie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en valt daarmee onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. Voor de hoogte van de incassokosten die het CJIB in rekening brengt, geldt specifieke wetgeving. Aansluiting van het CJIB bij de NVI is dan ook overbodig.

Ten slotte vragen de leden van de CDA-fractie of de regering voornemens is een redelijke implementatietermijn aan te houden.

Ik zal er rekening mee houden dat schuldeisers en bedrijven die zich hebben toegelegd op het incasseren van vorderingen tijd nodig hebben om zich in te stellen op de nieuwe regelgeving. Omdat de regelgeving ook effecten heeft voor het bedrijfsleven zullen voorts de vaste inwerkingtredingsdata van 1 januari en 1 juli in acht worden genomen. Omdat de regelgeving op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking zal treden, kan met deze aspecten rekening worden gehouden.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering het eens is met de stelling dat de incassobranche met deze voorgestelde tabel goed uit de voeten kan en niet benadeeld wordt.

Ik ga ervan uit dat de incassobranche met de wettelijke regeling uit de voeten kan. De regeling verduidelijkt welke vergoeding voor incassokosten maximaal in rekening mag worden gebracht. Dat brengt rechtszekerheid voor schuldeisers. Ook wanneer zij een derde inschakelen om de vordering te innen, staat vast wat deze derde maximaal bij een schuldenaar aan incassokosten in rekening mag brengen. De wettelijke normering voorkomt conflicten over de incassokosten, waardoor een gang naar de rechter kan worden voorkomen.

De regeling bepaalt dwingend de hoogte van de incassokosten die bij consumenten in rekening kunnen worden gebracht. Met betrekking tot vorderingen op niet-consumenten, biedt de regeling flexibiliteit. Er kunnen in dat geval afspraken worden gemaakt over de hoogte van de incassokosten. Als er niets over de incassokosten wordt overeengekomen, zal de maximale vergoeding van de incassokosten volgens de wettelijke regeling gelden.

In de wettelijke regeling worden de maximale incassokosten voorgeschreven. De manier waarop het incassotraject wordt ingekleed, wordt vrijgelaten. Dit betekent dat de schuldeiser zelf kan bepalen op welke manier hij een vordering zo efficiënt mogelijk kan incasseren. Hij kan zelf bepalen welke activiteiten hij verricht of laat verrichten door een derde – bij vorderingen op consumenten na de verplichte aanmaning – en op welk moment. Hij is slechts gebonden aan het voorschrift dat de incassokosten die bij de schuldenaar in rekening worden gebracht, de maximale kosten die volgen uit de wettelijke regeling, niet overtreffen.

De leden van de SP-fractie stellen voor om schuldeisers die te hoge incassokosten eisen een schadevergoeding te laten betalen aan de schuldeiser. De rechter zou een schadevergoeding kunnen toekennen aan de schuldenaar zodat het niet langer zal lonen te hoge incassokosten te eisen. Schuldeisers die zich niet aan de regels houden worden hiervoor min of meer «bestraft» en de regeling wordt ook daadwerkelijk effectief, aldus de leden. De leden vragen of de regering bereid is dit voorstel over te nemen.

Als een schuldeiser hogere incassokosten in rekening brengt dan is toegestaan op grond van de regeling, behoeft de schuldenaar het teveel in rekening gebrachte niet te betalen. De schuldeiser heeft daar immers geen aanspraak op. Dit is alleen anders wanneer het een vordering tussen bedrijven betreft en zij afspraken hebben gemaakt over de incassokosten. Het heeft voor de schuldeiser ook geen zin om voor de rechter hogere incassokosten te vorderen. Ook de rechter zal niet meer toewijzen dan de tarieven die op grond van de regeling zijn toegestaan. Ik kan mij wel voorstellen dat de rechter in een dergelijk geval de proceskosten voor rekening van de schuldeiser laat.

