Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201632201 nr. 81

32 201 Herziening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid

Nr. 81 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 maart 2016

Tijdens het Algemeen Overleg Visserij van 2 maart 2016 heb ik u toegezegd op een drietal onderwerpen schriftelijk nader in te gaan. Dit betreft:

  • De wijze waarop het toezicht op de aanlandplicht is opgebouwd.

  • Welke maatregelen uit het aalbeheerplan voor Nederland het meest effectief zijn, ook in relatie tot maatregelen voor andere lidstaten.

  • Een te voeren gesprek met visserijbedrijf Klop over de zorgpunten met betrekking tot het concept-controleprotocol die zijn benoemd in mijn brief van 1 maart jl. (Kamerstuk 29 675, nr. 183). Ik heb u daarnaast toegezegd om mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een nadere uiteenzetting te geven over de voorwaarden die het kabinet stelt voor een eventuele visserij op vervuilde wolhandkrab zoals door het visserijbedrijf wordt voorgesteld.

Met deze brief kom ik tegemoet aan deze toezeggingen.

Daarnaast heb ik u in het AO Landbouw- en Visserijraad toegezegd in deze brief ook in te gaan op de Nederlandse inbreng op de publieke consultatie over de controleverordening die door de Europese Commissie is uitgezet. Ik heb de brief aan de Europese Commissie daarom als bijlage toegevoegd1.

De belangrijkste verbeterpunten die Nederland aandraagt zijn het vergroten van het gelijke speelveld, met name daar waar de invloed van de rol van de verschillende regio’s in het nieuwe Gemeenschappelijke Visserijbeleid is vergroot. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de controle op de aanlandplicht.

Handhaving aanlandplicht

Het handhavingsbeleid van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) voor de aanlandplicht in de demersale sector heeft een geleidelijk opbouwende aanpak. Het puntensysteem uit de controleverordening, dat in beheer is bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl), treedt zoals bekend pas vanaf 1 januari 2017 in werking. Tot die tijd is er sprake van een overgangsperiode.

In het eerste half jaar van 2016 wordt richting vissers informerend opgetreden, met nadruk op educatie en op het voeren van de dialoog over hoe de visser omgaat met de aanlandplicht. Waar nodig zal de NVWA werken met officiële waarschuwingen. Dit sluit natuurlijk niet uit dat bij zware en zeer evidente overtredingen wel direct opgetreden kan worden. De opbouwende aanpak van toezicht betekent geen uitstel op de verplichting tot naleving. In de volgende fase, de tweede helft van dit jaar, zal worden gehandhaafd en kan dus bij overtredingen proces-verbaal volgen; punten worden echter nog niet toekend. Vanaf 1 januari 2017 zullen, conform de controleverordening, bij ernstige inbreuken punten worden toegekend.

Registratiesysteem

Tijdens het algemeen overleg is ook gerefereerd aan het systeem voor registratie van bijvangst. Zoals ik u eerder heb aangegeven, werkt de NVWA inderdaad aan een nieuw logboek. Maar voor de tussentijd werkt de NVWA met een door de Europese Unie goedgekeurd systeem waarin over bijvangsten gerapporteerd kan worden. De pelagische sector werkt al sinds januari 2015 met deze systematiek en ook andere landen hanteren deze manier van registreren. Ook daar moeten systemen nog definitief worden gemaakt. De Nederlandse werkwijze, waarbij overboord gegooide bijvangsten in het bestaande logboeksysteem worden ingevoerd, voldoet nu en is internationaal afgestemd. Op dit moment kunnen alle vissers bijvangsten registreren zoals de regelgeving ook van hen vraagt.

Voorbereiding 2017

De voorbereiding voor de infasering van de aanlandplicht vindt op dit moment plaats. Lidstaten moeten vóór 1 juni 2016 gezamenlijke aanbevelingen indienen bij de Europese Commissie over de aanvullende infasering voor 2017, over eventueel gewenste uitzonderingen en over aanvullende bepalingen (bijvoorbeeld over het documenteren van de vangsten). De Europese Commissie zal op basis hiervan een teruggooiplan via een gedelegeerde handeling vaststellen. De regionale adviesraden worden hierbij geconsulteerd volgens de procedure in de basisverordening. De Nederlandse sector wordt goed betrokken bij de voorbereiding.

