Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 32140 nr. AG |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 32140 nr. AG |
Vastgesteld 26 mei 2025
De vaste commissie voor Financiën1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane over toekomstig stelsel box 3. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 22 april 2025.
• De antwoordbrief van 23 mei 2025.
De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Karthaus
Aan de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane
Den Haag, 22 april 2025
De leden van de vaste commissie voor Financiën hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 24 januari jl. over het toekomstig stelsel box 3.2 De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en van 50PLUS hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen.
Vragen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA
1. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA maken zich zorgen dat het dossier box III in het «uitstel op uitstel»-scenario terecht komt (of zelfs al terecht is gekomen). Graag vragen zij u om een nadere toelichting op de waarschijnlijkheid c.q. het risico dat nader uitstel noodzakelijk zal blijken, ook gezien de eisen die de hersteloperatie volgens de brief stelt. Waar trekt de regering de grens qua uitstel om in zo’n geval terug te vallen op de meest uitvoerbare varianten, of stelt de regering zo’n grens niet?
2. Hoe verhoudt de belastingdruk op inkomsten uit vermogen per categorie zich – met inachtneming van de in de brief genoemde wijzigingen in de vermogensbelasting – tot het gemiddelde tarief in de inkomstenbelasting voor een bruto jaarinkomen van één keer en twee keer modaal voor een huishouden van één persoon?
3. Op basis waarvan zou een belastingplichtige moeten bepalen of hun economische huurwaarde hoger of lager is dan het vooraf ingevulde gemiddelde van 5,06% van de WOZ-waarde, zoals benoemd wordt in de brief?
4. Kunt u uitleggen hoe de verschillende in de brief genoemde dervingen zich verhouden, namelijk 2,4 miljard in 2027 op p.6 en 2,55 miljard op p.7?3
Vragen van het lid van de fractie van 50PLUS
1. Kan de regering toelichten waarom het wetsvoorstel Wet Werkelijk Rendement Box 34 van de vorige regering goeddeels is overgenomen?
2. Waarom is niet meer rekening gehouden met het kritische advies van de RvS?5
3. Waarom heeft de regering niet veel uitvoeriger gekeken naar het alternatief van de Vermogenswinstbelasting (VWB)? Er is nu toch ook meer tijd beschikbaar om technische bezwaren op te lossen?
4. Het gerezen uitstel voor de hervorming van Box 3, kan toch idealiter gebruikt worden om de processen voor box 3 enerzijds en de brede stelselherziening anderzijds weer synchroon te laten verlopen? Waarom kiest de regering daar niet voor?
5. U moet toch erkennen dat de toekomstbestendigheid van een nieuw stelsel in box 3 beperkt wordt door het feit dat er nog geen enkel inzicht bestaat in de brede stelselherziening, zo vraagt het lid van de 50PLUS-fractie.
6. Deelt u de mening van dit lid dat door de hervorming van box 3 op een afwijkend tijdspad, de Kamer de mogelijkheid van een holistische benadering voor het hele stelsel wordt ontnomen? Indien u dit niet deelt, graag een toelichting waarom niet.
7. Is het mogelijk dat de keuze voor een vermogensaanwasbelasting politieke partijen beperkt of voor het blok zet bij het maken van plannen voor het gehele stelsel in hun verkiezingsprogramma’s? Kunt u toezeggen dat de voorgenomen hervorming van box 3 naar deze vermogensaanwasbelasting altijd ingepast kan worden in bredere plannen voor het gehele stelsel?
8. Dit lid voorziet dat diverse politieke partijen de hervorming van box 3 in hun programma weer willen afschaffen ten gunste van een alternatief dat optimaal past bij hun visie op de brede fiscaliteit. Deelt u dit inzicht?
9. Is het niet vreemd dat toekomstbestendigheid van groot belang is, terwijl u helemaal geen informatie kunt geven over de mogelijke hoofdlijnen van de toekomstige brede stelselherziening? Hoe weet u dan of de Box 3 hervorming toekomstbestendig is?
10. Kan nog eens uitgelegd worden waarom er een hybride stelsel moet komen? Het plan hinkt toch op twee benen: vermogensaanwas voor effecten en vermogenswinstbelasting op vastgoed? Zijn er situaties denkbaar waarin dit hybride stelsel ook juridisch onhoudbaar kan zijn of worden?
11. Waarom moet er per se nu een keuze gemaakt worden over een nieuw box 3 stelsel? Een synchroon pad met de brede fiscale herziening is toch ook goed beargumenteerbaar?
12. Wordt het werkelijk rendement wel belast als de vermogensaanwas wordt belast? Immers, een papieren en nog niet gerealiseerde waardestijging is toch strikt genomen helemaal geen «werkelijk rendement»?
13. Deze leden verstaan onder «werkelijk rendement» het daadwerkelijk gerealiseerde rendement. Kan worden uitgelegd waarom dit volgens de regering toch «werkelijk rendement» is? Gemanifesteerde waarde is toch nog geen werkelijk rendement?
14. In welke landen bestaat een dergelijke vermogensaanwasbelasting?
15. De Raad van State adviseert om belastingheffing breder te bezien.6 Hoe wil de regering zich voorbereiden op een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel? Dat is een traject voor de langere termijn. Welke termijn is dat?
16. In de brief staat: «Dit is een traject voor de langere termijn terwijl een oplossing voor de urgente problematiek in box 3 het noodzakelijk maakt om daar nu stappen te zetten. Het belasten van het werkelijke rendement in box 3, in plaats van een forfaitair rendement, is een belangrijke stap in de richting van deze ambitie om vermogen breed en integraal te bezien. Het past bij toekomstige hervormingen in het belastingstelsel die een evenwichtige belastingdruk op de verschillende inkomensgrondslagen nastreven en is ook een verbetering indien hier géén verdere stappen op zouden worden gezet».7 De vraag of het een verbetering betreft «indien hier géén verdere stappen op zouden worden gezet», hangt toch in belangrijke mate af van de inzet en het resultaat van de volgende verkiezingen? Dit is nu toch nog niet te voorspellen, zo vraagt het lid van de fractie van 50PLUS.
17. Bent u van mening dat de brede belastinghervorming ten minste ook de BTW en VPB moet betreffen? Of zouden deze belastingen ook in een separaat traject kunnen worden hervormd, nog voordat de brede herziening plaatsvindt?
18. Wordt erkend dat de keuze voor vermogensaanwas bij aandelen en vermogenswinst bij vastgoed, ook gevolgen kan hebben voor de te maken keuzes bij andere belastingen, fiscale regelingen of faciliteiten? Vervlechting is toch een zwaarwegende reden om de tijdpaden van de box 3-hervorming in lijn te brengen met de brede fiscale hervorming?
19. Wat zijn de voornemens over wijziging c.q. afschaffing van het toeslagenstelsel? Wordt dat wél onderdeel van de brede belastingherziening?
20. Kunt u toelichten waarom nu de keuze voor box 3 wordt gemaakt terwijl de hoofdlijnen van het nieuwe belastingstelsel nog helemaal niet duidelijk zijn?
21. Kunt u toelichten waarom de opstelling van de NVB zo leidend is geweest bij de keuze voor een vermogensaanwasbelasting?
22. Het lid van de fractie van 50PLUS is nog steeds een voorstander van een vermogenswinstbelasting en acht het huidige uitstel een ideale gelegenheid om aan die laatstgenoemde optie te gaan werken. Het klopt toch dat er nu meer tijd is om de vermogenswinstbelasting beter uitvoerbaar te maken?
23. Kunt u aantonen dat de argumentatie van de NVB en andere financiële instellingen van doorslaggevende waarde is en dat de VWB niet is blijven liggen omdat de NVB en de sector er eenvoudigweg «geen trek» in hebben? Het genoemde lid ontvangt graag een nadere toelichting, want een vermogenswinstbelasting is volgens hem in veel landen gewoon goed uitvoerbaar.
24. Kunt u toelichten waarom het ontzorgen van klanten en de Belastingdienst zo belangrijk is?
25. Bij een vermogenswinstbelasting (VWB) zijn er minder gegevens vooraf beschikbaar en het is moeilijker met betrekking tot het doenvermogen. Hoe zwaar wegen die aspecten voor de regering? Dit zijn toch nevenaspecten vergeleken met de fiscale grondslagen als rechtvaardigheid en draagkracht? Waarom zijn nevenaspecten zoals «doenvermogen» en «vooringevulde aangifte» leidend bij box 3?
26. Wat als het behandelschema niet wordt gehaald, bijvoorbeeld omdat er belangrijke amendementen komen die moeten worden ingepast? Wat zijn de gevolgen van verdere vertraging mocht die optreden? Wordt dan de huidige situatie in box 3 nog meer verlengd?
27. De invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 leidt er toch in elk geval toe dat bepaalde fiscale varianten of aanpassingen niet meer mogelijk zijn, dan wel te ver van de realiteit verwijderd raken?
