Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201832156 nr. 92

32 156 Monumentenzorg

34 775 VII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2018

Nr. 92 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 28 juni 2018

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van 22 december 2017 over de stand van zaken van de toezegging inzake het beleid van gemeenten bij verzoeken tot berging van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog (Kamerstukken 32 156 en 34 775 VII, nr. 83) en over de vragen en antwoorden terzake van de leden Van Haga (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 1199) en de leden Van der Molen en Van der Graaf (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 1198) over de TV-uitzending «Liever dood dan vermist».

De vragen en opmerkingen zijn op 27 juni 2018 aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van 27 juni 2018 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Ziengs

De waarnemend griffier van de commissie, Hendrickx

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister

De leden van de fracties van VVD, CDA en ChristenUnie onderkennen de wens van nabestaanden dat geallieerde piloten en bemanningsleden die in de Tweede Wereldoorlog om het leven zijn gekomen een officieel graf krijgen. Deze leden hebben grote waardering voor het werk van de Stafofficier Vliegtuigberging en de Bergings- en Identificatiedienst Koninklijke Landmacht (BIDKL), maar ook voor de inzet van historische onderzoekers die daaraan bijdragen. Deze leden onderschrijven het standpunt van de Minister, dat het niet realistisch is alle vliegtuigwrakken te bergen. Heeft de Minister een overzicht van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog, waarvan berging gewenst is? De leden van de D66-fractie vinden het van belang allereerst een beeld te krijgen van de omvang van het probleem. Kan de Minister de Kamer informeren over het aantal niet geborgen vliegtuigwrakken in Nederland met (vermoedelijk) stoffelijke resten?

Antwoord: Ik heb geen landsdekkend overzicht voorhanden van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog waarvan berging gewenst is. In ongeveer 400 van de zich in Nederland en zijn territoriale wateren bevindende wrakken zijn waarschijnlijk nog stoffelijke resten van bemanningsleden aanwezig (Circulaire Vliegtuigberging, Stcrt. 2016, nr. 54987). Van een groot deel daarvan wordt na analyse door de Studiegroep Luchtoorlog 1939–1945 aangegeven dat een eventuele berging van de vermisten als niet-kansrijk moet worden beschouwd.

Omdat particulieren waardevolle bijdragen leveren aan delen van het historisch onderzoek, ligt het in de rede waar mogelijk met hen samen te werken. Naar de inzichten van de Studiegroep Luchtoorlog 1939–1945 is het aantal toestellen waarvan met enige mate van zekerheid stoffelijke resten van vermisten zouden kunnen worden aangetroffen ongeveer 30 tot 50, waarbij de ondergrens het meest waarschijnlijk is. Eerder heb ik u, naar aanleiding van de documentaire «2 Doc: Liever dood dan vermist», aangegeven deze aantallen niet in twijfel te trekken.

1.

De leden van de D66-fractie vragen of de Minister kan onderzoeken bij gemeenten voor hoeveel vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog een bergingsverzoek is afgewezen? De Minister schrijft in antwoorden op vragen van de leden Van der Molen en Van der Graaf dat het wegvallen van de aanleiding vaak de reden is om niet tot berging over te gaan (bij een positief bergingsadvies). Hoe vaak wordt een berging niet gestart wanneer de aanleiding een verzoek van nabestaanden is? Wat is dan de reden voor het weigeren van het bergingsverzoek?

Antwoord: De tijdspanne waarover u mij vraagt te onderzoeken hoeveel bergingsverzoeken door gemeenten zijn afgewezen is meer dan 70 jaar. Een dergelijke inventarisatie vergt een uitvraag bij in beginsel alle gemeenten. Gegeven de al bestaande inzichten vanuit de Studiegroep Luchtoorlog 1939–1945, die een inschatting heeft gemaakt van het aantal toestellen waarin met enige mate van zekerheid stoffelijke resten van vermisten kunnen worden aangetroffen, en gezien het eerdere enquête- en dossieronderzoek van het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Binnenlandse Zaken verwacht ik dat het resultaat van een uitvraag niet opweegt tegen de forse inspanning die hierbij van gemeenten zou worden gevraagd. Over het enquête- en dossieronderzoek heb ik u per brief op 23 december 2016 geïnformeerd (Kamerstukken 32 156 en 34 550 VII, nr. 78).

