Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2018-201932168 nr. L

32 168 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met de introductie van DNA-verwantschapsonderzoek en DNA-onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van het onbekende slachtoffer en de regeling van enige andere onderwerpen

L BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 maart 2019

Hierbij bied ik u aan de evaluatierapporten «Lepelen met een vork1, Evaluatie van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden», in opdracht van het WODC verricht door Bureau Ateno en het evaluatierapport «Evaluatie DNA-verwantschapsonderzoek»2, in opdracht van het WODC verricht door Pro Facto.

Tijdens het Algemeen Overleg met de Commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer op 9 februari 2017 inzake DNA-onderzoek in strafzaken heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (de Wet DNA-V) in 2018 te evalueren en daarin onder andere te laten bezien hoe de verbeterslagen op het gebied van afname van celmateriaal van veroordeelden hebben uitgewerkt.3 Ook zei hij in dat overleg toe dat onderzocht zou worden of in de wetgeving van drie eerder onderzochte landen, waaronder Engeland en Wales4, inmiddels wijzigingen zijn aangebracht die relevant zijn voor een eventuele andere vormgeving van de afname van celmateriaal van veroordeelden in Nederland, en om aan de hand daarvan te beoordelen of wetswijziging nodig c.q. mogelijk is.

Door middel van deze evaluatie wordt tevens tegemoetgekomen aan de versnelde oplevering van deze evaluatie waar de motie van het lid Van der Staaij (SGP) van de Tweede Kamer van 4 juli 20185 om vraagt. Ook wordt hiermee de toezegging van mijn ambtsvoorganger tijdens het Vragenuur van 3 oktober 20176 gestand gedaan om in de evaluatie van de Wet DNA-V tevens aandacht te besteden aan de situatie in het Verenigd Koninkrijk en te bezien wat hun aanpak oplevert en of dit ook in Nederland toepasbaar is.

De evaluatie van de regeling DNA-verwantschapsonderzoek is bij de invoering van de Regeling DNA-verwantschapsonderzoek in 2011 aan de Eerste Kamer toegezegd en kon in 2017 worden ingepast in de onderzoeksprogrammering voor 2018 van het WODC.

De evaluatie van de Wet DNA-V heeft diverse inhoudelijke raakvlakken met andere actuele vraagstukken op het terrein van DNA-V. Het gaat hierbij om:

  • mijn toezegging7 gedaan naar aanleiding van de motie van het lid Van der Staaij c.s. in het debat met de Tweede Kamer op 4 juli 20188 om in afwachting van de uitkomsten van de evaluatie alvast scenario’s uit te werken met betrekking tot conservatoire afname van celmateriaal9 bij verdachten voorafgaand aan hun eventuele veroordeling;

  • het rapport van de procureur-generaal bij de Hoge Raad (verschenen november 2018) «DNA van veroordeelden, over de uitvoering van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden door het Openbaar Ministerie10», en

  • het eindrapport van de heer Hoekstra met betrekking tot de aanpak van verwarde personen, dat begin april aanstaande zal verschijnen.

Vanwege de onderlinge samenhang tussen deze verschillende rapporten wil ik een integrale beleidsreactie opstellen. Daarin zal ik ook ingaan op de stand van zaken van de actiepunten uit mijn eerdere beleidsreactie op de rapportage «Tweede Onderzoek Verbeterprogramma Maatschappelijke Veiligheid OM. Vervolgonderzoek naar uitvoering maatregelen DNA-afname bij veroordeelden en executie van vrijheidsstraffen» van de Inspectie van Justitie en Veiligheid van juni 201811. Verder zal ik in deze beleidsreactie ingaan op mijn bevindingen ten aanzien van een eventueel mogelijk gebruik van oude bloedmonsters12 die bij het NFI liggen opgeslagen13en op de evaluatie DNA-verwantschapsonderzoek.

De bevindingen uit de evaluaties en andere rapporten zal ik bespreken met de betrokken organisaties alvorens met een beleidsreactie te komen. Ik stuur de integrale beleidsreactie de eerste helft van juni 2019 aan beide kamers van de Staten-Generaal toe. Ten behoeve van de inzichtelijkheid doe ik u als bijlage bij deze brief een tijdbalk14 toekomen tot aan het moment van verzending van de beleidsreactie.

In verband met de evaluatie van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (de Wet DNA-V) stuur ik een gelijkluidende brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffie nr. 157960.01.

X Noot
2

Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffie nr. 157960.01.

X Noot
3

Kamerstukken II 2016/17, 31 415, nr. 15, p. 16.

X Noot
4

Vgl. ook Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 7, item 4.

X Noot
5

Kamerstukken II 2017/18, 29 279, nr. 450.

X Noot
6

Vragenuur 3 oktober 2017, nr. 7, item 4.

X Noot
7

Handelingen II 2017/18, nr. 102, item 19, p. 6.

X Noot
8

Zie supra noot 2

X Noot
9

Handelingen II 2017/18, nr. 102, item 19, p. 6.

X Noot
10

Kamerstukken II 2018/19, 31 415, nr. 21.

X Noot
11

Kamerstukken II 2017/18, 29 279, nr. 446.

X Noot
12

Vragenuur 3 oktober 2017, nr. 7, item 4.

X Noot
13

Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 107, item 5.

X Noot
14

Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffie nr. 157960.01.