28. Waar raakt volgens de regering de hervorming van box 3 aan het toeslagenstelsel en de mogelijke of gewenste aanpassingen aan dat deel van het stelsel?
29. Het budgettaire aspect is niet leidend. Maar wat betekent het doel «budgettair neutraal» dan precies en waarom is het zo leidend?
30. Wordt erkend dat voor hervorming budgettaire ruimte nodig is? Wordt erkend dat door het apart behandelen c.q. het isoleren van box 3, een zekere beperking wordt opgelegd aan de plannen voor een brede fiscale stelselherziening? Is dat misschien ook de bedoeling?
31. Het lid van de 50PLUS-fractie legt het volgende alternatief voor: Een bevrijdende eindheffing op dividend en rente via een bronbelasting met een tarief van 25%, 30% of 35%, in combinatie met het recht een aanslag te verzoeken (als dat lager uitkomt). Waarom is het genoemde alternatief niet overwogen? Indien het wel is overwogen, ontvangen dit lid graag de informatie daarover. Zo niet, vraagt hij of deze variant alsnog beschouwd worden.
32. Kunt u een overzicht geven van het stelsel van belastingheffing over inkomsten uit vermogen in België en Duitsland?
33. Kunt u toelichten waarom «uitstel van belasting» een argument is om de vermogenswinstbelasting niet voor te stellen? Hoofdregel moet toch zijn dat wordt belast als er realisatie is en daarin past het toch niet dat zonder uitstel moet worden belast? «Zonder uitstel belasten» is toch eigenlijk een vervroeging van de belasting naar een moment voorafgaand aan het verzilveren van de winst? Kunt u bij uw antwoord betrekken dat uitstel van heffing weldegelijk voorkomt, met name bij box 2 waar honderden miljarden aan uitgestelde uitkeringen van dividenden is? Waarom is uitstel van heffing niet rechtvaardig bij box 3 en wel bij box 2? De Raad van State wijst daar ook op, zo merkt het lid van de 50PLUS-fractie op.8
34. Waarom moet er zonder uitstel en wel direct worden geheven via vermogensaanwas (VAB) en zou dat niet kunnen of mogen bij de vermogenswinst (VWB)?
35. Vermogensbelasting is heffing op enkel bezit. Dat wordt juridisch kwetsbaar geacht. Maar een VAB is indirect toch ook een belasting op bezit via de aanwas van bezit? Waarom is dat niet «juridisch kwetsbaar»?
36. Kunt u garanderen dat de vermogensaanwasbelasting (VAB) de toets van de Hoge Raad kan doorstaan, gelet op eerdere jurisprudentie? Zo niet, hoe groot schat u dit risico in?
37. Bij geen verhuur van de tweede woning wordt de huurwaarde van box 1 gebruikt; is dat niet juridisch kwetsbaar?
38. Bent u bereid om een juridische houdbaarheidsanalyse van de vermogensaanwasbelasting evenals van de onderzochte alternatieven te verrichten?
Op pagina 2 van de brief wordt gesteld: «Er is een grote maatschappelijke en politieke wens om in box 3 het werkelijke rendement te belasten. Het forfaitaire stelsel is zeer eenvoudig maar is onrechtvaardig omdat burgers met (sterk) uiteenlopende rendementen hetzelfde worden belast. Hierdoor is het forfaitaire stelsel juridisch onhoudbaar gebleken.»9
39. Hoe lang heeft het forfaitaire stelsel met een vaste «rekenrente» van 4% precies bestaan zonder dat er sprake was van juridische onhoudbaarheid?
40. De juridische onhoudbaarheid van het forfaitaire stelsel is toch pas aan het licht gekomen na de manipulatie van de marktrente door monetaire autoriteiten en de differentiatie van de forfaitaire rendementen in 2016?
41. Was het echt wel opportuun om het vaste fictieve rendement in box 3 af te schaffen op basis van incidentele manipulatie van de rentestand?
42. Zou de juridische onhoudbaarheid van een vast fictief rendement ook aan de oppervlakte zijn gekomen als er geen sprake was geweest van rentemanipulatie via Quantitative Easing?
Tevens staat op pagina 2 van de brief: «De arresten van juni 2024 van de Hoge Raad onderstrepen nog eens de noodzaak voor een nieuw stelsel. Uit het advies van de Raad van State blijkt duidelijk dat de ruimte voor de wetgever om een nieuw stelsel anders vorm te geven, sterk is beperkt.»10
43. Is er, mede dankzij het normaliseren van het monetaire beleid, nu weer ruimte voor de wetgever om terug te keren naar een forfaitair stelsel met een vast of in elk geval een gelijk fictief rendement voor iedereen? Indien nee, waarom niet?
44. Waarom is op het hoogtepunt van het extra ordinaire monetaire beleid van de centrale bank, met bewezen neerwaartse rente-effecten, het vaste fictieve rendement van 4% niet tijdelijk fors verlaagd? Het ging toch om tijdelijke beleidsinterventies- en effecten? Was een hervorming van box 3 überhaupt wel nodig geweest als de regering destijds het fictief rendement had aangepast aan de tijdelijke «extraordinaire» omstandigheden?
45. Wanneer komt er duidelijkheid over de vraag van het lid van de fractie van 50PLUS uit zijn aangehouden motie of en wanneer er een Onafhankelijke Adviescommissie komt over de brede hervorming van het belastingstelsel?11
46. Dit lid heeft kennis genomen van het besluit van de SER om zelf een commissie in te stellen voor de hervorming van het belastingstelsel.12 Wat vindt de regering van het feit dat de SER wel een adviescommissie instelt en de regering vooralsnog niet?
47. Klopt het dat de regering reeds ver gevorderd is met hoe de hervorming van het belastingstelsel in de steigers wordt gezet? Wilt u de contouren van de voorgenomen aanpak al schetsen?
48. Hoe bent u van plan om de werkzaamheden van de adviescommissie van de SER te betrekken bij de oordeelsvorming over de toekomst van het belastingstelsel? Gaat u op dit advies wachten?
De leden van de vaste commissie voor Financiën zien uw reactie met belangstelling tegemoet en bij voorkeur binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, W.T. van Ballekom
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 mei 2025
Op 22 april 2025 heeft de vaste commissie voor Financiën van uw Kamer schriftelijke vragen gesteld over de brief over het toekomstig stelsel box 3 (uw kenmerk: 176905U). Bijgevoegd treft u de antwoorden op de vragen aan.
De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, T. van Oostenbruggen
Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de fracties van GroenLinks-PvdA en 50PLUS. Ik houd bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van de vragen en opmerkingen aan zoals die aan mij zijn voorgelegd, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.
Vragen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA
Vraag 1
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA maken zich zorgen dat het dossier box III in het uitstel op uitstel»- scenario terecht komt (of zelfs al terecht is gekomen). Graag vragen zij u om een nadere toelichting op de waarschijnlijkheid c.q. het risico dat nader uitstel noodzakelijk zal blijken, ook gezien de eisen die de hersteloperatie volgens de brief stelt. Waar trekt de regering de grens qua uitstel om in zo’n geval terug te vallen op de meest uitvoerbare varianten, of stelt de regering zo’n grens niet?
Antwoord vraag 1
In mijn brief van 13 december 202413 heb ik aangegeven dat de beoogde inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 met een jaar wordt uitgesteld tot 1 januari 2028. Invoering per 1 januari 2028 is uitvoerig verkend en naar huidige omstandigheden wel haalbaar. De Belastingdienst heeft dat bevestigd in de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.14 In deze uitvoeringstoets zijn uitkomsten van de massaalbezwaarplusprocedure of andere toekomstige Hoge Raad arresten waarbij belastingplichtigen de mogelijkheid krijgen om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling of op basis waarvan andere aanvullende herstelwerkzaamheden noodzakelijk niet meegewogen. Ook kan door de Belastingdienst op dit moment nog geen duidelijke inschatting worden gemaakt over eventuele hoge aantallen verzoek- en bezwaarschriften die door belastingplichtigen naar aanleiding van de hersteloperatie zullen worden ingediend en in hoeverre deze van invloed kunnen zijn op de invoering van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Er is daarom op dit moment geen noodzaak om terug te vallen op andere varianten.
Vraag 2
Hoe verhoudt de belastingdruk op inkomsten uit vermogen per categorie zich – met inachtneming van de in de brief genoemde wijzigingen in de vermogensbelasting – tot het gemiddelde tarief in de inkomstenbelasting voor een bruto jaarinkomen van één keer en twee keer modaal voor een huishouden van één persoon?