Voor een effectief resultaat van de wettelijke normering van de incassokosten is het van belang dat particulieren en bedrijven goed op de hoogte zijn van de nieuwe regeling. Zoals ik hiervoor reeds heb aangegeven, zal ik mij inzetten om de regeling onder de aandacht te brengen.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering de mening deelt dat consumenten met klachten op dit nieuwe terrein zich bij voorkeur zouden moeten melden bij bijvoorbeeld de Consumentenbond of de Consumentenautoriteit, zodat zij de bedrijven die te hoge incassotarieven in rekening brengen tot de orde kunnen roepen. Voorts vragen de leden of de formulering beter kan luiden dat bij amvb nadere regels «zullen worden gesteld». Ook vragen zij of de regering kan toezeggen dat het besluit waarin de tarieven vastliggen tegelijkertijd met de wet in formele zin in werking zal treden.

In het geval een ondernemer zich niet houdt aan de wettelijke regels omtrent incassokosten zijn er verschillende mogelijkheden om hiertegen op te treden. Wanneer er meer incassokosten in rekening worden gebracht dan op grond van de wettelijke regeling is toegestaan, hoeft de consument deze niet te betalen. Er kan geen aanspraak worden gemaakt op meer incassokosten dan op grond van de wettelijke regeling maximaal is toegestaan. Zover de in rekening gebrachte incassokosten de wettelijke maxima overstijgen, hoeven zij niet te worden voldaan. Mocht de consument de te hoge incassokosten toch hebben voldaan, dan kan hij ze als onverschuldigde betaling terugvorderen. Van belang is daarom dat er bekendheid wordt gegeven aan de nieuwe wettelijke regeling voor de incassokosten. Zoals eerder opgemerkt, zal ik daar mede zorg voor dragen.

Het is ook mogelijk dat de in rekening gebrachte incassokosten volgen uit een beding in algemene voorwaarden. Een bedrijf kan in de algemene voorwaarden hebben opgenomen hoeveel incassokosten in rekening worden gebracht als een consument niet op tijd betaalt. Wanneer vervolgens op basis van die algemene voorwaarden meer incassokosten in rekening worden gebracht dan op grond van de wettelijke regeling is toegestaan, kan de consument zelf in actie komen. Een beding dat in strijd is met de nieuwe wettelijke regels is vernietigbaar (vgl. art. 3:40 lid 2 BW). De consument kan het beding zelf vernietigen door een buitengerechtelijke verklaring of het laten vernietigen door een rechterlijke uitspraak (vgl. art. 3:49 BW). In beginsel zal de consument zich voor de rechter moeten beroepen op de vernietigingsgrond, maar het is ook mogelijk dat de rechter het beding ambtshalve terzijde stelt.

Consumenten kunnen zich ook beklagen bij een consumentenorganisatie wanneer een beding in de algemene voorwaarden strijdig is met de wettelijke regeling. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het geval dat een bedrijf nagelaten heeft een beding in de algemene voorwaarden aan te passen aan de nieuwe wettelijke regeling. Er is dan sprake van een beding in strijd met een dwingend wettelijke bepaling. Bedingen die in strijd zijn met een dwingende wetsbepaling worden ingevolge artikel 6:240 BW als onredelijk bezwarend aangemerkt. Op basis van ditzelfde artikel zouden rechtspersonen als de Consumentenbond (vgl. art. 6:240 lid 3 BW) dit beding door de rechter onredelijk bezwarend kunnen laten verklaren en een verbod op verder gebruik hiervan kunnen vragen (art. 6:241 lid 3 BW).

In geval van collectieve inbreuken op consumentenregels kan de Consumentenautoriteit op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming optreden. Ten aanzien van een overtreding van de bepalingen die zijn opgenomen in onderdeel a van de bijlage bij de Wet handhaving consumentenbescherming kan de Consumentenautoriteit door middel van een verzoekschrift de rechter vragen de inbreuken te doen beëindigen (art. 2.5 Wet handhaving consumentenbescherming). Dit betreft onder meer de bepalingen van artikel 6:231 tot en met 235 en 237 tot en met 247 BW.