Effectieve aalbeheermaatregelen

Tijdens het algemeen overleg is gevraagd welke maatregelen uit het aalbeheerplan voor Nederland het meest effectief zijn en welke maatregelen voor andere lidstaten. Ook is gevraagd of de maatregelen tussen de lidstaten zijn vergeleken.

De beheermaatregelen van het Nederlandse aalbeheerplan zijn:

  • Jaarlijks gesloten aalvisseizoen van 1 september tot 1 december;

  • Verbod op de recreatieve visserij met beroepsvistuigen;

  • Terugzetten van aal door sportvissers;

  • Sluiten van de visserij in de belangrijkste grote rivieren (dioxinevervuiling);

  • Stoppen van uitgeven van peurvergunningen op Staatswateren;

  • Oplossen van migratieknelpunten bij sluizen, gemalen en andere kustwerken;

  • Aangepast turbinebeheer bij de drie grote waterkrachtcentrales;

  • Visserijvrije zones in gebieden die belangrijk zijn voor aalmigratie;

  • Uitzet van glas- en pootaal;

  • Onderzoek naar het kweken van aal in gevangenschap.

In Nederland is het effect van deze maatregelen niet apart geëvalueerd, maar is het totaaleffect van alle maatregelen bekeken. Uit de evaluatie die ik u bij brief van 18 juni 2015 heb toegezonden (Kamerstuk 29 664, nr. 125), blijkt dat de maatregelen uit het Nederlands aalbeheerplan vanaf 2009 hebben geleid tot een substantiële teruggang van sterfte door menselijk handelen. Deze reductie is voornamelijk het gevolg van beperkingen van de visserij (recreatief en beroep). Ten opzichte van de eerste evaluatie is een aanvullende lichte daling in sterfte waarneembaar (Evaluatierapporten Nederlands Aalbeheerplan 2012 resp. 2015 IMARES).

De oorzaken van sterfte van aal verschillen per lidstaat. Daarom heeft elke lidstaat zijn eigen pakket aan beheermaatregelen samengesteld. Zo zal het bijvoorbeeld bij de ene lidstaat het meest effectief zijn de visserij te reduceren en het bij de andere lidstaat effectiever zijn de migratieknelpunten op te lossen. Hierdoor zijn de maatregelen van de verschillende lidstaten onderling moeilijk te vergelijken en is het ook moeilijk om generieke beheermaatregelen op te leggen. De meeste beheermaatregelen zijn gericht op beperkingen van de beroepsvisserij en recreatieve visserij, gevolgd door maatregelen rond waterkrachtcentrales en migratiebarrières (bijvoorbeeld gemalen), uitzet van glasaal, habitatverbetering, en controle van predatoren. Ook bij de andere lidstaten zijn de verschillende maatregelen niet apart geëvalueerd.

In bijna alle lidstaten, waaronder de ons omringende lidstaten zoals Duitsland, is het beperken van de visserij opgenomen in het aalbeheerplan. Bij de evaluatie door ICES (2013) – gebaseerd op expert judgement – is geconcludeerd dat ook bij de andere lidstaten de beheermaatregelen gericht op het verminderen van de visserij het meeste effect op de korte termijn hebben.

Zoals aangegeven in de brief van 6 december 2013 (Kamerstuk 32 201, nr. 67) is het streefbeeld voor aal in Nederland volgens de Commissie Rabbinge juist bepaald maar is het streefbeeld in andere lidstaten, zoals Duitsland, waarschijnlijk onderschat. Nederland zet zich op Europees niveau in om via een eenduidige manier van het bepalen van het streefbeeld te komen tot een gelijk speelveld.

Voor de evaluatie in 2015 is door ICES voor de toestand van de aalpopulatie in de verschillende lidstaten een bubbelplot gemaakt (bijlage 1)2. Op de horizontale as staat de biomassa uittrekkende schieraal en op de verticale as de totale door menselijk handelen veroorzaakte mortaliteit (visserij, barrières, waterkrachtcentrales etc.). In de figuur is te zien dat nog veel lidstaten (waaronder Nederland) in het rode gebied (gevarenzone) zitten. De status van de Europese aal blijft dus kritisch, er is nog altijd een hoge sterfte en een lage biomassa aan uittrekkende schieraal. Nederland wijkt hierin niet af van de andere lidstaten.