Antwoord vraag 2
Het modaal inkomen in 2025 ligt op € 46.500. De gemiddelde belastingdruk in box 1 van een alleenstaande zonder kinderen die 1 keer modaal verdient is 22%. Voor een alleenstaande zonder kinderen die 2 keer modaal verdient is de gemiddelde belastingdruk 39%. Het marginale tarief in box 3 is 36%. De gemiddelde belastingdruk in box 3 hangt af van de hoogte van het vermogen na aftrek van het heffingvrije vermogen en de vermogensmix. Om eenzelfde belastbaar inkomen (dat is, bruto modaal inkomen minus de pensioenpremie, € 44.717) uit vermogen te genereren als een alleenstaande die 1 keer modaal verdient zoals in het voorbeeld hierboven, moet een alleenstaande ongeveer € 3,2 miljoen spaargeld aanhouden (hierbij is uitgegaan van een rendement van 1,44%, het voorlopige forfait op spaargeld voor 2025). De gemiddelde belastingdruk in box 3 van deze persoon bedraagt dan 30,9%. Stel de alleenstaande belegt al zijn vermogen in effecten, dan volstaat uitgaande van het forfait op overige bezittingen (5,88%) een vermogen van € 0,8 miljoen om € 44.717 aan belastbaar inkomen uit vermogen te genereren. De gemiddelde belastingdruk in box 3 van deze persoon bedraagt dan 29,2%. Voor een belastbaar inkomen in box 3 gelijk aan dat van een alleenstaande die 2 keer modaal verdient, zal € 6,2 miljoen spaargeld moeten worden aangehouden. De gemiddelde belastingdruk in box 3 is dan 35,7%. Als al het vermogen in effecten wordt belegd, volstaat een vermogen van € 1,6 miljoen. De gemiddelde belastingdruk in box 3 is dan 34,7%. De gemiddelde belastingdruk op inkomsten uit vermogen is in deze gevallen dus lager dan het gemiddelde tarief in box 1 bij twee keer modaal en hoger dan dat bij één keer modaal.
Heffingskortingen spelen een belangrijke rol in het bepalen van de gemiddelde belastingdruk. In bovenstaand voorbeeld is sprake van de algemene heffingskorting en in geval van box 1 de arbeidskorting. Heffingskortingen worden afgetrokken van de totale belasting over alle drie de boxen. De meeste heffingskortingen zijn nivellerend. Dat betekent dat ze afnemen naarmate het inkomen toeneemt. Dit zorgt er – in combinatie met progressieve tarieven in box 1 – voor dat de gemiddelde belastingdruk van iemand die 1 keer modaal verdient lager is dan van iemand die 2 keer modaal verdient.
Vraag 3
Op basis waarvan zou een belastingplichtige moeten bepalen of hun economische huurwaarde hoger of lager is dan het vooraf ingevulde gemiddelde van 5,06% van de WOZ-waarde, zoals benoemd wordt in de brief?
Antwoord vraag 3
In de brief van 13 december 202415 wordt in onderdeel E ingegaan op het bepalen van het eigen gebruik van onroerende zaken in het kader van de tegenbewijsregeling. De economische huurwaarde kan niet worden gebaseerd op beschikbare contra informatie van een individuele belastingplichtige. Daarom is besloten om geen bedrag vooraf in te vullen, maar in plaats daarvan belastingplichtigen zo veel mogelijk te helpen bij het invullen met duidelijke toelichtingen. Een belastingplichtige die bij een box 3-woning niet weet wat de economische huurwaarde is van die woning, kan bijvoorbeeld de gegevens voor de huurprijscheck invullen op de website van de huurcommissie. Deze huurprijscheck geeft een indicatie van de huurprijs die gevraagd zou kunnen worden bij verhuur. De belastingplichtige kan ook het onderzoek van SEO naar de huurwaarderatio van woningen in box 3 gebruiken als handvat voor de waardering van het voor eigen gebruik ter beschikking staan.16 Volgens dat onderzoek is de gemiddelde economische huurwaarde van een woning 5,06% van de WOZ-waarde.
Vraag 4
Kunt u uitleggen hoe de verschillende in de brief genoemde dervingen zich verhouden, namelijk 2,4 miljard in 2027 op p.6 en 2,55 miljard op p.7?17
Antwoord vraag 4
In mijn brief van 13 december 202418 geef ik aan dat het uitstel van de invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 tot 1 januari 2028 gepaard gaat met een budgettaire derving van € 2,4 miljard in 2027. Dit bedrag is inclusief het besluit om in de tegenbewijsregeling die van kracht is tot invoering van het nieuwe stelsel, belastingplichtigen zelf te laten invullen welk voordeel zij behalen uit eigen gebruik van onroerend goed. Dit laatste besluit heeft budgettaire gevolgen voor de gehele periode waarvoor de tegenbewijsregeling geldt, niet alleen 2027. Het bedrag van € 2,55 miljard op pagina 7 verwijst naar dit totaal. De definitief geraamde kosten van de tegenbewijsregeling zijn opgenomen in het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3, dat op 14 maart 2025 aan de Tweede Kamer is aangeboden.19
Vragen van het lid van de fractie van 50PLUS
Vraag 1
Kan de regering toelichten waarom het wetsvoorstel Wet Werkelijk Rendement Box 3 van de vorige regering goeddeels is overgenomen?
Antwoord vraag 1
Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 kent een lange geschiedenis. De voorgaande kabinetten hebben verschillende verkenningen uitgevoerd naar de mogelijke vormgeving van een vermogensrendementsheffing die beter aansluit bij het werkelijke rendement. Deze verkenningen hebben onder andere geresulteerd in de voortgangsrapportage «Heffing box 3 op basis van werkelijk rendement»20, het «Keuzedocument box 3»21 en het PwC-rapport naar de praktische uitvoerbaarheid van een heffing op basis van werkelijk rendement.22 Daarnaast heeft in december 2022 een paneldiscussie plaatsgevonden met fiscalisten, wetenschappers en voormalige leden van de rechterlijke macht. Verder heeft in september en oktober 2023 een internetconsultatie van het wetsvoorstel plaatsgevonden waarop in totaal 1.737 reacties zijn binnengekomen.23 Parallel aan de internetconsultatie zijn gesprekken gevoerd met diverse belangenorganisaties over het geconsulteerde wetsvoorstel. Ook het huidige kabinet is voorstander van het belasten van het werkelijke rendement in box 3. Daarom gaat het kabinet door met het wetsvoorstel.
Vraag 2
Waarom is niet meer rekening gehouden met het kritische advies van de RvS?
Antwoord vraag 2
Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is een goed moment voor reflectie. De inhoud van het advies vereist dat deze reflectie grondig en kritisch is. Het kabinet heeft hier de ruimte en tijd voor genomen passend bij het belang van de voorgestelde stelselaanpassing. In de kamerbrief van 24 januari 202524 en het nader rapport bij het wetsvoorstel is een uitgebreide reactie opgenomen. De voor- en nadelen van het voorstel zijn afgezet tegenover de voor- en nadelen van alternatieve opties voor de vormgeving van een heffing over (inkomsten uit) vermogen. Hierbij is nadrukkelijk aandacht besteed aan uitvoerbaarheid, doenvermogen en complexiteit. Uiteraard spelen rechtmatigheid, budgettaire gevolgen en fiscale beginselen een rol in de totale afweging. Naar het oordeel van het kabinet blijft het voorgestelde stelsel voor een heffing op basis van werkelijk rendement alles afwegende de beste optie.
Vraag 3
Waarom heeft de regering niet veel uitvoeriger gekeken naar het alternatief van de Vermogenswinstbelasting (VWB)? Er is nu toch ook meer tijd beschikbaar om technische bezwaren op te lossen?
Antwoord vraag 3
Een vermogenswinstbelasting voor box 3 is door het kabinet onderzocht. Ook een vermogenswinstbelasting is een vorm van een belasting op werkelijk rendement. In het voorstel Wet werkelijk rendement box 3 is gekozen voor een hybride variant, waarbij voor onroerende zaken en aandelen in start-ups sprake is van een vermogenswinstbelasting.
Vraag 4
Het gerezen uitstel voor de hervorming van Box 3, kan toch idealiter gebruikt worden om de processen voor box 3 enerzijds en de brede stelselherziening anderzijds weer synchroon te laten verlopen? Waarom kiest de regering daar niet voor?
Vraag 5
U moet toch erkennen dat de toekomstbestendigheid van een nieuw stelsel in box 3 beperkt wordt door het feit dat er nog geen enkel inzicht bestaat in de brede stelselherziening, zo vraagt het lid van de 50PLUS-fractie.
Vraag 6
Deelt u de mening van dit lid dat door de hervorming van box 3 op een afwijkend tijdspad, de Kamer de mogelijkheid van een holistische benadering voor het hele stelsel wordt ontnomen? Indien u dit niet deelt, graag een toelichting waarom niet.
Vraag 9
Is het niet vreemd dat toekomstbestendigheid van groot belang is, terwijl u helemaal geen informatie kunt geven over de mogelijke hoofdlijnen van de toekomstige brede stelselherziening? Hoe weet u dan of de Box 3 hervorming toekomstbestendig is?