Met deze twee hierboven beschreven mogelijkheden kan in voorkomende gevallen worden voorkomen dat ook in de toekomst consumenten te hoge incassokosten in rekening worden gebracht. Wanneer de algemene voorwaarden niets over de incassokosten bepalen wat in strijd is met de nieuwe wettelijke regels over incassokosten – bijvoorbeeld omdat er niets over is opgenomen of zij bepalen dat redelijke incassokosten moeten worden voldaan – maar toch met de wettelijke regeling strijdige incassokosten in rekening worden gebracht, kan op grond van de hiervoor genoemde bepalingen niet worden opgetreden. Het gaat hier immers niet om de situatie dat de algemene voorwaarden in strijd zijn met de wettelijke regeling.

Voorgesteld wordt om in de wet een grondslag op te nemen om nadere regels te stellen. Dat kan gebeuren door te bepalen dat «nadere regels worden gesteld» of, zoals in het wetsvoorstel, dat «nadere regels kunnen worden gesteld». Bij gebruik van de eerste wijze van formuleren, dient er altijd een amvb te zijn. De in het wetsvoorstel gehanteerde formulering laat echter de mogelijkheid open om de nadere regels te laten vervallen. Op die manier kan er rekening mee worden gehouden dat er niet langer behoefte bestaat aan de nadere regels en de amvb niet langer noodzakelijk is.

De amvb kan pas in werking treden als het wetsvoorstel met de grondslag voor de amvb door beide Kamers is aangenomen en in werking is getreden, eventueel kan dit tegelijkertijd. Omdat de concept-amvb voorschriften bevat die consequenties hebben voor bedrijven, zullen de vaste inwerkingtredingdata in acht worden genomen. Dit betekent dat de nieuwe regels kunnen gelden per 1 januari of 1 juli van een jaar. Ook zal aan betrokkenen voldoende tijd moeten worden gegund om zich op de nieuwe regels voor te bereiden, zoals ten behoeve van het inrichten van bedrijfsprocessen. Met al deze factoren rekening houdend, zal er naar gestreefd worden de regeling zo spoedig mogelijk in werking te laten treden.

De leden van de SP-fractie vragen voorts of voor het minimumbedrag van € 40 ook geldt dat de kosten wel daadwerkelijk moeten zijn gemaakt. Zij vragen hoe wordt voorkomen dat bijvoorbeeld energie-, water- of kabelbedrijven met het automatisch versturen van één simpel aanmaningsbriefje hiervoor de maximaal toegestane incassokosten van € 40 in rekening zullen brengen. Hoe kan de consument op eenvoudige wijze protesteren tegen deze onredelijk hoge kosten.

Indien de schuldenaar is tekort geschoten in de voldoening van een vordering, moet hij de schade die daaruit voortvloeit voldoen. De schade die dient te worden vergoed is vermogensschade en ander nadeel. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (vgl. art. 6:95 en 96 BW). Indien er geen buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, komt men helemaal niet toe aan vergoeding van kosten. Bovendien is van belang dat incassokosten bij een consument alleen in rekening kunnen worden gebracht als de schuldenaar is aangemaand en hij niet binnen 14 dagen is overgegaan tot betaling van de vordering. Indien aan deze voorwaarden niet is voldaan, behoeft de schuldenaar de incassokosten niet te betalen.

Met de forfaitaire vergoeding wordt de redelijkheidsnorm van artikel 6:96 BW ingekleurd. Dit biedt aan de schuldenaar en de schuldeiser duidelijkheid en kan een gang naar de rechter om vast te stellen of de kosten redelijk zijn, voorkomen. Met de maximering is juist beoogd te voorkomen dat onredelijk hoge kosten in rekening worden gebracht. De schuldeiser moet zelf aanspraak maken op de incassokosten. Hierdoor heeft de consument voordat hij € 40 is verschuldigd ten minste een aanmaning ontvangen en na 14 dagen een brief over de verschuldigdheid van de € 40 wanneer betaling is uitgebleven.