Pilot wolhandkrab visserijbedrijf Klop

Het overleg met het visserijbedrijf heeft op donderdag 10 maart jl. plaatsgevonden in aanwezigheid van ambtenaren van het Ministerie van VWS en het Ministerie van Economische Zaken inclusief RVO.nl en de NVWA. Daarbij is aangegeven dat het uitgangspunt van het kabinet is dat het controleprotocol de noodzakelijke garanties biedt dat de kans op het in de handel brengen van met dioxine vervuilde wolhandkrab en aal voldoende wordt uitgesloten. Dit is van belang vanwege de lage nalevingsbereidheid van de sector zowel, binnen het gesloten gebied als daarbuiten. Daarom is het cruciaal dat fraude binnen het vangstregistratiesysteem wordt voorkomen en risico’s voor de volksgezondheid door middel van een betrouwbaar en sluitend systeem worden gewaarborgd. 


Dat is op dit moment niet het geval. Voordat er besloten kan worden over een eventuele visserij op vervuilde wolhandkrab in het gesloten gebied moet het visserijbedrijf aantonen dat de door SGS aangegeven knelpunten in het door haar opgestelde controleprotocol zijn opgelost. Het visserijbedrijf beaamde dit in het gesprek. Ook het bedrijf wil eerst duidelijkheid hebben over de acceptatie van de visserij- en transportfase, voordat het verder wil met het testen van een verwerkingsfase. Zoals in eerdere communicatie met het visserijbedrijf is aangegeven, zal daarnaast het privaatrechtelijke toezicht plaats moeten vinden door een op basis van ISO-norm 17020 geaccrediteerde instelling om zodoende onafhankelijkheid en consistentie ten opzichte van derden te garanderen. Het werken met deze ISO-accreditering is een gebruikelijke norm voor inspectiebedrijven.

Specifiek is het visserijbedrijf gevraagd het protocol dusdanig aan te passen dat wordt voldaan aan de volgende punten:

  • Het privaatrechtelijk toezicht wordt uitgevoerd door een ISO 17020 geaccrediteerde inspectie instelling.

  • De garantie dat gegevens in het vangstregistratiesysteem voor een bepaalde minimumperiode worden bewaard, inclusief de garantie dat de NVWA onbeperkt toegang heeft tot deze gegevens, ook na afloop van de visserij en verwerking.

  • Het ontwikkelen van een werkprotocol waardoor frauduleuze registraties in het vangstregistratiesysteem worden voorkomen en cross-checks worden ingebouwd. Er moet een aantoonbare relatie zijn tussen de goederenstroom en de administratie.

  • Aanpassen van marges op uitvaartijden opdat deze haalbaar en werkbaar zijn voor de visser en inspecteurs.

  • Bepalen en vaststellen van de conversie tussen nat gewicht van de netten met de wolhandkrabben tijdens de vangst/los-fase en het droog gewicht van deze netten, wanneer deze bij ontvangst door de verwerker worden gewogen.

Er kan pas een deskundig oordeel worden geven over de risico’s in de vangst- en transportfase als bovenstaande verbeterpunten zijn verwerkt en met voldoende data is aangetoond hoe het verbeterde protocol in de praktijk werkt.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

Bijlage 1

Het voor aal aangepaste ICES voorzorgsdiagram waarin schematisch de toestand van de aalpopulatie uitgedrukt in de biomassa uittrekkende schieraal (horizontale as) en de impact van menselijk handelen (verticale as) wordt weergegeven in relatie tot management (EU aalverordening) referentiepunten. De grafiek geeft de toestand aan van de aalpopulatie in de verschillende EU lidstaten en voor de aalpopulatie in zijn geheel («SUM» = toestand gehele aalpopulatie gebaseerd op de gerapporteerde indicatoren van de lidstaten) in 2014. SPR = percentage uittrekkende schieraal per glasaal, een maat voor het weergeven van sterfte door menselijk handelen (ICES WGEEL 2015).


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.