Vraag 11
Waarom moet er per se nu een keuze gemaakt worden over een nieuw box 3 stelsel? Een synchroon pad met de brede fiscale herziening is toch ook goed beargumenteerbaar?
Vraag 16
In de brief staat: «Dit is een traject voor de langere termijn terwijl een oplossing voor de urgente problematiek in box 3 het noodzakelijk maakt om daar nu stappen te zetten. Het belasten van het werkelijke rendement in box 3, in plaats van een forfaitair rendement, is een belangrijke stap in de richting van deze ambitie om vermogen breed en integraal te bezien. Het past bij toekomstige hervormingen in het belastingstelsel die een evenwichtige belastingdruk op de verschillende inkomensgrondslagen nastreven en is ook een verbetering indien hier géén verdere stappen op zouden worden gezet».25 De vraag of het een verbetering betreft «indien hier géén verdere stappen op zouden worden gezet», hangt toch in belangrijke mate af van de inzet en het resultaat van de volgende verkiezingen? Dit is nu toch nog niet te voorspellen, zo vraagt het lid van de fractie van 50PLUS.
Vraag 20
Kunt u toelichten waarom nu de keuze voor box 3 wordt gemaakt terwijl de hoofdlijnen van het nieuwe belastingstelsel nog helemaal niet duidelijk zijn?
Antwoord vragen 4, 5, 6, 9 en 11, 16 en 20
In het interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) Vermogensverdeling (2022)26 is uitvoerig het belang van evenwicht in de belastingdruk op inkomen uit arbeid en uit (verschillende vormen van) vermogen beschreven. Een evenwichtige belastingdruk wil niet zeggen dat er in het geheel geen verschillen mogelijk zijn in de fiscale behandeling van verschillende vormen van inkomen en vermogen. Evenwicht vereist wél dat deze verschillen deugdelijk zijn gemotiveerd. Als het evenwicht verloren raakt, leidt dat tot belastingarbitrage en als gevolg daarvan lagere belastingontvangsten en vergroot dit de verschillen tussen inkomens en vermogens van huishoudens, boven op de verschillen die de markt zelf creëert. In het rapport Belastingen in maatschappelijk perspectief (2024)27 is het belang van een evenwichtige belastingdruk benadrukt. Een onevenwichtig stelsel leidt tot welvaartsverlies en is uiteindelijk schadelijk voor economie en maatschappij.
De visie op het bereiken van meer evenwicht tussen verschillende vormen van vermogen leidt ten aanzien van box 3 consequent tot het advies om over te stappen naar een stelsel dat zoveel mogelijk het werkelijke rendement belast. Het ontbreken van een grondslag op basis van werkelijk rendement is de belangrijkste onevenwichtigheid in box 3 ten opzichte van de rest van het stelsel. Heffen op basis van werkelijk rendement zorgt ervoor dat de verschillen tussen de boxen verminderen en sluit aan bij het streven naar het gelijker belasten van verschillende vormen van inkomsten uit vermogen. Dit is beschreven in het rapport IBO Vermogensverdeling en ook in het rapport Belastingen in maatschappelijk perspectief. Opeenvolgende kabinetten dragen deze lijn uit. In deze ambtelijke adviezen wordt benadrukt dat er geen algehele stelselherziening nodig is om het belasten van werkelijk rendement in box 3 te rechtvaardigen. Het belasten van het werkelijke rendement in box 3 past bij toekomstige hervormingen in het belastingstelsel die een evenwichtige belastingdruk op de verschillende inkomensgrondslagen nastreven.
Naast de visie die wordt uitgedragen in bovenstaande rapporten benadrukt het rapport Belastingen in maatschappelijk perspectief voor box 3 dat hét ideale stelsel dat werkelijk rendement belast niet bestaat en dat er haken en ogen zitten aan zowel een 100% vermogenswinst- als een 100% vermogensaanwasbelasting. Het hybride stelsel zoals uitgewerkt in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is een juridisch goed onderbouwd, evenwichtig en rechtvaardig stelsel. Hiertegenover staat dat in elk geval het huidige box 3 stelsel (zonder tegenbewijsregeling) juridisch niet houdbaar is. Het rapport stelt daarom bovenal dat een urgente aanpak gevraagd is en er een keuze moet worden gemaakt tussen imperfecte alternatieven. Als dat niet gebeurt raken we een belangrijke belastinggrondslag kwijt en ontstaat er juist dan een grote onevenwichtigheid in het belastingstelsel met forse budgettaire dervingen.
Vraag 7
Is het mogelijk dat de keuze voor een vermogensaanwasbelasting politieke partijen beperkt of voor het blok zet bij het maken van plannen voor het gehele stelsel in hun verkiezingsprogramma’s? Kunt u toezeggen dat de voorgenomen hervorming van box 3 naar deze vermogensaanwasbelasting altijd ingepast kan worden in bredere plannen voor het gehele stelsel?
Vraag 8
Dit lid voorziet dat diverse politieke partijen de hervorming van box 3 in hun programma weer willen afschaffen ten gunste van een alternatief dat optimaal past bij hun visie op de brede fiscaliteit. Deelt u dit inzicht?
Antwoord vragen 7 en 8
In het algemeen geldt dat een wetsvoorstel kan worden gewijzigd via een nota van wijziging, amendement of novelle. Een wet die is ingegaan kan worden gewijzigd via een andere wet (een wijzigingswet). Het staat politieke partijen vrij om een wijzigingsvoorstel in te dienen.
Vraag 10
Kan nog eens uitgelegd worden waarom er een hybride stelsel moet komen? Het plan hinkt toch op twee benen: vermogensaanwas voor effecten en vermogenswinstbelasting op vastgoed? Zijn er situaties denkbaar waarin dit hybride stelsel ook juridisch onhoudbaar kan zijn of worden?
Vraag 33
Kunt u toelichten waarom «uitstel van belasting» een argument is om de vermogenswinstbelasting niet voor te stellen? Hoofdregel moet toch zijn dat wordt belast als er realisatie is en daarin past het toch niet dat zonder uitstel moet worden belast? «Zonder uitstel belasten» is toch eigenlijk een vervroeging van de belasting naar een moment voorafgaand aan het verzilveren van de winst? Kunt u bij uw antwoord betrekken dat uitstel van heffing weldegelijk voorkomt, met name bij box 2 waar honderden miljarden aan uitgestelde uitkeringen van dividenden is? Waarom is uitstel van heffing niet rechtvaardig bij box 3 en wel bij box 2? De Raad van State wijst daar ook op, zo merkt het lid van de 50PLUS-fractie op.
Vraag 34
Waarom moet er zonder uitstel en wel direct worden geheven via vermogensaanwas (VAB) en zou dat niet kunnen of mogen bij de vermogenswinst (VWB)?
Antwoord vragen 10, 33 en 34
Het kabinet stelt voor om in box 3 inkomstenbelasting te heffen op basis van het werkelijk behaalde rendement van vermogen. In dit voorstel geldt een vermogensaanwasbelasting als hoofdregel. Vermogensaanwas wordt als draagkracht vermeerderende factor gezien. Door het jaarlijks belasten van vermogensaanwas wordt niet gewacht totdat het voordeel feitelijk wordt gerealiseerd. Van jaar tot jaar wordt geheven op basis van de vermogensaanwas die dat belastingjaar is opgetreden, alleen nog niet in liquiditeiten tot uitdrukking gekomen, dat wil zeggen verzilverd is. Een vermogensmutatie kan ook negatief zijn. Met een vermogensaanwasbelasting wordt langdurig uitstel van belastingheffing voorkomen. Ook wordt voorkomen dat belastingplichtigen en ketenpartners zoals banken en verzekeraars langdurig gegevens moeten bijhouden over historische kostprijzen en investeringen. Een nadeel van een vermogensaanwasbelasting is voor belastingplichtigen echter dat belasting wordt geheven over waardeontwikkelingen die zij nog niet te gelde hebben gemaakt. Dit nadeel speelt met name een rol bij vermogensbestanddelen die niet eenvoudig te gelde te maken zijn. Dit zijn bovendien vaak vermogensbestanddelen waarvoor de gegevens niet worden aangeleverd door ketenpartners, waardoor de vanuit ketenpartners geschetste nadelen ten aanzien van een vermogenswinstbelasting hier een minder grote rol spelen. Daarom wordt een uitzondering voorgesteld voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen. Bij deze vermogensbestanddelen wordt de waardeontwikkeling belast als deze te gelde is gemaakt.