De leden van de SP-fractie vragen of binnen het incassotarief alle incassokosten gaan vallen. Zij vragen of de gestelde maximumtarieven kunnen worden omzeild door deze een andere naam te geven.

De regeling geeft een maximale vergoeding die mag worden gevraagd voor de kosten verbonden aan de incassohandelingen die zijn verricht, ongeacht hoe deze kosten worden genoemd.

De leden van de SP vragen zich af of in een incassotraject onderscheid kan worden gemaakt tussen mensen die niet kunnen en mensen die niet willen betalen, en of het bij betalingsonmacht nog wel zin heeft om de inning van de vordering door te zetten.

Het onderscheid tussen betalingsonmacht en betalingsonwil is op zichzelf een zinvol onderscheid dat in de incassopraktijk ook leidt tot een verschillende aanpak. Voor diegene die namens de opdrachtgever belast is met de incasso, is het daarbij een noodzaak en een uitdaging om te achterhalen of bij de schuldenaar inderdaad sprake is van betalingsonmacht. Als dat aantoonbaar het geval is – bijvoorbeeld omdat de schuldenaar zich heeft aangemeld bij de gemeentelijke schuldhulpverlening of omdat ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard – dan ligt het niet voor de hand dat een incassotraject wordt doorgezet met de bijbehorende kosten.

Indien een schuldhulpverlener bezig is om te proberen de schulden minnelijk te regelen, is het kostenverhogend en niet in het belang van de andere schuldeisers en de schuldenaar als dat traject doorkruist wordt door individuele verhaalsmaatregelen. Daarom zijn momenteel besprekingen gaande tussen de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarder (KBvG) en de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (NVVK) om te komen tot een systeem dat voor de duur van een minnelijke schuldregeling een afkoelingsperiode bewerkstelligt, gedurende welke periode de schuldhulpverlener de gelegenheid krijgt om het dossier op orde te brengen en een schuldregeling voor te stellen. De schuldeiser is hier ook bij gebaat omdat er een wederzijdse informatieverstrekking zal gelden waardoor wordt voorkomen dat er onnodige kosten worden gemaakt die bij betalingsonmacht toch niet te verhalen zijn.

Indien de schuldenaar reeds tot de schuldsaneringsprocedure is toegelaten, is de betalingsonmacht door de rechter vastgesteld (artikel 284 van de Faillissementswet). Dan is sprake van een «bevriezing» van de vordering zoals door de leden van de SP aangegeven, en geldt van rechtswege een verval van alle gelegde beslagen en een schorsing van alle verhaalsmaatregelen. Ook de wettelijke en contractueel bedongen rente is vanaf de dag van toelating niet meer verschuldigd. Een schuldeiser zal zich dan tot de door de rechtbank aangestelde bewindvoerder moeten wenden en moeten afwachten wat te zijner tijd door deze bewindvoerder uit de boedel kan worden uitgekeerd.

De leden van de fractie van D66 maken zich zorgen dat het wetsvoorstel zal resulteren in rekeningen voor schuldenaren die een volledig incassotraject veronderstellen, terwijl het mogelijk is dat debiteuren na de eerste brief betalen. De leden vragen om een nadere toelichting.

Een consequentie van een forfaitair systeem is dat daadwerkelijk gemaakte kosten niet altijd gelijk zullen zijn aan de kosten die worden vergoed. Daar staat tegenover dat wel altijd duidelijk is hoeveel maximaal aan incassokosten mag worden gevraagd, zodat daarover rechtszekerheid bestaat. Door de incassokosten te maximeren wordt voorkomen dat onredelijk hoge incassokosten in rekening worden gebracht. Van belang is dat de consument voordat hij incassokosten verschuldigd is, dient te worden aangemaand. Op die manier heeft hij 14 dagen om de vordering alsnog te voldoen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de aangekondigde maximale vergoedingen voor de incassokosten een kwalitatief goede en zorgvuldige behandeling van de incasso’s voldoende waarborgt.