2.

De leden van de fracties van VVD, CDA en ChristenUnie constateren dat gemeenten in de huidige praktijk bij een berging in aanmerking kunnen komen voor een bijdrage in de kosten van 70% vanuit het Gemeentefonds. Deze leden waarderen de toezegging van de Minister, dat het Rijk eventuele verzoeken tot een aanvullende bijdrage uit het gemeentefonds welwillend tegemoet zal treden, mits sprake is van een berging van een vliegtuigwrak waarin zich (vermoedelijk) stoffelijke resten bevinden. Op die wijze zal de financiering geen obstakel meer vormen voor de berging van een vliegtuigwrak met daarin (vermoedelijk) stoffelijke resten. Welke kosten zullen daarmee naar verwachting gemoeid zijn?

Antwoord: De berging van een vliegtuigwrak uit de Tweede Wereldoorlog kost gemiddeld € 0,5 miljoen (excl. de kosten van de Stafofficier Vliegtuigberging, de EODD en de BIDKL die in de regel voor rekening van het Rijk zijn, zoals aangegeven in de circulaire Vliegtuigberging, Stcrt. 2016, nr. 54987).

3.

De leden van de D66-fractie hechten eraan dat er voor nabestaanden een duidelijke procedure is. Deze leden vragen de Minister dan ook: is er sprake van een eenduidig begeleidingsproces bij gemeenten? Zo nee, neemt de werkgroep die in het leven is geroepen het begeleiden van nabestaanden mee in haar advies?

Antwoord: Er is geen eenduidig begeleidingsproces voor nabestaanden bij gemeenten. Elke burgemeester is ingevolge de Gemeentewet immers zelfstandig verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid, waaronder het besluit over te gaan tot ruiming van conventionele explosieven, al dan niet aan boord van een vliegtuigwrak uit de Tweede Wereldoorlog. Wanneer het gaat om berging van vliegtuigwrakken waarin zich vermoedelijk nog stoffelijke resten bevinden, is het dan ook aan de burgemeester om de belangen van nabestaanden daarbij te betrekken. Gemeenten zijn vrij om hieraan, naar eigen inzicht en kunnen, invulling te geven.

De werkgroep heeft betrekking op de oprichting van een kenniscentrum en op de ontwikkeling van een afwegingskader voor de ruiming van conventionele explosieven (zie de beantwoording van vraag 5 en 6) en als zodanig niet op het begeleiden van nabestaanden door gemeenten.

4.

In de brief van de Minister wordt gesteld dat zij sympathiek staat tegenover harmonisering van het gemeentelijk beleid en werkt aan een gemeentelijk afwegingskader. De leden van de D66-fractie zien die noodzaak ook. Wel vragen zij de Minister: kan zij toelichten welke criteria zij daarbij in acht neemt en tot hoe ver deze harmonisering zou moeten leiden? Hoe verhoudt deze harmonisering zich tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeentebesturen? Kan de Minister verder verduidelijken of dit afwegingskader geldt voor beide de vliegtuigwrakken afkomstig uit Engeland of Canada (of andere geallieerden), alsmede Duitse vliegtuigwrakken?

Antwoord: Inderdaad ben ik bereid een bijdrage te leveren aan het harmoniseren van het gemeentelijk beleid rondom de berging van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog. In mijn brief van 16 februari 2018 (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 1199) heb ik in dat kader melding gemaakt van de ambtelijke werkgroep die adviseert over de wijze waarop een kenniscentrum en een afwegingskader voor gemeenten gestalte kunnen krijgen. Het afwegingskader zou betrekking moeten hebben op zowel de beslissing van een gemeente om al of niet over te gaan tot opsporing en ruiming van conventionele explosieven als op de beslissing van een gemeente over de berging van een vliegtuigwrak uit de Tweede Wereldoorlog.