In (ambtelijke) adviezen en rapporten, zoals het IBO Vermogen, wordt veelvuldig gewezen op het nadeel van fiscaal gedreven uitstel in box 2 als gevolg van de vermogenswinstsystematiek. Hiervoor zijn ook diverse opties uitgewerkt, zoals het verlagen van het drempelbedrag in de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap, het verhogen van het lage tarief in de vennootschapsbelasting en het beperken van doorschuifregelingen bij overdracht. Het lage tarief in de vennootschapsbelasting is bovendien recent negatief geëvalueerd.28 Tegelijkertijd zullen box 2-aandelen doorgaans bestaan uit niet-liquide ondernemingsvermogen en box 3-aandelen doorgaans onderdeel uitmaken van een liquide beleggingsportefeuille. Vanwege dit onderscheid is een vermogensaanwasbelasting voor box 3-aandelen passender.
Vraag 12
Wordt het werkelijk rendement wel belast als de vermogensaanwas wordt belast? Immers, een papieren en nog niet gerealiseerde waardestijging is toch strikt genomen helemaal geen «werkelijk rendement»?
Vraag 13
Deze leden verstaan onder werkelijk rendement» het daadwerkelijk gerealiseerde rendement. Kan worden uitgelegd waarom dit volgens de regering toch «werkelijk rendement» is? Gemanifesteerde waarde is toch nog geen werkelijk rendement?
Antwoord vragen 12 en 13
De waardevermeerdering van bezittingen wordt als draagkracht vermeerderende factor gezien. Dit geldt ook in het huidige box 3-stelsel. De Hoge Raad heeft hierover het volgende overwogen:29
«Het werkelijke rendement omvat niet alleen de voordelen die worden getrokken uit vermogensbestanddelen in box 3, zoals rente, dividend en huur, maar ook de positieve en negatieve waardeveranderingen van zulke vermogensbestanddelen. Deze waardeveranderingen behoren ook tot het werkelijke rendement indien de belastingplichtige ze nog niet heeft gerealiseerd. Dit vloeit voort uit het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 3. Daartoe behoort namelijk mede het rendement dat kan worden behaald door waardevermeerdering van bezittingen (beleggingsobjecten), ook indien dat voordeel pas later wordt gerealiseerd door verkoop van de desbetreffende bezitting (beleggingsobject).30 Dit blijkt ook uit het feit dat het percentage van het forfaitaire rendement voor overige bezittingen in box 3 is gebaseerd op marktgegevens over ontwikkelingen in de waarde van dergelijke bezittingen. Bij zulke marktgegevens speelt geen rol of een individuele belegger die waardeveranderingen ook heeft gerealiseerd.»
Vraag 14
In welke landen bestaat een dergelijke vermogensaanwasbelasting?
Antwoord vraag 14
Intern onderzoek (2016)
In 2016 is door het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst internationaal onderzoek gedaan naar de belasting van inkomsten uit vermogen en vermogenswinsten in Denemarken, Duitsland, Italië, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten (VS) en Zweden.31 In Nieuw-Zeeland en de VS wordt de vermogensaanwas van specifieke vermogenstitels belast. In de VS heeft dit echter geen betrekking op particulieren en in Nieuw-Zeeland geldt het alleen voor specifieke financiële producten en particulieren met groot vermogen.
«In Nieuw-Zeeland wordt inkomen uit «Financial arrangements» op aanwasbasis belast. Het verwachte inkomen uit het financiële arrangement wordt berekend op een economische basis inclusief vermogensaanwas en over de looptijd van het arrangement verdeeld. Aan het eind van de looptijd wordt een nacalculatie uitgevoerd. Deze regeling is voor particulieren minder van belang. Volgens het IBFD wordt onder «Financial arrangements «begrepen: «any debt or debt instrument, or any arrangement by which a person obtains money in consideration of a promise to provide money at some future time.» Onder de definitie vallen niet alleen schulden, maar ook bijvoorbeeld huurkoopregelingen en termijncontracten.»
Update van het onderzoek door PwC (2025)
Recent heeft PwC op verzoek van de Commissie Wetsvoorstellen van de NOB het onderzoek uit 2016 van een update te voorzien.32 In de update van het onderzoek zijn ook België, Frankrijk en Spanje betrokken. Een vermogensaanwasbelasting als uitgangspunt voor de heffing op aandelen en onroerend komt in de onderzoeksgroep niet voor. In Denemarken is het echter mogelijk om voor specifieke vermogensbestanddelen voor een vermogensaanwasheffing te kiezen.
«Met ingang van 1 januari 2019 kan een speciale aandelenspaarrekening (aktiesparekonto) worden geopend voor het investeren in openbaar verhandelde aandelen (Wet op de Aandelenspaarrekening (Aktiesparekontolov)). Er zit een limiet op het bedrag dat je kunt storten op deze rekening. De maximale storting is DKK 166.200 (2025). De inkomsten en de waardeveranderingen van de rekening worden jaarlijks belast tegen een tarief van 17 procent. Het gaat hier dus ook om niet-gerealiseerde waardeveranderingen. Het tarief van 17 procent is tevens lager dan de reguliere progressieve belastingtarieven van 27 respectievelijk 42 procent op inkomsten uit aandelen. Bij de reguliere heffing op aandelen worden enkel gerealiseerde vermogenswinsten belast. Vermogensverliezen op deze speciale rekening worden doorgeschoven en verrekend met toekomstige winsten.»
Onderzoek OESO (2025)
De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft recent een onderzoeksrapport gepubliceerd over de ervaring en uitdagingen van het belasten van vermogenswinsten.33 Zij geven aan dat de Verenigde Staten, Australië, Nederland en Nieuw-Zeeland in bepaalde situaties een vermogensaanwasbelasting (accrual-based taxation) kennen. «Accrual-based taxation can apply in certain contexts in some countries. In the United States, for example, the accrual basis of taxation applies to securities dealers» holdings and to commodity futures contracts (for a discussion, see Toder and Viard (2016[116])). Australia recently introduced a reform that, if legislated, would tax unrealised capital gains in high value retirement accounts. The Netherlands also has a system of deemed returns on an asset that intends to capture both realised and unrealised gains (see also section 6.2.3). New Zealand taxes gains (and deducts losses) on financial arrangements on an accrual basis (subject to certain thresholds) and taxes portfolio investment in foreign shares on a deemed rate of return basis.»
Vraag 15
De Raad van State adviseert om belastingheffing breder te bezien.34 Hoe wil de regering zich voorbereiden op een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel? Dat is een traject voor de langere termijn. Welke termijn is dat?
Vraag 17
Bent u van mening dat de brede belastinghervorming ten minste ook de BTW en VPB moet betreffen? Of zouden deze belastingen ook in een separaat traject kunnen worden hervormd, nog voordat de brede herziening plaatsvindt?
Vraag 19
Wat zijn de voornemens over wijziging c.q. afschaffing van het toeslagenstelsel? Wordt dat wél onderdeel van de brede belastingherziening?
Vraag 28
Waar raakt volgens de regering de hervorming van box 3 aan het toeslagenstelsel en de mogelijke of gewenste aanpassingen aan dat deel van het stelsel?
Vraag 30
Wordt erkend dat voor hervorming budgettaire ruimte nodig is? Wordt erkend dat door het apart behandelen c.q. het isoleren van box 3, een zekere beperking wordt opgelegd aan de plannen voor een brede fiscale stelselherziening? Is dat misschien ook de bedoeling?
Vraag 47
Klopt het dat de regering reeds ver gevorderd is met hoe de hervorming van het belastingstelsel in de steigers wordt gezet? Wilt u de contouren van de voorgenomen aanpak al schetsen?
Antwoord vragen 15, 17, 19, 28, 30 en 47
In de brief van 17 oktober 202435 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de taakopdracht voor de hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel. De eerste inhoudelijke brief is voorzien voor de zomer 2025 met daarin enkele varianten en keuzeopties. Dit is het startpunt voor een parlementaire dialoog. Een gerichtere nadere uitwerking kan worden opgenomen in brieven in het najaar van 2025 en een eindbrief/eindproduct in het voorjaar van 2026. Voor zover mogelijk wordt vervolgens gestart met het opstellen van wetgeving.
Vraag 18
Wordt erkend dat de keuze voor vermogensaanwas bij aandelen en vermogenswinst bij vastgoed, ook gevolgen kan hebben voor de te maken keuzes bij andere belastingen, fiscale regelingen of faciliteiten? Vervlechting is toch een zwaarwegende reden om de tijdpaden van de box 3-hervorming in lijn te brengen met de brede fiscale hervorming?
Antwoord vraag 18
Bij de voorgenomen hervorming van box 3 is aandacht voor de samenhang met het belastingstelsel. Een belangrijke vorm van onevenwicht in het huidige boxenstelsel van de inkomstenbelasting is dat in box 3 belasting wordt geheven op basis van een forfaitair rendement en elders niet. Het vergroten van evenwichtigheid in het huidige boxenstelsel door in box 3 het werkelijke rendement te belasten past bij toekomstige hervormingen in het belastingstelsel die een evenwichtige belastingdruk op de verschillende inkomensgrondslagen nastreven.