Het wetsvoorstel beoogt onredelijk hoge incassokosten tegen te gaan. Hiertoe wordt wettelijk vastgelegd wat als maximale vergoeding van de schuldenaar mag worden gevraagd. Hiermee wordt zowel aan de schuldenaar als aan de schuldeiser duidelijkheid verschaft. Er is niet gekozen voor een regeling waarbij wordt voorgeschreven welke incassohandelingen verricht moeten worden, afgezien van de aanmaning in het geval de schuldenaar een consument is. Dit biedt ruimte aan de schuldeiser om het incassotraject zo efficiënt mogelijk in te vullen. Door de incassokosten te normeren als forfaitair percentage van de hoofdsom van de vordering dienen in het ene geval meer handelingen te worden verricht om een vordering te innen dan in het andere geval, terwijl dezelfde vergoeding daar tegenover staat. Dat is de consequentie van het systeem. Het systeem biedt daardoor wel rechtszekerheid, waardoor een gang naar de rechter voorkomen kan worden. Ik verwacht dat ik met de voorgestelde regeling een balans heb gevonden tussen de belangen van de schuldeiser en de schuldenaar.

De leden van de fracties van de ChristenUnie en D66 vragen in hoeverre het wetsvoorstel zal leiden tot administratieve gevolgen voor bedrijven, omdat bedrijven genoodzaakt worden om algemene voorwaarden of contractvoorwaarden aan te passen.

Ten eerste merk ik op dat bedrijven altijd rekening moeten houden met nieuwe regelgeving en moeten nagaan of hun handelen daarmee in overeenstemming is. Dit is een onderdeel van de bedrijfsvoering. Voor transacties met consumenten moeten bedrijven zorgen dat hun algemene voorwaarden in overeenstemming zijn met de wettelijke regeling, bijvoorbeeld door op te nemen dat voor vorderingen tot € 25 000 de wettelijke maxima gelden. Voor vorderingen van bedrijven op bedrijven geldt dat zij de algemene voorwaarden alleen dienen aan te passen indien deze afwijken van de wettelijke regeling en de bedrijven deze daarmee in overeenstemming willen brengen.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering de opvatting van enkele belanghebbenden deelt dat de voorgestelde wettelijke normen lager zijn dan de normen van Voor-werk II. Zij vragen waarom hiervoor is gekozen en of het klopt dat het huidige minimumtarief ongeveer € 65 is.

De voorgestelde regeling gaat uit van een andere berekenwijze van de vergoeding voor de incassokosten dan het rapport Voor-werk II. Hierdoor kan de vergoeding lager uitvallen dan de vergoeding op basis van dat rapport. Op grond van het rapport Voor-werk II mag voor vorderingen tot maximaal € 250 een bedrag van € 37 aan incassokosten in rekening worden gebracht. Ik heb begrepen dat een minimumtarief van ongeveer € 65 in de praktijk wordt toegepast door incassobureaus die zijn aangesloten bij de NVI. NVI-leden kunnen op basis van hun gedragscode de incassokosten bij de debiteur in rekening brengen, zoals die tussen de leverancier en de debiteur zijn overeengekomen. Indien zij niets zijn overeengekomen, zal het NVI-lid maximaal de tarieven van Voor-werk II in rekening kunnen brengen en mag zij die verhogen met € 25 voor inname van het dossier. Zou een incassozaak voor de rechter komen en past deze het rapport Voor-werk II toe, dan zal geen € 25 extra in rekening mogen worden gebracht, maar past hij uitsluitend de bedragen uit het rapport Voor-werk II toe.

