Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 maart 2014
Bij brief van 6 februari 2014 (Kamerstuk 32 376, nr. 41) heeft het kabinet uw Kamer geïnformeerd over het te laat indienen van het verzoekschrift
tegen het Uitvoeringsbesluit1 van de Europese Commissie van 18 juli 2013 over de liberalisering van het internationaal
personenvervoer. Hierdoor is het verzoekschrift niet-ontvankelijk. Het besluit van
de Commissie is definitief. Gegeven het overschrijden van de indieningtermijn restte
Nederland niets anders dan het verzoekschrift in te trekken.
Op 12 februari 2014 ontving ik een verzoek van uw Kamer om de consequenties hiervan
te vernemen. Dit betreft specifiek de consequenties in relatie tot de onderhandse
gunning van de geïntegreerde vervoerconcessie voor het hoofdrailnet aan NS voor de
periode 2015 tot en met 2024.
Nederland blijft van mening dat de Commissie een onrechtmatig besluit heeft genomen.
Nederland blijft van mening dat de Commissie alleen specifieke maatregelen van nationale
autoriteiten buiten werking kan stellen, en geen (onderdelen van) algemeen geldende
wetgeving. Het kabinet verkent thans de resterende mogelijkheden om de door Nederland
in haar verzoekschrift aangevoerde bezwaren tegen de bevoegdheid van de Commissie
met betrekking tot dit Besluit verder te brengen. Dit vindt plaats in samenwerking
met andere lidstaten, die eveneens bezwaren hebben tegen de visie van de Commissie.
Consequenties Uitvoeringsbesluit
Het Uitvoeringsbesluit leidt niet tot een belemmering van de ingeslagen koers om de
geïntegreerde vervoerconcessie voor het hoofdrailnet inclusief HSL-Zuid treindiensten
onderhands te gunnen.
Anders dan het binnenlands personenvervoer per spoor is het internationaal personenvervoer
per spoor binnen de EU reeds geliberaliseerd. Het Uitvoeringsbesluit van de Europese
Commissie ziet op de voorwaarden waaronder internationaal personenvervoer per spoor
kan plaatsvinden. Als gevolg van het Uitvoeringsbesluit zijn twee artikelen in het
Besluit Liberaliseringsrichtlijn sinds 22 juli 2013 buiten werking gesteld. Dit betreft
de omschrijvingen van de begrippen «hoofddoel van het internationale personenvervoer»
en «verstoring economisch evenwicht». Het is nu aan ter zake bevoegde instanties (ACM
en rechter) om hier in concrete gevallen mee om te gaan. Het toetreden van een vervoerder
die internationaal personenvervoer per spoor aanbiedt kan gevolgen hebben voor de
reeds bestaande treindiensten. Indien nodig zal ik de consequenties evalueren2.
Het is niet mogelijk vooraf te concluderen welke internationale treindiensten welk
exact treinpad zullen krijgen toebedeeld. Dit is afhankelijk van de uitkomsten van
het proces van capaciteitsverdeling op het spoor, dat op non-discriminatoire wijze
wordt uitgevoerd door ProRail. De uitgangspunten in het Besluit capaciteitsverdeling
hoofdspoorweginfrastructuur zijn leidend.
In de nieuwe geïntegreerde vervoerconcessie voor het hoofdrailnet wordt, conform mijn
brief van 27 september 20133, vastgelegd welke internationale (hogesnelheids-)treindiensten NS in samenwerking
met partnervervoerders zal uitvoeren. De voorwaarde hiervoor is, zoals hierboven genoemd,
dat de benodigde infrastructuurcapaciteit wordt toegewezen. Zoals ook geadviseerd
in het rapport Capaciteitsverdeling op het spoor van 2 september 20134 en met uw Kamer besproken op 12 september 20135, wordt momenteel bestudeerd hoe ProRail kan omgaan met conflicterende aanvragen voor
grensoverschrijdend (hogesnelheids)personenvervoer.
Ten slotte
Op grond van Richtlijn 2012/34 worden op dit moment besprekingen gevoerd over het
opstellen van nieuwe cabotageregels voor internationale personenvervoerdiensten per
spoor op Europees niveau (middels een zogenaamde Uitvoeringsverordening). Deze regels
moeten uiterlijk eind 2016 worden vastgesteld en hebben tot doel een Europees gelijk
speelveld te creëren. De Europese Commissie heeft reeds een voorstel gedaan voor een
Uitvoeringsverordening. Besluitvorming over deze Uitvoeringsverordening is voorzien
eind 2014. Nederland grijpt deze discussie op weg naar deze besluitvorming aan om
de nieuwe cabotageregels zoveel mogelijk naar Nederlandse wensen aan te passen.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
W.J. Mansveld