Vraag 21
Kunt u toelichten waarom de opstelling van de NVB zo leidend is geweest bij de keuze voor een vermogensaanwasbelasting?
Vraag 23
Kunt u aantonen dat de argumentatie van de NVB en andere financiële instellingen van doorslaggevende waarde is en dat de VWB niet is blijven liggen omdat de NVB en de sector er eenvoudigweg geen trek» in hebben? Het genoemde lid ontvangt graag een nadere toelichting, want een vermogenswinstbelasting is volgens hem in veel landen gewoon goed uitvoerbaar.
Antwoord vragen 21 en 23
Voor het standpunt van de NVB over de hervorming van box 3 verwijs ik naar hun brieven van 16 juni 202236 en 23 juni 2022.37 Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is niet alleen het standpunt van de NVB in beeld geweest, maar zijn diverse elementen gewogen, zoals juridische houdbaarheid, uitvoerbaarheid, complexiteit, doenvermogen van burgers, budgettaire opbrengsten, verhouding binnen het belastingstelsel, economische effecten, fiscale beginselen enzovoort. De voor- en nadelen van een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting zijn uitgebreid in kaart gebracht en gewogen. Bij de keuze voor een vermogensaanwasbelasting als basis voor een heffing over het werkelijke rendement is aandacht voor de uitvoerbaarheid en de impact op burgers. De mogelijkheid tot het vooraf kunnen invullen van gegevens in de aangifte speelt hierbij een belangrijke rol. Uitvoerbaarheid en doenvermogen zijn echter niet de enige elementen die in de afweging zijn betrokken. In het nader rapport en de memorie van toelichting van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is uitgebreid toegelicht hoe de afweging heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van het voorstel.
Vraag 22
Het lid van de fractie van 50PLUS is nog steeds een voorstander van een vermogenswinstbelasting en acht het huidige uitstel een ideale gelegenheid om aan die laatstgenoemde optie te gaan werken. Het klopt toch dat er nu meer tijd is om de vermogenswinstbelasting beter uitvoerbaar te maken?
Vraag 26
Wat als het behandelschema niet wordt gehaald, bijvoorbeeld omdat er belangrijke amendementen komen die moeten worden ingepast? Wat zijn de gevolgen van verdere vertraging mocht die optreden? Wordt dan de huidige situatie in box 3 nog meer verlengd?
Antwoord vragen 22 en 26
In mijn brief van 13 december 202438 heb ik aangegeven dat de beoogde inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 met een jaar wordt uitgesteld tot 1 januari 2028. Invoering per 1 januari 2028 is uitvoerig verkend en naar huidige omstandigheden haalbaar. De Belastingdienst heeft dat bevestigd in de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.39 In deze uitvoeringstoets is wel als randvoorwaarde opgenomen dat tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel niet wordt besloten tot ingrijpende veranderingen en zijn uitkomsten van de massaalbezwaarplusprocedure of andere toekomstige Hoge Raad arresten waarbij belastingplichtigen de mogelijkheid krijgen om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling of op basis waarvan andere aanvullende herstelwerkzaamheden noodzakelijk niet meegewogen. Ook is met de Belastingdienst en met ketenpartners (zoals banken en verzekeraars) afgesproken dat er een implementatietermijn zal zijn van een jaar en negen maanden, gerekend vanaf het moment dat het wetsvoorstel is aangenomen door de Tweede Kamer. Deze periode hebben de Belastingdienst en de ketenpartners nodig om zich zo goed mogelijk voor te bereiden op de inwerkingtreding van een stelsel op basis van werkelijk rendement. Deze implementatietermijn betekent dat inwerkingtreding per 2028 mogelijk is als het wetsvoorstel uiterlijk op 15 maart 2026 aangenomen wordt door de Tweede Kamer. Als deze datum niet wordt gehaald, zullen gegevensleveranciers niet tijdig, juist en volledig hun gegevens aan de Belastingdienst kunnen aanleveren. In deze situatie is de invoering voor de Belastingdienst – afhankelijk van het moment dat het wetsvoorstel door de Tweede Kamer wordt aangenomen – nog steeds mogelijk maar kan de aangifte inkomstenbelasting niet vooraf worden ingevuld. Dat heeft grote gevolgen voor het toezicht dat de Belastingdienst kan uit oefenen.
Vraag 24
Kunt u toelichten waarom het ontzorgen van klanten en de Belastingdienst zo belangrijk is?
Antwoord vraag 24
Het doel van de Belastingdienst is om de belastingplichtige in staat te stellen om op een zoveel mogelijk eenvoudige manier aan zijn verplichtingen voor het doen van aangifte inkomstenbelasting te kunnen voldoen en daarbij te ontzorgen. Dit kan worden bereikt door een systeem van geautomatiseerde aanlevering van gegevens aan de Belastingdienst waarbij de gegevens zoveel als mogelijk in de vooraf ingevulde aangifte inkomstenbelasting kunnen worden verwerkt. Dit geeft de belastingplichtige de mogelijkheid om deze gegevens op een doenlijke manier te kunnen controleren. Voor de Belastingdienst vergroot het de uitvoerbaarheid om de aangifte op juistheid te kunnen controleren.
Vraag 25
Bij een vermogenswinstbelasting (VWB) zijn er minder gegevens vooraf beschikbaar en het is moeilijker met betrekking tot het doenvermogen. Hoe zwaar wegen die aspecten voor de regering? Dit zijn toch nevenaspecten vergeleken met de fiscale grondslagen als rechtvaardigheid en draagkracht? Waarom zijn nevenaspecten zoals «doenvermogen» en «vooringevulde aangifte» leidend bij box 3?
Antwoord vraag 25
Zoals hierboven opgemerkt zijn het doenvermogen en de mogelijkheid tot een zoveel mogelijk vooraf invullen van gegevens in de aangifte inkomstenbelasting belangrijke elementen in de afweging om te komen tot het huidige wetsvoorstel. Deze elementen zijn evenwel niet leidend of doorslaggevend maar vormen een onderdeel in de weging.
Vraag 27
De invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 leidt er toch in elk geval toe dat bepaalde fiscale varianten of aanpassingen niet meer mogelijk zijn, dan wel te ver van de realiteit verwijderd raken?
Antwoord vraag 27
Met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt het werkelijke rendement van vermogen belast. De forfaitaire vaststelling van het inkomen uit sparen en beleggen komt te vervallen. Een belasting over het werkelijke inkomen uit vermogen acht het kabinet rechtvaardiger dan het huidige forfaitaire regime omdat het beter aansluit bij de werkelijke draagkracht van een belastingplichtige.
Vraag 29
Het budgettaire aspect is niet leidend. Maar wat betekent het doel «budgettair neutraal» dan precies en waarom is het zo leidend?
Antwoord vraag 29
Met het begrip budgetneutraal wordt bedoeld dat de te behalen opbrengst niet leidt tot een derving in het inkomstenkader, waarmee het kabinet de belastinginkomsten beheerst. In het inkomstenkader heeft het vorige kabinet de lijn gehanteerd dat de kosten in het huidige stelsel van box 3 vanwege het benodigde rechtsherstel tijdelijk zijn, en dat bij introductie van het nieuwe stelsel het been weer bijgetrokken dient te worden. Het huidige kabinet heeft bij het vaststellen van het inkomstenkader in de Miljoenennota 2025 deze lijn overgenomen. Een budgetneutrale vormgeving betekent daarmee (feitelijk) dat wordt aangesloten bij de opbrengst die het «oude» box 3-stelsel, zonder kosten voor rechtsherstel, zou opleveren in dat jaar (gecorrigeerd voor enkele tussentijdse beleidswijzingen). Het is hierbij van belang te realiseren dat het begrip «budgetneutraal» in het inkomstenkader wordt toegepast als vergelijking van een opbrengst in een specifiek jaar onder bestaande beleidsveronderstellingen (in dit geval: box 3 zonder rechtsherstel) met de opbrengst in datzelfde jaar met andere beleidsveronderstellingen (in dit geval: het nieuwe stelsel). Budgetneutraal betekent daarmee dus niet een vergelijking van de opbrengst in een specifiek jaar met de feitelijk behaalde opbrengst in het voorgaande jaar.
Het budgetneutrale karakter van het wetsvoorstel acht het kabinet van groot belang, maar dat is niet leidend in de vormgeving van het voorstel. Het kabinet kiest voor een stelsel op basis van werkelijk rendement. Dit sluit aan bij de visie om onevenwichtigheden in de belastingheffing van verschillende vormen van vermogen te verkleinen en past bij het draagkrachtbeginsel in de inkomstenbelasting. Bovendien heeft het kabinet, gegeven de juridische context, weinig bewegingsvrijheid om te kiezen voor een stelsel dat niet aansluit bij het werkelijke rendement. Het loslaten van budgettaire doelstellingen leidt niet tot een nieuw perspectief binnen de uitdagingen die inherent zijn aan het belasten op basis van werkelijk rendement.
Vraag 31
Het lid van de 50PLUS-fractie legt het volgende alternatief voor: Een bevrijdende eindheffing op dividend en rente via een bronbelasting met een tarief van 25%, 30% of 35%, in combinatie met het recht een aanslag te verzoeken (als dat lager uitkomt). Waarom is het genoemde alternatief niet overwogen? Indien het wel is overwogen, ontvangen dit lid graag de informatie daarover. Zo niet, vraagt hij of deze variant alsnog beschouwd worden.
Antwoord vraag 31
Het alternatief van een bevrijdende bronbelasting is in aanloop naar het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 uiteraard ook in beeld geweest. Dit voorstel is gebaseerd op het stelsel in Duitsland dat een dergelijke bevrijdende bronbelasting heft, met het recht om een aanslag te verzoeken wanneer de forfaitaire heffing hoger uitkomt dan de individueel verschuldigde belasting over die inkomsten. Echter, dit alternatief ziet alleen op een deel van de vermogensinkomsten waarover in box 3 wordt geheven en ook onder het toekomstige stelsel zal worden geheven, namelijk banktegoeden en beleggingen in financiële producten en aandelen. Voor deze vermogensinkomsten zouden financiële instellingen verplicht kunnen worden om de bronbelasting in te houden en af te dragen aan de Belastingdienst. De vertegenwoordigers van financiële instellingen hebben in het verleden aangegeven een dergelijke uitvoeringstaak niet voor hun rekening te willen nemen. Daar komt nog bij een bevrijdende bronbelasting niet mogelijk is bij alle andere inkomsten uit vermogen, zoals bijvoorbeeld uit onroerend goed, rechten die direct of indirect betrekking hebben op onroerende zaken, roerende zaken (en rechten daarop) die ter belegging worden aangehouden, rechten die niet op zaken betrekking hebben, zoals onder meer vorderingen in de privé sfeer, optierechten en rechten op kapitaalsuitkeringen uit levensverzekeringen, alsmede overige vermogensrechten met waarde in het economische verkeer, zoals bijvoorbeeld renteswaps, cryptovaluta en non-fungible tokens van kunstwerken. Op basis van deze overwegingen is besloten om geen bevrijdende bronheffing als alternatief voor de box 3-heffing te introduceren.
Vraag 32
Kunt u een overzicht geven van het stelsel van belastingheffing over inkomsten uit vermogen in België en Duitsland?
Antwoord vraag 32
België
Voor een uitgebreid overzicht van de belastingheffing over inkomsten uit vermogen in België verwijs ik u naar het recent gepubliceerde rapport van de Commissie Wetsvoorstellen van de NOB.40 Hierin wordt het stelsel op hoofdlijnen als volgt beschreven.
«België hanteert het principe dat vermogenswinsten die behaald worden door individuen die geen bedrijfsactiviteiten uitvoeren over het algemeen niet belastbaar zijn. België maakt een uitzondering op haar hoofdregel en belast de volgende transacties wel:
• speculatieve transacties;
• de verkoop van onontwikkeld onroerend goed binnen 8 jaar na de verwerving;
• de verkoop van rechten in immateriële vaste activa (bijv. patenten en auteursrechten);
–• de verkoop van ontwikkeld onroerend goed als het binnen 5 jaar na de verwerving wordt verkocht;
• de verkoop van een substantiële deelneming (meer dan 25%) in een binnenlandse vennootschap aan een niet-ingezeten rechtspersoon die niet is gevestigd in een land van de Europese Economische Ruimte (EER); en
• de volledige of gedeeltelijke stopzetting van een bedrijf (binnen bepaalde beperkingen).
Zeer recent is bekend gemaakt dat België het voornemen heeft om per 1 januari 2026 een vermogenswinstbelasting van 10% in te voeren op een groot aantal vermogensbestanddelen. De details hiervan hebben we niet meer kunnen verwerken in dit rapport.»
Duitsland
Voor een uitgebreid overzicht van de belastingheffing over inkomsten uit vermogen in Duitsland verwijs ik u naar het internationaal onderzoek van het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst uit 2016.41 Hierin wordt het stelsel op hoofdlijnen als volgt beschreven.
«Duitsland kent een bevrijdende bronheffing (de zogenaamde «Abgeltungsteuer») op inkomsten uit vermogen dat bij financiële instellingen wordt aangehouden. Deze heffing wordt door banken en andere financiële instellingen ingehouden en afgedragen aan de fiscus. De bevrijdende bronheffing is onderdeel van de Duitse inkomstenbelasting. Het tarief van de bevrijdende bronheffing is 25%. In beginsel is de bevrijdende bronheffing een eindheffing. Echter, voor belastingplichtigen voor wie op grond van het totale inkomen het progressieve inkomstenbelastingtarief lager uitkomt dan 25%, kan op verzoek dat lagere tarief ook op de inkomsten uit vermogen worden toegepast. De door de bank ingehouden belasting wordt dan als voorbelasting in aftrek gebracht van de verschuldigde (individuele) inkomstenbelasting. Duitsland heft sinds 1 januari 1997 geen aparte vermogensbelasting meer.»
Vraag 35
Vermogensbelasting is heffing op enkel bezit. Dat wordt juridisch kwetsbaar geacht. Maar een VAB is indirect toch ook een belasting op bezit via de aanwas van bezit? Waarom is dat niet «juridisch kwetsbaar»?
Vraag 36
Kunt u garanderen dat de vermogensaanwasbelasting (VAB) de toets van de Hoge Raad kan doorstaan, gelet op eerdere jurisprudentie? Zo niet, hoe groot schat u dit risico in?
Vraag 38
Bent u bereid om een juridische houdbaarheidsanalyse van de vermogensaanwasbelasting evenals van de onderzochte alternatieven te verrichten?
Antwoord vragen 35, 36 en 38
In paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt uitgebreid ingegaan op de verhouding tot het hoger recht. De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 202442 vuistregels gegeven over de wijze waarop het werkelijke rendement moet worden bepaald in het kader van de tegenbewijsregeling tegen het huidige forfaitaire stelsel. De Hoge Raad gaat hierbij uit van een vermogensaanwasbelasting voor alle bezittingen, zonder kostenaftrek en zonder verliesverrekening. Deze invulling van het begrip werkelijk rendement vormt daarmee al geen schending van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het inkomensbegrip in het voorgestelde stelsel voor box 3 komt in de basis overeen met het kader van de Hoge Raad. De aangebrachte toevoegingen zijn in het voordeel van de belastingplichtige, zoals de mogelijkheid tot kostenaftrek en verliesverrekening. Daarnaast geldt in het voorgestelde stelsel een vermogenswinstbelasting voor onroerend goed en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen hetgeen een liquiditeitsvoordeel oplevert voor belastingplichtigen. Het kabinet acht het voorgestelde box 3-stelsel juridisch houdbaar omdat in het voordeel van belastingplichtigen wordt voortgebouwd op het kader van de Hoge Raad.
Vraag 37
Bij geen verhuur van de tweede woning wordt de huurwaarde van box 1 gebruikt; is dat niet juridisch kwetsbaar?
Antwoord vraag 37
Op verzoek van het kabinet heeft Stichting Economisch Onderzoek (SEO) onderzoek gedaan naar de hoogte en de spreiding van de huurwaarde van niet-verhuurde box 3-woningen. Uit dit onderzoek blijkt dat in de periode 2019–2021 de gemiddelde (bruto) economische huurwaarde gelijk was aan 5,06% van de WOZ-waarde. De ruwheid inherent aan een forfaitaire regeling, zoals genoemd door de Hoge Raad, geeft aanleiding om bij het vaststellen van de bijtelling een aanzienlijke voorzichtigheidsmarge in te bouwen ten opzichte van deze gemiddelde huurwaarde. Daarom is gekozen voor een brutohuurwaarde die behoort bij het 10e percentiel van de verdeling. Dat betekent dat 90% van de woningen een hogere huurwaarde heeft dan waar in het gekozen percentage rekening mee is gehouden. De brutohuurwaarde van het 10e percentiel is 3,35%.
Het percentage van het eigenwoningforfait in box 1 wijkt af van de voorgestelde vastgoedbijtelling in box 3 van 3,35%. In box 1 bedraagt het eigenwoningforfait 0,35% voor woningen met een woningwaarde boven € 75.000 en tot € 1.330.000. Voor woningen met een woningwaarde boven de € 1.330.000 (bedrag 2025) geldt voor de waarde vanaf € 1.330.000 het verhoogde eigenwoningforfait van 2,35%. De ratio achter het verhoogde eigenwoningforfait is dat boven een bepaalde woningwaarde het beleggingsaspect een grotere rol speelt. De eigen woning in box 1 kan deels als besteding/consumptiegoed (bewoning) en deels als belegging/investeringsgoed worden beschouwd. In het rapport Belastingen in maatschappelijk perspectief is recentelijk geconstateerd dat het huidige eigenwoningforfait van 0,35% historisch laag is. Ten opzichte van de eigen woning speelt bij een onroerende zaak in box 3 uitsluitend het beleggingsaspect een rol. Met het bestedingsaspect wordt geen rekening gehouden. De bruto economische huurwaarde van de betreffende box 3-woning is het uitgangspunt.
Vraag 39
Hoe lang heeft het forfaitaire stelsel met een vaste «rekenrente» van 4% precies bestaan zonder dat er sprake was van juridische onhoudbaarheid?
Vraag 40
De juridische onhoudbaarheid van het forfaitaire stelsel is toch pas aan het licht gekomen na de manipulatie van de marktrente door monetaire autoriteiten en de differentiatie van de forfaitaire rendementen in 2016?
Antwoord vragen 39 en 40
Het forfaitaire rendement van 4% gold vanaf de invoering van box 3 in 2001 tot en met 2016. De Hoge Raad heeft op 10 juni 201643 geoordeeld dat de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2011 niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De Hoge Raad heeft op 14 juni 201944 geoordeeld dat de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2013 en 2014 wel een schending vormt van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM als het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 lager is dan 1,2%. De Hoge Raad heeft echter destijds niet een rechtstekort vastgesteld waarin de rechter op stelselniveau kan voorzien. De Hoge Raad overweegt hierbij dat de rechter ten opzichte van de wetgever terughoudendheid past bij het voorzien in zo’n rechtstekort op stelselniveau.
Vraag 41
Was het echt wel opportuun om het vaste fictieve rendement in box 3 af te schaffen op basis van incidentele manipulatie van de rentestand?
Vraag 44
Waarom is op het hoogtepunt van het extraordinaire monetaire beleid van de centrale bank, met bewezen neerwaartse rente-effecten, het vaste fictieve rendement van 4% niet tijdelijk fors verlaagd? Het ging toch om tijdelijke beleidsinterventies- en effecten? Was een hervorming van box 3 überhaupt wel nodig geweest als de regering destijds het fictief rendement had aangepast aan de tijdelijke «extraordinaire» omstandigheden?
Antwoord vragen 41 en 44
Per belastingjaar 2017 is de vermogensrendementsheffing in box 3 herzien. Het doel van de herziening is dat de heffing beter aansluit bij de rendementen die door belastingbetalers in voorafgaande jaren gemiddeld zijn behaald.45 De wijziging per 2017 is als volgt toegelicht:
«De in dit wetsvoorstel opgenomen differentiatie van het forfaitaire rendement op sparen en op beleggen komt tegemoet aan de genoemde ontwikkeling dat een rendement van 4% voor het totale box 3-vermogen nog steeds dicht wordt benaderd, maar het rendement op spaargeld sinds enige tijd ruim beneden de 4% ligt. Ook met deze differentiatie is het mogelijk om de eenvoud en het beperkte risico op belastingontwijking in box 3 zo veel mogelijk te behouden. Het kabinet wil dit bewerkstelligen door het forfaitaire rendement voortaan te baseren op de gemiddelde verdeling van het box 3-vermogen over spaargeld en beleggingen (de vermogensmix) in combinatie met een in het verleden in de markt gerealiseerd rendement op beide componenten. Zowel het rendement op het spaardeel als op het beleggingsdeel wordt jaarlijks aangepast aan de hand van de meest actueel beschikbare gegevens. Er wordt dus niet gedifferentieerd naar de vermogenstitels die een belastingplichtige daadwerkelijk bezit, maar naar een gemiddelde vermogensverdeling over sparen en beleggen. Deze gemiddelde vermogensmix is gebaseerd op de belastingaangiften en wordt periodiek geëvalueerd, voor het eerst tegelijk met de evaluatie van het nieuwe systeem drie jaar na inwerkingtreding en vervolgens elke vijf jaar.»
Vraag 42
Zou de juridische onhoudbaarheid van een vast fictief rendement ook aan de oppervlakte zijn gekomen als er geen sprake was geweest van rentemanipulatie via Quantitative Easing?
Antwoord vraag 42
Uit het vermelde arrest van de Hoge Raad van 14 juni 201946 kan a contrario worden opgemaakt dat de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2013 en 2014 geen schending vormt met artikel 1 met het Eerste Protocol bij het EVRM als het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 hoger was dan 1,2 procent.
Vraag 43
Is er, mede dankzij het normaliseren van het monetaire beleid, nu weer ruimte voor de wetgever om terug te keren naar een forfaitair stelsel met een vast of in elk geval een gelijk fictief rendement voor iedereen? Indien nee, waarom niet?
Antwoord vraag 43
In het arrest van 6 juni 202447 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat sprake is van een schending van de door artikel 1 EP in samenhang met artikel 14 EVRM gewaarborgde rechten als het forfaitair berekende voordeel hoger is dan het werkelijke rendement. Vervolgens heeft de Hoge Raad regels geformuleerd met betrekking tot de vaststelling van het werkelijke rendement (in het kader van de tegenbewijsregeling). Het is niet van belang hoe groot het verschil is tussen het forfaitair bepaalde rendement en het werkelijke rendement. Er is dus geen sprake van een significantiemarge.
De juridische houdbaarheid van een forfaitair stelsel gebaseerd op laagrisico rendementen is onzeker. Ook bij een heffing gebaseerd op laagrisico rendementen kan sprake zijn van een schending van het eigendomsrecht, bijvoorbeeld als sprake is van een verlies. Het kabinet is geen voorstander van een forfaitair stelsel gebaseerd op laagrisico rendementen omdat de werkelijk genoten rendementen grotendeels niet belast worden. Daarmee sluit dit stelsel niet aan bij het draagkrachtbeginsel van de inkomstenbelasting.
Vraag 45
Wanneer komt er duidelijkheid over de vraag van het lid van de fractie van 50PLUS uit zijn aangehouden motie of en wanneer er een Onafhankelijke Adviescommissie komt over de brede hervorming van het belastingstelsel?48
Vraag 46
Dit lid heeft kennisgenomen van het besluit van de SER om zelf een commissie in te stellen voor de hervorming van het belastingstelsel.49 Wat vindt de regering van het feit dat de SER wel een adviescommissie instelt en de regering vooralsnog niet?
Vraag 48
Hoe bent u van plan om de werkzaamheden van de adviescommissie van de SER te betrekken bij de oordeelsvorming over de toekomst van het belastingstelsel? Gaat u op dit advies wachten?
Antwoord vragen 45, 46 en 48
Het kabinet wil de stap zetten van analyse naar besluitvorming. Daarbij acht het kabinet maatschappelijke betrokkenheid van belang. Daarom spreekt het kabinet met diverse stakeholders die vanuit een verschillende achtergrond onafhankelijk advies geven over de richting van de hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel en de dilemma’s die daarbij worden gesignaleerd. Zo worden academische experts geconsulteerd om bestaande kennis maximaal te benutten. Daarnaast wordt gesproken met vertegenwoordigers van burgers (waaronder sociaal raadslieden). Datzelfde geldt uiteraard voor publieke dienstverleners, gemeenten en andere betrokkenen. De hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel is immers een opgave die de hele maatschappij aangaat en houdbaar moet zijn over toekomstige kabinetten heen. Het kabinet zal daarin de benodigde stappen zetten. Dat neemt niet weg dat het kabinet hecht aan het advies van de adviescommissie van de SER. Het kabinet is voornemens om uw Kamer in de zomer van 2025 nader te informeren over de voortgang van de hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel.
Samenstelling:
Kroon (BBB) (ondervoorzitter), Van Wijk (BBB), Heijnen (BBB), Griffioen (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Crone (GroenLinks-PvdA), Karimi (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van Ballekom (VVD) (voorzitter), Geerdink (VVD), Vogels (VVD), Bovens (CDA), Bakker-Klein (CDA), Aerdts (D66), Moonen (D66), Van Strien (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Apeldoorn (SP), Holterhues (CU), Van den Oetelaar (FVD), Schalk (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)
Kamerstukken II 2023/24, 32 140, nr. 200, bijlage «Huurwaarderatio voor vastgoedbijtelling box 3».
Vgl. HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2517, rechtsoverweging 3.6.3. Vgl. ook Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 20, 38 en 229, en Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 3, blz. 7–8.
Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 6, blg. 783313, «Internationaal onderzoek box 3, Een overzicht van de fiscale behandeling van inkomsten uit vermogen in Denemarken, Duitsland, Italië, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.»».
OECD Taxation Working Papers No. 72, Taxing capital gains: Country experiences and challenges, 26 February 2025.
Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 6, blg. 783313, «Internationaal onderzoek box 3, Een overzicht van de fiscale behandeling van inkomsten uit vermogen in Denemarken, Duitsland, Italië, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.».
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32140-AG.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.