2. Adviezen

De leden van de fractie van D66 vragen deze leden of middels een benchmark objectief kan worden vastgesteld of het minimumbedrag van € 40 adequaat is.

Het is mogelijk dat er gevallen zijn waarin het bedrag van € 40 niet toereikend is om alle handelingen om de incasso te doen slagen te dekken. De ene keer zullen er meer incassohandelingen moeten worden verricht om een schuldenaar tot betaling over te laten gaan dan een andere keer. Dat is de consequentie als wordt gekozen voor een forfaitair tarief. Daar staat tegenover dat de regeling tot gevolg heeft dat duidelijk is wat er maximaal aan incassokosten kan worden gevraagd. Dat kan een gang naar de rechter voorkomen.

De leden van de D66-fractie wijzen op de maatschappelijke functie die incassobureaus vervullen en dat deze functie niet naar behoren kan worden uitgevoerd zonder verantwoordelijkheid.

Met de wettelijke normering van de incassokosten wordt een deel van de verantwoordelijkheid uit handen genomen; voor vorderingen tot € 25 000 op consumenten wordt voorgeschreven wat redelijke incassokosten zijn. Daarnaast blijven de incassobureaus een eigen verantwoordelijkheid behouden hun werkzaamheden op een verantwoorde wijze uit te oefenen. Ook de bedrijven die incassobureaus inschakelen hebben daarbij als opdrachtgever een verantwoordelijkheid. Dit kan weer een stimulans vormen voor ondernemers om zich door middel van een verantwoorde werkwijze te onderscheiden op de incassomarkt.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om een toelichting op de opmerkingen een aanbevelingen die in de consultatie over het voorontwerp zijn gemaakt. Ook vragen zij tot welke aanpassingen deze van het wetsvoorstel of de voorgestelde amvb hebben geleid.

Er zijn verschillende reacties op het voorontwerp ontvangen. Over het algemeen is steun uitgesproken voor regulering van de incassokosten en de duidelijkheid die daarmee geboden wordt. Er zijn verschillende voorstellen gedaan ter aanpassing van de ontwerpregeling.

Zo is opgemerkt dat het minimumbedrag van € 40 te hoog, dan wel te laag is. Daarbij is ook een verband gelegd met de (on)mogelijkheid om de vaste incassokosten nog te toetsen op redelijkheid. Voorts is opgemerkt dat de vergoeding van de incassokosten (en de percentages om deze te berekenen) te hoog of juist te laag is. Ook is erop gewezen dat de grens van € 25 000 niet logisch is, dat de normering zich niet tot vorderingen tot dat bedrag zou moeten beperken maar alle vorderingen zou moeten dekken en dat er een onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen vorderingen op consumenten en vorderingen tussen bedrijven onderling.

Er is voor gepleit duidelijk te maken welke incassohandelingen moeten worden verricht om recht te hebben op een vergoeding en te verduidelijken vanaf welk moment incassokosten verschuldigd worden. Ook is voorgesteld schuldenaren nog een laatste kans te bieden de vordering te voldoen zonder dat incassokosten verschuldigd worden. Verder is opgemerkt dat een schuldeiser geen recht zou moeten hebben op een vergoeding voor zijn eigen incassohandelingen, maar dat een vergoeding pas verschuldigd is als een derde wordt ingeschakeld voor de incassowerkzaamheden.

Er zijn afkeurende en instemmende opmerkingen gemaakt om voor de berekening van de incassokosten aan te sluiten bij de hoofdsom van de vordering. Daarbij werd ook de hoogte van de incassokosten betrokken. Er is kritiek geuit op de voorgestelde regeling omtrent meerdere vorderingen op dezelfde schuldenaar. Ook is er gepleit voor verdere regulering van de incassobranche, door het voorschrijven van een keurmerk. Daarnaast is ook steun uitgesproken voor het aansluiten bij het verschuldigde bedrag en niet bij de incassohandelingen. Er zijn opmerkingen gemaakt over de consequenties van niet-naleving van de regeling, zoals het gevolg van nietigheid van met de regeling strijdige bepalingen. Ook zijn er tekstuele suggesties gedaan, zoals te verduidelijken dat incassokosten in een gerechtelijke procedure niet «van kleur verschieten».