De Gemeentewet bepaalt dat de handhaving van de openbare orde en veiligheid een primaire verantwoordelijkheid is van de burgemeester. Een afwegingskader treedt niet in die bevoegdheid en verantwoordelijkheid, maar stelt gemeenten in staat om de relevante elementen in hun afweging mee te nemen. Uit het oogpunt van veiligheid ligt een onderscheid op basis van het land van herkomst van een neergestort vliegtuig niet in de rede.

5.

Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat de Minister spreekt over het instellen van een kenniscentrum. Hoe zou dit Kenniscentrum eruitzien? Welke expertise zou het Kenniscentrum in huis moeten hebben? Hoe zou het worden gefinancierd en voor hoe lang?

De leden van de D66-fractie lezen dat de werkgroep die advies geeft over het op te richten kenniscentrum en het afwegingskader in het voorjaar van 2018 de Tweede Kamer kan informeren. Tevens schrijft de Minister in antwoorden op schriftelijke vragen dat het lastig is om in korte tijd een breed gedragen afwegingskader te ontwikkelen en daarom de voorkeur wordt gegeven aan een zorgvuldig proces. Wanneer kan de Tweede Kamer een rapportage van de werkgroep verwachten?

Antwoord: De ambtelijke werkgroep heeft zijn advies eind mei 2018 afgerond. Zoals ook is aangegeven in de meicirculaire gemeentefonds, waarvan uw Kamer een afschrift heeft ontvangen (Kamerstukken 34 775 B en 34 775 C, nr. 16) zal over het vervolg op het advies nadere afstemming en besluitvorming plaatsvinden met de betrokken partijen.

6.

De leden van de D66-fractie lezen dat het voor gemeenten mogelijk is additionele financiering uit het gemeentefonds te krijgen om vliegtuigwrakken te bergen. Graag vragen zij de Minister: welke randvoorwaarden gelden voor additionele financiering uit het Gemeentefonds? Op basis van welke criteria wordt tot additionele financiering overgegaan?

Antwoord: Het moet gaan om de berging van een vliegtuigwrak uit de Tweede Wereldoorlog waarin zich (vermoedelijk) nog stoffelijke resten bevinden, naast uiteraard – zoals meestal – de aanwezigheid van conventionele explosieven. Alleen in die situaties wil ik een verzoek tot aanvullende financiering welwillend bezien.

7.

Tot slot vragen de leden van de D66-fractie of er voorbeelden in het buitenland zijn (denk bijvoorbeeld aan België, Frankrijk of Duitsland), waar goede ervaringen zijn opgedaan met de berging van vliegtuigwrakken en de besluitvorming daartoe? Worden deze inzichten meegenomen in de opstelling van een landelijk afwegingskader?

Antwoord: Nederland neemt een unieke plaats in. Allereerst vanwege zijn ligging; de heen- en terugweg van veel aanvallen op Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog ging over ons bezette grondgebied, resulterend in relatief veel wrakken op ons dichtbevolkte territorium. Ten tweede vanwege de inpolderingen; hierbij kwamen grote gebieden met daarop vliegtuigwrakken die voorheen onder water lagen bloot te liggen. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de diensten en procedures zoals we die nu kennen (zie bijvoorbeeld Circulaire Vliegtuigberging, Stcrt. 2016, nr. 54987).

Landen die ons omringen zijn in zeer beperkte mate actief in het opsporen en bergen van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog. Dit heeft wezenlijk te maken met het feit dat in België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk het aantal vermiste militairen en oorlogsslachtoffers uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog talrijk is.

De Luchtmacht in België, Duitsland en Frankrijk, die zich net als de Stafofficier Vliegtuigberging van het Commando Luchtstrijdkrachten bezighoudt met het bergen van hedendaagse toestellen, wordt niet ingezet voor het bergen van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog. Hierdoor is het niet goed mogelijk om de inzichten die in het buitenland zijn opgedaan mee te nemen. Vaak gaat het om min of meer particuliere bergingen. De aansturing daarvan is versnipperd en de ervaring is daarom meestal niet bij één instantie opgedaan en moeilijk inpasbaar in de Nederlandse praktijk, waar immers de overheid een coördinerende rol heeft.