Het wetsvoorstel is ten opzichte van het ambtelijk voorontwerp veranderd door de verduidelijking dat buitengerechtelijke incassokosten niet «van kleur verschieten» als het tot een gerechtelijke procedure komt (art. 6:96 BW en art. 241 Rv). Middels de nota van wijziging zal er in de regeling een onderscheid worden gemaakt tussen vorderingen op consumenten en op bedrijven. Met betrekking tot consumenten worden de maximale incassokosten dwingend voorgeschreven. Met betrekking tot bedrijven geldt de wettelijke regeling tenzij partijen overeenkomen daar van af te wijken. Ook wordt middels de nota van wijziging in het wetsvoorstel opgenomen dat er een aanmaning dient te worden verstuurd zodat de schuldenaar nog binnen 14 dagen de tijd heeft de vordering te voldoen zonder dat incassokosten verschuldigd worden. Zoals hierboven is toegelicht geldt dit voorschrift in verband met Europese regelgeving alleen als de schuldenaar een consument is. Ook wordt voorgesteld dat wanneer de schuldeiser meerdere vorderingen op de schuldenaar heeft en hij deze wil incasseren middels één aanmaning, hij de vergoeding voor de incassokosten moet berekenen aan de hand van het totaal van de hoofdsommen van die vorderingen. Daarnaast zijn in het wetsvoorstel enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd.

In het concept-besluit is de regeling omtrent meerdere vorderingen van een schuldeiser op dezelfde schuldenaar komen te vervallen. Deze is vervangen door de hierboven genoemde regeling in het wetsvoorstel die geldt wanneer er één aanmaning wordt gebruikt voor meerdere vorderingen op een consument. Het voorschrift dat de regeling van toepassing is op vorderingen tot € 25 000, is behouden.

II ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

De leden van de SGP-fractie vragen naar de onderlinge verhouding van de begrippen incassokosten, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Ook vragen zij of er een risico is dat kosten anders benoemd zullen worden, zodat de voordeligste regeling van toepassing kan zijn. Ten slotte vragen zij onder welke noemer de inning van de rekening en de onkosten valt als de procedure bij de rechter eenmaal is afgerond.

Op grond van artikel 6:96 BW komen voor vergoeding mede in aanmerking redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Het gaat om kosten die worden gemaakt om een vordering te innen voordat een zaak (eventueel) aanhangig wordt gemaakt bij de rechter: buitengerechtelijke incassokosten. Proceskosten worden gemaakt in het kader van een geding. Hieronder kunnen onder meer kosten vallen voor griffierechten en rechtsbijstand. De rechter kan een partij veroordelen de kosten van de tegenpartij te betalen (vgl. art. 237–240 Rv).

Alle handelingen die worden verricht ten behoeve van het buitengerechtelijk innen van de vordering vallen onder de regeling, ongeacht hoe deze worden aangeduid. Ook wanneer een schuldeiser verschillende termen voor de handelingen hanteert, zoals administratiekosten en registratiekosten, mag het totaal van deze kosten voor buitengerechtelijke handelingen het wettelijke maximum niet te boven gaan.

In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is een regeling opgenomen omtrent de kosten die na de uitspraak zijn ontstaan, de nakosten. Op grond van artikel 237 lid 4 Rv worden de nakosten op verzoek van de partij in het voordeel van wie een kostenveroordeling is uitgesproken, begroot door de rechter. De rechter geeft daarvoor een bevelschrift af.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


XNoot
1)

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl